Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:887

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
200.260.584/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:477, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzegging samenwerkingsovereenkomst, redelijke opzegtermijn, schade?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.260.584/01

Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/551404/ HA ZA 18-417

arrest van 16 maart 2021

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. Th. H.P. van den Kieboom te Utrecht,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2 [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. B.F. Desloover te Rotterdam.

Waar gaat deze zaak over?

1. [appellante] en [geïntimeerde 1] c.s. zijn advocaten. [geïntimeerde 1] c.s. hebben een samenwerkingsverband met [appellante] opgezegd. [appellante] stelt door de opzegging schade te hebben geleden en vordert dat [geïntimeerde 1] c.s. die schade vergoeden.

Het geding

2. Voor het verloop van de procedure tot aan 25 juni 2019 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat arrest werd een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op 16 augustus 2019 plaatsgevonden. [appellante] heeft op die zitting een aantal stukken overgelegd. Bij memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis (met producties) heeft [appellante] 8 grieven tegen het vonnis van 9 januari 2019 van de rechtbank Den Haag aangevoerd en haar eis vermeerderd. [geïntimeerde 1] c.s. hebben de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Tot slot is een datum voor arrest bepaald.

De feiten

3.1

De feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in de overwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis zijn niet in geschil. Ook het hof zal uitgaan van die feiten en ook zelf enige feiten vaststellen waarover geen verschil van mening bestaat.

3.2

Het gaat in deze zaak om het volgende:

- [appellante] en [geïntimeerde 1] zijn advocaten en zijn in die hoedanigheid op 10 juli 2003 een samenwerkingsverband met elkaar aangegaan. Dit samenwerkingsverband is op 4 oktober 2012 uitgebreid met de toetreding van [geïntimeerde 2] , eveneens advocaat.

- De in dit verband door partijen op 4 oktober 2012 ondertekende overeenkomst is door de deken van de Orde van advocaten (hierna: de deken) afgekeurd. Vervolgens hebben partijen een maatschapsovereenkomst opgesteld die per 17 december 2012 in werking is getreden. Hoewel deze maatschapsovereenkomst niet door [appellante] is ondertekend, staat tussen partijen vast dat deze overeenkomst tussen hen bindend was.

- In de maatschapsovereenkomst zijn – voor zover van belang – de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1

[..]

2. De praktijk wordt uitgeoefend te [plaatsnaam 1] aan de [adres] . Daarnaast heeft de maatschap een permanente spreekuurlocatie in [plaatsnaam 2] ingericht.

[..]

Artikel 2 kosten

1. Partijen delen de kosten van gezamenlijke huisvesting, personele lasten, verzekeringen en overige gezamenlijke kantoorkosten. De vastgestelde kosten worden over partijen verdeeld. Indien gewijzigde financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt de verdeling in onderling overleg aangepast.

2. Partijen voldoen tijdig de gemaakte gezamenlijke kosten over en weer aan elkaar.

[..]

4. Aan het eind van ieder boekjaar wordt gecontroleerd of alle gemaakte gezamenlijke kosten aan elkaar zijn vergoed. Indien blijkt dat er gezamenlijke kosten zijn die nog niet zijn verrekend dan wordt dit tussen partijen binnen 14 dagen na de controle verrekend.”

- [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] oefenden hun werkzaamheden uit in het kantoor te [plaatsnaam 1] . [appellante] oefende haar werkzaamheden hoofdzakelijk uit in [plaatsnaam 2] . Voor afspraken met […] cliënten maakte zij gebruik van het kantoor te [plaatsnaam 1] .

- [geïntimeerde 1] c.s. hebben een sociale praktijk en staan voornamelijk cliënten bij op bestuursrechtelijk en belastingkundig gebied. [appellante] voert een algemene civiele praktijk waarbij ongeveer de helft van haar cliënten op basis van een toevoeging procedeert. Cliënten die zich op het kantoor in [plaatsnaam 1] meldden met een civielrechtelijke vraag, werden door of namens [geïntimeerde 1] c.s. veelal naar [appellante] doorverwezen.

