Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:869

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
200.287.733
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:12449, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; overheidsaansprakelijkheid, corona-maatregelen, gebruik van PCR-test uitslagen door de Staat, communicatie door de Staat over de testuitslagen en de corona-maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.287.733/01


Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/602130 / KG ZA 20-1060

Vindplaats bestreden vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2020:12449

Arrest in kort geding van 18 mei 2021

in de zaak van

Stichting Viruswaarheid.nl

gevestigd in Rotterdam,

[appellant 2] ,

wonend in [woonplaats],

[appellant 3] ,

wonend in [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellanten,

hierna te noemen: de Stichting e.a.,

advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

zetelend in Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de Staat,

advocaten: mrs. K. Teuben en M.R. Botman te Den Haag.

1 Korte inleiding

1.1

Deze zaak gaat over het gebruik van de PCR-test en de communicatie rondom corona. De Stichting e.a. eisen dat de Staat het gebruik van de PCR-test in strijd met de voorschriften beëindigt en alle vormen van communicatie aanpast aan (bepaalde) uitgangspunten voor overheidscommunicatie. Het hof oordeelt – net als de voorzieningenrechter1 – dat de eisen van de Stichting e.a. moeten worden afgewezen. Het hof beperkt het gebruik van de PCR-test dus niet en laat ook geen communicatie aanpassen.

2 Het verloop van dit kort geding

2.1

Hoe de procedure tot vandaag is verlopen blijkt uit:

  • -

    het dossier van de procedure bij de rechtbank Den Haag dat leidde tot het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van 9 december 2020 (het bestreden vonnis);

  • -

    de spoedappeldagvaarding van 24 december 2020 van de Stichting e.a., waarin de Stichting e.a. aangeven waarom zij het niet eens zijn met het bestreden vonnis, met bijlagen (producties),

  • -

    de schriftelijke reactie op de dagvaarding bij memorie van antwoord van de Staat, met twee producties,

  • -

    de pleitaantekeningen van partijen, overgelegd tijden de mondelinge behandeling bij het hof op 16 april 2021 en de daarvoor door de Stichting e.a. in geding gebrachte 14 producties.

2.2

De mondelinge behandeling vond gelijktijdig plaats met de mondelinge behandeling van het kort geding met zaaknummer 200.290.028 van de Stichting en een burger tegen de Staat, waarin het hof vandaag ook uitspraak doet.

3 Het feitelijke kader

3.1

In december 2019 zijn verschillende mensen in Wuhan besmet met een nieuw coronavirus, SARS-CoV-2 (hierna ook: het coronavirus). Het ziektebeeld dat dit virus bij mensen kan veroorzaken heet Covid-19. Het virus heeft zich wereldwijd verspreid. Op 11 maart 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de lidstaten opgeroepen tot “urgent and agressive action” om verdere verspreiding van het virus tegen te gaan.

3.2

Het is de taak van de Staat om passende maatregelen te nemen om epidemische ziekten zoveel mogelijk te voorkomen. In verband hiermee heeft hij in Nederland sinds half maart 2020 verschillende maatregelen genomen. De mate waarin de maatregelen gelden is telkens afhankelijk van de mate van verspreiding van het coronavirus.

3.3

In de strategie van de Staat voor de bestrijding van het coronavirus zijn drie ankerpunten leidend:

  • -

    acceptabele belasting van de zorg;

  • -

    bescherming van kwetsbare mensen in de samenleving;

  • -

    zicht houden op en inzicht hebben in de ontwikkeling van de verspreiding van het virus.

3.4

Sinds 1 juni 2020 geldt in Nederland met het oog op de bestrijding van het coronavirus een testbeleid waarbij iedereen met symptomen die passen bij het coronavirus zich kan laten testen bij één van de testlocaties van de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD). Ook buiten de GGD-testlocaties wordt getest, bijvoorbeeld in zorginstellingen. Sinds december 2020 kunnen ook mensen zonder symptomen zich laten testen als zij in contact zijn geweest met personen die positief zijn getest (dit kan naar voren komen uit de CoronaMelder-app of uit bron- en contactonderzoek). Op monsters uit de testlocaties wordt (onder andere) de PCR-test2 gebruikt.

