Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:889

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
200.275.067
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:560, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad Staat. Niet naleving van art 43 Wots (oud); tussentijdse beleidswijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.275.067/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/563246 / HA ZA 18-1163
Vindplaats vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2020:560

arrest van 25 mei 2021

inzake

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie & Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

appellant in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A. Th. M. ten Broeke te Den Haag,

tegen

[verweerder],

thans gedetineerd in de P.I. [plaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [verweerder],

advocaat: mr. T. de Boer te Amsterdam.

De processtappen

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
    - het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2020
    (hierna het vonnis) en het procesdossier van de rechtbank;
    - het arrest in het incident in deze zaak van 7 juli 2020 en de daarin genoemde
    processtukken;
    - de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven
    in het incidenteel hoger beroep;
    - de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.

  2. Op 15 april 2021 is de zaak mondeling met een videoverbinding voor het hof behandeld ter zitting. Partij [verweerder] heeft de zitting met een videoverbinding vanuit de PI bijgewoond. De advocaten hebben ieder vlak voor de zitting een pleitnota overgelegd. De Staat heeft op voorhand productie 28 overgelegd. Aan het slot van de zitting is uitspraak (arrest) bepaald.

De zaak in het kort

3. [verweerder], die de Nederlandse nationaliteit heeft, is in 2010 in België veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf voor de moord op zijn vriendin. Hij is sinds 30 december 2007 gedetineerd en is op 11 april 2013 naar Nederland overgebracht om hier zijn straf verder uit te zitten. De discussie in deze zaak gaat om de vraag of deze straf moet worden ‘omgezet’, met de kans dat de straf lager wordt, of dat deze moet worden ‘voortgezet’, zodat de straf levenslang blijft. De Staat vindt het laatste. [verweerder] vindt dat om vele redenen onrechtmatig. De rechtbank heeft [verweerder] gelijk gegeven en de Staat bevolen om alsnog de ‘omzettingsprocedure’ toe te passen. Het hof zal, gelet op de grieven van de Staat, opnieuw over deze kwestie oordelen.

De (indertijd) relevante wettelijke bepalingen

4. De Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, zoals die gold van 1 juli 2011 t/m 31 december 2012 (hierna: Wots (oud)).
Hfst III van de Wots (oud) regelt de procedure.
Afdeling C daarvan (de artikelen 18 t/m 33) gaat blijkens het opschrift over de ‘gerechtelijke procedure’ (ook wel genoemd: de omzettings- of exequaturprocedure), waarbij de rechtbank over de omzetting beslist, nadat veroordeelde in de gelegenheid is geweest om te worden gehoord.
Afdeling D daarvan (de artikelen 34 t/m 43) gaat blijkens het opschrift over de ‘buitengerechtelijke procedures’. Artikel 43 staat in § 3, met als opschrift ‘Onmiddellijke tenuitvoerlegging’ en luidt als volgt:

“1. Voor zover een verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet kan, op aanwijzing van Onze Minister, de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van een in een vreemde Staat opgelegde tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie in Nederland plaatsvinden buiten toepassing van afdeling C van dit hoofdstuk.

2. De in het vorige lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, indien uit een door de veroordeelde ondertekende verklaring blijkt dat hij met zijn instemming naar Nederland is overgebracht met het oog op de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie.

3. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven nadat advies is ingewonnen van de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

4. Hangende de beslissing tot het geven van een aanwijzing, kan de veroordeelde met toepassing van de artikelen 8–12 voorlopig van zijn vrijheid worden beroofd.

5. De tenuitvoerlegging van de in het eerste lid bedoelde sanctie geschiedt op last van de officier van justitie, aan wie op de voet van het bepaalde in de artikelen 15 of 17 de stukken in handen zijn gesteld.”

5. Artikel 10 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP) gaat over de voortzetting van de straf in de Staat van tenuitvoerlegging.
Artikel 11 VOGP gaat om de omzetting van de straf in de Staat van tenuitvoerlegging.