- Bij brief van 5 september 2016 heeft [geïntimeerde 1] het volgende aan [appellante] meegedeeld:

“[..] Bij deze deel ik je dan ook mede dat ik per heden het samenwerkingsverband met je opzeg en dat je niet meer onder de vlag [geïntimeerde 1] advocaten-belastingkundigen naar buiten mag treden. Ik heb geen zin meer in verdere discussies met je. Jouw ideeën passen niet meer in het samenwerkingsverband waar [geïntimeerde 1] advocaten-belastingkundigen voor staan, namelijk de sociale vlag, bovendien houdt je je niet aan de afspraken van het samenwerkingsverband dan wel de afspraken die met de Orde gemaakt zijn. Ik kan en wil daar geen verantwoordelijkheid voor dragen. Ik wens je verder veel succes met de werkzaamheden onder je eigen naam. [..]”

- In reactie hierop heeft [appellante] per e-mailbericht van 6 september 2016 aan [geïntimeerde 1] meegedeeld:

“[..] Dit gaat natuurlijk niet wat je nou hebt gedaan, het is weliswaar jouw gebouw maar niet jouw kantoor, ik zal naar de samenwerkingsovereenkomst laten kijken. Ik ga er vooralsnog van uit dat de “opzegging” nietig is en het samenwerkingsverband onverminderd in stand is.[..]”

- Mevrouw [naam secretaresse] , de secretaresse van [geïntimeerde 1] , heeft over de beëindiging van de maatschapsovereenkomst als volgt schriftelijk verklaard:

nadat [geïntimeerde 1] de mededeling had gedaan de samenwerking met [appellante] te hebben beëindigd en [appellante] per direct van het briefpapier diende te worden verwijderd, ten aanzien van cliënten die belden met een nieuwe zaak (die buiten de rechtsgebieden van [geïntimeerde 1] en haar collega [geïntimeerde 2] viel en normaliter naar [appellante] werd doorverwezen), eerst moest overleggen met [geïntimeerde 1] dan wel haar collega [geïntimeerde 2] alvorens deze door te verwijzen naar [appellante] zoals gebruikelijk was. Aangezien ik van mening was niet te kunnen beoordelen of het een makkelijke of moeilijke zaak zou zijn, kwam het er op neer dat de nieuwe cliënt doorverbonden werd met [geïntimeerde 2] , die, naar ik aanneem in overleg met [geïntimeerde 1] , dan besloot de zaak zelf aan te nemen, dan wel naar een "bevriende" advocaat door te verwijzen, òf naar [appellante] . Òf er werkelijk zaken zijn doorverwezen naar [appellante] is mij niet bekend.”

- Op 7 november 2016 heeft onder leiding van de deken een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Hieruit bleek dat de samenwerking tussen partijen niet kon worden gecontinueerd.

De vorderingen bij de rechtbank en in hoger beroep

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd dat [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk, dan wel ieder afzonderlijk, worden veroordeeld om aan [appellante] een schadevergoeding van € 95.500 te betalen te vermeerderen met rente en kosten. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] c.s. de maatschapsovereenkomst met haar op een onregelmatige wijze hebben opgezegd, als gevolg waarvan zij schade heeft geleden.

4.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. De rechtbank overwoog dat bij de opzegging van de maatschapsovereenkomst in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid geen redelijke opzegtermijn in acht is genomen, zodat [geïntimeerde 1] c.s. in beginsel schadeplichtig zijn, maar dat niet kan worden vastgesteld dat [appellante] ten gevolge van de onregelmatige opzegging schade heeft geleden.

4.3

In hoger beroep vordert [appellante] dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen. Daarnaast heeft [appellante] een eisvermeerdering doorgevoerd met betrekking tot kosten die zij stelt te hebben gemaakt doordat haar website plotseling uit de lucht werd gehaald. Deze kosten bedragen in totaal € 1.108,32. [geïntimeerde 1] c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.

De beoordeling van de vorderingen in hoger beroep

5.1

In grief 1, waarin wordt geklaagd dat de rechtbank onder 2.7 van haar vonnis de feiten rond het bemiddelingsgesprek bij de deken op 7 november 2016 onvolledig heeft vastgesteld, heeft [appellante] aangevoerd dat er, als zij daar niet op had aangestuurd, nooit overleg met de deken had plaatsgevonden. Volgens [appellante] stonden [geïntimeerde 1] c.s. helemaal niet open voor (overleg over) voortzetting van de samenwerking. In grief 3 benadrukt [appellante] dat [geïntimeerde 1] c.s., anders dan zij stellen, niet bereid waren een opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen. [appellante] heeft verder in grief 2 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil was dat de maatschapsovereenkomst aan haar kon worden opgezegd. [appellante] heeft dit bestreden, maar heeft aan die stelling geen rechtsgevolgen of vordering verbonden. Omdat uit de verdere inhoud van de memorie van grieven ondubbelzinnig volgt dat [appellante] inmiddels in de beëindiging van de samenwerking heeft berust, heeft zij geen belang bij behandeling van de grieven 1 tot en met 3. Het hof zal er bij zijn beoordeling vanuit gaan dat, voor wat betreft [appellante] , de maatschapsovereenkomst per 5 september 2016 is geëindigd.

