Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:828

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
200.254.935/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Wraking
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoeker in hoger beroep heeft een verzoek tot wraking ingediend tegen één van de drie behandelend raadsheren. Het hof heeft, na schorsing, ter zitting meegedeeld het wrakingsverzoek buiten behandeling te laten en voort te gaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak en neemt daartoe tot uitgangspunt de beslissing van de strafkamer van de Hoge Raad van 16 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2016:370) over de mogelijkheid van uitzonderingen op het algemene uitgangspunt dat een verzoek tot wraking behoort te worden behandeld door een wrakingskamer.

Het hof overweegt dat dit wrakingsverzoek is gedaan in weerwil van de [eerdere] beslissing van de wrakingskamer [in deze zaak] dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Het verzoek richt zich, voor zover het de gewraakte raadsheer betreft, niet tegen dezelfde raadsheer tegen wie het eerdere wrakingsverzoek was gedaan – en waarop een wrakingsverbod is uitgesproken, zodat niet (geheel) is voldaan aan de door de Hoge Raad in de beslissing van 16 maart 2021 onder 2.7.1 omschreven voorwaarde. Volgens het hof kan er geen twijfel over bestaan dat hier als gevolg van herhaalde wrakingsverzoeken een uitzondering moet kunnen worden gemaakt op het algemene uitgangspunt dat wrakingsverzoeken moeten worden beoordeeld door de wrakingskamer met het oog op de belangen van een goede procesorde. Daarbij speelt niet slechts een rol dat de andere bij de procedure betrokken partijen recht hebben op een beslissing zonder verdere nodeloze vertraging, maar ook dat de vele wrakingsverzoeken door de vader in deze (en vele andere) zaken een (te) groot beslag leggen op de capaciteit van het hof. Verder is in elk geval voldaan aan de door de Hoge Raad in de beslissing van 16 maart 2021 onder 2.7.3 omschreven voorwaarde, te weten dat ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat in het hier aan de orde zijnde wrakingsverzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid is vermeld waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de desbetreffende zittingsrechter schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het enige dat ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is aangevoerd, betreft de omstandigheid van de eerdere door de vader genoemde ‘administratieve wraking’ van de betreffende raadsheer. Nu daarmee gedoeld wordt op de situatie dat eerder vergeefs om wraking van deze raadsheer is verzocht en zij niettemin – zoals bij de wijze van inroostering van familiezaken veelal moeilijk valt te vermijden – bij een volgende behandeling geen deel uitmaakte van de combinatie, kan er geen twijfel over bestaan dat dit geen omstandigheid kan opleveren die tot toewijzing van het wrakingsverzoek kan leiden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.254.935/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 18-2042

zaaknummer rechtbank : C/10/546654

beschikking van de meervoudige kamer van 28 april 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. F.J.V.H. Stoffels te Zevenbergen, thans zonder advocaat,

tegen

Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Rijnmond,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbenden] ,

hierna te noemen: de pleegouders,

advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 20 februari 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De gecertificeerde instelling heeft op 29 april 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de vader van 4 april 2019 met bijlagen, ingekomen op 9 april 2019;

- een fax van de zijde van de GI van 10 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

2.4

De minderjarige heeft zijn mening per e-mailbericht kenbaar gemaakt.

2.5

De mondelinge behandeling is op 10 mei 2019 aangevangen en op 20 november 2019, 25 juli 2020, 12 november 2020 en 13 januari 2021 voortgezet.

Tijdens laatstgenoemde voortzetting van de behandeling ter zitting heeft de vader mondeling een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gedaan.

Bij beslissing van de wrakingskamer d.d. 17 februari 2021 is het verzoek tot wraking afgewezen en is bepaald dat het proces in de hoofdprocedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Verder is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdprocedure niet in behandeling zal worden genomen.

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de gecertificeerde instelling van 30 maart 2021, ingekomen op 31 maart 2021, vermeldend dat de gecertificeerde instelling niet aanwezig zal zijn bij de voortzetting van de mondelinge behandeling;

- een journaalbericht d.d. 8 april 2021 van mr. G.E. van der Pols, advocaat van de pleegouders, , ingekomen op diezelfde dag, vermeldend dat om hun moverende redenen de pleegouders noch de advocaat zullen verschijnen ter zitting.

