Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:874

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
2200021218
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie, meerdere pogingen tot zware mishandeling en het in groepsverband plegen van een wederrechtelijke vrijheidsbeneming, een poging tot doodslag en een diefstal met geweld. Verder is in verband met de straftoemeting aan de orde de reikwijdte van art 63 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0415
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000212-18

Parketnummer: 10-700670-16

Datum uitspraak: 12 mei 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

thans gedetineerd in PI Utrecht, locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, impliciet subsidiair, en 6 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

8 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen en omtrent de vordering van de benadeelde partij, één en ander als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3 Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
[zaak Wiel]

hij, op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
[zaak Wiel]

hij, op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer sleutels en/of een jas (merk Canada Goose) en/of 350 euro en/of een paspoort en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- meenemen van die [slachtoffer 1] in een auto en/of rondrijden met die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] de woorden toevoegen: "Jij verbergt iets!" en/of "Je moet geld en/of 40.000 en/of 50.000 euro regelen" en/of "We houden je vast totdat je familie geld heeft geregeld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- slaan van die [slachtoffer 1] met een kolf van een vuurwapen, althans een voorwerp, en/of

- uitschelden van die [slachtoffer 1] en/of

- spugen naar die [slachtoffer 1] en/of

- ( meermalen) die [slachtoffer 1] (op/tegen het hoofd) slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of

- in het kruis van die [slachtoffer 1] schoppen en/of trappen en/of

- een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die [slachtoffer 1] tonen en/of

- in de nabijheid van die [slachtoffer 1] zeggen: "Moet ik hem schieten?" en/of "Nee, dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] meenemen naar een portiek/woning;

3.
[zaak Wiel]

hij, op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, (met het oogmerk (een) ander(en), te weten familie van die [slachtoffer 1], te dwingen iets te doen of niet te doen), immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 1] meegenomen in een auto en/of met die [slachtoffer 1] rondgereden en/of

- die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Jij verbergt iets!" en/of "Je moet geld en/of 40.000 en/of 50.000 euro regelen" en/of "We houden je vast totdat je familie geld heeft geregeld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] met een kolf van een vuurwapen, althans een voorwerp, geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] uitgescholden en/of

- naar die [slachtoffer 1] gespuugd en/of

- ( meermalen) die [slachtoffer 1] (op/tegen het hoofd) geslagen en/of gestompt en/of

- in het kruis van die [slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt en/of

- een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die [slachtoffer 1] getoond en/of

- in de nabijheid van die [slachtoffer 1] gezegd: "Moet ik hem schieten?" en/of "Nee, dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] meegenomen naar een portiek/woning;


4.
[zaak Wiel & Vlas & Loder]

hij, in of omstreeks de periode van 04 december 2016 tot en met 23 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:

- drie, althans een of meer, vuurwapens in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool en/of revolver en/of bijbehorende munitie en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type CZ 75-D, kaliber 9x19 mm, en/of bijbehorende munitie en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Zastava Mod. 70, kaliber 7,65, en/of bijbehorende munitie,

voorhanden heeft gehad;

5.
[zaak Vlas]

hij, op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] met een vuurwapen in een (onder)been en/of knie heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij, op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] met een vuurwapen in een (onder)been en/of knie te schieten;

6.
[zaak Vlas]

hij, op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 4] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen heeft voorgehouden en/of (vervolgens) met dat vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 4].

