Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:82

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
11-02-2021
Zaaknummer
BK-20/00467 en 20/00468
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:3456, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2013 en 2014 giften aan een instelling opgevoerd als aftrekpost. De Inspecteur heeft de giften in beide jaren in aftrek toegestaan. De Inspecteur heeft de aftrek teruggenomen met de opgelegde navorderingsaanslagen. Uit strafrechtelijk onderzoek volgt dat op grote schaal giftkwitanties van de instelling werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Daarom kunnen de kwitanties van de instelling niet zonder meer dienen als bewijs. Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 in het geheel geen (schriftelijk) bewijs ingebracht. Belanghebbende heeft, met een voor het jaar 2014 overgelegde brief op briefpapier van de instelling in de Turkse taal, die niet naar belanghebbende specifiek te herleiden is, niet aannemelijk gemaakt dat de giften in dat jaar zijn gedaan en heeft geen ander aanvullend (schriftelijk) bewijs bijgebracht. Verder is niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur in strijd heeft gehandeld met de zogenoemde Instructie afdoening giftenaftrek (Werkinstructie) en het Memorandum Giftenaftrek (Memorandum). Ten aanzien van de vergrijpboeten heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften zich er van bewust is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren. De boetes van 50% (2013) en 75% (2014) zijn passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/753
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-20/00467 en BK-20/00468

Uitspraak van 19 januari 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] , […] en […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 april 2020, nummers SGR 19/4890 en SGR 19/4891.

Procesverloop

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.608. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 55 belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 191.

1.1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.175. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 85 belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 620.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslagen en de beschikkingen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De beslissing van de Rechtbank luidt:

"De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond voor zover gericht tegen de navorderingsaanslagen;

- vernietigt de beroepen gegrond voor zover gericht tegen de boetebeschikkingen;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de boetebeschikkingen;

- vernietigt de boetebeschikkingen en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde delen van de bestreden uitspraken op bezwaar;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden."

1.4.

De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidenteel ingestelde hoger beroep naar voren gebracht.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 30 september 2020. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Jaar 2013

2.1.1.

Belanghebbende, gehuwd met [A] (de echtgenote), heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013, door de Belastingdienst ontvangen op 2 maart 2014, de volgende giften opgevoerd:

Omschrijving

bedrag

Toelichting overige andere giften

[stichting]

€ 1.200

[stichting 2]

€ 250

Totaal

€ 1.450

Af: drempel andere giften

€ 536

Aftrek andere giften

€ 914

Het volledige bedrag van de giften is in de aangifte aan belanghebbende toebedeeld.

2.1.2.

Met dagtekening 11 februari 2015 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 conform de aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.694.

Jaar 2014

2.2.1.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014, door de Belastingdienst ontvangen op 14 maart 2015, de volgende giften opgevoerd:

Omschrijving

bedrag

Toelichting overige andere giften

[stichting 3]

€ 2.400

Totaal

€ 2.400

Af: drempel andere giften

€ 541

Aftrek andere giften

€ 1.859

Het volledige bedrag van de giften is in de aangifte aan belanghebbende toebedeeld.

2.2.2.

Met dagtekening 12 mei 2015 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 conform de aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.316.

Beide jaren

2.3.

De [stichting] stond in de betreffende jaren geregistreerd als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI).

2.4.1.

De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van de [stichting] . Daaruit bleek ten aanzien van het jaar 2012 dat belastingplichtigen gezamenlijk voor ten minste een bedrag van € 3.000.000 aan giften aan de [stichting] in aftrek hadden gebracht terwijl in de jaarstukken van de [stichting] voor dat jaar een bedrag van € 591.210 aan ontvangen giften was verantwoord. Voorts bleek dat de [stichting] in het jaar 2012 meer kwitanties (in totaal 2.500) had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord (531) en dat de [stichting] in de jaarstukken voor 2013 een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in aangiften IB/PVV van diverse belastingplichtigen in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] was aangegeven. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 17 mei 2016.

2.4.2.

Omdat de administratie van de [stichting] ernstige gebreken vertoonde is de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.

2.4.3.

In januari 2015 is de FIOD gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ). Uit die onderzoeken bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften.

2.5.1.

Voormelde bevindingen (2.4.1 en 2.4.3) zijn aanleiding geweest voor de FIOD om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV ( [FIOD-onderzoek 3] ).

2.5.2.

De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn door de FIOD opgenomen in een proces-verbaal, met dossiernummer 57425. De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De resultaten van het onderzoek zijn op 23 april 2018 ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/kantoor Den Haag. Het (geanonimiseerde) proces-verbaal met bijlagen is door de Inspecteur verstrekt op een CD-rom (het FIOD-rapport).

2.5.3.

Belanghebbende is in voormeld onderzoek niet als verdachte aangemerkt noch is hij als getuige gehoord.

2.6.

In het FIOD-rapport zijn proces-verbalen van verhoor van verdachten opgenomen uit de strafrechtelijke onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] . De verdachten hebben onder andere verklaringen afgelegd over de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.6.1.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 1] (blz. 2040 e.v.) De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"[…] is belastingadviseur en hij werkt samen met de [stichting] met betrekking tot het kopen van kwitanties. Hij koopt de kwitanties in voor 10% en verkoopt ze voor 12 tot 15% aan zijn klanten zodat zij dit kunnen aftrekken van de belasting."

