Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:906

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
200.263.796/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen aannemer en onderaannemer over aantal gefactureerde uren. Kantonrechter wijst vordering grotendeels af. Hof wijst deze grotendeels toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.263.796/01

zaaknummer rechtbank Den Haag : 5992070 CV EXPL 17-2248

arrest van 25 mei 2021 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

handelend onder de naam [naam] Onderhouds- en Klusbedrijf,

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal beroep,

geïntimeerde in incidenteel beroep,

advocaat: mr. V. Kortenbach te Den Haag,

tegen

QBIQ B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

geïntimeerde in principaal beroep,

appellante in incidenteel beroep,

advocaat: mr. B.A.J. van Lammeren te Alphen aan den Rijn.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk [appellant] en Qbiq.

[appellant] is bij dagvaarding van 23 juli 2019 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 maart 2018 (hierna: het tussenvonnis) en 25 april 2019 (hierna: het eindvonnis) gewezen tussen [appellant] als eiser en Qbiq als gedaagde.

Bij arrest van 10 september 2019 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen. Deze is gehouden op 19 november 2019.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties;

- akte (uitlaten producties), met een productie, van Qbiq.

Partijen hebben ter zitting van 21 april 2021 hun standpunten laten toelichten door hun advocaten. Mr. Van Lammeren heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] drijft een eenmanszaak in de aannemerij (onderhouds- en klusbedrijf). Daarbij neemt [appellant] ook opdrachten van derden aan om materialen te vervoeren, op te ruimen of uit gebouwen te demonteren en af te voeren.

Qbiq drijft een onderneming die zich bezig houdt met de ontwikkeling, productie en groothandel in systeemwanden en andere interieuronderdelen.

[appellant] heeft vanaf 2012 opdrachten aangenomen van Qbiq.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] vorderde bij inleidende dagvaarding veroordeling van Qbiq tot betaling aan hem van een bedrag van, in hoofdsom, € 18.720,02. Daarnaast vorderde hij een vergoeding wegens buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente. De gevorderde hoofdsom is de som van de bedragen die [appellant] in de periode van 23 augustus 2016 t/m 18 december 2016 aan Qbiq heeft gefactureerd als vergoeding voor de uren die personeelsleden van [appellant] dan wel door [appellant] ingeschakelde onderaannemers hebben besteed ten behoeve van diverse door Qbiq uitgevoerde (bouw)projecten. Een overzicht van deze facturen heeft [appellant] als productie 4 bij inleidende dagvaarding in het geding gebracht. [appellant] heeft daarbij in eerste aanleg erkend dat de eerste factuur van dit overzicht is betaald door Qbiq en hij heeft de gevorderde hoofdsom daarom verminderd met het bedrag van deze factuur, € 726,20.

3.2.

Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat partijen niet zijn overeengekomen dat [appellant] de gewerkte uren dient aan te tonen aan de hand van zijn door de betrokken projectleider van Qbiq goed te keuren manurenstaten. Daarom staat het [appellant] vrij de gewerkte uren ook op een andere wijze te bewijzen, aldus de kantonrechter. De kantonrechter heeft eveneens overwogen dat het beroep van Qbiq op verrekening wordt gepasseerd omdat niet op eenvoudige wijze was vast te stellen of dit verweer gegrond was (artikel 6:136 BW). De kantonrechter heeft [appellant] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij bij de in het geding zijnde facturen alleen die uren in rekening heeft gebracht die hij en zijn personeel in opdracht van Qbiq hebben gewerkt.

3.3.

Bij eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] niet was geslaagd in het bewijs en dat zijn vordering daarom moest worden afgewezen, behoudens een bedrag van € 1.296,20 (te vermeerderen met rente) omdat Qbiq de geldigheid van de desbetreffende werkbon niet had betwist. Dit bedrag betrof een factuur van 5 december 2016. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[appellant] heeft drie grieven tegen de vonnissen aangevoerd, zijn eis gewijzigd en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de beide vonnissen zal vernietigen en Qbiq alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot betaling van € 18.720,02 (met wettelijke handelsrente) alsmede een bedrag van € 962,20 wegens buitengerechtelijke incassokosten (met wettelijke rente), en met veroordeling van Qbiq in de kosten van beide instanties (met wettelijke rente en nakosten).