De mondelinge behandeling is op 9 april 2021 voortgezet.

Verschenen is:

- de vader.

De gecertificeerde instelling en de pleegouders zijn met bericht niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De vader is de biologische vader van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld en is machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg.

3.4

De minderjarige verblijft sinds 1 maart 2005 in het huidige pleeggezin.

3.5

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2011 is de vader ontheven uit het ouderlijk gezag over de minderjarige en is Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (thans: de gecertificeerde instelling) benoemd tot voogdes over de minderjarige.

3.6

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012 is - voor zover thans van belang - bepaald dat de gecertificeerde instelling de vader met ingang van 23 augustus 2012 eenmaal per kwartaal schriftelijk op de hoogte stelt omtrent belangrijke ontwikkelingen die de persoon van het minderjarig kind of diens verzorging en opvoeding.

3.7

Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 8 mei 2013 is de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012 bekrachtigd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank afgewezen de verzoeken van de vader, inhoudende:

  1. de gecertificeerde instelling te gebieden de vader ieder kwartaal schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van de minderjarige, op het gebied van gezondheid, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en sociaal leven; daaronder begrepen het toezenden van recente foto's van de minderjarige, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,- voor elke keer dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt, met een maximum van € 120,000,-, althans zodanige bedragen die de rechtbank juist acht;

  2. de gecertificeerde instelling te gebieden ieder kwartaal met de man de kinderbeschermingsmaatregel te evalueren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,- voor elke keer dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt met een maximum van € 120.000,-, althans zodanige bedragen die de rechtbank juist acht;

  3. de gecertificeerde instelling op te dragen alle evaluatieverslagen van de voogdijmaatregel in de periode 2004 tot en met heden, inclusief de concepten daarvan, in deze procedure over te leggen, of straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor elke dag dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt, met een maximum van € 50.000,- uitvoerbaar bij voorraad, althans zodanige bedragen die de rechtbank juist acht.

Het verzoek van de gecertificeerde instelling om de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen, met veroordeling van de vader in de proceskosten is eveneens afgewezen.

4.2

De vader is het niet eens met deze beslissingen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw

beschikkende:

  1. de gecertificeerde instelling te gebieden ieder kwartaal verzoeker schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van zijn minderjarige kind, [naam minderjarige] , op het gebied van gezondheid, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en sociaal leven, daaronder begrepen het toezenden van recente foto's van voornoemd minderjarig kind, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,00 voor elke keer dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt, met een maximum van € 120.000,00, althans zodanige bedragen die het hof juist acht;

  2. de gecertificeerde instelling te gebieden ieder kwartaal met de vader de kinderbeschermingsmaatregel te evalueren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,00 voor elke keer dat de gecertificeerde instelling deze verplichting niet nakomt, met een maximum van € 120.000,00, althans zodanige bedragen die het hof juist acht;

  3. te besluiten de Hoge Raad om een prejudiciële beslissing te verzoeken met betrekking tot de vraag op welke wijze vormgegeven kan worden aan het recht van een ouder om de kinderbeschermingsmaatregel van diens kind periodiek te evalueren.

4.3

De gecertificeerde instelling voert gemotiveerd verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien de verzoeken van de vader in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Standpunten

5.1

De vader voert kort samengevat het volgende aan.

Grief I en II:

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de informatieregeling wordt nagekomen. De kwartaalrapportages worden de vader niet toegezonden en ook wordt hij niet schriftelijk geïnformeerd als er tussentijds belangrijke gebeurtenissen plaatsvinden die de minderjarige betreffen. De vader stelt in dit verband dat het niet meewerken aan het uitvoeren van een door de rechter opgelegde informatieregeling een grond oplevert om de gecertificeerde instelling uit de voogdij te ontzetten.

Grief III:

Ten onrechte stelt de rechtbank dat een voogdijmaatregel geen kinderbeschermingsmaatregel is en wijst de rechtbank het verzoek van de vader af.