2.6.2.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 2] (blz. 2140 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"Ik ga u alles vertellen in 2011, 2012 en 2013 heb ik kwitanties gekocht bij [stichting] . Dit was niet voor 10% maar voor 15% of zelfs 20% procent weet ik niet meer zeker. Het zijn allemaal oplichters van die stichtingen. Ze stoppen alles in de eigen zak en melden niets aan de Belastingdienst. In 2011 heb ik geld betaald aan [de bestuurder/directeur] van de [stichting] . In 2012 en 2013 heb ik geld betaald aan [de penningmeester] van de [stichting] . De door mij overgelegde kwitanties over het jaar 2013 van de [stichting] heb ik van die [penningmeester] gekregen. Dit geld heb ik op de [adres] in [woonplaats] betaald. De kwitanties heeft [de penningmeester] mij op het adres aan de [adres] waar de [stichting] is gevestigd gegeven."

2.6.3.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 3] (blz. 1900 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, voor zover van belang:

"Opmerking verbalisanten: Uit onderzoek is naar voren gekomen dat uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn ingediend vanaf het IP-adres van de [stichting] .

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

"Omdat ik slecht Nederlands spreek, ben ik door diverse mensen geadviseerd om naar de [stichting] te gaan. Ik ging naar de [stichting] om mijn aangiften in te laten vullen.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2011 op uw naam bij de Belastingdienst ingevuld en ingediend?

Antwoord gehoorde:

"Ik ben eerlijk, maar toen ik daar kwam waren het elke keer andere mensen. Er waren allemaal kleine hokjes en daar werd het ingevuld. Ik ben daar gewoon naartoe gegaan, maar ik ken daar helemaal niemand. Ik kan dus niet zeggen wie dat voor mij ingevuld heeft. Op de dag dat ik mijn aangifte liet invullen, kreeg ik de twee kwitanties die ik u zojuist heb overhandigd. De data op de kwitanties hebben zij van de [stichting] erop gezet. Ik heb in ieder geval niet op die data betaald. Ik heb in één keer € 300 of zo betaald. Ik weet niet meer precies hoeveel ik heb betaald maar ik dacht iets van 12 of 15% van € 2.500. Ik heb mijn DigiD code en wachtwoord aan de medewerker van de [stichting] gegeven en die heeft vervolgens mijn aangifte ingediend. Dat ging elk jaar zo."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2012 staat in het onderdeel 'giften' een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

"Daarvoor geldt hetzelfde als het jaar 2011. Ik denk dat ik daar ook ongeveer € 300 voor betaald heb."

(…)

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2012 staan de data 10-03-2012 en 15‑11‑2012. Uw aangifte inkomstenbelasting 2012 is gedaan op 9 maart 2013.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2013 staat in het onderdeel ‘giften’ een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Ook hier heb ik maar € 300 of € 350 voor betaald."

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2013 staan de data 23-02-2013 en 24‑05‑2013. Uw aangifte inkomstenbelasting 2013 is gedaan op 26 februari 2014.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

2.7.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "aangetroffen belastingaangiften en correspondentie op de PC van de [stichting] " (blz. 930 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Resumé

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, te weten dat:

(…)

 […] zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 voor € 50 in heeft laten vullen door/bij de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] een gift is opgenomen van € 3.000;

 […] € 300, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is ingediend;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] die bij de Belastingdienst is ingediend, is verzonden vanaf één van de computers van de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] een gift is opgenomen van €1.000;

 […] € 100, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De kwitantie op naam van […] met nummer [xxx] gelet op de verklaring van [de penningmeester] vermoedelijk valselijk is opgemaakt;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is gedaan;

(…)"

2.8.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "onderzoek in administratie [stichting] " (blz. 747 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"In verband met dit onderzoek heeft op 13 december 2016 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de [stichting] , waarbij diverse administratie in beslag is genomen. Ik heb verhuisdoos 1 met boekingsnummer C.22.02.01 van object C van totaal 21 dozen nader onderzocht.

(…)

Resumé

 De [stichting] neemt niet alle door hun afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties naar aanleiding van contante stortingen op in het kasboek van de [stichting] .

 Meerdere malen wordt slechts het bedrag of een gedeelte van het bedrag wat vermeld staat op 1 donatieformulier of op het bewijs van donatie opgenomen in het kasboek van de [stichting] ;

 Uit onderstaande tabel is op te maken dat ongeveer 22% procent van de afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties verantwoord is in het kasboek van de [stichting] ;

 (…)"

2.9.

Het FIOD-rapport bevat een op 16 april 2015 bij de FIOD binnengekomen anonieme melding, met nummer 35.04946 (blz. 4180) met de volgende mededeling:

"Belastingfraude door […]. Het gaat om giften/donaties aan de [stichting] te [woonplaats] . De ontvangstbewijzen die ontvangen zijn van de [stichting] zijn meermalen vervalst en gebruikt voor meerdere personen om belastingteruggaaf aan te vrahen (lees: vragen, hof) (alsof zij deze giften/bedragen ook hebben betaald)"

2.10.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "Vergelijking opbrengst donaties Stichting [stichting] " (blz. 469 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Ontvangst Excelbestand en kwitanties [stichting]

(…)

De Belastingdienst heeft, onder andere over het jaar 2014, diverse kwitanties op naam van de Stichting [stichting] en een Excelbestand aan de FIOD ter beschikking gesteld.

(…)

Uit onderzoek in het Excelbestand is naar voren gekomen dat er op naam van de [stichting] in de periode 1 januari 2014 tot en met 6 januari 2014 in totaal 232 kwitanties zijn uitgeschreven, die een gezamenlijke waarde van € 564.820 vertegenwoordigen.

Vergelijking donaties 2014 met voorliggende Jaren

Ik heb het aantal boekingen, dat over de jaren 2008 tot en met 2013 in de periode 1 januari tot en met 6 januari in de administratie van de Stichting [stichting] is gedaan, vergeleken met het aantal kwitanties, dat in dezelfde periode in 2014 is uitgeschreven.

