Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:860

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.283.601/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woning na verbreking samenleving. In geschil of de man zonder recht of titel in de woning, welke eigendom van de vrouw is, verblijft. Gemaakte afspraken tot op heden niet uitgevoerd. Gebruiksvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.283.601/01

Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/593803/ KG ZA 20-494

arrest van 4 mei 2021

inzake

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W. Plessius te Den Bosch.

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.S. Douma te Den Haag.

Het verloop van het geding in hoger beroep

De vrouw is op 15 september 2020 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2020 tussen partijen gewezen (hierna te noemen: het bestreden vonnis).

In de dagvaarding heeft de vrouw vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden.

Nadien zijn bij het hof nog binnengekomen:

Van de zijde van de vrouw:

- op 12 maart 2021 een akte overlegging producties 26-44 t.b.v. pleidooi.

Van de zijde van de man:

- op 12 maart 2021 nadere producties C-I;

- op 15 maart 2021 als productie J een vonnis in incident van 24 februari 2021.

Op verzoek van de vrouw is de zaak op 23 maart 2021 mondeling behandeld. Zij heeft voorafgaand aan de zitting haar procesdossier overgelegd. Beide partijen hebben ter gelegenheid van de behandeling pleitnotities overgelegd. Aan het slot van de behandeling heeft de advocaat van de vrouw aangegeven genoemde stukken van de man van 12 maart 2021 niet te hebben ontvangen. De advocaat van de man heeft dit betwist. Nu het hof die stukken toch niet hanteert bij de beoordeling van de zaak, omdat deze niet relevant zijn, kan dit punt in het midden blijven. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

Het hof wijst arrest op grond van het dossier overgelegd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, genoemde pleitnotities en het proces-verbaal.

Het arrest is bepaald op heden.

De vorderingen van partijen in hoger beroep

Vordering van de vrouw in hoger beroep

1.1

De vrouw vordert dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt en haar vorderingen in eerste aanleg toe wijst, met veroordeling van de man in de kosten van de beide procedures.

Vorderingen van de vrouw in eerste aanleg

1.2

De vrouw vorderde in eerste aanleg - kort weergeven – ontruiming van de woning aan het [adres] , een gebruikersvergoeding van € 3.286,- per maand vanaf 1 april 2020 tot het moment van ontruiming en buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 875,- met veroordeling van de man in de proceskosten.

Vordering van de man in hoger beroep

1.3

De man vordert bekrachtiging, al dan niet met wijziging en/of aanvulling van gronden, en met veroordeling van de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties alsmede eventuele nakosten.

De feiten

2. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen niet is gegriefd. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samen twee minderjarige kinderen. Voor de verzorging en opvoeding van deze kinderen geldt een co-ouderschapsregeling. Met het oog op de verbreking van hun relatie hebben partijen onderhandeld. Dit heeft geresulteerd in een tweetal lijsten met besproken onderwerpen van 24 februari 2020 respectievelijk 5 maart 2020. Ter zake van de woning, waar het in dit geding om draait, welke op naam van de vrouw staat, is het volgende vermeld (het hof heeft de namen vervangen door “de vrouw” en “de man’’):

"Afspraken 24.02.2020

(...)

• de man trekt maandelijks wat meer uit de bedrijven om alle kosten van woning te

kunnen voldoen.

(...)

• Alle uitgaven vanaf 01.12.2019 tot 23.02.2020 worden uitgesplitst onder de vrouw en de man, boodschappen en kosten kinderen wel gezamenlijk. De man en de vrouw hadden allebei recht op 3.000 per persoon per maand, gezamenlijke kosten aftrekbaar en daarna eigen budget, (hieraan is handgeschreven toegevoegd: tot 1/4/2020, hof)

indien er na verrekening nog tegoed overblijft, wordt dit onderling verdeeld.

• Huis: 569.000 getaxeerd in 2019.

Waardestijging 1,7% = 578.000

De helft van 22.000 schenking is 11.000.

578.000 - 11.000 = € 567.000,- k.k. (hieraan is handgeschreven toegevoegd: koopt de man woning voor, hof)

Aflossing t/m 19.02.2020 gezamenlijk geweest. Vanaf 19.02.2020 is aflossing en waardestijging ten gunste van de man."

"Afspraken 5 maart 2020.

(...)

• De man heeft zojuist €1.215,- betaald aan de vrouw voor de vaste lasten, en

kinderopvang en eigen kosten de man.