3.5.

Qbiq heeft in principaal beroep geconcludeerd tot, zakelijk weergegeven, afwijzing van de vorderingen. In incidenteel beroep heeft Qbiq drie grieven aangevoerd en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van [appellant] alsnog geheel zal afwijzen, en [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 1.490,63 (met wettelijke rente) en, voor het geval een deel van de vorderingen van [appellant] wordt toegewezen, Qbiq zal toestaan een bedrag van € 1.452,40 te verrekenen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

3.6.

In incidenteel beroep heeft [appellant] geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot verwerping van het incidentele beroep, met veroordeling van Qbiq in de kosten daarvan (met wettelijke rente en nakosten).

3.7.

Naar aanleiding van de grieven in het principale en incidentele beroep zijn de volgende geschilpunten in hoger beroep aan de orde:

  1. de vraag of [appellant] de juistheid van de door hem aan Qbiq gefactureerde uren nog uitsluitend kan bewijzen door middel van het door Qbiq gestelde facturatieproces;

  2. de vraag of de juistheid van de door [appellant] aan Qbiq gefactureerde uren kan worden aangenomen;

  3. de vraag of de vordering van [appellant] toewijsbaar is op de door hem subsidiair gestelde grondslag, te weten de grondslag van artikel 7:405 BW en ongerechtvaardigde verrijking;

  4. de vraag of in verband met een aantal facturen Qbiq wel de opdrachtgever is geweest van de werkzaamheden en het beroep van Qbiq op verrekening.

3.8.

Het hof zal deze geschilpunten hierna achtereenvolgens bespreken.

3.9.

In grief I in incidenteel beroep betoogt Qbiq dat tussen partijen wel contractinhoud is geworden dat [appellant] de door hem en zijn personeel/onderaannemers gewerkte uren diende aan te tonen door overlegging van een facturatiebon, afgetekende mandagenstaat of afgetekende werkbon bij zijn factuur om die factuur voor betaling in aanmerking te laten komen en dat het [appellant] - anders dan de kantonrechter oordeelde - als gevolg van deze afspraken niet vrij staat om de gewerkte uren op een andere wijze te bewijzen.

3.10.

De kantonrechter heeft het verweer van Qbiq, dat erop neerkomt dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij van het wettelijke bewijsrecht wordt afgeweken (artikel 153 Rv.), terecht verworpen. De stellingen van Qbiq houden in wezen niet méér in dan dat Qbiq op verschillende momenten aan [appellant] heeft gevraagd een bepaalde wijze van factureren in acht te nemen en dat [appellant] daar in de meeste gevallen ook naar heeft gehandeld. Aldus kunnen deze stellingen niet de conclusie dragen dat tussen partijen is overeengekomen dat de gegrondheid van de door [appellant] in te dienen facturen slechts zou kunnen worden vastgesteld op basis van het door Qbiq beschreven facturatieproces, nog daargelaten of de uitlatingen van de zijde van Qbiq met betrekking tot dat facturatieproces wel steeds zo eenduidig zijn geweest als Qbiq in de procedure betoogt.

3.11.

Grief I in incidenteel beroep faalt dus.

3.12.

Het hiervoor genoemde tweede geschilpunt betreft het wel of niet juist zijn van het aantal uren dat [appellant] bij Qbiq in rekening heeft gebracht in zijn facturen waarvan hij betaling vordert in het onderhavige geding. Het gaat om de laatste 28 facturen op het eerdergenoemde overzicht van [appellant] (productie 4 bij inleidende dagvaarding). Daarnaar gevraagd, heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep bevestigd dat het petitum van de memorie van grieven een misslag bevat doordat daarin ten onrechte geen rekening is gehouden met de in eerste aanleg verminderde eis (het laten vervallen van de vordering ter zake van de eerste factuur op het overzicht van € 726,20). Het totaalbedrag aan facturen waarvan [appellant] betaling vordert, beloopt dus een bedrag van € 17.993,82 (€ 18.720,02 – € 726,20). Daartoe behoort ook de factuur ten aanzien waarvan de kantonrechter de vordering van [appellant] toewijsbaar heeft geacht, nu Qbiq dit oordeel heeft bestreden in grief II in incidenteel beroep. Zoals hierna zal blijken, acht het hof het verweer van Qbiq met betrekking tot de facturen met de nummers 4867, 4869 en 4879 (totaal: € 2.651,10) gegrond omdat op basis van de overgelegde stukken niet kan worden aangenomen dat Qbiq [appellant] de desbetreffende werkzaamheden heeft opgedragen. Dit betekent dat het urengeschil waarover nog moet worden geoordeeld een totaalbedrag beloopt van € 15.342,72 (€ 17.993,82 – € 2.651,10). In verband met dit resterende urengeschil oordeelt het hof als volgt.