Ik zag daarbij dat het aantal boekingen in de administratie over de jaren 2008 tot en met 2013 sterk afwijkt van het aantal kwitanties, dat in 2014 is uitgeschreven. Zie onderstaande tabel.

Jaar

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Data van de boekingen

1, 4 en 5 januari

5 en 6 januari

2, 3 en 5 januari

1, 3,4 en 5 januari

4 en 6 januari

1 t/m 6 januari

Aantal boekingen

7

5

3

13

6

0

232

Bedrag boekingen

€ 9.300

€ 5.450

€ 3.450

€ 13.900

€ 5.250

€ 0

€ 564.820"

2.11.1.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn diverse telefoons in beslag genomen. Het FIOD-rapport (blz. 34) vermeldt hierover, onder meer:

"In diverse telefoons die bij de doorzoeking van de woning van [de penningmeester] in beslag werden genomen zijn tekstberichten aangetroffen waarin wordt gesproken over het aankopen van kwitanties en het percentage wat daarvoor moet worden betaald. Ook zijn er berichten aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat anderen de kwitanties namens belastingplichtigen aankopen."

2.11.2.

Het FIOD-rapport bevat (de vertaling van) de tekstberichten die op de in beslag genomen telefoons zijn gevonden. Het FIOD-rapport bevat onder meer een vertaling van de volgende sms-berichten (blz. 4259, 4261 en 4262):

"*

Folder

Party

Time

(…)

(…)

Message

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

32

Inbox

From

[…]

20-3-2014

21:34:43(…)

Read

Hallo […] Je zou een bon opstellen voor […]. Ik heb de datums genoteerd van de gelden die ik van de bank heb opgenomen. Zou je het na vrijdag kunnen regelen als ik morgen even langskom?

7500 opname op 11.10.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 29.09.2013

2000 opname op 18.12.2013

1000 opname op 17.06.2013

1000 opname op 16.07.2013

1000 opname op 25.07.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 02.10.2013

(…)

33

Sent

To

[...]

20-3-2014

21:35:48 (…)

Sent

Hallo broer, is goed. Ik heb het gereed. Zou je mij je adres en het totaalbedrag van wat je wilt willen doorgeven?

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

54

Inbox

From

[...]

4-7-2014

22:26:10 (…)

Read

Hallo meneer

24-03-2013 800 euro

23-04-2013 1000 euro

10-06-2013 700 euro

(…)

55

Sent

To

[...]

4-7-2014

22.:27:19

Sent

Hallo hoca, Dankjewel. U kunt het morgenavond op komen halen. Gegroet

(…)"

2.12.

Het FIOD-rapport bevat een "TCI proces-verbaal" van het Team Criminele Inlichtingen (blz. 504 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, onder meer:

"Bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD is in de maand maart 2016 via één informant de navolgende Informatie binnengekomen:

'De leiding van de [ [stichting] ] is op de hoogte van de belastingfraude door middel van de verkoop van valse giftenkwitanties op haar naam. Vals opgemaakte stukken worden ondertekend en gestempeld door […]. Nu de [stichting] geen ANBI meer is, worden andere stichtingen gebruikt voor deze fraude"

2.13.1.

Het FIOD-rapport bevat een handgeschreven kasadministratie, aangeduid als DOC‑480 (blz. 3614 e.v.). Dit kasboek bevat de contante inkomsten en uitgaven van de [stichting] in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Het FIOD-rapport bevat voorts een overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties voor het jaar 2013, aangeduid als DOC-433 (blz. 3399 e.v.).

2.13.2.

De penningmeester heeft over voormelde administratie en voormeld overzicht onder meer verklaard:

a. FIOD-rapport, blz. 1518-1526:

"Ik had zelf een administratie ontwikkeld in excel. Pas toen wij een ANBI controle kregen zijn wij de administratie gaan ontwikkelen. In 2012 als er dan iemand kwam voor een of meerdere kwitanties dan werd deze door mij uitgeschreven en schriftelijk geboekt in een doorschrijf kasboek. Ik boekte dan het bedrag dat wij daadwerkelijk ontvingen. Dus voor een kwitantie van € 1.000 boekte ik een ontvangst van € 100. (…) Later werd door mij het daadwerkelijke bedrag op de kwitantie geboekt. Ik maakte hiervoor een excel bestand aan dat op de computer stond van de [stichting] in dit bestand zette ik het bedrag van de kwitantie, zodat ik kon bijhouden wat er gebeurd was voor als de mensen kwamen voor onder andere donatieverklaringen. (…)"

b. FIOD-rapport, blz. 1535:

"Opmerking verbalisanten:

Wij tonen u een Excel bestand welke is gerelateerd aan donatiekwitanties die door de [stichting] aan derden zijn verstrekt. In het Excel bestand zijn de kwitantienummers, datum van afgifte, naam donateur en het gedoneerde bedrag opgenomen. (Het Excelbestand wordt onder DOC-511 opgenomen in het dossier)

Vraag verbalisanten: Kunt u aan de hand van dit overzicht aangeven of de geldbedragen vermeld op de bijbehorende kwitanties, in combinatie met de vermelde persoonsnamen, daadwerkelijk zijn gedoneerd aan de [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

"Van de lijsten die u mij nu laat zien met de namen en bedragen kan ik zeggen, dat niemand hierop deze lijst dat bedragen echt daadwerkelijk aan de [stichting] betaald heeft zij hebben van deze bedragen slechts 10% of 12% betaald zoals ik eerder heb verklaard. Ik heb al eerder gezegd dat er slechts een handjevol mensen is die daadwerkelijk het volledige bedrag heeft betaald maar dat betreffen bedragen van maximaal 300 of 400 euro. Als er in het kasboek kleine bedragen opgenomen zijn en daar staan soms geen kwitanties tegenover, dan is dat omdat deze mensen dit ook niet in aftrek wilden nemen bij de belastingdienst."

c. FIOD-rapport, blz. 1557:

"Vraag verbalisanten: Op 6 januari 2014 is de ANBI status van de [stichting] ingetrokken. Er zijn meerdere kwitanties aangetroffen die zijn voorzien van een datum gelegen in de periode 1 tot en met 6 januari 2014. Zijn al deze kwitanties valselijk opgemaakt?