• De man zal altijd uiterlijk op de 26: (hier is handgeschreven tussengevoegd: van elke

maand, hof) de hypotheek + kinderopvang + vaste lasten, momenteel €3.104,36

betalen. ”

De beslissing van de rechtbank

3. De rechtbank heeft de vorderingen van de vrouw afgewezen. Wel heeft de rechtbank in het dictum vastgelegd dat de man maandelijks aan de vrouw het netto equivalent van de hypotheeklasten van € 2.071,- en ook de opstal- en inboedelverzekering dient te betalen, omdat de man met vastlegging daarvan in het dictum heeft ingestemd.

De beslissing van het hof

4. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank in alle opzichten juist is. In hetgeen daartegen in hoger beroep wordt aangevoerd ziet het hof geen aanleiding anders te beslissen. Nieuwe ontwikkelingen na het vonnis maken dat niet anders. Het hof zal een en ander hierna toelichten onder het kopje “Beoordeling in hoger beroep”.

Beoordeling in hoger beroep

5. In grief 1 van de vrouw wordt een andere, aanvullende lezing van de feiten bepleit. Naar oordeel van het hof tevergeefs. Het betreft in feite een andere interpretatie. De vrouw heeft echter haar interpretatie, die erop neerkomt dat de man slechts tijdelijk in de woning mocht verblijven en dat daaraan voorwaarden waren verbonden, in het geheel niet aannemelijk gemaakt. Het hof gaat dan ook voorbij aan de door de vrouw voorgestane lezing. De overige drie grieven richten zich tegen de beoordeling. Grief 2 betreft de ontruiming van de woning, grief 3 de gebruikersvergoeding, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten en grief 4 de proceskosten.

Ontruiming van

6.1

In de toelichting op grief 2 geeft de vrouw haar visie op al hetgeen na maart 2020 tussen partijen op zakelijk gebied is voorgevallen. Zij betoogt hiermee dat – kort gezegd - de vrouw alle belang heeft bij een onverwijlde ontruiming van haar woning. De man heeft niet alleen de lezing van de vrouw, maar ook de conclusie betwist.

6.2

Vaststaat dat de woning eigendom is van de vrouw. Centraal bij de vordering tot ontruiming staat de vraag of het verblijf van de man in de woning op dit moment (nog) is gebaseerd op enig recht of titel. Enkel indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, komt het hof aan een belangenafweging toe. Het hof merkt daarbij op dat ter zake van de afwikkeling van de woning inmiddels ook een bodemprocedure tussen partijen loopt, waarin naar het hof heeft begrepen onder andere de uitleg van de in februari en maart 2020 gemaakte afspraken aan de orde zal komen.

6.3

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw desgevraagd omtrent de afspraken met betrekking tot de woning als volgt verklaard. Omdat zij destijds niet in staat was de met de woning gepaard gaande lasten te betalen en de verwachting van partijen was dat de man na afwikkeling van (de rest van de) verdeling een inkomen zou (kunnen) gaan genereren waardoor hij daartoe wel in staat was, is afgesproken dat de woning naar de man zou gaan voor het bedrag van

€ 578.000. De man heeft deze ratio van de afspraken ter zitting bevestigd.

6.4

Die ratio ligt in lijn met de voorgeschiedenis. De woning was oorspronkelijk van de ouders van de man. Zij wilden na hun pensionering kleiner gaan wonen en hun huis verkopen aan partijen. De woning is getaxeerd. De man kon geen hypotheek aanvragen vanwege een strafrechtelijke aantekening. De vrouw had wel de mogelijkheid een hypotheek aan te vragen tot een bedrag van € 547.000, hetgeen € 22.000 lager was dan de taxatiewaarde van de woning. De ouders van de man hebben toen besloten een lagere koopprijs overeen te komen en het verschil als schenking aan te merken. Daarop is de woning op 23 maart 2019 verkocht aan de vrouw en bij notariële akte van 24 mei 2019 op haar naam gesteld, evenals de hypothecaire geldlening.

6.5

De overige afspraken die zijn gemaakt omtrent de woning sluiten naar oordeel van het hof naadloos aan bij deze voorgeschiedenis en de door partijen genoemde ratio van de afspraken. Zij komen er immers – samengevat – op neer dat de woning weliswaar vooralsnog juridisch eigendom van de vrouw zou blijven tot overdracht aan de man, maar de man per 19 februari 2020 de economische eigendom krijgt: de man betaalt vanaf dan de vrouw (maandelijks) haar eigenaarslasten; de aflossing strekt vanaf 19 februari 2020 te zijnen gunste en datzelfde geldt voor de eventuele waardestijging.