5.2

De overige grieven van [appellante] richten zich, kort samengevat, tegen het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat zij als gevolg van de onrechtmatige opzegging schade heeft geleden. Aangezien uit het vervolg van dit arrest blijkt dat het hof van oordeel is dat deze grieven deels slagen, zal het hof gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep ook de beslissing van de rechtbank dat de opzegging onregelmatig was omdat geen redelijke opzegtermijn in acht is genomen opnieuw moeten beoordelen. Het hof zal daarom de vorderingen van [appellante] , zoals vermeerderd in hoger beroep, volledig opnieuw beoordelen, en overweegt hierover het volgende.

De opzegging van de maatschapsovereenkomst

5.3

[appellante] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [geïntimeerde 1] c.s. bij de opzegging van de maatschapsovereenkomst een opzegtermijn van zes maanden in acht hadden moeten nemen en/of dat de opzegging gepaard had moeten gaan met een aanbod tot schadevergoeding. Nu [geïntimeerde 1] c.s. dit achterwege hebben gelaten, zijn zij toerekenbaar jegens [appellante] tekortgeschoten, en daarom gehouden haar schade te vergoeden. In hoger beroep betwisten [geïntimeerde 1] c.s. niet meer dat zij bij de opzegging van de maatschapsovereenkomst een termijn van zes maanden in acht hadden moeten nemen.

5.4

Het hof gaat voorbij aan de stelling van [geïntimeerde 1] c.s. dat zij in alle correspondentie na 5 september 2016, en in het gesprek met de deken, hebben aangegeven bereid te zijn alsnog een opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen. [geïntimeerde 1] c.s. hebben deze stelling namelijk niet met stukken onderbouwd, wat gelet op de verwijzing naar de correspondentie wel van hen verwacht mocht worden. Uit de stellingen over en weer en uit de verklaring van [naam secretaresse] blijkt bovendien dat vanaf de datum van de opzegging geen uitvoering meer is gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst. Ook de stelling van [geïntimeerde 1] c.s. dat er tussen 5 september 2016 en 5 maart 2017 feitelijk is gehandeld alsof een opzeggingstermijn van zes maanden in acht is genomen, verwerpt het hof daarom als onvoldoende gemotiveerd. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde 1] c.s. met de onmiddellijke opzegging van de maatschapsovereenkomst per 5 september 2016 toerekenbaar tekort zijn geschoten jegens [appellante] .

Schadevorderingen in hoger beroep

5.5

Omdat [geïntimeerde 1] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de maatschapsovereenkomst, zijn zij in beginsel gehouden om de als gevolg hiervan ontstane

schade aan [appellante] te vergoeden. De schade die [appellante] bij de rechtbank heeft gevorderd bestaat uit:

(i) het mislopen van rendement uit investeringen in goodwill van de maatschap (€ 22.500)

(ii) omzetderving (€ 52.000)

(iii) reputatieschade (€ 15.000)

(iv) vergoeding van de kosten voor het huren van een vervangende kantoorruimte in [plaatsnaam 1] (€ 6.000).

5.6

Over de afwijzing door de rechtbank van schadepost (iv) heeft [appellante] in hoger beroep niet geklaagd, zodat dit buiten de omvang van dit hoger beroep valt. Het door [appellante] in verband met deze post gevorderde bedrag van € 6.000 is dus niet toewijsbaar. In hoger beroep heeft [appellante] haar eis vermeerderd met een vordering tot vergoeding van de kosten voor een verhuistoken ten behoeve van haar website. Het hof zal hierna per schadepost beoordelen of de vorderingen van [appellante] toewijsbaar zijn.