Antwoord gehoorde:

"Niet allemaal, er zijn ook donaties die echt zijn gedaan. Ik kan mij nu niet herinneren wie dat zijn geweest. Ik heb het dan over de kwitanties vanaf 2012 die onder de € 500 zijn, alles wat daarboven is, is vals. Dit geld voor alle kwitanties die u heeft aangetroffen. Jullie kunnen uit de kasboeken uitvissen welke bedragen echt zijn gedoneerd. Dat boek klopt namelijk wel."

2.13.3.

Het FIOD-rapport vermeldt onder meer nog het volgende over de administratie bij de [stichting] (blz. 33):

"Naast de vermoedelijk achteraf opgestelde donatieoverzichten zijn over de periode

(…) december 2013 tot en met december 2016 handgeschreven kasboeken bijgehouden. Het vermoeden bestaat dat in dat kasboek de juiste bedragen zijn vermeld. De gegevens van dit kasboek zijn ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek in een Excel-bestand verwerkt en digitaal bij het dossier gevoegd. In deze kasboeken staan inkomsten en uitgaven vermeld.

(…) Bij onderzoek van de inkomsten die zijn vermeld in de kasboeken is vastgesteld dat over de periode december 2013 tot en met december 2016 totaal 1.192 mutaties zijn opgenomen met de omschrijving 'donatie'. Het totaalbedrag van deze 1.192 donaties is € 489.087,70. Het is opvallend dat het grootste deel van deze donaties kleiner is dan € 500."

2.14.

In eerste aanleg heeft de Inspecteur drie (geanonimiseerde) verslagen van hoorgesprekken met belastingplichtigen overgelegd (bijlage 33). De verslagen bevatten verklaringen van de belastingplichtigen over (hun deelname aan) de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.14.1.

Het "verslag van het horen op vrijdag 13 juni 2018" [juli; Hof] vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

4. (…) Hij vertelt dat hij één keer per week naar toespraken op de [stichting] ging. Na afloop van de toespraak werd aan de toehoorders vertelt dat zij de [stichting] konden helpen. In ruil voor deze donaties werd er een hoger bedrag op de kwitantie geschreven. Wanneer er een bedrag van € 300 werd betaald, werd er op de kwitantie € 3.000 vermeld. (…)"

2.14.2.

Het "verslag van het horen op donderdag 9 augustus 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

3. Voor de aankoop van zijn woning is hij in contact gekomen met Advieskantoor […] via iemand genaamd […] (…) Ze waren behulpzaam en gaven goede adviezen. De heer […] hielp hem met zijn hypotheek en […] hielp hem met het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2013. Bij het indienen van de aangifte kreeg hij van […] het advies om te doneren aan de [stichting] .

De [belastingplichtige] deelde hen mee dat hij daarvoor geen financiële middelen had. […] deelde hem daarop mee dat het ook anders kon, namelijk eerst het bedrag in aftrek brengen in de aangifte, afhankelijk van de teruggaaf zou dan een bedrag aan de [stichting] worden gedoneerd. De kwitantie hiervoor zou dan achteraf geregeld worden (…)."

2.15.

Bij brief van 6 maart 2020 in aanvulling op het verweerschrift in eerste aanleg betreffende het jaar 2014 heeft de Inspecteur bladzijde 3658 van het FIOD-rapport gevoegd. Deze bladzijde betreft de onder 2.13.1 genoemde handgeschreven kasadministratie (DOC-480). Dit overzicht vermeldt een door de [stichting] ontvangen bedrag van € 525 op 24 maart 2015 van belanghebbende en zijn broer.

Beide jaren

2.16.1.

De Inspecteur heeft op 15 december 2016 aan belanghebbende voor beide jaren brieven gestuurd waarin om toezending van originele bewijsstukken en betalingsbewijzen ten aanzien van de giften voor de jaren 2013 en 2014 is gevraagd.

Jaar 2013

2.16.2.

In reactie hierop heeft belanghebbende met betrekking tot het jaar 2013 geantwoord:

“Helaas kan ik de aangiftebiljetten en bijbehorende documenten van 2013 niet meer terugvinden in mijn administratie. Ook kan ik niemand bereiken van [stichting] om een duplicaat of verklaring te krijgen van de giftbewijzen die ik contant heb gedaan.”

Jaar 2014

2.16.3.

Voor het jaar 2014 heeft belanghebbende een op briefpapier van de [stichting] gestelde brief in de Turkse taal, gedateerd 16 maart 2015, alsmede twee kwitanties aan de Inspecteur gezonden. Eén kwitantie op naam van de echtgenote met nummer 000086, gedateerd 2 januari 2014 ten bedrage van € 1.200 en één kwitantie op naam van belanghebbende met nummer 000445, gedateerd 5 januari 2014, ten bedrage van € 1.200.

Beide jaren

2.17.

Bij brieven van 24 november 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende te kennen gegeven dat hij voor de jaren 2013 en 2014 navorderingsaanslagen zal opleggen waarbij de giftenaftrek ter zake van de [stichting] wordt gecorrigeerd. Verder heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij voornemens is voor beide jaren een vergrijpboete op te leggen als bedoeld in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De hoogte van de boetes is vastgesteld op 50% (2013) respectievelijk 75% (2014) van de nagevorderde belasting. Voorts heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat mogelijk heffingsrente dan wel belastingrente in rekening zal worden gebracht.