6.6

Derhalve is het voorlopig oordeel van het hof dat de man vanaf februari 2020 op grond van een afspraak tussen partijen aanspraak kan maken op verblijf in de woning, welke juridisch de vrouw toebehoort.

6.7

Met partijen constateert het hof dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Mede als gevolg van corona – en volgens partijen over en weer door wanbeheer van de ander - zijn de gezamenlijke bedrijven van partijen, die voorheen toebehoorden aan de vader van de man, ter ziele gegaan. Daardoor heeft het inkomen van de man het afgelopen jaar niet de hoogte bereikt als begin 2020 voorzien. De man is als gevolg daarvan tot op heden nog niet in staat geweest om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de economische. Nu niet is gebleken dat aan de gemaakte afspraken voor wat betreft de levering van de woning aan de man door partijen een termijn was verbonden die inmiddels is verstreken, en de vrouw als gevolg van de omstandigheid dat de man al haar lasten als eigenaar van de woning betaalt door deze gang van zaken geen financieel nadeel leidt, bestaat er op dit moment geen aanleiding om de man te veroordelen tot ontruiming van de woning als gevorderd. Partijen beschuldigen elkaar over en weer van tegenwerking met betrekking tot de afwikkeling van de afspraken die begin 2020 zijn gemaakt. Voor het hof staat niet vast dat de omstandigheid dat de woning tot op heden nog niet geleverd is (geheel of in overwegende mate) aan de man te wijten valt, zoals de vrouw betoogt. En zelfs als dat wel zo is, is het nog maar de vraag of dit tot ontruiming moet leiden.

6.8

Hetzelfde geldt voor de overigens niet onderbouwde stelling van de vrouw dat de man haar maandelijks geen of te weinig eigenaarslasten betaalt, waardoor financiële problemen voor haar ontstaan en de bank met verkoop van de woning dreigt. Indien dat al aan de orde is - de man heeft dat betwist, althans aangegeven dat een en ander een gevolg is van handelen van de vrouw - is het aan de vrouw om daarover nadere afspraken met de man te maken, maar geen grond voor ontruiming als gevorderd. De man heeft immers toegezegd alle aan de woning verbonden (netto) lasten voor zijn rekening te nemen. Dat sprake is van een situatie waarin de belangen van de vrouw bij gebruik van de woning zwaarder wegen dan die van de man is ook overigens niet gebleken: de vrouw heeft woonruimte, de man betaalt hetgeen hij moet betalen aan de vrouw tot de overdracht. Het hof zal het bestreden vonnis voor wat betreft de vordering tot ontruiming dus bekrachtigen.

Gebruiksvergoeding

7.1

De vrouw heeft voorts gevorderd de man te veroordelen tot nakoming van de afspraak een gebruiksvergoeding van € 3.286 per maand te betalen. De man heeft het bestaan van een afspraak tot betaling van een gebruiksvergoeding gemotiveerd weersproken. Ook betwist hij de omvang van de ingestelde vordering. De man erkent echter wel dat partijen hebben afgesproken dat hij in verband met het gébruik van de woning (het netto equivalent van) de hypotheeklasten van € 2.071 en ook de opstal- en inboedelverzekering móet voldoen. De rechtbank heeft dit vervat in het dictum.

7.2

De vrouw is het daar niet mee eens. Naar oordeel van het hof ten onrechte. Het hof acht de beslissing van de rechtbank in alle opzichten juist en volledig in lijn met de economische overgang van de woning als tussen partijen begin 2020 afgesproken. Een kennelijk geschil over de hoogte van het netto-equivalent tussen partijen doet daar niet aan af. Het is aan de vrouw voor wat betreft de fiscale aftrek met betrekking tot de door haar te betalen (bruto) hypotheekrente duidelijkheid te verschaffen aan de man, zodat het netto-rentebedrag in overleg bepaald kan worden.

Wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten

8. Gevolg van het vorenstaande is dat ook de klachten ter zake de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten en grief 4 met betrekking tot de proceskosten falen.

Proceskosten

9. Het hof ziet evenals de rechtbank geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat in dit soort zaken elke partij de eigen kosten draagt en zal aldus beslissen.

Conclusie

10. De conclusie is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen.

Beslissing in hoger beroep

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2020 tussen partijen gewezen;

compenseert de kosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.B. Kamminga, C.M. Warnaar en E.C. Punselie en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.