4 Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

5 Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
[zaak Wiel]

hij, op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
[zaak Wiel]

hij, op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer sleutels en/of een jas (merk Canada Goose) en/of 350 euro en/of een paspoort en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- meenemen van die [slachtoffer 1] in een auto en/of rondrijden met die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] de woorden toevoegen: "Jij verbergt iets!" en/of "Je moet geld en/of 40.000 en/of 50.000 euro regelen" en/of "We houden je vast totdat je familie geld heeft geregeld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- slaan van die [slachtoffer 1] met een kolf van een vuurwapen, althans een voorwerp, en/of

- uitschelden van die [slachtoffer 1] en/of

- spugen naar die [slachtoffer 1] en/of

- (meermalen) die [slachtoffer 1] (op/tegen het hoofd) slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of

- in het kruis van die [slachtoffer 1] schoppen en/of trappen en/of

- een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die [slachtoffer 1] tonen en/of

- in de nabijheid van die [slachtoffer 1] zeggen: "Moet ik hem schieten?" en/of "Nee, dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] meenemen naar een portiek/woning;
3.
[zaak Wiel]

hij, op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, (met het oogmerk (een) ander(en), te weten familie van die [slachtoffer 1], te dwingen iets te doen of niet te doen), immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 1] meegenomen in een auto en/of met die [slachtoffer 1] rondgereden en/of

- die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Jij verbergt iets!" en/of "Je moet geld en/of 40.000 en/of 50.000 euro regelen" en/of "We houden je vast totdat je familie geld heeft geregeld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] met een kolf van een vuurwapen, althans een voorwerp, geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] uitgescholden en/of

- naar die [slachtoffer 1] gespuugd en/of

- (meermalen) die [slachtoffer 1] (op/tegen het hoofd) geslagen en/of gestompt en/of

- in het kruis van die [slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt en/of

- een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die [slachtoffer 1] getoond en/of

- in de nabijheid van die [slachtoffer 1] gezegd: "Moet ik hem schieten?" en/of "Nee, dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] meegenomen naar een portiek/woning;


4.
[zaak Wiel & Vlas & Loder]

hij, op in of omstreeks de periode van 04 december 2016 tot en met 23 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:

- drie, althans een of meer, vuurwapens in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool en/of revolver en/of bijbehorende munitie en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type CZ 75-D, kaliber 9x19 mm, en/of bijbehorende munitie en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Zastava Mod. 70, kaliber 7,65, en/of bijbehorende munitie,

voorhanden heeft gehad;


5.
[zaak Vlas]

hij, op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] met een vuurwapen in een (onder)been en/of knie heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij, op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] met een vuurwapen in een (onder)been en/of knie te schieten;
6.
[zaak Vlas]

hij, op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 4] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7 Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

8 Nadere bewijsoverwegingen

8.1

Herkenning door wijkagent [verbalisant] (zaak Wiel)

De raadsvrouw heeft - overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota - betoogd dat de herkenning van verdachte op beelden gemaakt in de shisha-lounge [naam] door verbalisant [verbalisant] niet als bewijsmiddel gebruikt dient te worden. Zij wijst er daarbij op dat op de still van deze beelden op blz. 118 van het dossier vrijwel niets te zien is.

Het hof stelt vast dat het niet gaat om 1 beeld, maar om drie beelden, die kennelijk bij de ingang van de shisha-lounge zijn gemaakt (blz. 118, 119, 120).

Verbalisant [verbalisant] is gevraagd of hij de persoon op deze beelden herkende. Het proces-verbaal houdt op dit punt onder meer in:

“Ik, verbalisant [verbalisant], ben werkzaam als wijkagent in de [wijk] en ken door de dagelijkse uitoefening van mijn taak veel bewoners van deze wijk. Bovengenoemde [VERDACHTE] ken ik vanuit de overlastaanpak van het [straat] te Rotterdam. Deze aanpak loopt al enkele jaren. Ik, verbalisant [verbalisant], heb hem in die periode veelvuldig gesproken en gezien.”