6. Artikel 3 Aanvullend Protocol (hierna: AP) bij het VOGP luidt als volgt:
“1. Op verzoek van de Staat van veroordeling kan de Staat van tenuitvoerlegging, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, ermee instemmen een gevonniste persoon zonder de instemming van die persoon over te brengen, wanneer de tegen hem uitgesproken veroordeling of een daaruit voortvloeiende administratieve beslissing een bevel tot uitzetting of uitwijzing inhoudt of enige andere maatregel krachtens welke het aan die persoon na zijn invrijheidsstelling niet langer is toegestaan op het grondgebied van de Staat van veroordeling te verblijven.
2. De Staat van tenuitvoerlegging geeft pas zijn instemming als bedoeld in het eerste lid nadat hij de mening van de gevonniste persoon in zijn overwegingen heeft betrokken.

De achtergronden van de zaak 1

7. In aansluiting op overweging 3 volgt hierna verdere informatie over de zaak.

8. Het VOGP (met AP) regelt tussen Staten (zoals België en Nederland) dat personen die in het buitenland zijn bestraft, hun straf in Nederland kunnen uitzitten. Voor zover voor deze zaak van belang, was dit verdrag geïmplementeerd in de Wots (oud). Op basis daarvan is een uitvoeringsbeleid in Nederland ontwikkeld. Dit uitvoeringsbeleid ging indertijd uit van de omzettingsprocedure als hoofdprocedure waarbij ‘omzetting’ van de straf zou plaatsvinden bij overbrenging naar Nederland. Op grond van artikel 43 Wots (oud) was ook ‘voortzetting’ van de straf mogelijk. De veroordeelde moest dan wél (op grond van artikel 43 lid 2) vooraf laten weten dat hij instemde met overbrenging naar Nederland met het oog op de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie.

9. De toenmalige Minister van Justitie heeft per 1 oktober 2011 dit uitvoeringsbeleid gewijzigd, omdat de meeste landen alleen zouden willen toestemmen in tenuitvoerlegging van de straf in Nederland wanneer de straf zou worden voortgezet (en dus niet zou worden omgezet). Deze problematiek speelt overigens niet bij België. Sindsdien is ‘voortzetting’ de hoofdregel van het beleid. Dit is later vastgelegd in een wet in formele zin, te weten de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: de WETS), die op 1 november 2012 in werking is getreden. Hiermee heeft Nederland uitvoering gegeven aan (onder meer) het Europese Kaderbesluit 2008/909/JBZ (hierna: het Kaderbesluit), dat binnen de EU voorziet in voortgezette tenuitvoerlegging van de straf (hierna ook: ‘voortzetting’). Het Kaderbesluit kent in artikel 28 lid 1 een overgangsregeling2. De strekking hiervan is dat bij verzoeken vóór 1 december 2011 (zoals in het geval van [verweerder]) de oude regeling, dus in dit geval de Wots (oud) geldt.

10. [verweerder] is op 6 januari 2011 en 1 februari 2011 in België gehoord op zijn verzoek om overbrenging naar Nederland om daar zijn straf verder uit te zitten. Toen een spoedige overbrenging uitbleef heeft [verweerder] zijn verzoek ingetrokken (vaststelling rechtbank, waartegen niet in gegriefd).

10. [verweerder] is daarna, en wel op 3 november 2011 door de Belgische autoriteiten tot ongewenst vreemdeling verklaard.

10. België heeft op 17 november 2011 (op 25 november 2011 bij het Ministerie ontvangen) het verzoek gedaan aan Nederland tot overbrenging van [verweerder], zonder zijn akkoord, met toepassing van artikel 3 AP. De brief vervolgt met: “Mag ik u vragen mij te informeren of u akkoord gaat met dit verzoek tot overbrenging. Indien de Nederlandse overheid kan instemmen met deze overbrenging, verzoek ik u (………….) en mij te informeren over de verdere tenuitvoerlegging dan wel de omzetting van de Belgische vrijheidsstraf.”

10. Artikel 3 lid 1 AP voorziet, zoals in de hiervoor geciteerde wettekst is vermeld, in de mogelijkheid om een tot ongewenst vreemdeling verklaarde veroordeelde op verzoek van de Staat van veroordeling zonder zijn instemming over te brengen naar de Staat van tenuitvoerlegging. De Staat van tenuitvoerlegging kan aan dit verzoek te voldoen. Hij geeft deze instemming pas nadat hij de mening van de veroordeelde in zijn overwegingen heeft betrokken (artikel 3 lid 2 AP).