Advertentiekosten en goodwill

5.7

[appellante] stelt dat zij schade heeft geleden omdat zij met het oog op het voortduren van de maatschap investeringen heeft gedaan in advertenties. De advertentiekosten zijn gezamenlijke kosten als bedoeld in de maatschapsovereenkomst en moeten mede worden gedragen door [geïntimeerde 1] c.s. Volgens [appellante] heeft zij vóór 2008 een bedrag van € 25.412 aan advertentiekosten gemaakt en van 2008 tot aan het moment van de opzegging een bedrag van € 45.743. Omdat niet kan worden vastgesteld in hoeverre [geïntimeerde 1] c.s. na de verbreking van de samenwerking hebben geprofiteerd van de investeringen in advertenties vordert [appellante] een abstracte schadevergoeding van € 22.500. Voorts geldt volgens [appellante] dat, als zij de advertentiekosten van vóór 2016 niet meer ter verrekening kan aanbieden, in ieder geval nog over het jaar 2016 moet worden afgerekend. [geïntimeerde 1] c.s. hebben [appellante] , door de maatschapsovereenkomst voor het aflopen van het boekjaar 2016 op te zeggen, de mogelijkheid ontnomen om de in dat jaar gemaakte gezamenlijke kosten ter verrekening aan te bieden.

5.8

[geïntimeerde 1] c.s. hebben betwist dat de advertentiekosten gezamenlijke kosten in de zin van de maatschapsovereenkomst zijn. [appellante] heeft eenzijdig en zonder overleg met hen besloten tot het plaatsen van advertenties. Die advertenties waren bovendien gericht op het publiek in de regio [plaatsnaam 2] , waar alleen [appellante] kantoor hield. [geïntimeerde 1] c.s. hadden hun werkgebied in [plaatsnaam 1] . De advertentiekosten zijn dus uitsluitend gemaakt ten behoeve van de eigen praktijkvoering van [appellante] , en moeten dus ook alleen door [appellante] worden gedragen. Het rendement op de investeringen in advertenties is volgens [geïntimeerde 1] c.s. bovendien niet beïnvloed door het achterwege laten van de opzegtermijn.

5.9

Het hof oordeelt hierover als volgt. Op grond van artikel 2 lid 1 van de maatschapsovereenkomst delen de maten van de maatschap de kosten van gezamenlijke huisvesting, personele lasten, verzekeringen en overige gezamenlijke kantoorkosten. De door [appellante] gemaakte advertentiekosten kunnen niet worden aangemerkt als kosten zoals bedoeld in die bepaling. In de advertenties waren weliswaar ook de namen en specialisaties van [geïntimeerde 1] c.s. zichtbaar, maar [appellante] heeft niet betwist dat de advertenties waren gericht op het publiek in de regio Hoek van Holland. Daarmee is onvoldoende vast komen te staan dat de advertentiekosten zijn gemaakt voor een gemeenschappelijk doel. Uit de stellingen van [appellante] volgt bovendien dat de door haar gemaakte advertentiekosten een substantieel bedrag vertegenwoordigden. [appellante] heeft in alle eerdere jaren echter nooit aan [geïntimeerde 1] c.s. verzocht om deze kosten te delen. [appellante] heeft gezien deze omstandigheden onvoldoende toegelicht dat het de bedoeling van partijen was om de door [appellante] gemaakte advertentiekosten gezamenlijk te delen. In dat geval had [appellante] immers wel eerder aan [geïntimeerde 1] c.s. verzocht om hun deel te dragen. De advertentiekosten komen dus niet op grond van artikel 2 lid 4 van de maatschapsovereenkomst voor vergoeding in aanmerking. Nu [appellante] de advertentiekosten niet als gezamenlijke kosten in de maatschap kon inbrengen is haar, door de opzegging van de maatschap per 5 september 2016, ook geen mogelijkheid ontnomen om die kosten aan het einde van het boekjaar 2016 te laten verrekenen.

5.10

[appellante] heeft verder aangevoerd dat de gevorderde abstracte schadevergoeding van € 22.500 mede betrekking heeft op een vergoeding voor goodwill. [appellante] stelt door haar jarenlange werkzaamheden te hebben bijgedragen aan de naamsbekendheid van het maatschapsverband. Het vergoeden van goodwill is bij het uitstoten van een maat gebruikelijk, aldus [appellante] . [geïntimeerde 1] c.s. betwisten dat [appellante] aanspraak heeft op een vergoeding van goodwill. In de maatschap is nooit gesproken over goodwill en [appellante] heeft bij het toetreden tot de maatschap ook geen goodwill aan [geïntimeerde 1] betaald.