3.5

De PCR-test is – versimpeld weergegeven – een test waarmee een stukje genetisch materiaal van een virus kan worden opgespoord. Voor de in dit kort geding aan de orde zijnde tests is dat genetisch materiaal van het coronavirus (SARS-CoV-2).

3.6

De basisinformatie over allerlei aspecten van het coronavirus geeft de Staat op de website Rijksoverheid.nl. Deze website is voor iedereen toegankelijk. Op de site staat onder meer het zogenoemde coronadashboard met informatie over de laatste ontwikkelingen en verscheidene actuele cijfers, zoals het aantal positieve testen, het reproductiegetal, het percentage IC-bedden waarop patiënten met Covid-19 liggen en de oversterfte. Op de website van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) staat de meer gedetailleerde informatie over het coronavirus en Covid-19, waaronder gedetailleerde informatie over de PCR-test en andere testen. De Staat actualiseert deze informatie voortdurend aan de hand van de laatste inzichten en de laatste stand van zaken. Daarnaast geeft de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM regelmatig technische briefings aan de volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer. Deze briefings kan iedereen online volgen en de sheets zijn openbaar toegankelijk. Verder communiceert de Staat welke maatregelen er worden genomen en waarom. De adviezen die ten grondslag liggen aan de maatregelen, zoals de adviezen van het Outbreak Managment Team (OMT) 3, zijn ook voor iedereen toegankelijk. Ook wordt er namens de Staat informatie aan de pers gegeven; zo geven de minister-president en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) regelmatig mondeling persconferenties.

4. De vorderingen van de Stichting e.a. en de beslissing van de voorzieningenrechter

4.1

De Stichting e.a. vorderen dat de rechter in dit kort geding:

-A- de Staat beveelt het gebruik van de PCR-test in strijd met de voorschriften van de fabrikanten, althans het volgens de CE-certificering toegelaten gebruik, te beëindigen en beëindigd te houden en

-B- de Staat veroordeelt alle vormen van overheidscommunicatie, waaronder de overheids- en GGD-websites, persberichten en persconferenties aan te passen zodat deze voldoet aan de “Uitgangspunten overheidscommunicatie”, met inachtneming van het volgende:

  • -

    positieve testresultaten worden niet aangeduid als besmettingen, infecties, gevallen, zieken of patiënten,

  • -

    de Staat communiceert aantallen positieve testuitslagen niet of alleen in verhouding tot het totale aantal afgenomen testen en met vermelding van de door de fabrikanten gestelde gebruiksbeperkingen en de gehanteerde ct-waarden,

  • -

    het aantal ziekenhuis- en IC-opnames van Covid-19 patiënten wordt afgezet tegen de normale bezetting als gevolg van longinfecties in andere jaren, en bij de opnames wordt vermeld of de patiënt voor Covid-19 of voor een andere aandoening is opgenomen,

  • -

    bij positief geteste sterfgevallen worden de leeftijd en oorzaak van overlijden vermeld en het aantal dagelijkse sterfgevallen met of aan Covid-19 wordt in de context geplaatst van sterfgevallen aan kanker en hart- en vaatziekten,

  • -

    de dagelijkse publicatie wordt geplaatst in verhouding tot de griep, vermeldt de risicogroepen, het percentage mensen met het coronavirus dat overlijdt (de ‘infection fatality rate’) en deelt mee dat het virus voor 98% van de bevolking geen gevaar vormt.

Voor het geval de rechter niet beide vorderingen kan toewijzen, vorderen de Stichting e.a. (subsidiair), dat de rechter de bij -B- genoemde veroordeling geeft.