2.19.

Vervolgens zijn met dagtekening 4 januari 2018 de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd en gelijktijdig boetebeschikkingen en beschikkingen belastingrente vastgesteld.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

“(…)

Giftenaftrek

11. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op [belanghebbende]. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals [de Inspecteur] terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] , die worden bevestigd door verklaringen van anderen, heeft [de Inspecteur] terecht gesteld dat aan de door [belanghebbende] overgelegde kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht kan worden toegekend. Weliswaar staat niet onomstotelijk vast dat ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van onjuiste kwitanties, maar evenmin kan met zekerheid worden gesteld dat de kwitanties in overeenstemming zijn met wat hij daadwerkelijk aan de [stichting] heeft geschonken. Nu [belanghebbende] voor het jaar 2014 geen andere bewijsstukken heeft overgelegd en voor het jaar 2013 in het geheel geen bewijsstukken heeft verstrekt, is hij niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan. [de Inspecteur] heeft dan ook op goede gronden de giften gecorrigeerd en de navorderingsaanslagen opgelegd. De kanttekeningen die [belanghebbende] bij het FIOD onderzoek heeft gesteld, leiden niet tot een ander oordeel. Daaruit volgt immers niet dat de bewijslast niet meer op [belanghebbende] rust en evenmin dat de penningmeester niet heeft verklaard dat hij kwitanties afgaf voor hogere bedragen dan daadwerkelijk werd betaald.

12. Gezien de bewoordingen van de Werkinstructie ziet deze op de aanslagregeling en niet op de vraag wanneer tot navordering zal worden overgegaan. Uit het Memorandum blijkt verder niet dat niet wordt nagevorderd indien er kwitanties worden overgelegd. [Belanghebbende] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat [de Inspecteur] heeft gehandeld in strijd met voor hem geldende werkinstructies. In het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen heeft [belanghebbende] verwezen naar zijn eerdere reactie van 8 december 2017 op de kennisgevingen van 24 november 2017. Daarin voert [belanghebbende] voor wat betreft de giftenaftrek slechts aan dat hij met het overleggen van de kwitanties voldoende bewijs heeft geleverd. In de uitspraken op bezwaar heeft [de Inspecteur] afdoende gemotiveerd waarom hij de overgelegde kwitanties onvoldoende bewijs vindt. Van schending van het motiveringsbeginsel is voor wat betreft de navorderingsaanslagen dan ook geen sprake.

Vergrijpboetes

13. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

14. Op [de Inspecteur] rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [belanghebbende] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangiften afgetrokken giften en dat de aanslagen daardoor tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van [belanghebbende] maakt [de Inspecteur] gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [stichting] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. Voor het jaar 2014 baseert hij de bewijsvermoedens mede op de betaling die blijkt uit de handgeschreven kasadministratie van de [stichting] .

15. Op zichzelf mag [de Inspecteur] gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Daarvan is geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de [stichting] . Voor wat betreft de betaling van 25 maart 2014 in de handgeschreven kasadministratie geldt dat niet kan worden uitgesloten dat die betrekking heeft op een gift voor het jaar 2014. [de Inspecteur] baseert zijn conclusie dat die betaling ziet op de kwitanties voor het jaar 2014 ook weer uitsluitend op de verklaring van de penningmeester. Uit de diverse verklaringen kan echter niet worden geconcludeerd dat in alle gevallen en dus ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. Dit geldt temeer voor het jaar 2013 nu daarvoor geen kwitanties zijn overgelegd waarop die verklaringen betrekking zouden kunnen hebben. [de Inspecteur] heeft in het nadere stuk nog vermeld dat [belanghebbende] de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 heeft ingediend op 11 maart 2015 en legt aldus kennelijk een verband tussen die aangifte en de betaling op 25 maart 2015. Afgezien van het feit dat daartussen een termijn van 14 dagen ligt, heeft [belanghebbende] in reactie op de vragenbrief van [de Inspecteur] van 15 december 2016 onweersproken verklaard dat die aangifte is verzorgd door een vrijwilliger van de wijkvereniging. [de Inspecteur] heeft het door hem veronderstelde verband dan ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Onder die omstandigheden zou het accepteren van de bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op [belanghebbende] komt te rusten. Gelet op het voorgaande heeft [de Inspecteur] niet bewezen dat de te weinig geheven belasting het gevolg is van opzet of grove schuld.

Rentebeschikkingen

16. [Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de rente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen voor wat betreft de boetebeschikkingen gegrond verklaard en voor het overige ongegrond.

Proceskosten

18. Aangezien het bezwaarschrift en het beroepschrift door [belanghebbende] zelf zijn ingediend, er geen behandeling ter zitting is geweest en verder geen kosten zijn gesteld die voor vergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd, meer in het bijzonder of de giftenaftrek terecht is gecorrigeerd en of de boetebeschikkingen terecht zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2.

De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, in zijn principaal hoger beroep primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de boetebeschikkingen en bevestiging van de uitspraken op bezwaar en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar voor wat betreft de boetebeschikkingen, tot vermindering van de boete voor het jaar 2013 tot op 25% (grove schuld) en de boete voor het jaar 2014 tot op 50% (grove schuld met strafverzwarende omstandigheden) dan wel meer subsidiair tot op 25% (grove schuld) en tot vergoeding van de proceskosten. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

4.3.

Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het principaal hoger beroep. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, in het incidenteel hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslagen, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen, tot vergoeding van de proceskosten in (hoger) beroep en het voor het beroep betaalde griffierecht.

Beoordeling van het hoger beroep

FIOD-onderzoek

5.1.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd op basis van een ondeugdelijk FIOD-onderzoek, waarbij de in het proces-verbaal van dat onderzoek opgenomen conclusies en bevindingen niet kunnen worden gedragen door de feiten.

5.1.2.

Er is geen aanleiding het proces-verbaal van het FIOD-onderzoek buiten beschouwing te laten. De vraagtekens die belanghebbende stelt bij bepaalde onderdelen van het rapport zijn, mede gelet op hetgeen de Inspecteur daartegenover heeft gesteld, onvoldoende om te concluderen dat de uitkomsten daarvan, in het bijzonder die met betrekking tot de kwitanties, de handgeschreven kasadministratie, het overzicht van uitgegeven kwitanties en de verklaringen van de penningmeester over de gang van zaken met betrekking tot de kwitanties, niet in aanmerking genomen moeten worden. Uit de gedingstukken blijkt dat er aanvankelijk geen administratie aan de controlerend ambtenaar ten behoeve van het onderzoek naar de ANBI-status van de [stichting] , kon worden aangeleverd. Door een aantal vrijwilligers is achteraf aan de hand van de uitgegeven kwitanties een administratie opgemaakt. Deze administratie was niet compleet. Dit brengt mee dat aan deze administratie geen waarde kan worden gehecht en geen cijfermatige conclusies kunnen worden verbonden. De verklaringen van de penningmeester vinden bevestiging in hetgeen al eerder in het FIOD-onderzoek naar voren was gekomen, komen overeen met de bevindingen uit de eerdere onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] (zie onder 2.4.3) en worden tevens ondersteund door verklaringen van derden. Voorts zijn er geen redenen waarom de Inspecteur de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek jegens onder meer de penningmeester had moeten afwachten voordat hij de navorderingsaanslagen zou opleggen.

Giftenaftrek

5.2.1.

Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet Inkomstenbelasting 2001). In geval van betwisting door de inspecteur, zoals hier het geval is, rust op belanghebbende de last de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.

5.2.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij en zijn echtgenote in de jaren 2013 en 2014 uit geloofsovertuiging giften in contanten hebben gedaan aan de [stichting] voor bedragen van in totaal € 1.200 respectievelijk € 2.400. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft belanghebbende in totaal twee kwitanties (voor het jaar 2014) overgelegd.

5.2.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de overgelegde giftkwitanties van de [stichting] niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften en wijst daarbij op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] . Uit dat onderzoek volgt dat op grote schaal giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Uit verklaringen van de penningmeester welke worden bevestigd door verklaringen van diverse andere belastingplichtigen en de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek, volgt dat (veelal) geen bedragen zijn gedoneerd van € 500 of hoger.

5.2.4.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de Inspecteur in beroep en hoger beroep onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] :

  • -

    de vaststelling van een controlemedewerker dat namens de [stichting] in het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties zijn uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie zijn verantwoord;

  • -

    dat in het jaar 2013 in de jaarstukken van de [stichting] € 88.564 aan donaties is verantwoord, terwijl in de diverse aangiften over dat jaar in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] is aangegeven;

  • -

    de verklaringen van verdachten dat giftkwitanties voor een bepaald percentage van het giftbedrag werden gekocht/verkocht van de [stichting] ;

  • -

    dat uit de inbeslaggenomen administratie van de [stichting] volgt dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek;

  • -

    een anonieme tip aan de FIOD dat de kwitanties zijn vervalst en gebruikt door meerdere personen om een belastingteruggaaf te bewerkstelligen;

  • -

    dat na het intrekken van de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014, dat op 19 december 2013 was aangekondigd, in de periode van 1 januari tot 6 januari 2014 een opvallend groter aantal kwitanties is geboekt dan in voorgaande jaren;

  • -

    de whatsapp- en sms-berichten en de verklaringen van onder andere de penningmeester van de [stichting] waaruit volgt dat een levendige handel in giftkwitanties bestond en dat uit die berichten volgt dat de data op de kwitanties worden afgestemd op de data van willekeurige pinopnamen;

  • -

    de verklaring van een informant aan het Team Criminele Inlichtingen waaruit volgt dat de leiding van de [stichting] op de hoogte is van de belastingfraude door middel van de giftkwitanties en meewerkt aan de uitgifte daarvan;

  • -

    de verklaring van de penningmeester van de [stichting] dat slechts een handvol mensen het volledige vermelde bedrag op de giftkwitanties hebben betaald maar dat die bedragen maximaal € 300 of € 400 betreffen;

  • -

    de verklaringen van diverse personen aan de FIOD en de Belastingdienst die de handel in kwitanties hebben bevestigd;

  • -

    een overzicht van uitgeschreven kwitanties voor 2013 waarvan de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeenkomen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen;

  • -

    een doorlopend handgeschreven kasboek waarin de werkelijk ontvangen bedragen werden opgenomen; de werkelijk ontvangen bedragen (donaties) bedroegen veelal 10% tot 12% van de uitgegeven kwitanties;

  • -

    dat de Belastingdienst bij 2.040 belastingplichtigen navorderingsaanslagen heeft opgelegd dan wel correcties heeft aangebracht bij het opleggen van de aanslagen en indien mogelijk een vergrijpboete. Van deze 2.040 gevallen zijn ongeveer 450 belastingplichtigen in bezwaar gegaan en 150 in beroep;

  • -

    dat bij belastingplichtigen van wie aanslagen zijn gecorrigeerd of bij wie is nagevorderd doorgaans een giftenaftrek van minimaal € 500 in de aangifte is opgenomen.