5.11

Juist is dat in de maatschapsovereenkomst niets is opgenomen over de vergoeding van goodwill. Het hof begrijpt de vordering van [appellante] daarom zo dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [geïntimeerde 1] c.s. de maatschapsovereenkomst niet hadden mogen opzeggen zonder een vergoeding voor de mede door [appellante] opgebouwde goodwill aan te bieden. Het hof is van oordeel dat [appellante] dit deel van haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd, zowel ten aanzien van de grondslag, als ten aanzien van de omvang. Dat de door [appellante] geplaatste advertenties hebben geleid tot een op geld waardeerbare meerwaarde van het samenwerkingsverband is niet duidelijk geworden. Hierboven werd al overwogen dat die advertenties alleen betrekking hadden op het werkgebied van [appellante] . Dat daarin ook de namen van [geïntimeerde 1] c.s. zijn genoemd maakt dat niet anders. Ook overigens heeft [appellante] niet toegelicht dat de samenwerking heeft geleid tot een op geld waardeerbare meerwaarde van de maatschap. Dat valt zonder zo’n toelichting ook niet in te zien, mede gezien het – door [appellante] niet betwiste – losse karakter van het samenwerkingsverband waarbij [appellante] zich voornamelijk in een andere plaats en op een andere markt richtte dan [geïntimeerde 1] c.s.

Omzetderving

5.12

[appellante] stelt dat zij door de onmiddellijke opzegging van de maatschapsovereenkomst omzetderving heeft geleden. [geïntimeerde 1] c.s. hebben sinds 5 september 2016 geen nieuwe cliënten meer aan [appellante] doorverwezen, terwijl dat vóór de opzegging wel het geval was. [appellante] schat dat zij in de periode van de opzegtermijn van zes maanden twee doorverwijzingen per week is misgelopen tegen een gemiddelde omzet van € 1.000 per cliënt (52 x 1.000 = € 52.000). Subsidiair verzoekt [appellante] om [geïntimeerde 1] c.s. te veroordelen om een in een goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding te betalen.

Volgens [geïntimeerde 1] c.s. heeft de opzegging met onmiddellijke ingang geen, en zeker geen substantiële, omzetschade voor [appellante] veroorzaakt. Vóór de beëindiging van de maatschapsovereenkomst werden slechts af en toe cliënten door [geïntimeerde 1] c.s. naar [appellante] verwezen, en dat is sinds de opzegging van de maatschapsovereenkomst niet veranderd, aldus [geïntimeerde 1] c.s..

5.13

De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen omdat zij die onvoldoende had geconcretiseerd en toegelicht. [appellante] heeft in de toelichting op grief 6 de omzetderving verder toegelicht en met stukken onderbouwd. De omzetderving bestaat uit verminderde omzet doordat [geïntimeerde 1] c.s. na opzegging van de maatschapsovereenkomst cliënten met een toevoeging niet meer aan [appellante] doorverwezen, en doordat potentiële cliënten afhaakten omdat zij niet meer met [appellante] op het kantoor van [geïntimeerde 1] c.s. in Vlaardingen konden afspreken. Als de opzegtermijn van zes maanden in acht zou zijn genomen, had [appellante] deze cliënten kunnen bedienen. Daarnaast stelt [appellante] dat zij omzet is misgelopen omdat partijen, de onrechtmatige opzegging weggedacht, hadden kunnen afspreken ook na de opzegtermijn cliënten naar elkaar door te blijven verwijzen.