Een aanvullend proces-verbaal van 10 februari 2020 van verbalisant [verbalisant] houdt voorts onder meer in:

“Ik verbalisant, kreeg het verzoek een aanvullend proces-verbaal op te maken waaraan ik [verdachte] herken. Ik herken hem niet van specifieke kenmerken maar in zijn geheel. In de periode waarin dit verzoek gedaan werd, was ik veel betrokken bij onderzoeken naar [verdachte] en zag ik hem veelvuldig. Ik kwam ook langs bij zijn zus die woonachtig was op de [straat 2] te Rotterdam. [verdachte] werd in die periode veel in verband gebracht met diverse excessieve geweldzaken en omdat ik hem zoveel zag, kan ik hem goed herkennen. Ik ken hem door mijn werk als toenmalig wijkagent erg goed en werd ook na zijn ontsnapping direct gebeld om mee te gaan zoeken naar hem. Ik ben toen ook bij familie en vrienden aan de deur geweest om hem te zoeken. Ik heb in deze zaak ook de bewegende beelden gezien die van iets betere kwaliteit waren. In een eerder onderzoek ben ik, verbalisant, ook bij hem op bezoek geweest in de penitentiaire inrichting en met hem in gesprek gegaan. [verdachte] behoorde tot een bekende jeugdgroep die we wekelijks zagen en spraken en is door dit contact een goede bekende geworden van mij, verbalisant.”

Uit de beschrijving van de herkenning door verbalisant [verbalisant] leidt het hof af dat deze verbalisant verdachte niet heeft herkend aan specifieke, afzonderlijke kenmerken, maar op basis van het totaalbeeld, gebaseerd op bewegende beelden van iets betere kwaliteit dan de in het dossier gevoegde stills. Het hof acht deze herkenning betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen.

Ten overvloede en ambtshalve stelt het hof vast dat de raadsvrouw ter gelegenheid van de regiezitting op 25 maart 2019 weliswaar heeft gevraagd om verbalisant [verbalisant] te doen horen als getuige, maar dat dat verzoek, na het opmaken van het aanvullende proces-verbaal niet herhaald is. Bij gebreke van een zodanig verzoek, doet de zogeheten ‘Vidgen-problematiek’ zich niet voor.

8.2

Betrokkenheid van de verdachte

Het hof acht de verklaring van aangever [slachtoffer 1] zoals in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof begrijpt dat de verdediging dit op zichzelf ook niet betwist, behalve waar het gaat om (de identificatie van) verdachte.

Het hof gaat uit van de volgende met bewijsmiddelen belegde feiten en omstandigheden.

Op 9 december 2016, meteen na het schietincident in de [straat 3], zegt de aangever tegen de verbalisanten dat hij in de shisha-lounge een paar jongens is tegengekomen. Een van deze jongens heet [voornaam verdachte] en woont in [woonplaats]. Hij heeft allebei zijn ouders verloren. Het hof stelt vast dat de voornaam van de verdachte [voornaam verdachte] is en dat hij woonachtig is geweest in [wijk], een wijk grenzend aan [woonplaats], en dat de beide ouders van verdachte overleden zijn. Voorts stelt het hof vast dat uit camerabeelden blijkt dat verdachte samen met anderen op 9 december 2016 enige tijd in het gezelschap van aangever heeft doorgebracht in shisha-lounge [naam] in [locatie]. Blijkens de verklaring van de eigenaar van deze horecagelegenheid ging aangever met deze groep (van in totaal 5 personen inclusief aangever) gezamenlijk weg. Uit camerabeelden blijkt dat deze vijf personen de shisha-lounge verlaten en gezamenlijk in een Volkswagen Golf wegrijden. Het telefoonnummer [telefoonnummer] was die nacht in gebruik bij verdachte. Het hof stelt vast dat dit telefoonnummer de bewuste nacht vanaf de omgeving van de shisha-lounge richting de wijk [wijk 2], beweegt en vervolgens richting [wijk]. Deze reisbewegingen komen overeen met de verklaring van de aangever over de locaties van de gebeurtenissen die nacht.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, die niet ontkracht worden door de door de verdediging geopperde suggestie, acht het hof bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is bij de feiten gepleegd op 9 december 2016. Het hof verwerpt het verweer dat, kort gezegd, sprake is van een persoonsverwisseling tussen verdachte en [betrokkene].