5.3.1.

Uit hetgeen de Inspecteur onder 5.2.4 heeft aangevoerd volgt dat op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de kwitanties van de [stichting] niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Het is aan belanghebbende aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.

5.3.2.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 naast de twee kwitanties een in de Turkse taal, door Prof. Dr. [B] , [organisatie] opgemaakte brief met als onderwerp “Yapilan 2014 baǧișlari” en dagtekening 16 maart 2015 overgelegd. Deze brief is niet geadresseerd, niet aan belanghebbende gericht en niet ondertekend. Uit de brief is niet op te maken op welke giftbedragen of kwitanties deze ziet. Niet aannemelijk is dat deze brief specifiek betrekking heeft op de gift die belanghebbende in zijn aangifte voor het jaar 2014 heeft opgevoerd.

5.3.3.

Nu belanghebbende voor het jaar 2013 in het geheel geen bewijs en voor het jaar 2014 geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de [stichting] , is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in de onderhavige jaren giften aan de [stichting] heeft gedaan. De Inspecteur heeft dan ook terecht geen giften in aftrek toegestaan en de navorderingsaanslagen terecht opgelegd.

5.4.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in strijd heeft gehandeld met de zogenoemde Instructie afdoening giftenaftrek (Werkinstructie) en het Memorandum Giftenaftrek (Memorandum). Gezien de bewoordingen van de Werkinstructie ziet deze, anders dan belanghebbende kennelijk meent, op de aanslagregeling en niet op de vraag wanneer en in welke gevallen tot navordering zal worden overgegaan. Uit het Memorandum blijkt niet dat niet tot navordering zal worden overgegaan in de gevallen waarin kwitanties zijn overgelegd. In het onderhavige geval zijn de uitkomsten van het FIOD-onderzoek aanleiding geweest om tot navordering over te gaan, aangezien die uitkomsten voor de Inspecteur het nieuwe feit opleverden. De Werkinstructie en het Memorandum doen daaraan niet af. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende instructies. De door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om te oordelen dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De vergrijpboetes

6.1.1.

De Inspecteur kan op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een boete opleggen van ten hoogste 100% indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast hiervan rust op de Inspecteur.

6.1.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. De belanghebbende moet wel een redelijke mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren en het gebruik van vermoedens mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat de inspecteur bij het bewijzen van de opzet of grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. HR 18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet de uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272).

6.2.

De Inspecteur heeft gesteld dat sprake is van opzet en dat voor het jaar 2014 sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zodat de boetes van 50% (2013) en 75% (2014) passend en geboden zijn.

6.3.

Aangezien de Inspecteur primair heeft gesteld dat sprake is van opzet en subsidiair dat sprake is van grove schuld, rust op de Inspecteur de bewijslast aannemelijk te maken primair dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB/PVV 2013 en 2014 zich ervan bewust is geweest dat (een aanmerkelijke kans bestond dat) de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren en subsidiair dat belanghebbende zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem kan worden verweten dat de aangiften op het punt van de giftenaftrek onjuist waren.

6.4.

Naast de in 5.2.4 aangevoerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] , heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbendes betrokkenheid bij voormelde handel in giftkwitanties het volgende aangevoerd:

  • -

    de namen van belanghebbende en zijn broer komen voor in het handgeschreven kasboek (DOC-480) op 24 maart 2015 voor een bedrag van € 525 met de omschrijving “Donatie”. Gelet op de hoogte van de in de aangiften voor het jaar 2014 door belanghebbende en zijn broer verantwoorde giften, zal de helft van dit bedrag betrekking hebben op de donaties door belanghebbende en zijn echtgenote. De helft van dit bedrag bedraagt € 262,50 en dit bedraagt ongeveer 11 percent van de door belanghebbende voor het jaar 2014 in aftrek gebrachte giften aan de [stichting] van € 2.400. Dit komt overeen met de fraudeleuze handelwijze die is beschreven door de FIOD;

  • -

    de aangifte voor het jaar 2014 met een giftenaftrek van € 2.400 is door belanghebbende op 14 maart 2015 ingediend, derhalve rond de hiervoor genoemde datum van de vermelding in de het handgeschreven kasboek van 24 maart 2015;

  • -

    belanghebbende en zijn echtgenote hebben kort voor de intrekking van de ANBI-status in het jaar 2014 nog donaties aan de [stichting] gedaan;

  • -

    belanghebbende kon over de jaren 2012 (niet in geschil) en 2013 in het geheel geen giftkwitanties of bewijsstukken overleggen;

  • -

    belanghebbende heeft nadat hem voor het jaar 2012 op 3 oktober 2014 een vragenbrief is gezonden een gewijzigde aangifte over dat jaar ingediend, door de Belastingdienst ontvangen op 14 oktober 2014, waarin niet langer de eerder geclaimde giftenaftrek werd gevraagd. Dit duidt er op dat belanghebbende op de hoogte was dat er meer bewijs nodig was voor de giftenaftrek, en

  • -

    de boeten voor het jaar 2013 en 2014 moeten gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang worden beoordeeld.

6.5.1.

Uit hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd volgt een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Voorts volgt daaruit dat de valse giftkwitanties door de belastingplichtigen werden gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de betreffende giftkwitantie.

6.5.2.

Uit het onderzoek van de FIOD volgt dat de handgeschreven kasboeken van de [stichting] in totaal 1.192 donaties vermelden met een totaalbedrag van € 489.087,70 in de periode december 2013 tot en met december 2016. Hierbij is het bedrag van het grootste deel van de donaties lager dan € 500. Gelet op i) voormelde handelwijze waarbij de valse giftkwitanties veelal werden verhandeld voor 10%-12% van daarop vermelde bedragen en ii) de verklaringen van getuigen en belastingplichtigen waaruit blijkt dat veelal een paar honderd euro is betaald voor de giftkwitanties, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het handgeschreven kasboek de juiste gegevens vermeldt.