5.14

Het hof oordeelt het volgende. Uit de door [appellante] overgelegde verklaring van [naam secretaresse] , de voormalig secretaresse van [geïntimeerde 1] , blijkt dat zij potentiële cliënten met een juridische vraag op het rechtsgebied van [appellante] vóór de opzegging van de maatschapsovereenkomst altijd naar [appellante] moest doorverwijzen. Na de opzegging kreeg [naam secretaresse] een instructie die er voor haar feitelijk op neer kwam die potentiële cliënten door te verbinden met [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 2] besloot dan, al dan niet in overleg met [geïntimeerde 1] , de zaak zelf aan te nemen, door te verwijzen naar een bevriende advocaat of alsnog aan [appellante] door te verwijzen. [geïntimeerde 1] c.s. hebben de inhoud van deze verklaring niet weersproken. Gelet op deze verklaring is de enkele betwisting van [geïntimeerde 1] c.s. dat zij na 5 september 2016 gestopt zouden zijn met het doorverwijzen van potentiële cliënten naar [appellante] onvoldoende. Na de opzegging van de maatschapsovereenkomst is wel degelijk de werkwijze van doorsturen van cliënten aangepast, en het is ook aannemelijk dat dit heeft geleid tot geen of minder doorverwijzingen naar [appellante] . [appellante] heeft daarnaast haar omzetgegevens over de jaren 2014 tot en met 2017 overgelegd. De jaaromzet over de jaren 2014 tot en met 2016 was redelijk stabiel, maar in 2017 was er sprake van een forse omzetdaling. De omzet uit cliënten met een toevoeging is gedaald van € 24.292 in 2016 naar € 16.168 in 2017. [appellante] heeft onweersproken gesteld dat omzet uit toevoegingszaken pas wordt behaald als een zaak is afgerond, en dat een daling van het aantal nieuwe cliënten in de tweede helft van 2016 voornamelijk zichtbaar zal zijn in de omzet over 2017. Het moet aan [geïntimeerde 1] c.s. worden toegegeven dat aan een omzetdaling meerdere redenen ten grondslag kunnen liggen, maar de omzetdaling, in onderlinge samenhang met de verklaring van [naam secretaresse] , maken het voldoende aannemelijk dat [appellante] als gevolg van de onmiddellijke opzegging van de maatschapsovereenkomst omzetschade heeft geleden.

5.15

Het hof acht het niet aannemelijk dat [appellante] omzet is misgelopen doordat zij niet meer met cliënten kon afspreken in [plaatsnaam 1] . [appellante] heeft in eerste aanleg gesteld dat zij vanaf september 2016 gebruik kon maken van het kantoor van een derde in [plaatsnaam 1] . Het valt daarom zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom [appellante] niet met cliënten in [plaatsnaam 1] kon afspreken. Het hof gaat eveneens voorbij aan de stelling van [appellante] dat partijen hadden kunnen afspreken ook na het verstrijken van de hypothetische opzegtermijn cliënten naar elkaar door te verwijzen. [geïntimeerde 1] c.s. waren niet gehouden een dergelijke afspraak met [appellante] te maken, terwijl enig verband tussen het maken van een dergelijke afspraak en het niet in acht nemen van de opzegtermijn niet aannemelijk is, zodat van een verplichting tot het vergoeden van de beweerdelijk geleden schade ook geen sprake kan zijn.

5.16

Uit het voorgaande volgt dat de omvang van de omzetschade moet worden bepaald op basis van de hypothetische situatie dat [geïntimeerde 1] c.s. tijdens de opzegtermijn zouden zijn doorgegaan met het doorverwijzen naar [appellante] van potentiële cliënten die juridisch advies nodig hadden op een door haar bestreken rechtsgebied. Van belang daarbij is dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en dat de omvang van de schade wordt geschat als die omvang niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (art. 6:97 BW). Het valt in dit geval niet nauwkeurig vast te stellen welke omzet [appellante] in de relevante periode is misgelopen als gevolg van het afnemen van doorverwijzingen. Het hof zal daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid de schade te schatten. Daarbij geldt het volgende. Uit de door [appellante] overgelegde stukken blijkt dat de omzet met betrekking tot cliënten met een toevoeging in 2017 is gedaald met € 8.124 (€ 24.292 - € 16.168 = € 8.124 ). Het hof acht het niet aannemelijk dat de gehele omzetdaling in 2017 te wijten is aan het achterwege blijven van de opzegtermijn. Uit diezelfde stukken blijkt namelijk dat ook de omzet van [appellante] met betrekking tot betalende cliënten is teruggelopen. Er lijken dus ook andere redenen te zijn waarom de omzet van [appellante] is gedaald, en die komen in beginsel voor het ondernemersrisico van [appellante] . Alles afwegende stelt het hof de door [appellante] wegens gederfde omzet geleden schade vast op € 3.000.