9 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 5 en 6 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

10 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11 Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsbeneming, een poging tot doodslag en een diefstal met geweld, en heeft zich voorts schuldig gemaakt aan meerdere pogingen tot zware mishandeling en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijhorende munitie.

De verdachte is op 4 december 2016 met vier andere mannen naar een café in Rotterdam gegaan. Nadat men in eerste instantie rustig aan een tafeltje zat te kaarten, werd er op enig moment door de verdachte en een van de andere mannen een vuurwapen op tafel gelegd. De verdachte heeft zijn wapen, een revolver, op enig moment op zijn schoot en naast zich op de bank gelegd. Naar eigen zeggen heeft hij gespeeld met het wapen, waarbij de trekker van

het wapen door hem is overgehaald. Twee mannen zijn daardoor gewond geraakt in hun knie of been. Tijdens het tumult dat hierna ontstond heeft de verdachte, terwijl hij de revolver op hen richtte, van twee van de vier mannen gevorderd dat zij hun vuurwapens aan hem afstonden, hetgeen zij hebben gedaan. De verdachte heeft hierna nog één van de andere mannen gefouilleerd op de aanwezigheid van een vuurwapen en heeft, toen hij ontdekte dat deze man geen wapen bij zich droeg, na een kort handgemeen, richting de benen van deze man geschoten.

Niet lang daarna, op 9 december 2016, heeft de verdachte samen met anderen een bekende, die zij in een shisha-lounge waren tegengekomen, uitgenodigd om naar een afterparty elders te gaan. Ze vertrokken met vijf personen, waaronder de verdachte en het slachtoffer, in een auto naar de [wijk 2]. Daar werd het slachtoffer door de verdachte en anderen mishandeld, bedreigd met vuurwapens en met een vuurwapen in zijn gezicht geslagen. Het slachtoffer moest daarna weer in de auto stappen, die vervolgens naar de wijk [wijk] reed. Het slachtoffer werd duidelijk gemaakt dat hij binnen een aantal uren voor een geldbedrag diende te zorgen en dat de verdachte en zijn mededaders hem niet zouden laten gaan voordat er betaald was. In de [straat 3] werd het slachtoffer gedwongen om een portiek in te gaan en om via het trappenhuis naar een

woning op de vierde etage te gaan. Hij heeft daar uit doodsangst kans gezien in het trappenhuis naar beneden te springen en te vluchten. Het slachtoffer werd daarop in zijn rug geschoten.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en het gebruik daarvan zorgt voor gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Voor al deze gebeurtenissen geldt dat dit zeer ernstige misdrijven zijn. De verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de veiligheid van de daarbij betrokken slachtoffers, op hun lichamelijke integriteit en op hun geestelijk welzijn. De misdrijven getuigen van geen enkel respect voor het welzijn van anderen en zorgen voor grote onrust in de samenleving. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eis in hoger beroep en de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf het in deze zaak toepasselijke strafmaximum overschrijden gelet op eerder opgelegde gevangenisstraffen en het bepaalde in art. 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.).

De advocaat-generaal heeft dit bestreden.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de navolgende misdrijven:

  1. het medeplegen van een poging tot doodslag, waarop ingevolge art. 45 juncto 287 Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 10 jaar is gesteld;

  2. diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarop ingevolge art. 312 eerste en tweede lid Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaar is gesteld;

  3. medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, waarop in art. 282 Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 8 jaar is gesteld;

  4. eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, alsmede handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, op welke twee feiten ingevolge art. 55 Sr. juncto art. 55, derde lid, Wet wapens en munitie een gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaar is gesteld;

  5. eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling en

  6. poging tot zware mishandeling, op welke twee feiten (5 +6) ingevolge art. 45 juncto 55 en 302 Sr. een gevangenisstraf van ten hoogste 5,36 jaar is gesteld.