4.2

De Stichting e.a. leggen aan beide vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt. Kort samengevat voeren de Stichting e.a. daarvoor het volgende aan.

-A- De PCR-testresultaten kunnen geen rechtvaardiging bieden voor de corona-maatregelen en de omvang daarvan. De tests zijn daarvoor namelijk niet geschikt. De Staat gebruikt die tests in strijd met de voorschriften. De corona-maatregelen maken inbreuk op de grondrechten en de door het EVRM beschermde mensenrechten. De Staat mag de noodzaak en de omvang daarvan niet afhankelijk stellen van de aantallen positieve testuitslagen.

-B- De Staat communiceert op misleidende en onnodig alarmerende wijze. De bevolking zou niet instemmen met de inperking van haar rechten als zij beter was geïnformeerd over de risico’s van het virus en als de Staat zou communiceren dat het aantal positieve testen geen uitkomst geeft over het aantal geïnfecteerde of zieke personen. Volgens de uitgangspunten van overheidscommunicatie is onjuiste en onvolledige overheidscommunicatie niet toegestaan. De communicatie mag ook niet bovenmatig angst aanjagen.

4.3

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de Stichting e.a. in het bestreden vonnis afgewezen.

5 De beoordeling van de zaak door het hof

5.1

De Stichting e.a. zijn het niet met het vonnis eens en zijn in hoger beroep gekomen. Zij eisen dat het hof het vonnis vernietigt en hun vorderingen alsnog toewijst. Zij hebben acht klachten (grieven) tegen het oordeel van de voorzieningenrechter gericht. De Staat heeft de grieven gemotiveerd bestreden. Het hof zal hieronder de klachten van de Stichting e.a. en het verweer van de Staat nader weergeven voor zover dat nodig is om de beslissing uit te leggen.

Uitgangspunten

5.2

De Staat heeft op grond van de Nederlandse grondwet en internationale verdragen de taak om passende maatregelen te nemen ter bevordering van de volksgezondheid en teneinde epidemische, endemische en andere ziekten zoveel mogelijk te voorkomen.4Op 11 maart 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de lidstaten opgeroepen tot “urgent and agressive action” om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. De vraag welke maatregelingen de Staat moet treffen ter bestrijding van het coronavirus en of die maatregelen proportioneel en subsidiair zijn vergt primair een politieke afweging. Voor het gebruik van de PCR-test vindt dan ook overleg met de Tweede Kamer plaats. Ook mag het kabinet in beginsel afgaan op de adviezen van in het OMT – waarover ook het parlement wordt geïnformeerd. Niet voor niets is dit orgaan verantwoordelijk voor het tot stand komen van het best mogelijke professionele advies over de te nemen crisismaatregelen.5De civiele rechter – en zeker de rechter in kort geding – moet zich daarom terughoudend opstellen bij de beoordeling van de keuzes die de Staat binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid maakt. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes maakt en de Staat dus in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, of wanneer de Staat een bevoegdheid aanwendt zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat, is plaats voor rechterlijk ingrijpen.

5.3

In deze zaak maken de Stichting e.a. in de kern twee verwijten: de PCR-test beschikt niet over eigenschappen voor het doel waarvoor de Staat de tests inzet, zodat de Staat de tests niet kan gebruiken als basis voor het nemen van maatregelen, en de communicatie is niet goed. De Stichting e.a. vechten de beperkende maatregelen zelf niet aan. Zij hebben wel opgemerkt dat allerlei maatregelen inbreuk maken op grondrechten en verdragsrechten, maar hun vorderingen zijn daar niet op gericht. Het hof oordeelt in dit kort geding daarom slechts over het gebruik van de PCR-tests en de over communicatie rond Covid-19 en het coronavirus.