Grief IV:

Ten onrechte stelt de rechtbank dat er geen wettelijke grondslag zou zijn om te evalueren. De verplichting periodiek te evalueren vloeit volgens de vader voort uit artikel 25 IVRK en uit jurisprudentie van het EHRM.

Grief V:

Ten onrechte heeft de rechtbank [de minderjarige] niet gehoord.

Grief VI:

Ten onrechte stelt de rechtbank dat de vader bij [de minderjarige] onrust zou veroorzaken door de vele procedures en dat het belang van de minderjarige zich tegen het verschaffen van die informatie (evaluatieverslagen) verzet.

Grief VII:

Ten onrechte veroordeelde de rechtbank de gecertificeerde instelling niet in de proceskosten.

De vader biedt aan [naam] als getuige te doen horen.

De vader wil voorts een aantal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorleggen.

5.2

De gecertificeerde instelling heeft de grieven van de vader gemotiveerd betwist.

Wrakingsverzoek en verzoek om aanhouding

5.3

De vader heeft ter terechtzitting op 9 april 2021 een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ingediend tegen mr. [jongste raadsheer] op de volgende gronden:

1. Hierbij wraak ik [jongste raadsheer] in verband met een eerdere administratieve wraking.

2. Wraking werkt jegens de partij, niet in/tegen de zaak.

3. Zij had net als [raadsheer in het hof Den Haag] nooit op deze zaak mogen dan wel moeten zitten.

5.4

Het hof heeft, na schorsing, ter zitting meegedeeld het wrakingsverzoek buiten behandeling te laten en voort te gaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het hof licht dit als volgt toe. Het hof neemt tot uitgangspunt wat de strafkamer van de Hoge Raad op 16 maart 2021 heeft beslist (ECLI:NL:HR:2016:370) over de mogelijkheid van uitzonderingen op het algemene uitgangspunt dat een verzoek tot wraking behoort te worden behandeld door een wrakingskamer:

2.6 (…)

Dit neemt echter niet weg dat zich tijdens de behandeling van strafzaken uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen waarin als gevolg van hetzij herhaalde wrakingsverzoeken, hetzij evident niet als wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 en 513 Sv aan te merken verzoeken, de strafrechter de bevoegdheid — niet de verplichting — heeft te bepalen dat zo’n (wrakings)verzoek niet in behandeling wordt genomen. De belangen van een goede procesorde — die mede strekken tot bescherming van de belangen van andere procesdeelnemers waaronder slachtoffers — en van een goede en tijdige rechtspleging in strafzaken, prevaleren in een dergelijk geval boven het hiervoor genoemde algemene uitgangspunt. Dat uitgangspunt brengt wel mee dat de zittingsrechter met terughoudendheid toepassing geeft aan de bevoegdheid een (wrakings)verzoek niet in behandeling te nemen. Als de rechter aan die bevoegdheid toepassing geeft, moet hij ervan blijk geven dat en waarom naar zijn oordeel zich één van de onder 2.7.1 - 2.7.3 bedoelde gevallen voordoet.

2.7.1

Een dergelijk geval waarin het verzoek buiten behandeling kan blijven, doet zich in de eerste plaats voor als een eerder wrakingsverzoek in dezelfde strafzaak met betrekking tot dezelfde rechter(s) door de wrakingskamer is afgewezen en de wrakingskamer daarbij op de voet van artikel 515 lid 4 Sv heeft bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Zonder de bevoegdheid deze constatering zelf te doen, zou de zittingsrechter — in strijd met de strekking van artikel 515 lid 4 Sv — ook bij ieder volgend wrakingsverzoek genoodzaakt zijn de behandeling van de strafzaak te onderbreken in afwachting van de constatering door de wrakingskamer dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen.

(…)

2.7.3

Daarnaast kunnen zich gevallen voordoen waarin de zittingsrechter weliswaar wordt geconfronteerd met een verzoek, maar er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat dit verzoek geen wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv betreft, zodat het verzoek op die grond buiten behandeling door een wrakingskamer kan blijven. (…) Dit geldt ook als in het verzoek, in strijd met artikel 513 lid 2 Sv, iedere motivering ontbreekt. Daarvan is slechts sprake als ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat in het verzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid is vermeld waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de desbetreffende zittingsrechter schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat.