6.6.1.

De naam van belanghebbende komt samen met de naam van zijn broer voor in het handgeschreven kasboek (DOC-480) onder vermelding van een donatie van € 525 op 24 maart 2015. Belanghebbende en zijn broer hebben in het jaar 2014 in hun aangiften IB/PVV giften aan de [stichting] in aftrek gebracht, elk tot een totaalbedrag van € 2.400. Gelet op de gelijke hoogte van deze donaties is aannemelijk dat de helft van het bedrag van € 525, te weten € 262,50, ziet op de giften zoals deze door belanghebbende zijn opgenomen in zijn aangifte. Dit bedrag is 10,94% van de in 2014 in aftrek gebrachte giften van € 2.400.

6.6.2.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende en zijn echtgenote in 2014 gebruik hebben gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] en dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2014 bewust van is geweest dat de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was.

6.7.

De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een bewijsvermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207).

6.8.

Belanghebbende heeft in dat kader - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De verklaring van de penningmeester is niet betrouwbaar, nu deze zelf heeft gefraudeerd. Er zijn valse kwitanties in de boeken opgenomen, maar de administratie bevat ook daadwerkelijk gedane giften. Het is niet uitgesloten dat de penningmeester de volledige giftbedragen heeft ontvangen, in zijn “schijnadministratie” heeft geboekt en het meerdere in eigen zak heeft gestoken. Belanghebbende heeft geen invloed op de wijze waarop de [stichting] haar administratie voert en ten aanzien van belanghebbende zijn geen specifieke aanwijzingen waaruit blijkt dat in zijn geval sprake is geweest van vervalste kwitanties. Belanghebbende heeft geen weet gehad van de malafide praktijken. De Belastingdienst had als toezichthouder op de ANBI-toekenning eerder moeten ingrijpen. De giften zijn uit geloofsovertuiging gedaan. Belanghebbende heeft om hem moverende redenen bij de gewijzigde aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 geen giftenaftrek meer opgevoerd. Dit kan niet leiden tot de conclusie dat de giften niet zijn gedaan. Verder is het niet logisch dat belanghebbende op 14 maart 2015 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 zou indienen om vervolgens op 24 maart 2015 (dus achteraf) een kwitantie voor een donatie in dat jaar te kopen. Belanghebbende en zijn echtgenote waren gelet op hun inkomen/vermogen ook in staat de giften tot de bedragen van de kwitanties te voldoen.

6.9.1.

Er is geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de penningmeester over de handelwijze met betrekking tot de valse giftkwitanties. De verklaringen van de penningmeester zijn bevestigd door verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen die door de FIOD en de Inspecteur zijn gehoord. Daarnaast bevat het FIOD-rapport diverse onderzoeken van opsporingsambtenaren naar onder andere tekstberichten op in beslag genomen telefoons en de administratie van de [stichting] die voormelde handelwijze bevestigen.

6.9.2.

Evenmin is er reden, anders dan belanghebbende betoogt, te twijfelen aan de in het handgeschreven kasboek vermelde data en bedragen. Die kasadministratie vormt een (administratieve) weergave van de handelwijze waarbij de giftkwitanties voor een bepaald percentage van de daarop vermelde bedragen werden verkocht. Verder volgt uit die kasadministratie en uit de verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen dat de kwitanties werden gekocht op een latere datum dan vermeld op de uitgeschreven kwitanties.

Belanghebbende heeft bovendien onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat ten aanzien van de op hem betrekking hebbende bedragen en data van andere data of bedragen dan die vermeld in het kasboek moet worden uitgegaan.

6.10.

Gelet op hetgeen onder 6.8 tot en met 6.9.2 is overwogen heeft belanghebbende het bewijsvermoeden dat hij in het jaar 2014 gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] niet ontzenuwd. Dit betekent dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2014 zich ervan bewust is geweest dat de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was, zodat het opzet bewezen is. Dit geldt eveneens voor het jaar 2013 aangezien belanghebbende voor dat jaar een aanzienlijk bedrag aan giften in aftrek heeft gebracht die hij niet kon staven met schriftelijke bescheiden.

De hoogte van de boetes

7.1.

De Inspecteur heeft de boete voor 2013 bepaald op 50% (opzet) en voor 2014 bepaald op 75%, te weten 50% vanwege opzet van belanghebbende verhoogd met 25% wegens strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (tekst 2013). Ingevolge laatstvermelde bepaling is voor het in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning.

7.2.

De Inspecteur heeft gesteld dat het gebruik maken van falsificaties (de valse giftkwitanties) geldt als een strafverzwarende omstandigheid.

7.3.

Gelet op hetgeen onder 6.4 tot en met 6.10 is overwogen is aannemelijk dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan het willens en wetens doen van onjuiste aangiften als gevolg waarvan de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld (opzet). Gelet op de ernst van de gedragingen, in het bijzonder het gebruikmaken van valse giftkwitanties voor het jaar 2014, zijn de opgelegde boetes van 50% respectievelijk 75% van de nagevorderde bedragen passend en geboden.

Beschikkingen belastingrente

8. Tegen de beschikkingen belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening is gebracht.

Slotsom

9. Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

10. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikkingen, de proceskosten en het griffierecht, en

  • -

    bevestigt de uitspraken op bezwaar.

Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, Chr.Th.P.M. Zandhuis en I. Obbink-Reijngoud, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 19 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. Zandhuis.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.