10. De bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem heeft op grond van artikel 43 lid 3 Wots (oud) op 4 oktober 2012 aan de Minister van Veiligheid en Justitie een positief advies uitgebracht over het verzoek van de Belgische autoriteiten van 17 november 2011 en over de voortzetting van de straf. Daarbij heeft het hof onder meer overwogen: “Naar het oordeel van het hof kan daarmee niet geconcludeerd worden dat voortgezette tenuitvoerlegging van de opgelegde straf als levenslange gevangenisstraf thans gezien zou moeten worden als een strafverzwaring. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat hier te lande de mogelijkheid van gratieverlening bestaat.” [verweerder] is niet door de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem gehoord; de adviesprocedure voorziet daar ook niet in. De bijzondere kamer heeft ten tijde van het uitbrengen van haar advies niet geweten dat [verweerder] zijn verzoek om overbrenging naar Nederland had ingetrokken.

10. De Minister heeft bij brief van 20 november 2012 aan de Belgische autoriteiten laten weten in te stemmen met overbrenging van [verweerder] naar Nederland waarbij de voortzettingsprocedure van artikel 10 VOGP zal worden gevolgd.

16. [verweerder] is op 11 april 2013 overgebracht naar Nederland en zit sindsdien zijn levenslange gevangenisstraf verder uit in Nederland op basis van de voortzettingsprocedure.

16. De voorzitter van de bijzondere kamer van het hof dat voormeld advies van 4 oktober 2012 heeft uitgebracht, heeft op 12 februari 2020 aan [medewerker], werkzaam bij afdeling IOS Van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de volgende e-mail gezonden: “Hoi [medewerker], Excuses voor de wat late reactie op het vonnis [hof: bedoeld wordt het thans bestreden vonnis van 29 januari 2020]. Volgens mij houdt de instemmingseis niet in dat de veroordeelde moet instemmen met een van de procedure, exequatur of voortgezette tul, zoals de rechtbank zegt, maar met de overbrenging op zich. Zo staat het ook in de tekst van het verdrag en de toelichting. Zo hebben wij het ook nooit uitgelegd. Ook het Kb ter uitvoering van artikel 58 WOTS differentieert niet. Het zou ook wel wat ver gaan, als de veroordeelde over de te volgen procedure – de ene of de andere – zou mogen ‘beslissen’. Groet […] () www.rechtspraak.nlTer zitting heeft de Staat verklaard dat de voorzitter van de bijzondere kamer van het hof heeft ingestemd met het verstrekken van deze e-mail in de procedure.

De vordering van [verweerder] en het vonnis van de rechtbank

18. [verweerder] heeft (samengevat) gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld; en
primair
om de Staat te veroordelen alsnog de omzettingsprocedure (de exequaturprocedure) toe te passen en hem schadevergoeding toe te kennen, althans de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure;
subsidiair
om de Staat te veroordelen te beslissen op een nog op te stellen gratieverzoek van [verweerder];
meer subsidiair
om de Staat te verplichten (al dan niet via gratie) de straf gelijk te stellen met de te verwachten effectieve strafduur in België;
en
in alle gevallen
om de Staat te veroordelen, in afwachting van een oordeel over de straftoemeting, [verweerder] onmiddellijk in vrijheid te stellen, dan wel hem in elektronische detentie te plaatsen, dan wel hem onder een aangepast detentieregime te plaatsen,
en
om de Staat te veroordelen tot betaling van immateriële schadevergoeding, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure.

18. De rechtbank heeft als volgt beslist
6.1 verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] door in strijd met artikel 43 lid 2 WOTS zonder instemming van [verweerder] de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging toe te passen bij het overnemen van de tenuitvoerlegging van zijn in België opgelegde straf.
6.2 beveelt de Staat de beslissing tot voortgezette tenuitvoerlegging te herroepen en alsnog de in de WOTS neergelegde omzettingsprocedure toe te passen;
6.3 compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;
6.4 verklaart de onder 6.2 bedoelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5 wijst af het meer of anders gevorderde.