5.5

De volgende omstandigheden acht het hof van belang.

- De wrakingskamer van het hof heeft bij beslissing van 17 februari 2021 het door de vader in de onderhavige zaak en in de zaak met zaaknummer 200.254.536/01 gedane verzoek tot wraking van mrs. [voorzitter] , [oudste raadsheer] en [raadsheer-plaatsvervanger in het hof Den Haag] afgewezen en heeft bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdprocedure niet in behandeling zal worden genomen.

- Bij de voortgezette behandeling is afgezien van de inzet van mr. [raadsheer-plaatsvervanger in het hof Den Haag] in verband met de omstandigheid dat de vader haar zowel voor als na de behandeling op 13 januari 2021 rechtstreeks heeft benaderd met mededelingen en verzoeken, die als ongepast en zelfs als intimiderend kunnen worden ervaren. Eenzelfde handelwijze heeft de vader gevolgd na de mondelinge behandeling op 9 december 2020 ten aanzien van een andere raadsheer-plaatsvervanger.

- Als derde raadsheer zou optreden mr. [raadsheer in het hof Den Haag] , maar (pas) daags voor de zitting bleek dat een eerder door de vader tegen haar in de zaak met zaaknummer 200.254.536/01 gedaan verzoek tot wraking is toegewezen en zij derhalve niet aan de behandeling en beslissing kon deelnemen. Daarop is mr. [jongste raadsheer] op de zaak ingedeeld.

- Mr. [jongste raadsheer] is in deze zaak op 10 mei 2019 en op 15 januari 2020 als voorzitter opgetreden bij de mondelinge behandeling. Beide keren heeft de vader haar gewraakt. Beide wrakingsverzoeken zijn afgewezen, respectievelijk door de wrakingskamer van het Hof Amsterdam en de wrakingskamer van het Hof Den Haag.

- Bij de behandeling op 3 februari 2021 van het wrakingsverzoek dat de vader op 13 januari 2021 heeft gedaan, heeft de vader verklaard – zo blijkt uit de beslissing van de wrakingskamer van 17 februari 2021 – dat hij geen andere keuze heeft dan door te blijven gaan met wrakingsverzoeken indien men niet met hem in gesprek wil over de gang van zaken vanaf 2004 tot heden en wat het hof Den Haag betreft van af 2011.

- Ter zitting op 9 april 2021 is gebleken dat de vader aan het wrakingsverzoek tegen mr. [jongste raadsheer] ten grondslag legt dat ten aanzien van haar sprake is van een eerdere ‘administratieve wraking’. Desgevraagd heeft de vader dit aldus toegelicht dat hij mr. [jongste raadsheer] al eerder heeft gewraakt en dat zij vervolgens – ook al was het wrakingsverzoek niet toegewezen – bij de voortgezette behandeling van de zaak geen deel uitmaakte van de combinatie.

5.6

Het wrakingsverzoek tegen mr. [jongste raadsheer] is gedaan in weerwil van de beslissing van de wrakingskamer dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hoewel het verzoek zich niet richt tegen dezelfde rechters tegen wie het eerdere wrakingsverzoek was gedaan dat op 17 februari 2021 is afgewezen onder de bepaling dat een volgend verzoek niet in behandeling zal worden genomen, zodat niet (geheel) is voldaan aan de door de Hoge Raad in de beslissing van 16 maart 2021 onder 2.7.1 omschreven voorwaarde, kan er geen twijfel over bestaan dat hier als gevolg van herhaalde wrakingsverzoeken een uitzondering moet kunnen worden gemaakt op het algemene uitgangspunt dat wrakingsverzoeken moeten worden beoordeeld door de wrakingskamer met het oog op de belangen van een goede procesorde. Daarbij speelt niet slechts een rol dat de andere bij de procedure betrokken partijen recht hebben op een beslissing zonder verdere nodeloze vertraging, maar ook dat de vele wrakingsverzoeken door de vader in deze (en vele andere) zaken een (te) groot beslag leggen op de capaciteit van het hof. Verder is in elk geval voldaan aan de door de Hoge Raad in de beslissing van 16 maart 2021 onder 2.7.3 omschreven voorwaarde, te weten dat ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat in het hier aan de orde zijnde wrakingsverzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid is vermeld waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de desbetreffende zittingsrechter schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het enige dat ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is aangevoerd, betreft de omstandigheid van de eerdere door de vader genoemde ‘administratieve wraking’ van mr. [jongste raadsheer] . Nu daarmee, zoals overwogen, gedoeld wordt op de situatie dat eerder vergeefs om wraking van mr. [jongste raadsheer] is verzocht en zij niettemin – zoals bij de wijze van inroostering van familiezaken veelal moeilijk valt te vermijden – bij een volgende behandeling geen deel uitmaakte van de combinatie, kan er geen twijfel over bestaan dat dit geen omstandigheid kan opleveren die tot toewijzing van het wrakingsverzoek kan leiden.