PCR-tests zijn geschikt voor het gebruik dat de Staat ervan maakt

5.4

Het hof volgt de Stichting e.a. niet in hun betoog dat de PCR-test alleen zegt of SARS-CoV-2 virusmateriaal aanwezig is en niet of er een ziekteverwekker of een infectie is aangetroffen. Niet ter discussie staat dat een PCR-test de aanwezigheid kan vaststellen van genetisch materiaal dat afkomstig is van het SARS-CoV-2 virus. Wanneer dat materiaal in de geteste persoon aanwezig is, is dat daar achtergelaten door het SARS-CoV-2 virus. Dat virus heeft die persoon dan dus “besmet”. Omdat dat virus alleen aantoonbaar is met een PCR-test wanneer er voldoende virusdeeltjes aanwezig zijn, duidt een positieve PCR-testuitslag er in beginsel op dat ook een infectie (vermenigvuldiging) heeft plaatsgevonden. Omdat vaststaat dat het SARS-CoV-2 virus de ziekte Covid-19 kan veroorzaken, is bij een positieve testuitslag dus een (potentiële) ziekteverwekker aangetroffen. Daarom is het ook niet onjuist of misleidend wanneer de Staat de termen ‘positief geteste mensen’, ‘besmettingen’ en ‘meldingen van besmettingen’ gebruikt om mee te delen bij hoeveel mensen het virus door testen is aangetroffen. Daaraan doet niet af dat er ook sprake kan zijn van vals-positieve uitslagen en dat een positieve testuitslag niet zonder meer inhoudt dat de geteste persoon besmettelijk is. In combinatie met klachten die passen bij het virus of in combinatie met het feit dat de geteste persoon in contact is geweest met een andere positief geteste persoon, betekent een positieve uitslag in elk geval wel dat de kans reëel is dat de persoon besmettelijk is (geweest) of nog kan worden.

5.5

Het gebruik dat de Staat momenteel van de PCR-tests maakt, is naar voorlopig oordeel van het hof toegestaan. De Staat gebruikt de testuitslagen, naast andere informatie, om zijn beleid inzake de te nemen maatregelen af te stemmen op de risico’s van verspreiding van Covid-19 onder de bevolking. Dat beleid van de Staat richt zich op een acceptabele belasting van de zorg, op bescherming van de (voor Covid-19) kwetsbare mensen en op inzicht in de ontwikkeling en verspreiding van het virus. Voor gebruik bij dat beleid zijn PCR-tests geschikt. PCR-tests detecteren het coronavirus. Er bestaat een belangrijke correlatie tussen oplopende positieve testuitslagen en vervolgens oplopende ziekenhuis- en IC-opnames. Vast staat ook dat mensen die het virus bij zich dragen dit zouden kunnen overdragen aan anderen. De PCR-tests kunnen het virus opsporen voordat de geteste personen er ziek van zijn. Er is geen andere methode (althans die hebben de Stichting e.a. niet genoemd) die meer geschikt is dan testen om het SARS-CoV-2 virus op te sporen en daarmee de mogelijke verspreiding ervan in kaart te brengen. De Stichting e.a. stellen nog dat er geen test nodig is, omdat mensen met klachten zich kunnen melden bij een arts en mensen zonder symptomen geacht moeten worden gezond te zijn. De Staat kan zich echter in redelijkheid op het standpunt stellen dat het ter bescherming van de volksgezondheid van belang is om inzicht te hebben in de verspreiding van het virus, ook vóórdat mensen er ziek van worden, en dat het daarvoor aangewezen is dat mensen zich laten testen.

5.6

De Stichting e.a. hebben de Staat nog andere argumenten tegengeworpen over zijn gebruik van de PCR-tests. Geen van die argumenten slaagt. Hof zal daar in het onderstaande nader op ingaan.

