Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:857

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
200.275.059/01 en 200.275.061/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie: Hof gaat uitvoerig in op de grondslag van partneralimentatie en de eisen die gesteld kunnen worden aan de alimentatiegerechtigde. Samenwonende met een opvolgend huwelijk. Wat zijn daar de gevolgen van? Verdeling: Economisch eigendom valt in de huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummers : 200.275.059/01 en 200.275.061/01

Zaaknummers rechtbank : C/10/567816 en C/10/571973

Rekestnummers rechtbank : FA RK 19-1173 en FA RK 19-3197

beschikking van de meervoudige kamer van 6 mei 2021

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G. Laurman te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.C. Turner te ’s-Gravendeel.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2019, uitgesproken onder voormelde zaak- en rekestnummers (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 3 maart 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 5 mei 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 12 januari 2021 haar verzoek in hoger beroep aangevuld en vermeerderd.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 15 januari 2021, ingekomen op 18 januari 2021;

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 15 januari 2021, ingekomen op 18 januari 2021.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 29 januari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Het hof heeft de vrouw te kennen gegeven dat de door haar bij schrijven van 12 januari 2021 ingediende nieuwe stellingen in strijd met de twee-conclusieregel zijn. Nu de man bezwaar heeft gemaakt tegen de stellingen zal het hof deze niet bij de beoordeling betrekken.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum] 1994 in algehele gemeenschap van goederen.

3.3

De vrouw heeft een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank Rotterdam op 11 februari 2019.

3.4

Het huwelijk van partijen is op 18 maart 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts, uitvoerbaar bij voorraad, als volgt beslist:

- kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toe:

voor zover de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand vóór 3 maart 2020: € 2.604,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 3 maart 2020 en vanaf 3 maart 2020 € 100,- per maand;

voor zover de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 3 maart 2020 of daarna: € 100,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.5.5. tot en met 2.5.20;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders verzochte.

4.2

De vrouw verzoekt het hof om:

  1. de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daartegen grieven zijn aangevoerd en, alsnog rechtdoende bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet dat toelaat:

  2. een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ten laste van de man aan haar toe te kennen van € 2.777,- bruto per maand vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

  3. te bepalen dat de economische waarde van de woning te ( [postcode] ) [plaats] (gem. [naam gemeente] ) aan de [adres] buiten de gemeenschap van partijen valt dan wel de man geen vorderingsrecht dienaangaande op haar heeft en zij de man geen bedrag van € 106.408,- behoeft te voldoen.

4.3

De man verweert zich tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt het hof om het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en haar verzoeken af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Partneralimentatie

Behoefte van de vrouw

5.1

De vrouw is van mening dat haar behoefte primair vastgesteld dient te worden gerelateerd aan de bedragen die de man vanaf het uiteengaan van partijen in 2015 maandelijks structureel aan haar heeft overgemaakt en voor haar heeft voldaan. Dit was in totaal een bedrag van
€ 1.906,07 per maand, waarvan € 900,- rechtstreeks aan de vrouw en € 1.006,07 indirect. De behoefte van de vrouw bedraagt dan ook € 1.906,07 netto per maand. Rekening houdend met een percentage van 40,85 aan belasting en premies bedraagt de bruto behoefte € 3.222,43 per maand. De man heeft tot februari 2019 ingeschreven gestaan op het adres van de voormalige echtelijke woning.

Subsidiair dient de behoefte volgens de vrouw vastgesteld te worden op basis van de hof-norm, waarbij het jaar 2018 als uitgangspunt genomen dient te worden vanwege voornoemde omstandigheden. Rekening houdend met het inkomen van de man over 2018 van € 76.526,- bruto per jaar, bedraagt het netto gezinsinkomen € 4.006,92 per maand. Verminderd met de kosten van de drie (meerderjarige) kinderen van partijen van € 911,- per maand resteert een bedrag van € 3.095,92, waarvan 60% ten goede komt aan de vrouw, te weten € 1.857,55 netto per maand. Rekening houdend met een percentage van 40,85 aan belasting en premies becijfert de vrouw haar behoefte op € 3.140,41 bruto per maand.

Meer subsidiair dient de behoefte van de vrouw vastgesteld te worden op basis van haar behoeftelijst, te weten € 2.401,78 netto per maand. De vrouw verwijst daartoe naar bijlage 11 van productie H van het overgelegde procesdossier in eerste aanleg. De vrouw becijfert haar behoefte dan op € 4.016,49 bruto per maand.

