Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:883

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
BK-20/00682
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:9965, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 15.1b Wet op belastingen van rechtsverkeer; dubbele doorkijk overdrachtsbelasting – discriminatie rechtspersonen – kader van de bedrijfsoverdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 3-6-2021
FutD 2021-1753 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2021/1341
NLF 2021/1170 met annotatie van
NTFR 2021/2170 met annotatie van Mr. R.L.G. van den Heuvel
V-N 2021/31.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00682

Uitspraak van 29 april 2021

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: M.R. Peffer,

en

De Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

vertegenwoordiger: […] ,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 augustus 2020, nummer SGR 19/6751.

Voldoening, bezwaar en geding in eerste aanleg

Belanghebbende heeft op 24 april 2017 € 43.080 overdrachtsbelasting voldaan.

De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is € 345 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is € 519 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Het hoger beroep is op 1 april 2021 ter zitting behandeld. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

[S] (de schoonvader) heeft omstreeks 1996 zijn onderneming, een detailhandel in foto en video, ingebracht in [S Holding B.V.] , die op haar beurt [S Vastgoed B.V.] (Vastgoed BV) en [Werk] B.V. (Werk BV) heeft opgericht. Daarbij is de feitelijke onderneming in Werk BV ondergebracht. De benedenverdieping van het pand aan de [adres] te [woonplaats] , van waaruit de verkoop van foto- en videoartikelen plaatsvindt (de winkelruimte), is ondergebracht in Vastgoed BV. Werk BV huurt de winkelruimte van Vastgoed BV.

3.2.

[A] , schoonzoon van de schoonvader (de schoonzoon), houdt alle aandelen in belanghebbende. Belanghebbende heeft in 2002 40% van de aandelen in Werk BV overgenomen.

3.3.

Bij akte van 20 september 2005 heeft Vastgoed BV met betrekking tot het pand aan de [adres] te [woonplaats] , bestaande uit de winkelruimte en in totaal vijf bovenwoningen, een voorkeurs- en optierecht verleend aan [B]

, de dochter van de schoonvader en echtgenote van de schoonzoon (de dochter).

3.4.

In 2007 heeft belanghebbende de resterende 60% van de aandelen overgenomen waardoor zij vanaf dat moment alle aandelen in Werk BV bezit.

3.5.

Op 30 maart 2017 is het pand aan de [adres] bij akte van splitsing gesplitst in appartementsrechten.

3.6.

Belanghebbende heeft van Vastgoed BV het appartementsrecht, rechtgevende op het gebruik van de winkelruimte, gekocht voor een koopprijs van € 718.000. De levering heeft plaatsgevonden op 30 maart 2017. Naar aanleiding van de verkrijging heeft belanghebbende een bedrag van € 43.080 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Vanaf dat moment huurt Werk BV de winkelruimte van belanghebbende.

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft het volgende geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“9. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet BRV, waarin de bedrijfsopvolgingsfaciliteit is opgenomen, luidt (in 2017) als volgt:

“7. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting

vrijgesteld de verkrijging:

a. (...);

b. door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters, of hun echtgenoten, van

een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens

onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen)

door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet. Voor de toepassing van de

vorige volzin wordt:

1°. met een kind gelijkgesteld een pleegkind;

2°. met een broer of zuster gelijkgesteld een halfbroer, halfzuster, pleegbroer of

pleegzuster;”

10. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een onderneming die wordt

gedreven in Werk BV. De aandelen van Werk BV zijn van S. Holding (waarvan de aandelen

volledig in eigendom waren bij de schoonvader) in twee fasen overgegaan op eiseres

(waarvan de aandelen volledig in handen zijn van de schoonzoon). Het appartementsrecht was eigendom van Vastgoed BV en is overgedragen aan eiseres.

11. Het appartementsrecht was voor de overdracht geen eigendom van de

onderneming, gedreven in Werk BV. verweerder heeft er derhalve terecht op gewezen dat

de vervreemder van het appartementsrecht, Vastgoed BV, geen ondernemer is in de zin van

de vrijstelling. Dat de eigenaar van de aandelen van Vastgoed BV dezelfde is als de

oorspronkelijk eigenaar van de aandelen van Werk BV, en de aandelen van die eigenaar

weer eigendom waren van de schoonvader, kan er niet toe leiden dat voor de beoordeling

van de vraag of aanspraak bestaat op vrijstelling op grond van artikel 15 van de Wet BRV

wordt uitgegaan van een overdracht van een tot de onderneming behorend goed door de

schoonvader.

12. Verweerder heeft er eveneens terecht op gewezen dat de hiervoor beschreven

situatie er ook toe leidt dat geen sprake is van een aan de onderneming dienstbaar goed.

Werk BV huurde de winkelruimte, het gebruik waarvan het appartementsrecht verschaft,

van Vastgoed BV. Van een tot de onderneming, gedreven in Werk BV, behorend goed,

dienstbaar aan de onderneming, was ten tijde van de verkrijging en ook daarvoor geen

sprake.

13. Tenslotte behoort eiseres niet tot de kring van natuurlijke personen die als

verkrijger van een bedrijfsmiddel aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld in artikel 15

van de wet BRV. Van een situatie vergelijkbaar met die in de casus van het arrest van de

Hoge Raad van 30 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2110) is dan ook geen sprake, nu

het daar ging om de overdracht van aandelen in een onderneming, waarvan de

ondernemingsactiviteit bestond uit de exploitatie van vastgoed, aan een natuurlijk persoon,

behorend tot de kring van personen van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet

BRV.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden

verklaard.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of op de verkrijging van het appartementsrecht de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van toepassing is als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wet BRV).