Art. 57 Sr. bepaalt dat voor al deze bewezenverklaarde feiten één straf dient te worden opgelegd, waarbij het maximum in dit geval niet meer dan een derde boven het hoogste maximum beloopt. De hoogste maximum straf voor een van deze afzonderlijke delicten is in dit geval een gevangenisstraf van 12 jaar. Wanneer hier een derde bij opgeteld wordt, betekent dit dat het in deze zaak in beginsel toepasselijke strafmaximum 16 jaar bedraagt, terwijl dit maximum beneden de som van de afzonderlijke strafbedreigingen ligt.

Op 4 april 2014 heeft de rechtbank Rotterdam onder parketnummer 10-750146-13 verdachte wegens handelen in strijd met de Opiumwet veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. In hoger beroep heeft het hof om juridische redenen die in zijn arrest van 9 april 2018 zijn uiteengezet verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden. De in dit arrest bewezenverklaarde feiten betreffen de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, alsmede medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe. Ingevolge art. 57 Sr is het op deze feiten toepasselijke strafmaximum 10,66 jaar. Dit ligt beneden het hiervoor genoemde in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaar.

Dit leidt tot de slotsom dat het strafmaximum ingevolge art 57 Sr. 16 jaar blijft.

Artikel 63 Sr. houdt het volgende in:

Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig een straf wordt opgelegd van toepassing.

Dit betekent dat voor de werking van art. 63 Sr. in deze zaak voor wat betreft de veroordeling van 9 april 2018 niet van 5 jaar, maar van 4 maanden dient te worden uitgegaan.

De omstandigheid dat verdachte in de zaak met parketnummer 10-750146-13 heel veel langer dan 4 maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is een kwestie die in het kader van de executie van de diverse gevangenisstraffen die aan verdachte zijn opgelegd aan de orde dient te komen, maar niet in het kader van de straftoemeting in deze zaak. Ingevolge art. 6:1:1 en volgende Wetboek van Strafvordering geschiedt de (beslissing over de) tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen door de Minister.

Dit alles leidt tot de slotsom dat ingevolge art. 63 Sr. een periode van 4 maanden in mindering dient te worden gebracht op het in beginsel toepasselijke strafmaximum van 16 jaar. Dit brengt mee dat in deze zaak het toepasselijke strafmaximum 15 jaar en 8 maanden bedraagt. Hiervan zal worden uitgegaan (HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1026).

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren, gelet op het feit dat namens de verdachte op

2 januari 2018 hoger beroep is ingesteld en het eindarrest op 12 mei 2021 – te weten circa 3 jaren en 3 maanden later - is gewezen. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat in plaats van de overwogen gevangenisstraf van 10 jaren, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur zal worden opgelegd.

12 Beslag

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een pistool, ZASTAVA 70 sin nr. AAKY1684NL, G5292614, 7,65 mm kal, zal worden onttrokken aan het verkeer, nu dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van € 1.545,-, € 40,- en

€ 7.020,- zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, dus het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

13 Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 23.184,89.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 23.034,89.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 17.524,89, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 3.034,89 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 13.034,89 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

14 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 63, 282, 287, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een pistool, ZASTAVA 70, sin nr. AAKY1684NL, G5292614, 7,65 mm kal.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. Geld Euro 1.545 euro, ibg 23-12-16;

2. Geld Euro 40 euro uit jas ibg 23-12-16;

3. Geld Euro 7.020 euro, ibg 23-12-16.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 13.034,89 (dertienduizend vierendertig euro en negenentachtig cent) bestaande uit € 3.034,89 (drieduizend vierendertig euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 10.000,- (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.034,89 (dertienduizend vierendertig euro en negenentachtig cent) bestaande uit € 3.034,89 (drieduizend vierendertig euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 10.000,- (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 100 (honderd) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 december 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. R.J. de Bruijn, in bijzijn van de griffier mr. J. van der Vegte.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 mei 2021.