5.2

De man kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank. De in eerste aanleg door de vrouw overgelegde behoeftespecificatie was niet onderbouwd en is gedetailleerd weersproken door de man. De rechtbank is dan ook terecht van de hof-norm uitgegaan met 2015 als uitgangsjaar. In 2018 was allang geen sprake meer van een gezamenlijk huishouden. De bedragen die de man naar de vrouw overmaakte en voor haar betaalde zagen ook op de gezamenlijke echtelijke woning en de kinderen van partijen. De gemiddelde belastingdruk is 35% zodat een behoefte van € 1.549,- netto, € 2.200,- bruto bedraagt.

5.3

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de inkomensgegevens van 2015 en de behoefte van de vrouw op de juiste gronden heeft vastgesteld op basis van de zogenaamde hof-norm. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet van feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel leiden. De vrouw heeft in eerste aanleg haar behoefte ook berekend op basis van de hof-norm. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw in hoger beroep onvoldoende gesteld om hier van af te wijken. Tussen partijen staat vast dat zij in 2015 uiteengegaan zijn. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat in dit specifieke geval voor de berekening van de huwelijks-gerelateerde behoefte van de vrouw van dat jaar uitgegaan dient te worden. Volgens de jaaropgave van de man had hij in 2015 een inkomen van € 62.413,- per jaar, hetgeen een netto beschikbaar gezinsinkomen opleverde van € 3.322,- per maand. De kosten van de kinderen heeft de rechtbank berekend op € 911,- per maand. Deze cijfers zijn in hoger beroep niet weersproken. Het hof gaat dan ook evenals de rechtbank uit van een netto inkomen na aftrek van het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen van (3.322 -/- 911 =) € 2.411,- per maand en een netto behoefte van 60% daarvan, zijnde € 1.447,- per maand in 2015.

Behoeftigheid van de vrouw

5.4

De vrouw vindt het onbegrijpelijk dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Drie maanden daarvoor oordeelde dezelfde rechtbank bij de voorlopige voorzieningen procedure nog dat het niet te verwachten was dat de vrouw, gelet op haar lichamelijke en geestelijke gesteldheid, binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk zelf in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. De man heeft de vrouw en de kinderen in 2015 verlaten en de vrouw is sindsdien depressief en wacht op behandeling door een psycholoog. Op [datum] 2020 is de vrouw gezien door een bedrijfsarts. Die heeft verklaard dat de vrouw, gezien haar beperkingen, niet in staat is om te gaan werken. Zij heeft ook geen verdiencapaciteit. Door de medicijnen die zij slikt mag zij niet autorijden en een werkgever zal geen arbeidsongeschikt persoon in dienst nemen. Gedurende het huwelijk heeft de vrouw jaren geleden slechts kort parttime gewerkt en zij heeft nauwelijks opleiding genoten. De man wilde ook niet dat de vrouw werkte. Indien geoordeeld wordt dat de vrouw wel over verdiencapaciteit beschikt, kan dit niet meer zijn dan de helft van het minimumloon, te weten € 747,- netto per maand. De vrouw moet alsdan in ieder geval twee jaar de tijd krijgen na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking om deze eventuele verdiencapaciteit te gaan benutten.