5.7

De vader heeft eerst ter – voortgezette – terechtzitting in hoger beroep en pas in de tweede termijn van de behandeling verzocht om de zaak aan te houden teneinde de vader gelegenheid te geven een advocaat te zoeken. Het hof wijst dit verzoek af. De vader heeft zijn verklaring ter zitting dat het moeilijk is om een advocaat te vinden, op geen enkele wijze toegelicht. Deze verklaring vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende dringende reden om het verzoek om aanhouding in te willigen. Daarbij weegt het hof mee dat de onderhavige procedure sinds februari 2019 aanhangig is en de advocaat van de vader zich reeds op 28 februari 2019 onttrokken heeft. De vader heeft ruimschoots de tijd gehad om een nieuwe advocaat te vinden. Gesteld noch gebleken is dat de vader bij de eerdere zittingen op enigerlei wijze te kennen heeft gegeven bijstand van een advocaat te wensen. Voorts heeft de vader deze wens ook niet vóór de behandeling ter zitting geuit, zoals wel van hem had mogen worden verwacht. Het hof is van oordeel dat, gelet op zijn verantwoordelijkheid om te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure, het verzoek van de vader moet worden afgewezen.

Inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep

5.8

Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze - na eigen afweging - tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof overweegt in aanvulling daarop dat ten aanzien van het gestelde in grieven I en II het hof is gebleken dat de gecertificeerde instelling de vader voldoende en juist informeert en heeft geïnformeerd en aldus de informatieverplichting nakomt. In hoger beroep heeft de vader zijn stellingen in het licht van de gemotiveerde betwisting door de gecertificeerde instelling niet voldoende nader onderbouwd, zodat het hof hier aan voorbijgaat. Ten aanzien van grief III en grief IV overweegt het hof dat de vader sinds 2011 uit zijn gezag is ontheven en de gecertificeerde instelling sindsdien de voogdij heeft. In die hoedanigheid rust op de voogdijinstelling geen (wettelijke) verplichting tot het houden van evaluaties met een niet met gezag belaste ouder. Een verplichting daartoe vloeit naar het oordeel van het hof evenmin voort uit de door de vader genoemde verdragsbepalingen. Ten aanzien van grief V is van belang dat de minderjarige in elk geval in hoger beroep gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om zijn mening kenbaar te maken, zodat reeds om die reden deze grief bij gebrek aan belang niet kan slagen. Het hof volgt verder het verweer van de gecertificeerde instelling ten aanzien van grief VI, nu niet is weersproken dat de minderjarige meermaals aan pleegouders en aan zijn jeugdbeschermer heeft verteld last te hebben van spanningen rondom rechtszaken die de vader voert. Het hof is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de gecertificeerde instelling de vader nodeloos laat procederen, zodat het hof geen aanleiding ziet om de gecertificeerde instelling in de proceskosten te veroordelen, zoals de vader heeft verzocht. Het hof ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De door de vader aangedragen grieven falen.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2018;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.M. Braun, F.R. Salomons en A.C. Olland, bijgestaan door F.L. Lekahena als griffier, en is op 28 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.