Reputatieschade

5.17

[appellante] stelt dat zij in haar goede naam en reputatie is aangetast doordat [geïntimeerde 1] c.s., na de beëindiging van de maatschapsovereenkomst, aan cliënten hebben verteld dat [appellante] vertrokken was, en dat geen contact meer met haar mogelijk was. [geïntimeerde 1] c.s. betwisten dat dergelijke uitspraken zijn gedaan. Het hof is van oordeel dat [appellante] de inbreuk op haar goede naam en reputatie onvoldoende heeft onderbouwd. [appellante] verwijst weliswaar naar de verklaring van [naam secretaresse] , maar uit die verklaring volgt niet meer dan dat cliënten [naam secretaresse] soms belden als [appellante] haar eigen telefoon niet opnam, en dat [naam secretaresse] die cliënten dan verzocht het later opnieuw te proberen. De reden daarvoor was dat [naam secretaresse] zelf ook geen ander telefoonnummer van [appellante] had, en na de beëindiging van de maatschapsovereenkomst ook geen toegang meer had tot de agenda van [appellante] . Uit de verklaring volgt dus niet dat de gestelde uitspraken zijn gedaan, nog daargelaten de vraag of dergelijke uitspraken een inbreuk op de goede naam en reputatie van [appellante] zouden betekenen. [appellante] heeft ook geen andere stukken overgelegd die haar stelling feitelijk onderbouwen. [appellante] heeft in hoger beroep geen gespecificeerd aanbod gedaan met betrekking tot de gestelde uitspraken. [appellante] heeft volstaan met een algemeen bewijsaanbod en [naam secretaresse] als getuige genoemd. [appellante] heeft echter niet toegelicht dat [naam secretaresse] op dit punt iets kan verklaren dat niet al volgt uit de overgelegde schriftelijke verklaring.

Kosten voor een verhuistoken

5.18

[appellante] voert aan dat zij vóór de opzegging van de maatschapsovereenkomst gebruik maakte van de website www. [naam website] .nl. [geïntimeerde 1] c.s. betwisten niet dat deze website alleen werd gebruikt door [appellante] , en niet door hen. De website is volgens [appellante] op enig moment onbereikbaar geworden omdat de facturen van de provider niet meer werden betaald. [appellante] stelt advocaatkosten en kosten voor een webhostingbureau te hebben gemaakt om er voor te zorgen dat bezoekers van de website automatisch werden doorgeleid naar de nieuwe website van [appellante] , en heeft in de memorie van grieven haar eis met deze kosten vermeerderd.

5.19

[geïntimeerde 1] c.s. stellen dat geen sprake is van een eisvermeerdering omdat [appellante] in het petitum slechts heeft verzocht het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de vorderingen van [appellante] alsnog toe te wijzen, en de nieuwe vordering verder niet in het petitum tot uitdrukking is gekomen. Dit betoog faalt. [appellante] heeft in de dagvaarding gevorderd om [geïntimeerde 1] c.s. te veroordelen tot het betalen van € 95.500. Het stond [appellante] vrij om de grondslag van haar eis te vermeerderen, zonder het gevorderde bedrag in het petitum te vermeerderen.

5.20

Het hof is van oordeel dat [appellante] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. [appellante] stelt immers dat zij altijd de facturen voor deze website betaalde, zodat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat de website is afgesloten omdat [geïntimeerde 1] c.s. de betaling van de facturen hadden gestaakt. Voor zover [appellante] bedoelt dat [geïntimeerde 1] c.s. verantwoordelijk waren voor de betaling van de facturen, en die ten onrechte niet hebben betaald, heeft zij onvoldoende toegelicht op grond van welke afspraak dat zo was. Ook heeft [appellante] de noodzaak van de gemaakte advocaatkosten onvoldoende toegelicht. De gevorderde kosten zullen daarom worden afgewezen.

Slotsom en proces- en buitengerechtelijke kosten

5.21

Het voorgaande brengt mee dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat [geïntimeerde 1] c.s. zullen worden veroordeeld om aan [appellante] een bedrag te voldoen van € 3.000. Tegen de gevorderde hoofdelijkheid is door [geïntimeerde 1] c.s. geen verweer gevoerd. De wettelijke rente zal als onweersproken worden toegewezen zoals gevorderd. Het gedeeltelijk slagen van grief 6 geeft geen grondslag voor het toewijzen van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Deze zijn namelijk door [geïntimeerde 1] c.s. betwist en door [appellante] naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Omdat beide partijen gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat partijen de kosten in beide instanties zelf dragen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen door de rechtbank Den Haag gewezen vonnis van 9 januari 2019 ;

en opnieuw rechtdoende

- veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk om aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 3.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 maart 2017 tot de dag der algehele voldoening;

- compenseert de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. Kuipers, J.M.T. van der Hoeven - Oud en D.A. Schreuder, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2021 in aanwezigheid van de griffier.