5.7

In dit kort geding staat voor het hof voldoende vast – de Stichting e.a. hebben dat niet voldoende betwist – dat in Nederland alleen PCR-testen worden gebruikt die zijn gevalideerd6 voor wat betreft de analytische parameters. Het validatierapport is met de WHO gedeeld en ook gepubliceerd. De Staat heeft daartoe (mede) verwezen naar de informatie die over validatie op de website van het RIVM staat, waar ook melding wordt gemaakt van de aanpassingen van de testen aan de stand van de wetenschap en de ervaringen met het gedrag van de PCR-tests voor SARS-CoV-2. Validering geeft de bevestiging dat de test de door de fabrikant gespecificeerde prestatieniveaus bereikt. De betekenis die de Stichting e.a. geven – of juist niet geven – aan het begrip “gouden standaard” doet niet af aan de prestaties van deze tests bij het opsporen van SARS-CoV-2 in monsters van afgenomen materiaal. De PCR-test wordt op dit moment wereldwijd, en ook door de Europese Commissie en het Europees Centrum voor ziektepreventie en bestrijding, beschouwd als de meest betrouwbare test om de aanwezigheid van (deeltjes van) het SARS-CoV-2 aan te tonen. Er is geen grond te oordelen dat de Staat dat anders moet zien. Dit is niet anders vanwege kritiek van een aantal wetenschappers op het Corman-protocol; dat zou begin januari 2020 te snel zijn ontworpen, op basis van een virtueel samengesteld virus en zou niet ‘peer-reviewed’ zijn. Deze kritiek heeft wel geleid tot grondig onderzoek door experts, maar dat onderzoek leidde niet tot intrekking van het Corman-protocol en ook niet tot negatieve OMT-adviezen over de waarde van de PCR-test.

5.8

De Stichting e.a. hebben aangevoerd dat de Staat aan een positieve PCR-testuitslag geen conclusies mag verbinden, omdat zonder nadere diagnosestelling een positief geteste persoon niet als Covid-19 patiënt mag worden aangemerkt. Dit mist grond. De Staat gebruikt de PCR-testuitslag niet voor een diagnose bij de geteste persoon. In de communicatie geeft de Staat aan dat positief geteste mensen ‘corona’ of ‘het corona-virus’ bij zich hebben. De Staat concludeert uit de testuitslag niet dat de geteste persoon ziek is en communiceert dat ook niet. De Stichting e.a. hebben verder gewezen op communicatie van het RIVM over positieve SARS-CoV-2 testuitslagen, waarbij het RIVM ook de termen Covid-19 en Covid-19 patiënten gebruikt.7 Deze communicatie is algemeen gericht (niet aan een individueel getest persoon) en betreft de verspreiding van het virus en de ziekte Covid-19 in Nederland. Dit wijst er niet op dat het RIVM (of de Staat) bij mensen de diagnose Covid-19 stelt of laat stellen op grond van enkel een testuitslag. De term ‘Covid-19 patiënt’ gaat daar over mensen die met Covid-19 symptomen bij een arts zijn gekomen en vervolgens positief zijn getest, waarna de arts daar melding van heeft gedaan. De Staat gebruikt de PCR-testuitslag ook niet voor de behandeling van klachten of ziekte. Behandeling van Covid-19 patiënten gebeurd door artsen (niet door de Staat), nadat artsen de diagnose hebben gesteld en hebben beoordeeld of een medische behandeling nodig is, en zo ja welke. De Stichting e.a. hebben ook niets aangedragen dat er op wijst dat de Staat bevordert dat artsen Covid-19 gaan behandelen op grond van alleen een testuitslag en zonder acht te slaan op de geuite klachten en het getoonde ziektebeeld. Het feit dat artsen positieve testuitslagen aan de GGD moeten melden, betekent niet dat zij met alleen de testuitslag een diagnose moeten stellen. Artsen moeten (ook) melding maken van vermoedens van een SARS-infectieziekte bij een onderzocht persoon. Deze vermoedens zijn gerechtvaardigd bij een positieve testuitslag. De Staat (en het RIVM) mag die meldingen ook (anoniem) openbaar maken.

