Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:904

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
200.258.012/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:1018, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevolgen voor appelprocedure van faillissement van buitenlandse appellante. Toepasselijk recht (EIV). Verbintenis uit de boedel (art. 29 Fw); schorsing en ambtshalve royement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.258.012/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/542847/HA ZA 18-44

beschikking van 11 mei 2021

inzake

[naam curator], in zijn hoedanigheid van Insolvenzverwalter in het faillissement van HIK Systeme und Module GmbH,

gevestigd te Rahden, Duitsland,

appellant,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. R.J. Leijssen te Enschede,

tegen

Bosman Watermanagement B.V.,

gevestigd te Piershil, gemeente Hoeksche Waard,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Bosman,

advocaat: mr. R.V. Ries te Zoetermeer.

Het geding

1. Voor het procesverloop tot 6 oktober 2020 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen is bepaald op 3 december 2020 (hierna: het tussenarrest). Mr. Leijssen heeft op 15 oktober 2020 verzocht de comparitie van partijen aan te houden.

2. De comparitie van partijen is vervolgens bepaald op 28 januari 2021. De comparitie van partijen heeft op die datum echter geen doorgang gevonden. De aanleiding daarvoor is als volgt.

2.1

Mr. Leijssen heeft het hof bij brief van 14 december 2020 laten weten, kort gezegd, dat HIK Systeme und Module GmbH (hierna: HIK) op 1 december 2019 in staat van faillissement is verklaard.

2.2

Bij brief van 24 december 2020, met afschrift aan mr. Ries, heeft het hof mr. Leijssen voorgehouden dat naar Nederlands recht de procedure zou zijn geschorst en mr. Leijssen gevraagd hierop te reageren.

2.3

Mr. Leijssen heeft ter rolle van 13 januari 2021 een ‘akte overname procedure door lnzolvenzverwalter’, met producties, genomen.

2.4

Het hof heeft partijen op 20 januari 2021 bericht dat Duits faillissementsrecht van toepassing lijkt te zijn en partijen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en aan te geven welke gevolgen het faillissement van HIK naar hun inzicht heeft voor de onderhavige procedure. Partijen hebben hun standpunten aan het hof kenbaar gemaakt. Het hof heeft de comparitie aangehouden om zich te beraden over de voortgang van deze procedure.

Beslissing ex artikel 29 Fw

3. Blijkens de beslissing van het Amtsgericht Bielefeld is HIK op 1 december 2019 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als curator.

4. De gevolgen van het faillissement van HIK voor deze procedure worden beheerst door het recht van de lidstaat waar de rechtsvordering aanhangig is (artikel 18 van de EU Insolventieverordening (EIV)). Nu de procedure in Nederland aanhangig is, is de regeling neergelegd in de artikelen 27-30 Faillissementswet (Fw) van toepassing.

In dit hoger beroep hebben partijen op de rol van 19 november 2019 gefourneerd en arrest gevraagd. Hieruit volgt dat vóór de faillietverklaring op 1 december 2019 de stukken van het geding tot het geven van een beslissing aan de rechter zijn overgelegd. Op grond van artikel 30 lid 1 Fw zijn in dat geval de artikelen 27-29 Fw niet toepasselijk. De procedure is op het moment waarop het faillissement van HIK is uitgesproken dus niet geschorst en het hof diende arrest te wijzen. Het hof heeft op 6 oktober 2020 een tussenarrest gewezen en een comparitie van partijen gelast. Daardoor zijn op grond van artikel 30 lid 2 Fw de artikelen 27-29 Fw weer toepasselijk geworden.

5. In eerste aanleg heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) op 30 januari 2019 vonnis gewezen. Daarin heeft de rechtbank in conventie geoordeeld dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 42.515,40, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente naar Duits recht vanaf 8 januari 2016, tot 1 november 2018, en deze berekend op € 9.515,86, zodat HIK in totaal € 52.031,26 te vorderen heeft. De rechtbank heeft overwogen dat Bosman dit bedrag kan verrekenen met het bedrag dat Bosman van HIK te vorderen heeft, te weten € 79.650,21 exclusief BTW, te vermeerderen met € 1.571,50 aan buitengerechtelijke kosten en de wettelijke handelsrente naar Duits recht. Het voorgaande in aanmerking nemende, heeft de rechtbank de vordering in conventie afgewezen, met veroordeling van HIK in de proceskosten, en de vordering in reconventie toegewezen tot een bedrag van € 27.618,95 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente naar Duits recht hierover vanaf 13 januari 2017, en voorts een bedrag van € 1.571,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van HIK in de proceskosten. Aan het vonnis is (gedeeltelijk) uitvoering gegeven: naar zij stelt, heeft HIK op 1 maart 2019 € 36.699,- aan Bosman betaald. Volgens Bosman is niet de hele vordering betaald. Zij stelt € 31.928,45 te hebben ontvangen. Dat is een bedrag zonder wettelijke rente en vertaalkosten.

6. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel dat de vordering van HIK in conventie toewijsbaar is tot een bedrag (inclusief wettelijke handelsrente naar Duits recht) van € 52.031,26. Deze vordering is dus in hoger beroep niet meer aan de orde. Voor zover de opmerking in punt 89 van de memorie van grieven betrekking heeft op de conventie, beoogt die de verrekening ongedaan te maken en is deze zodanig met de reconventionele vordering verweven dat zij het lot van die vordering deelt.

7. Het hoger beroep betreft dus alleen de oorspronkelijke vordering in reconventie. Deze vordering heeft tot doel voldoening van een verbintenis uit de boedel, zodat artikel 29 Fw van toepassing is (vgl. Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2100). Artikel 29 Fw bepaalt dat voor zover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, het geding na de faillietverklaring wordt geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering betwist wordt. De schorsing is van rechtswege, met ingang van de dag waarop het faillissement is uitgesproken. Proceshandelingen van partijen die daarna worden verricht, zijn nietig. Dat is niet anders in het geval dat indiening van de oorspronkelijke vordering ter verificatie niet meer opportuun is omdat HIK die volledig heeft voldaan, zoals mr. Leijssen in zijn e-mailbericht van 26 januari 2021 naar voren heeft gebracht, dan wel niet opportuun wordt geacht om andere reden, zoals Bosman heeft aangevoerd.

8. De vordering tot terugbetaling van hetgeen op grond van het bestreden vonnis is voldaan, die de curator nu geldend wil maken, is eveneens zodanig met de reconventionele vordering verweven dat deze voor de toepassing van de Faillissement het lot van die vordering deelt. Dit betreft immers de terugbetaling van de in reconventie toegewezen vordering. Rechtens betreft dit een nieuwe vordering van HIK uit onverschuldigde betaling. Voor zover dit een zelfstandige vordering van de boedel betreft kan de curator deze desgewenst in een nieuwe procedure tegen Bosman aanhangig maken.

9. De conclusie is dan ook dat onderhavige procedure van rechtswege is geschorst en alleen kan worden hervat indien de vordering op de verificatievergadering wordt verwezen naar de renvooiprocedure (of het equivalent hiervan naar Duits recht, vgl. artikel 7 EIV). Het hof zal de procedure ambtshalve royeren.

De beslissing

Het hof:

  • -

    verstaat dat artikel 29 Fw bepaalt dat voor zover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, het geding na de faillietverklaring wordt geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering betwist wordt. De schorsing is van rechtswege, met ingang van de dag waarop het faillissement is uitgesproken. Proceshandelingen van partijen die daarna worden verricht, zijn nietig;

  • -

    royeert de procedure ambtshalve.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Verduyn, M.C.M. van Dijk en B.R. ter Haar en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 11 mei 2021.