5.5

De man is van mening dat de vrouw in staat is om in eigen levensonderhoud te voorzien. Zij heeft geen enkele inspanning daartoe verricht. Uit haar behoeftelijstje volgt dat zij kilometers rijdt met haar auto. De door de vrouw als bijlage 16 bij haar beroepschrift overgelegde verklaring van de heer [naam] , niet praktiserend verzekeringsarts en optometrist bij [naam bedrijf] , is geen bewijs, nu dit geen deskundige betreft.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het vertrek van de man voor de vrouw emotioneel zeer ingrijpend is geweest. Zij stelt in een depressie te zijn beland en arbeidsongeschikt te zijn. Gedurende het huwelijk heeft zij nauwelijks gewerkt en zij heeft weinig opleiding genoten. Voorts is onweersproken dat zij de zorg heeft voor de, weliswaar meerderjarige, kinderen van partijen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de vrouw tijd gegund moet worden om in ieder geval deels in eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Dat zij in het geheel niet zou kunnen werken is naar het oordeel van het hof niet uit de door de vrouw overgelegde stukken gebleken, ook niet op basis van de door haar geraadpleegde arts. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting volgt naar het oordeel van het hof dat de klachten van de vrouw gerelateerd zijn aan het verwerken van de echtscheiding. Het is ook in het belang van de vrouw dat zij de echtscheiding achter zich laat en dat zij zich richt op haar eigen leven en toekomst. De toekomst zal tevens met zich gaan brengen dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud gaat voorzien. Van de vrouw mag in redelijkheid verlangd worden dat zij haar eigen verantwoordelijkheid gaat nemen voor haar leven. Hoewel partijen inmiddels zes jaar uit elkaar zijn, heeft de vrouw tot op heden geen inspanningen verricht om een baan te vinden, terwijl dit wel van haar verwacht had mogen worden. De hoofdregel is dat een ieder in beginsel in zijn of haar eigen levensonderhoud dient te voorzien. Alimentatie is een vangnet om de alimentatiegerechtigde de tijd te geven om zich aan te passen aan de gewijzigde situatie door de echtscheiding. Het hof zal derhalve bepalen dat de man - voor zover zijn draagkracht dit toelaat - met ingang van de datum van deze beschikking als partneralimentatie dient te voldoen het gebruteerde bedrag van de netto behoefte van de vrouw, zijnde € 1.636,- netto per maand geïndexeerd naar 2021, zijnde € 2.523,31 bruto per maand. Het hof is van oordeel dat de vrouw een jaar later voor de helft in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Voor de heffing van loon- en inkomstenbelasting zal dan rekening gehouden worden met arbeidskorting. Het hof zal de door de man met ingang van 6 mei 2022 te betalen partneralimentatie daarom op € 1.000,- bruto per maand vaststellen. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw met ingang van 6 mei 2023 in staat is het minimum loon te verdienen, dat ongeveer gelijk is aan haar behoefte en dat zij dan geheel in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. Het hof stelt de partneralimentatie per die datum daarom vast op nihil.

Draagkracht van de man

5.7

De vrouw stelt dat de draagkracht van de man een bijdrage in haar levensonderhoud toelaat van € 2.777,- bruto per maand. Zijn inkomen bedraagt € 76.525,- bruto per jaar. De man benut zijn eigen risico inzake ziektekosten niet structureel, zodat daar geen rekening mee dient te worden gehouden.

5.8

De man betwist de door de vrouw gestelde draagkracht. Zijn functieschaal is gewijzigd en de uitbetaling van overuren is aanzienlijk verminderd. Hij heeft een woning gekocht en deze zal op [datum] 2021 aan hem worden geleverd.

5.9

Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn huidige inkomen zoals dit blijkt uit de door hem overgelegde loonspecificaties van oktober tot en met december 2020. Het hof ziet in de stellingen van de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, geen aanleiding om van een hogere verdiencapaciteit uit te gaan. Daarnaast zoekt het hof aansluiting bij de door de man als bijlage 3.1. overgelegde draagkrachtberekening. Naar het oordeel van het hof heeft de man de daarin opgevoerde inkomsten en lasten met bewijs onderbouwd. Wel gaat het hof ervan uit dat de nieuwe partner van de man de helft van de opgevoerde huur van € 737,- per maand op zich neemt, te weten € 368,- zodat de draagkracht van de man een partneralimentatie van € 2.111,- bruto toelaat. Het hof zal aldus bepalen. Nu de koop van het huis van de man een toekomstige gebeurtenis betreft en de opgevoerde (geoffreerde) kosten gemotiveerd worden bestreden door de vrouw, houdt het hof hier thans geen rekening mee.

5.10

Het hof heeft in het kader van de partneralimentatie berekeningen gemaakt. De berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.

Verdeling

De voormalige echtelijke woning

5.11

De vrouw stelt dat zij de economische eigendom heeft van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] . De ouders van de vrouw hadden de juridische eigendom. De vader van de vrouw heeft bij testament op [datum] 1992 als erfgenamen aangewezen: de moeder van de vrouw, de vrouw zelf en haar broer. De moeder van de vrouw heeft na het overlijden van haar echtgenoot op [datum] 2002 de juridische eigendom van de woning verkregen. Deze vertegenwoordigt een waarde, hetgeen blijkt uit het feit dat beslag kan worden gelegd op juridisch eigendom. De vrouw heeft een geldvorderingsrecht op haar moeder gekregen inzake de woning van 999/1000ste deel. Dit vorderingsrecht valt op grond van het testament van de vader buiten de gemeenschap. De man heeft dan ook geen recht op betaling door de vrouw van een bedrag van € 106.408,- zoals de rechtbank heeft geoordeeld.