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van toepassing is op de verkrijging van het appartementsrecht en als gevolg daarvan geen overdrachtsbelasting verschuldigd is. Belanghebbende voert daartoe kortgezegd aan dat de onderneming van de schoonvader in 2002 en 2007 geleidelijk is overgegaan in het kader van bedrijfsopvolging. De verkrijging van het appartementsrecht vormt de afronding van de bedrijfsoverdracht.

4.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet kan worden toegepast, omdat niet wordt voldaan aan diverse voorwaarden die hiervoor gelden.

Zowel de vervreemder als de verkrijger van de aandelen kunnen volgens de Inspecteur niet als kwalificerend natuurlijk persoon worden aangemerkt.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot teruggave van de op aangifte voldane overdrachtsbelasting. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van proceskosten en het griffierecht.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1.

Belanghebbende erkent dat strikt taalkundig en letterlijk bezien de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, Wet BRV toepassing mist. De overdrager en de overnemer zijn geen natuurlijke personen zoals genoemd in deze bepaling. Belanghebbende bepleit een uitleg vanuit het systeem van de Wet BRV. Door beide rechtspersonen dient te worden heen gekeken, aldus belanghebbende. De winkelruimte was en blijft ten dienste staan van de bedrijfsactiviteiten bestaande uit de handel in foto- en videoapparatuur. Een letterlijke uitleg belemmert de keuze voor de rechtsvorm waarin de gefaseerde overname plaatsvindt. De Wet BRV dient niet zo strikt juridisch te worden uitgelegd als de Rechtbank heeft gedaan. Belanghebbende verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2018, nr. 17/04543 (ECLI:NL:HR:2018:2110) en de zogenoemde doorkijkarresten (HR 23 februari 2007, nr. 41591, ECLI:NL:HR:2007:AU8559, en HR 10 juni 2011, nr. 10/00498, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580). Belanghebbende erkent dat de situatie in het arrest uit 2018 verschilt van de onderhavige situatie. De Inspecteur bestrijdt het standpunt van belanghebbende. Een dubbele doorkijk is volgens hem in strijd met de tekst en doel en strekking van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, Wet BRV. De overdrager en de overnemer zijn geen kwalificerende personen. Ook is niet duidelijk of de overname van het appartementsrecht inderdaad het sluitstuk vormt van de bedrijfsovername.

6.2.

Niet in geschil is dat in de tekst van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, Wet BRV geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor het standpunt van belanghebbende. De tekst noemt natuurlijke personen tussen wie een bepaalde (bloed)verwantschap bestaat als subjecten die gebruik kunnen maken van de vrijstelling. Rechtspersonen behoren niet tot deze kring van subjecten. Belanghebbende bepleit een rechtsvormneutrale uitleg van de voornoemde bepaling. Het Hof gaat hierin niet mee, gelet op doel en strekking van de vrijstelling. De vrijstelling is al in artikel 101, eerste lid, onderdeel b, van de Registratiewet 1917 opgenomen, met als doel en strekking om de overdracht van een lopende onderneming, waartoe een onroerende zaak behoort die daaraan dienstbaar is, tussen (bloed)verwanten te faciliteren. Op deze wijze wordt tevens gestimuleerd dat de onderneming als geheel wordt overgedragen en voortgezet, en dat de onroerende zaak bij de onderneming blijft behoren en daaraan dienstbaar blijft. Het bij elkaar houden van bedrijfsgerelateerd familiebezit wordt op deze wijze niet fiscaal onnodig bezwaard. Een overdracht van een enkele onroerende zaak tussen twee rechtspersonen is feitelijk en rechtens een geheel andere situatie. De vrijstelling zou te ver worden opgerekt als ook deze andere situatie binnen de reikwijdte werd gebracht. Het valt niet in te zien waarom de overdracht van onroerende zaken tussen twee rechtspersonen niet onder alle omstandigheden van overdrachtsbelasting zou moeten worden vrijgesteld, indien het standpunt van belanghebbende werd gevolgd. Het Hof betwijfelt of dit de bedoeling van de wetgever is (geweest). Deze bedoeling is gericht op overdrachten binnen de familiesfeer, tussen de bedoelde natuurlijke personen. Van discriminatie van rechtspersonen is naar het oordeel van het Hof geen sprake. Rechtspersonen en de genoemde natuurlijke personen zijn geen gelijke gevallen.

6.3.

Het Hof voegt hieraan ten overvloede toe dat de Inspecteur er terecht op heeft gewezen dat tussen de gefaseerde overname van de aandelen in Werk BV in 2002 en 2007 door belanghebbende en de onderhavige verkrijging van de winkelruimte in 2017 een geruime tijd is verstreken. In dit verband wijst het Hof op de splitsing in appartementsrechten, die pas in 2017 heeft plaatsgevonden en dus geruime tijd na de laatste fase van de overdracht van de aandelen in Werk BV, en tot slot op de koopoptie, die in 2005 is verleend aan de dochter voor het gehele, toen nog niet gesplitste pand aan de [adres] te [woonplaats] . Het is dus niet duidelijk of de verkrijging van de winkelruimte in het kader van de overname van de onderneming van Werk BV heeft plaatsgevonden, of pas veel later, gelet op omstandigheden die nadien zijn opgekomen. Ter zitting heeft de gemachtigde bijvoorbeeld verklaard dat de dochter de verkrijging niet had kunnen financieren en dat belanghebbende uiteindelijk ook de vijf appartementen boven de winkelruimte heeft gekocht.

6.4.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, H.A.J. Kroon en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De beslissing is op 29 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.