3.13.

Ter zitting in hoger beroep heeft Qbiq meegedeeld dat het urengeschil uitsluitend gaat over de juistheid van het aantal uren dat [appellant] in rekening heeft gebracht door middel van de facturen waarvan hij betaling vordert. Qbiq, daarnaar gevraagd, betwist dus niet dat [appellant] op de desbetreffende data en projecten in haar opdracht werkzaamheden heeft verricht (zoals uit het voorgaande volgt: uitgezonderd voor zover het gaat om de facturen met de nummers 4867, 4869 en 4879).

3.14.

Partijen zijn het erover eens dat aan de hand van de gegevens van de tachograaf van de vrachtauto van [betrokkene] kan worden nagegaan hoeveel uren in elk geval is gewerkt door werknemers dan wel onderaannemers van [appellant] op de data die in de facturen zijn genoemd. [betrokkene] leverde immers met de vrachtauto de materialen aan die [appellant] en zijn personeel moesten lossen en verplaatsen en nam vervolgens de bokken (waar het materiaal op stond) en ander (verpakkings)materiaal weer mee terug. Qbiq heeft meegedeeld dat zij deze gegevens heeft vergeleken met de door [appellant] opgegeven uren. Het hof heeft aan Qbiq gevraagd welk deel van de facturen van [appellant] waarover het in dit geding gaat, wel juist is indien uitsluitend zou worden uitgegaan van de tijd van aankomst en die van vertrek van de vrachtauto van [betrokkene]. Qbiq heeft op die vraag geantwoord dat een bedrag van € 7.000,- à € 8.000,- juist zou kunnen zijn. Naar het hof de uitlatingen van Qbiq ter zitting heeft begrepen, heeft Qbiq de juistheid van de facturen van [appellant] in zoverre niet langer betwist.

3.15.

Qbiq heeft naar voren gebracht dat aanzienlijke verschillen bestonden tussen de urenregistratie overeenkomstig de tachograaf van [betrokkene] en de door [appellant] gefactureerde uren en dat dit voor haar reden was om de resterende openstaande facturen te betwisten c.q. niet te betalen bij gebreke van een facturatiebon, afgetekende werkbon of mandagenstaat. [appellant] heeft echter toegelicht waarom in zijn visie de werkuren aan de hand van de tachograaf niet vergelijkbaar zijn met zijn eigen werkuren. Voordat de vrachtwagen aankwam maakten de mensen van [appellant] alles klaar voor het transport (“zoals de beschermingen aanbrengen op de grond, de kozijnen en de lift voor als wij transporten met een kraan of verreiker hadden”) en als het transport klaar was, moest weer alles verwijderd, opgeruimd en schoongemaakt worden. Ook gebeurde het vaak dat materialen over meerdere verdiepingen moesten worden verplaatst of een overschot naar een hogere of lagere verdieping (“en daar bleef de vrachtwagen echt niet op wachten”). Het gebeurde ook dat de vrachtwagen de laatste bok neerzette waar minimaal 50 gipsplaten of 30 glasplaten op staan die nog naar boven moesten worden gebracht. Ook kwam het voor dat de chauffeur alles neerzette omdat hij moest herladen voor een volgende klus en dat hij alle bokken neerzette en dat “wij” ervoor moesten zorgen dat alle lege bokken klaar stonden voor als hij eind van de dag terugkwam om de lege bokken op te halen. Dan waren er ook nog spoedklussen (“en dan gaat de tijd lopen als ik ga rijden soms een half uur maar van ver weg ook wel anderhalf uur of meer en dat werd ook in rekening gebracht, want je kan niet tegen je personeel zeggen die net een zware klus hebben afgewerkt je krijgt deze uren niet betaald”). Aldus de toelichting van [appellant], die nog de vraag heeft opgeworpen waarom de uren niet zijn gecontroleerd met de in- en uitchecksystemen. Het hof is van oordeel dat Qbiq niet naar behoren op de inhoud van deze toelichting van [appellant] - die het hof op zichzelf plausibel voorkomt - is ingegaan. De tegenwerping van Qbiq in haar memorie van antwoord onder 69 dat [appellant] de uitzonderingen op de regel benoemt en dat het verschil in tijd “in veel gevallen niet gerechtvaardigd kon worden door alleen voorbereidingswerkzaamheden vooraf en/of opruimwerkzaamheden achteraf” acht het hof ontoereikend om als behoorlijk gemotiveerde betwisting te kunnen gelden. In eerste aanleg heeft ook Qbiq opgemerkt dat er op veel bouwplaatsen een in- en uitchecksysteem bestaat. Qbiq heeft aangeboden de gegevens daarvan over te leggen. Nu deze gegevens kennelijk wel toegankelijk zijn voor Qbiq maar zij niet de mogelijkheid heeft benut deze uit eigen beweging over te leggen, ziet het hof geen aanleiding haar die gelegenheid alsnog te bieden.