5.9

Dat de Staat positief geteste personen een dringend quarantaine-/isolatieadvies geeft, betekent niet dat hij de test gebruikt voor diagnose zonder verdere betrokkenheid van een arts. Een quarantaine of isolatie is geen behandeling (of een ‘behandelplan’ of ‘therapie’ zoals de Stichting e.a. de quarantaine noemen). Hierbij merkt het hof op dat de Staat ook in zijn communicatie (telkens) duidelijk maakt dat quarantaine en isolatie zijn bedoeld om het risico van verdere verspreiding van het virus te beperken en dus niet als de medische behandeling van de klachten of van een ziekte. In de informatie die iemand na een positieve testuitslag ontvangt, staat geen diagnose of ziekte-behandelplan. Er staat juist uitdrukkelijk in dat hij de huisarts moet bellen als hij medische hulp nodig heeft of ernstig ziek is.

5.10

De Stichting e.a. hebben misschien met hun verwijzing naar de daling van griepgevallen in de statistieken nog bedoeld ook in hoger beroep te stellen dat de PCR-tests voor SARS-CoV-2 ook een positief resultaat geven bij andere virussen dan SARS-CoV-2. De Staat heeft (al in eerste aanleg) gemotiveerd aangevoerd dat die veronderstelling niet juist is en de Stichting e.a. hebben dat niet voldoende bestreden. De PCR-test voor SARS-CoV-2 kan geen verkoudheid- of griepvirussen (of bacteriën) detecteren. Zij kan wel positief uitpakken bij sterk gelijkende SARS-virussen, maar dergelijke virussen zijn momenteel niet in Nederland actief. Dat dit anders is, hebben de Stichting e.a. niet aannemelijk gemaakt.

5.11

De Stichting e.a. hebben aangevoerd dat fabrikanten aanvankelijk de PCR-testen niet op de Europese markt hebben gebracht onder de definitie van in vitro diagnostiek (IVD) en dat fabrikanten van PCR-testen die wel over een CE-certificering volgens de IVD-Richtlijn beschikken, in de gebruiksaanwijzingen beperkingen aan brengen zoals:

- de test is uitsluitend geschikt voor analytisch gebruik in combinatie met de medische geschiedenis en conditie van de geteste persoon,

- de test is niet te gebruiken als basis voor een klinische diagnose,

- de test kan niet uitsluiten dat andere pathogenen (mede) een positief testresultaat veroorzaken en

- een positieve uitslag betekent niet zonder meer dat de persoon drager is van het virus.

De stelling van de Stichting e.a. dat de Staat de PCR-test in strijd met de gebruiksaanwijzingen gebruikt treft geen doel, reeds omdat de Staat geen diagnoses stelt met de PCR-tests, zoals hiervoor al is overwogen. De Staat gebruikt de test om zo veel mogelijk het SARS-CoV-2 virus op te sporen teneinde passende maatregelen te nemen om het risico van verspreiding tegen te gaan.

5.12

De Stichting e.a. verwijzen naar punt 8 van de preambule van Richtlijn 98/79/EG,8 waarin staat dat bepaalde instrumenten en artikelen die bestemd zijn voor onderzoek zonder medische doeleinden na te streven, niet worden beschouwd als voor doeltreffendheidsonderzoek bestemde hulpmiddelen. Dit punt 8 moet volgens de Stichting e.a. in samenhang worden gelezen met een onderdeel uit de gebruikslijst van producten voor Research Use Only (RUO) in de IVD Guidance9 van 2004, waarin staat dat er een gebruik van RUO producten is voor een betere identificatie en kwantificatie van individuele chemische substanties of moleculen in biologische monsters zonder dat zij worden verkocht onder de definitie van IVD. De Stichting e.a. hebben niet duidelijk gemaakt, en het hof ziet ook niet in, hoe het hof op grond van deze teksten zou kunnen oordelen dat de PCR-tests ongeschikt zijn voor het gebruik dat de Staat ervan maakt.