De grieven van partijen in hoger beroep

20. De Staat klaagt in het principaal hoger beroep met zijn vier grieven over de uitleg van artikel 43 lid 2 Wots (oud) in samenhang met artikel 3 AP. Meer specifiek bevatten de grieven, voor zover van belang, de volgende klachten.
Grief I bevat als klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 43 lid 2 Wots (oud) inhoudt dat voor toepassing van de voortgezette tenuitvoerlegging de instemming van veroordeelde is vereist. Volgens de Staat is die eis niet in lid 2 te lezen; slechts instemming met overbrenging is vereist. Deze heeft veroordeelde in januari en februari 2011 gegeven. Bovendien is de rechtbank (Grief IV) zonder nadere motivering afgeweken van het advies van de bijzondere kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 oktober 2012. Grieven II en III gaan over de uitleg van artikel 3 AP in samenhang met artikel 43 Wots (oud). De verdragsbepaling van artikel 3 AP (overbrenging zonder instemming) zet de nationale bepaling van artikel 43 lid 2 Wots (oud) opzij, althans voor zover deze onverenigbaar is met de verdragsbepaling. Daarvan is hier sprake, aldus nog steeds de Staat. Het oordeel van de rechtbank dat de Staat was aangewezen op de Omzettingsprocedure is onjuist, nu artikel 43 lid 2 Wots (oud) niet vereist dat [verweerder] zijn instemming gaf voor toepassing van de voortgezette tenuitvoerlegging.

20. [verweerder] klaagt in het incidenteel hoger beroep met grief 1 over de afwijzing van zijn schade- en nevenvorderingen. Grief 2 bevat een klacht over de compensatie van de proceskosten.

Beoordeling van de grieven van de Staat

22. De grieven zullen samen worden behandeld. Kern van het geschil is de vraag of de Staat de voortzettingsprocedure van artikel 43 Wots (oud) heeft mogen toepassen en aldus de aan [verweerder] in België opgelegde levenslange gevangenisstraf ongewijzigd heeft mogen handhaven.

22. Uitgangspunt is het verzoek van België van 17 november 2011 tot overbrenging van de tot ongewenst vreemdeling verklaarde veroordeelde [verweerder] op grond van artikel 3 AP om zijn straf verder in Nederland uit te zitten. Het was daarbij aan de Staat (i) om al dan niet toestemming daartoe te verlenen en (ii) om te bepalen of bij tenuitvoerlegging van de straf de omzettingsprocedure of de voortzettingsprocedure zou worden gevolgd.
De Staat heeft ingestemd met overbrenging van [verweerder] naar Nederland en heeft daarbij (kennelijk omdat het beleid op dit punt net was gewijzigd) voor de voortzettingsprocedure gekozen en, na advies van de bijzondere kamer van het hof Arnhem op grond van artikel 43 lid 3 Wots (oud), bepaald dat [verweerder] zijn levenslange straf in Nederland voortzet.

22. Volgens het (in deze zaak nog toepasselijke) artikel 43 lid 1 Wots (oud) “kan, op aanwijzing van Onze Minister, de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van een in een vreemde Staat opgelegde tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie in Nederland plaatsvinden buiten toepassing van afdeling C van dit hoofdstuk.” Artikel 43 lid 2 Wots (oud) sluit hierop aan, en wel aldus: “De in het vorige lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, indien uit een door de veroordeelde ondertekende verklaring blijkt dat hij met zijn instemming naar Nederland is overgebracht met het oog op de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie.”

22. [verweerder] heeft vorenbedoelde instemming met overbrenging naar Nederland niet verleend. Zijn oorspronkelijke verzoek, waarover hij in januari en februari 2011 in België was gehoord, had hij inmiddels ingetrokken (zie overweging 10) en kan dus niet als instemming gelden.