3.16.

Kennelijk zijn er onder de facturen waarvan betaling wordt gevorderd facturen waarbij in de specificatie niet een juist onderscheid is gemaakt tussen het aantal in rekening gebrachte uren en het gehanteerde uurtarief doordat [appellant] toeslagen op het standaard uurtarief (bijvoorbeeld 150 of 200%) heeft verdisconteerd in het aantal uren en niet in het uurtarief. Zodanige specificaties zijn vanzelfsprekend niet juist. Waar het hier echter om gaat, is of [appellant] per saldo nu teveel bij Qbiq in rekening heeft gebracht. Op grond van de wederzijdse stellingen bestaat onvoldoende aanknopingspunt om aan te nemen dat hiervan sprake is geweest.

3.17.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het als tweede genoemde geschilpunt in het voordeel van [appellant] moet worden beslist. In zoverre slagen de grieven 1 en 2 in principaal beroep en faalt grief II in incidenteel beroep. Bij verdere afzonderlijke bespreking van deze grieven bestaat onvoldoende belang.

3.18.

Het als derde genoemde geschilpunt (aan de orde gesteld in grief 3 in principaal beroep) kan hier bij deze uitkomst verder onbesproken blijven.

3.19.

Het laatste geschilpunt dat eerder is genoemd, betreft de vraag of Qbiq ten aanzien van enkele facturen wel de opdrachtgever is geweest van de werkzaamheden en het beroep van Qbiq op verrekening.

3.20.