5.13

Het hof overweegt in dit verband dat de in Nederland gebruikte PCR-tests zijn voorzien van een CE-markering waarmee de fabrikant duidelijk maakt dat de test aan gestelde Europese veiligheidseisen voldoet. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) is met het toezicht op naleving van de veiligheidseisen belast. De IGJ kan tests die niet aan de gestelde eisen voldoen van de markt laten halen (dat gebeurt zo nodig ook daadwerkelijk). De IGJ plaatst informatie hierover op haar website. De IGJ ziet ook toe op de uitvoering van het testen bij de GGD-locaties en zij houdt toezicht op de veiligheid van medische hulpmiddelen inclusief de veilige toepassing daarvan door zorgverleners.

5.14

De Stichting e.a. hebben ook aangevoerd dat de tests niet goed worden afgenomen, namelijk buiten klinische laboratoriumomstandigheden door niet voldoende getraind medisch personeel. Het hof volgt de Stichting e.a. hierin niet. Voor het uitvoeren van de PCR-test wordt gebruik gemaakt van laboratoria waarvan (door accreditatie) is gewaarborgd dat zij een goed kwaliteitssysteem hebben overeenkomstig de Europese normen. De laboratoria mogen pas testen uitvoeren nadat zij door het RIVM zijn gevalideerd conform de ISO-15189 norm. Uit niets blijkt dat de Staat (of de GGD) voor de handelingen in de teststraten onvoldoende geschoold personeel inzet. Daarbij weegt het hof mee dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toeziet op de uitvoering van het testen bij de GGD-locaties en dat niet is gesteld (en ook niet gebleken) dat de Staat of de GGD handelt in strijd met de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg of het Uitvoeringsbesluit van die wet of in strijd met de Wet publieke gezondheid.

5.15

Gelet op al het voorgaande, is er geen grond voor een bevel in kort geding om het gebruik van de PCR-test te beëindigen en beëindigd te houden. De voorzieningenrechter heeft de eis die daarop ziet terecht afgewezen.

Communicatie

5.16

De Stichting e.a. klagen niet over het oordeel van de voorzieningenrechter dat hun vordering tegen de Staat over ‘de overheidscommunicatie op GGD-websites’ moet worden afgewezen, omdat GGD’s afzonderlijke rechtspersonen zijn en niet onderdeel van de Staat. In hoger beroep herhalen de Stichting e.a. wel hun vordering tegen de Staat voor wat betreft websites van de GGD’s, maar zij onderbouwen dit nergens. Omdat de Stichting e.a. in hoger beroep niet erover klagen en ook niet uitleggen hoe of waarom het hof de Staat moet bevelen om websites van GGD’s te gaan aanpassen, verstaat het hof dat de Stichting e.a. de afwijzing van dit deel van hun vorderingen niet bestrijden.

5.17

Over de communicatie door de Staat heeft het hof hiervóór al een en ander vastgesteld en overwogen. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende.

5.18

De Staat komt een grote mate van vrijheid toe om de communicatie op de door hem gewenste wijze in te richten. De communicatie mag echter niet feitelijk onjuist, misleidend of bovenmatig angstaanjagend zijn. De uitgangspunten voor overheidscommunicatie zien daarop.

5.19

De Stichting c.s. hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Staat de grenzen aan zijn vrijheid heeft overschreden. Vast staat dat de Staat veel informatie op de website van het RIVM en andere websites zet, dat dit openbaar is en dat de juistheid er van door iedereen gecontroleerd kan worden, zoals de voorzieningenrechter onbestreden heeft geoordeeld in zijn vonnis onder 4.19 en 4.20. Waar deze informatie onjuist, misleidend of bovenmatig angstaanjagend is, wijzen de Stichting e.a. niet aan. Het hof ziet geen grond voor een veroordeling om op een andere manier te gaan communiceren.

