Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:803

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
2200172020
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte voor een poging zware mishandeling en een bedreiging van twee broers. Vrijspraak van poging doodslag. Het hof acht in een nadere bewijsoverweging wel de (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging zware mishandeling bewezen. Het handelen van de verdachte (stekende bewegingen maken met een priem in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer) kan naar het oordeel van het hof naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard. Het hof legt een lagere straf op dan de rechtbank, te weten een gevangenisstraf van 195 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte mee zal werken aan behandeling voor zijn verslaving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001720-20

Parketnummer: 09-837158-18

Datum uitspraak: 26 april 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

1. primair (poging doodslag) en 2 subsidiair (bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voort is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 18 juli 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans éénmaal heeft gestoken in het (boven)lichaam en/of in de richting van het (boven)lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 18 juli 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer1] heeft mishandeld door met een priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans éénmaal, te steken in het (boven)lichaam en/of in de richting van het (bovenlichaam) van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer1];

2.


hij op of omstreeks 18 juli 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die zich in de nabijheid van hem, verdachte, bevindende [slachtoffer2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 18 juli 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, stekende bewegingen te maken in de richting van die zich in de nabijheid van hem, verdachte, bevindende [slachtoffer2].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf, en dat de verdachte in plaats daarvan zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring. Ook zal het hof de bewijsvoering aanpassen en andere beslissingen nemen ten aanzien van de strafoplegging.

Vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan – zonder nadere motivering - zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging feit 1 primair

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier op de dood van het slachtoffer of het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte met een soort priem stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer1] (hierna: het slachtoffer). Het slachtoffer is daarbij (licht) gewond geraakt.

Het hiervoor omschreven handelen van de verdachte is naar het oordeel van het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm niet zonder meer gericht op het toebrengen van fataal letsel. Het hof acht dan ook niet bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer.

Het met een priem (met een lengte van ongeveer 25 cm) stekende bewegingen te maken in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer kan naar het oordeel van het hof naar uiterlijke verschijningsvorm echter (wel) worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het bovenlichaam een kwetsbaar deel van het lichaam is, omdat zich daarin de vitale organen bevinden en waar op vrij eenvoudige wijze ernstig letsel kan worden toegebracht. Bovendien zijn er geen contra-indicaties gebleken voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat het slachtoffer slechts (zeer) lichtgewond is geraakt, doet aan het voorgaande niet af. Het slachtoffer heeft immers verklaard dat hij zich wegdraaide toen hij door de verdachte dreigde te worden gestoken, waardoor de geringe verwondingen mede kunnen worden verklaard.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Gelet op het voorgaande acht het hof de onder 1 primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op of omstreeks 18 juli 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans éénmaal heeft gestoken in het (boven)lichaam en/of in de richting van het (boven)lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.


hij op of omstreeks 18 juli 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, stekende bewegingen te maken in de richting van die zich in de nabijheid van hem, verdachte, bevindende [slachtoffer2].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en een bedreiging van twee broers. De verdachte is samen met zijn toenmalige vriendin naar haar ex-vriend gegaan om, zogezegd, verhaal te halen. Dat de verdachte daarbij een priem heeft meegenomen, is naar het oordeel van het hof reeds onaanvaardbaar. Vervolgens heeft de verdachte deze priem ook tevoorschijn gehaald en stekende bewegingen gemaakt in de richting van beide slachtoffers. Een van de slachtoffer is ook met de priem geraakt. Dit slachtoffer (en de verdachte) mag van geluk spreken dat hij geen ernstiger letsel heeft opgelopen.

De vervolgens op straat tussen de verdachte en het slachtoffer ontstane vechtpartij, waarbij beiden middelen in handen hadden, die tot ernstige verwondingen kunnen leiden, moet ook voor omstanders zeer indrukwekkend zijn geweest en tast het gevoel van veiligheid van buurtbewoners aan. Bovendien worden daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd.

Het hof weegt in strafmatigende zin mee dat de verdachte zeer ernstige verwondingen heeft opgelopen door het handelen van het slachtoffer [slachtoffer1] (waaronder een gebroken arm waaraan hij vele malen is geopereerd en blijvende schade heeft overgehouden).

Voorts is duidelijk geworden dat de onderlinge verhouding met dit slachtoffer niet meer problematisch is. Zowel de verdachte als het slachtoffer [slachtoffer1] hebben geen aangifte tegen elkaar gedaan en uit het dossier kan worden opgemaakt dat sprake is geweest van een uit de hand gelopen ruzie die beiden niet gewild hebben. Het strafdoel van vergelding en genoegdoening tegenover het slachtoffer is gelet op het voorgaande in deze zaak in mindere mate aan de orde. Wel zijn onverminderd aan de orde de strafdoelen van speciale en generale preventie. Daarom is naar het oordeel van het hof gelet op de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de rapporten van de reclassering d.d. 16 november 2018 en 17 juni 2020. In het eerstgenoemde rapport wordt geadviseerd aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden, kort gezegd gericht op behandeling van zijn verslaving aan alcohol (en drugs). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij – in afwijking van hetgeen wordt vermeld in het meest recente reclasseringsadvies - graag hulp wil bij het onder controle krijgen van zijn verslaving(en) en daarbij behoefte heeft aan een gedwongen kader.

Gelet op al het voorgaande ziet het hof aanleiding om aan de verdachte - in plaats van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Met het opleggen van een voorwaardelijke straf wordt mede beoogd de verdachte te weerhouden van het opnieuw plegen van een strafbaar feit.

Het hof ziet geen meerwaarde in het daarnaast ook nog opleggen van een werkstraf.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat genoemde straf een passende en geboden reactie vormt.

In beslag genomen voorwerp

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is onder 1 op de zich in het dossier bevindende lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal dit voorwerp daarom verbeurd verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 45, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 195 (honderdvijfennegentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van

2 ( twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag. De verdachte blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

- de verdachte zich onder ambulante behandeling zal stellen van Forensische Polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Bij terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik en/of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. De verdachte dient zich dan te laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, voor de duur van maximaal zeven weken, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: priem.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge,

mr. B.P. de Boer en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, in bijzijn van de griffier mr. S. Johannes.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 april 2021.

Mr. B.P. de Boer, mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. S. Johannes zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.