Ten aanzien van de facturen met de nummers 4867, 4869 en 4879 (totaalbedrag: € 2.651,10) en ten aanzien van de facturen met de nummers 4950 en 4851 (totaalbedrag: € 1.452,40) betwist Qbiq dat zij de opdrachtgever is geweest van [appellant]. Volgens Qbiq heeft niet zij, maar Plafond Perfect (als onderaannemer van Qbiq) aan [appellant] opdracht gegeven tot de gefactureerde werkzaamheden. [appellant] beroept zich ter bestrijding van dit standpunt van Qbiq op enkele door haar in hoger beroep overgelegde transscripties van gesprekken. Naar het hof begrijpt, ging het om werkzaamheden die Plafond Perfect in opdracht van Qbiq uitvoerde, waarbij bleek dat Plafond Perfect de werkzaamheden niet tijdig zou kunnen afronden. Vervolgens is [appellant] ingeschakeld om Plafond Perfect bij haar werkzaamheden te helpen teneinde het werk alsnog tijdig af te kunnen maken. De vraag of vervolgens een overeenkomst tussen Qbiq en [appellant] tot stand gekomen is dan wel een overeenkomst tussen Plafond Perfect (‘[voornaam]’) en [appellant], kan op basis van deze transscripties niet worden beantwoord. Daaruit komt weliswaar naar voren dat de werkzaamheden van [appellant] zijn uitgevoerd ten behoeve van Qbiq en na overleg met een projectleider van Qbiq ([projectleider]), maar of in de verhouding tot [appellant] nu Plafond Perfect dan wel Qbiq als opdrachtgever moet worden aangemerkt, wordt daaruit onvoldoende duidelijk. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat Qbiq de weergave van de gevoerde gesprekken in de overgelegde transscripties niet betwist. Nu verder de inhoud van deze gesprekken niet bijdraagt aan het bewijs, moet het bewijsaanbod van [appellant] als niet ter zake dienend worden verworpen. Voor zover de vordering van [appellant] strekt tot betaling van de facturen met de nummers 4867, 4869 en 4879, is de vordering daarom, zoals eerder overwogen, niet toewijsbaar. Het hof voegt hier aan toe dat de vordering in zoverre evenmin toewijsbaar is op grond van ongerechtvaardigde verrijking reeds omdat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat, zoals Qbiq heeft betoogd, Plafond Perfect de opdracht had aangenomen tegen een vaste aanneemsom. Ook de discussie daarover tussen partijen kan niet worden beslist op basis van de transscripties. In zoverre falen de grieven 1 en 2 in principaal beroep. De hiervoor gesignaleerde onduidelijkheid ten aanzien van de vraag wie opdrachtgever was van [appellant] brengt mee dat het daarop gebaseerde beroep van Qbiq op verrekening moet worden verworpen. Het is immers Qbiq die zich daarbij beroept op onverschuldigde betaling, zodat de bewijslast en het bewijsrisico hier op Qbiq rusten.

3.21.

Ten aanzien van de facturen met de nummers 4850 en 4851 heeft Qbiq nog een afzonderlijk, losstaand van de kwestie Plafond Perfect, beroep op verrekening gedaan (grief III in incidenteel beroep, onder verwijzing naar haar memorie onder 30 en volgende). Zij heeft erop gewezen dat deze facturen niet naast elkaar kunnen bestaan gelet op de daarop vermelde data, uren en personen. [appellant] is hierop niet ingegaan, zodat het beroep op verrekening als onweersproken ten aanzien van een van beide facturen (726,20) slaagt.

3.22.

Grief III in incidenteel beroep slaagt dus in zoverre en faalt voor het overige.

3.23.

Ter zitting van het hof heeft [appellant] gevraagd nog de gelegenheid te krijgen een schriftelijke verklaring in het geding te brengen van Verbruggen, een projectleider van Qbiq. Op dit verzoek behoeft niet te worden beslist omdat, zoals volgt uit het voorgaande, [appellant] daarbij geen belang heeft.

3.24.

De slotsom luidt dat de grieven 1 en 2 in principaal beroep en grief III in incidenteel beroep gedeeltelijk slagen en dat de grieven voor het overige geen succes hebben. De bestreden vonnissen kunnen niet in stand blijven. De hoofdvordering van [appellant] is toewijsbaar tot een bedrag van € 14.616,52. Het hof zal de hierover gevorderde wettelijke handelsrente toewijzen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, 21 april 2017, aangezien uit de stellingen van [appellant] niet volgt op grond waarvan deze rente vanaf een eerdere datum verschuldigd is. Eveneens is toewijsbaar de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassokosten met de daarover gevorderde wettelijke rente, met dien verstande dat deze vergoeding zal worden berekend over het toewijsbare deel van de hoofdvordering. Qbiq zal worden veroordeeld in de kosten van beide instanties omdat zij als de overwegend in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen;

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Qbiq tot betaling aan [appellant] van het bedrag van € 14.616,52, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 21 april 2017 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Qbiq tot betaling aan [appellant] van het bedrag van € 921,16, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 21 april 2017 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Qbiq in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot deze tot de datum van het eindvonnis aan de zijde van [appellant] op € 555,21 wegens verschotten en € 1.620,- wegens salaris, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt Qbiq in de kosten van het hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] in principaal beroep op € 822,83 wegens verschotten en € 3.342,- wegens salaris en in incidenteel beroep op € 1.114,- wegens salaris en op € 163,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze kostenveroordeling is voldaan;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, S.R. Mellema en M.V. Ulrici en is door de rolraadsheer uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.