5.20

De Stichting e.a. hebben in hoger beroep aangevoerd dat de meerderheid van de bevolking zich laat informeren via persconferenties en persberichten die de televisie en andere media overnemen. Volgens de Stichting e.a. geeft de Staat daarin desinformatie. Zij verwijzen daartoe naar mededelingen van de minister-president (hierna: Rutte) op een persconferentie van 23 oktober 2020 en in zijn toespraak van 14 december 2020.

5.21

Uit hetgeen het hof onder 5.4 heeft overwogen, volgt al dat Rutte niet onrechtmatig communiceerde met de woorden ‘besmet’ of ‘besmetting’. Dat Rutte op de persconferentie, na de vraag waarom “tienduizend besmettingen vandaag” niet tot meer maatregelen leidde, meedeelde dat er meer indicatoren voor maatregelen zijn dan het aantal positief geteste mensen, is niet misleidend, onjuist of onnodig angstaanjagend. Van onjuistheid, misleiding of onnodige angstaanjagendheid is het hof ook niet gebleken ten aanzien van wat Rutte in zijn toespraak zei over het (toen bestaande) gemiddeld aantal corona-sterfgevallen en stijgende cijfers in ziekenhuizen en verpleeghuizen. Hij was in het kader van zijn toespraak niet verplicht te vertellen dat er patiënten zijn die zowel met het SARS-CoV-2 virus als daarnaast ook met een andere aandoening in het ziekenhuis liggen (dus met meerdere aandoeningen waaraan zij zouden kunnen overlijden). Rutte was ook niet verplicht om te vertellen hoeveel de zorg méér of juist minder werd belast dan in eerdere maanden of in jaren waarin geen maatregelen waren getroffen. Evenmin was hij verplicht om bij de voorlichting over corona te vertellen dat er in eerdere jaren veel mensen aan griep overleden. Deze toespraak van Rutte vormt voor het hof op geen enkele wijze een gerechtvaardigde grond voor een voorlopige voorziening over de toekomstige communicatie door de Staat.

Slot

5.22

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Het hof zal het vonnis bekrachtigen. Het algemene bewijsaanbod dat de Stichting e.a. aan het eind van haar dagvaarding in hoger beroep hebben geformuleerd passeert het hof. Het bevat geen concrete stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden en bewijslevering is ook niet passend in een kort geding waarin een (tijdelijke) maatregel wordt gevraagd.

5.23

De Stichting e.a. zijn de in het ongelijk gestelde partij. Zij moeten daarom de proceskosten betalen.

Beslissing in kort geding

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 9 december 2020;

- veroordeelt de Stichting e.a. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 760,- aan griffierecht en € 2.228,- aan salaris van de advocaten, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, E.M. Dousma-Valk en H.J.M. Burg en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 18 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.

1 de rechter die de zaak in kort geding bij de rechtbank beoordeelde

2 een polymerasekettingreactie test.

3 Het Outbreak Management Team van het RIVM, waarin deskundigen en vertegenwoordigers van verschillende beroepsorganisaties hun expertise samenbrengen.

4 artikel 22 Grondwet, artikel 2 EVRM, artikel 11 Europees Sociaal Handvest.

5 Kamerstukken II 2000/01, 25295, nr.3 (brief van de Minister van VWS van 22 juni 2001).

6 Bij validatie verifiëren onderzoekers aan de hand van een aantal vooraf gestelde eisen of de test met een voldoende grote mate van zekerheid in staat is de bedoelde resultaten op te leveren.

7 Productie 13 in hoger beroep

8 Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek van 27 oktober 1998, Publicatieblad EG 1998, L331.

9 Guidelines on Medical Devices – IVD Guidance: Research Use Only products, gids voor fabrikanten en aangemelde instanties – van de Europese Commissie, directoraat-generaal, gepubliceerd in Meddev. 2.14/2 rev., 1 februari 2004.