Subsidiair stelt de vrouw dat uitgegaan dient te worden van een lagere waarde nu er sprake is van een waardevermeerdering door toedoen van de moeder van de vrouw waarin de man niet mag meedelen. De man heeft bovendien op [datum] 1992 een verklaring ondertekend waarbij hij verklaard heeft slechts aanspraak te zullen maken op de helft van de waarde van de woning boven een waarde van € 90.756,04.

5.12

De man is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de juridische eigendom een lege huls is. Op [datum] 1991 heeft de vader van de vrouw de woning aan haar verkocht voor een koopprijs van NLG 115.000,-. Alle van de eigendom afgeleide rechten zijn bij akte van [datum] 1992 overgedragen aan de vrouw. Nu de economische eigendom al bij de vrouw was komen te liggen voor het overlijden van haar vader, is deze niet in de nalatenschap gevallen, maar wel in de gemeenschap van partijen. De moeder van de vrouw dient als enige erfgename de juridische eigendom aan de vrouw te leveren. De verklaring die de man heeft ondertekend op [datum] 1992 heeft zijn gelding verloren bij het huwelijk van partijen. De vrouw dient de man dan ook € 106.408,- te betalen zoals de rechtbank heeft beslist. Niet aangetoond is dat eventuele verbouwingen, als daar al sprake van zou zijn, tot een waardevermeerdering van de woning hebben geleid. Bovendien mag de man daarin meedelen.

5.13

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de economische eigendom van de voormalige echtelijke woning in de huwelijksgoederengemeenschap is gevallen en dat de man derhalve een bedrag van
€ 106.408,- toekomt. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet van feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel leiden. Tussen partijen staat vast dat de vrouw de economische eigendom van de woning in 1992 geleverd heeft gekregen. De figuur van de verkrijging van de economische eigendom speelde regelmatig in de tweede helft van de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig. Het verkrijgen van de economische eigendom van een onroerende zaak was geen belastbaar feit voor de Wet belastingen van rechtsverkeer. Bij wet van 1 april 1995 is dit gewijzigd en is sinds die dag bepaald dat de verkrijging van de economische eigendom een belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting is. Wat hier verder van zij, door voormelde constructie komt de waardedaling en -stijging van het onroerend goed ten laste en ten goede van de economische eigenaar. Uit de door de man overgelegde leveringsakte van de economische eigendom van de woning door de vader van de vrouw aan de vrouw blijkt dat de vrouw op ieder moment (om niet) om de levering van de juridische eigendom kan vragen. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het juridisch eigendom als het ware een lege huls is.

5.14

De tussen partijen op [datum] 1992 als bijlage bij hun samenlevingscontract ondertekende verklaring dat de man mee deelt in de waarde van de woning bij verkoop vanaf een bedrag van NLG 200.000,- is naar het oordeel van het hof komen te vervallen door het huwelijk van partijen op [datum] 1994. Nu partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd is de economische waarde van de woning in de huwelijksgemeenschap gevallen. Dat de vader nadien is overleden en in zijn testament een uitsluitingsclausule was opgenomen, doet aan het voorgaande niet af.

5.15

Door partijen is niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw de woning toegedeeld krijgt. De rechtbank heeft de woning gewaardeerd op € 265.000,-. De man kan zich hierin vinden, maar de vrouw stelt in hoger beroep dat de woning minder waard is. De vrouw heeft haar stelling naar het oordeel van het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, niet aangetoond. Bovendien was de vrouw het in eerste aanleg eens met de waardering van de woning. Nu onweersproken is dat de hypothecaire geldlening € 52.184,72 bedraagt, is de overbedelingsvordering op correcte wijze vastgesteld door de rechtbank. De grief van de vrouw treft derhalve geen doel en het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

5.16

Gelet op het vorenstaande beslist het hof als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2019, voor zover het de daarbij door de man met ingang van 6 mei 2021 te betalen partneralimentatie betreft, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 6 mei 2021 als uitkering tot haar levensonderhoud € 2.111,- per maand zal betalen, met ingang van 6 mei 2022 € 1.000,- en met ingang van 6 mei 2023 op nihil, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.M. Braun, A.N. Labohm en L.A.G.M. van der Geld, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en is op 6 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.