22. De omstandigheid dat de bijzondere kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden op grond van artikel 43 lid 3 Wots (oud) bij beslissing van 4 oktober 2012 positief heeft geadviseerd over de voortzetting van de straf maakt dit niet anders. Het gaat immers om ‘een advies’ dat niet dwingend is voor de Staat. Het ontslaat de Staat in ieder geval niet van zijn (zorg)verplichting om (kenbare) onjuistheden hierin bij zijn uiteindelijke beslissing, althans de verdere uitvoering daarvan, te betrekken. Zo was de in het advies genoemde ‘instemming’ van veroordeelde van 6 januari 2011, zoals gezegd, al lang en breed ingetrokken en was deze bovendien verleend op een moment dat de Omzettingsprocedure nog hoofdregel van beleid was. Ook de overwegingen in het advies in het kader van strafverzwaring lijken te berusten op een onjuiste lezing van door de Belgische autoriteiten verschafte informatie. Daarbij komt dat [verweerder] in deze adviesprocedure niet is gehoord, zijn mening niet aan het hof kenbaar heeft kunnen maken en de feitelijke onjuistheden waarop het advies is gebaseerd niet heeft kunnen corrigeren.
Het hof laat hierbij nog terzijde de waardering van de betrokkenheid van de voorzitter van de adviserende bijzondere kamer bij de uitleg van het thans bestreden vonnis (zie het in overweging 17 geciteerde e-mailbericht).

22. Dit betekent dat de procedure van artikel 43 Wots (oud) niet juist is toegepast. De in België opgelegde straf had niet zonder instemming van [verweerder] mogen worden voortgezet in Nederland.

22. Daarenboven overweegt het hof nog als volgt. De in lid 2 van artikel 43 Wots (oud) vereiste instemming heeft wel degelijk betrekking op de overbrenging naar Nederland ‘met het oog op voortzetting van de straf’. Weliswaar is de formulering in de wet wat algemener (met het oog op de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie), maar daar staat tegenover dat artikel 43 Wots (oud) blijkens de aanhef en de plaatsing in afdeling D gaat over de voortgezette (onmiddellijke) tenuitvoerlegging en in het artikel zelf bovendien uitdrukkelijk afdeling C (over de omzettingsprocedure) buiten toepassing wordt gelaten. Hieruit leidt het hof af dat het in lid 2 genoemde oogmerk betrekking heeft op de sanctie voortzetting van de straf.

22. De Staat heeft nog betoogd dat het Verdrag prevaleert boven de wet - de Wots (oud). Hiermee miskent de Staat in de eerste plaats hetgeen hiervóór in overweging 23 is geoordeeld. Artikel 3 AP bevat immers keuzemogelijkheden voor de Staat. In de tweede plaats miskent de Staat het volgende. De omstandigheid dat de VOGP/AP geen instemming met voortgezette tenuitvoerlegging vergt, laat, anders dan de Staat meent, onverlet dat Nederland die eis in zijn wetgeving mag opnemen. Overigens valt moeilijk in te zien dat de Staat zich er jegens zijn eigen burgers op zou kunnen beroepen dat zijn eigen wetgeving in strijd is met internationale verdragen.

22. Al met al beoordeelt het hof het optreden van de Staat als onrechtmatig jegens [verweerder]. Dit geldt des te sterker, omdat [verweerder] er onmiskenbaar vanuit ging en ook (in de betreffende tijdspanne waarin het beleid van de Staat werd gewijzigd van omzetting naar voortzetting) vanuit mocht gaan dat de omzettingsprocedure zou worden gevolgd. Dit kan nogal wat uitmaken, zoals in deze zaak naar voren komt. Levenslange gevangenisstraf is in Nederland ook echt levenslang, zeker in 2011/2012. Slechts bij hoge uitzondering werd en wordt (veelal na verloop van een groot aantal jaren) tot gratie overgegaan. Er zijn daarentegen sterke aanwijzingen, mede gelet op de grondige (niet deugdelijk betwiste) onderbouwing door [verweerder], dat dit in België beduidend anders ligt.

22. Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de Staat worden verworpen en verder niet meer afzonderlijk besproken hoeven te worden.

22. De aangewezen remedie is alsnog toepassing van de omzettingsprocedure, mede in aanmerking nemende dat België daartegen geen bezwaar heeft. De rechtbank heeft daartoe op goede gronden beslist. Dit oordeel is overigens door de Staat in zoverre in hoger beroep niet, althans niet kenbaar, aangevallen.

22. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Ter zitting is gebleken dat de Staat niet onmiddellijk na het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de rechtbank d.d. 29 januari 2020 de omzettingsprocedure in gang heeft gezet, maar daarmee heeft gewacht totdat het hof de incidentele vordering van de Staat tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dat vonnis bij arrest d.d. 7 juli 2020 had afgewezen. Een procespartij die in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is veroordeeld tot het verrichten van een prestatie dient zich aan dit vonnis te houden en heeft niet het recht om eerst de beslissing op een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging af te wachten. Dat geldt voor iedere procespartij, maar zeker voor de Staat. Aannemelijk is dat door deze onrechtmatige handelwijze van de Staat de omzettingsprocedure met bijna een half jaar is vertraagd. Evenzo acht het hof het opmerkelijk dat het openbaar ministerie de rechtbank Limburg heeft gevraagd de eerste behandeling van de omzettingsprocedure, die was gepland op 24 maart 2021, aan te houden tot na het wijzen van dit arrest. Nu de rechtbank Limburg dat verzoek heeft afgewezen heeft dat niet tot nog verdere vertraging van de omzettingsprocedure geleid.

Beoordeling van de grieven van [verweerder]

34. Grief 1 van [verweerder] heeft betrekking op de afwijzing van (i) de gevorderde immateriële schadevergoeding, (ii) de gevorderde onmiddellijke invrijheidstelling en/of (iii) de gevorderde plaatsing in een aangepast detentieregime. Hoewel volgens [verweerder] begrijpelijk is dat de rechtbank nog geen definitieve schadevergoeding heeft vastgesteld, had de rechtbank volgens deze grief duidelijker moeten motiveren waarom [verweerder] niet nu reeds in vrijheid had kunnen worden gesteld, in een lichter detentieregime had kunnen worden geplaatst in afwachting van de uitkomst van de omzettingsprocedure, dan wel aanspraak zou hebben op immateriële schadevergoeding. Zijn levenslange gevangenisstraf staat immers op losse schroeven.

34. Vorderingen (ii) en (iii) zijn prematuur. Het hof kan niet vooruitlopen op beslissingen in de omzettingsprocedure. Reeds hierom is er geen grond voor toewijzing ervan. Dit ligt anders bij vordering (i). Weliswaar is concrete schadevaststelling in dit stadium nog niet aan de orde, maar wél acht het hof aannemelijk dat [verweerder] mogelijk schade heeft geleden door voormeld onrechtmatig handelen van de Staat. Daarom zal het hof de zaak naar de schadestaatprocedure verwijzen. De grief slaagt in zoverre.

34. Grief 2 gaat over de compensatie van de proceskosten door de rechtbank. Deze grief slaagt. De Staat geldt blijkens het voorgaande als de in eerste aanleg overwegend in het ongelijk gestelde partij, zodat de Staat deze proceskosten moet dragen.

Slotsom

37. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met uitzondering van de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg en de afwijzing van de verwijzing naar de schadestaatprocedure. Hierover zal worden beslist zoals in het dictum vermeld.

37. De kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep komen ten laste van de Staat als de in het ongelijk gestelde partij.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het bestreden vonnis, met uitzondering van de beslissing over de proceskosten en de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure; vernietigt het vonnis op deze punten en opnieuw rechtdoende:

  • -

    verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure, zoals in overweging 35 is weergegeven;

  • -

    veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [verweerder] tot op 29 januari 2020 begroot op € 81,-- aan kosten uitbrenging dagvaarding
    en € 1.357,50 aan salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt de Staat in de kosten van het geding
    - in het principaal hoger beroep, die van het 351 Rv-incident daaronder begrepen, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 5.570,-- aan salaris advocaat:
    - in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op
    € 1.114,-- aan salaris advocaat:
    - te vermeerderen met € 163,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.Y. Bonneur en R.M. Hermans en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021 door de rolraadsheer
mr. C.A. Joustra in aanwezigheid van de griffier.

1 De in het vonnis genoemde feiten zijn niet bestreden in hoger beroep. Daarom gaat het hof hier ook van uit.

2 Zie voor tekst ervan citaat in overweging 4.3 van het vonnis.