Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:80

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
10-02-2021
Zaaknummer
BK-20/00636 tm 20/00638
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:10198, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1482, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2011, 2012 en 2013 giften aan een instelling opgevoerd als aftrekpost. De Inspecteur heeft voor 2011 en 2012 de aanslag conform de aangiften vastgesteld. Nadien heeft de Inspecteur de aftrek teruggenomen met een navorderingsaanslag. Voor het jaar 2011 heeft belanghebbende geen bewijs van de giften overgelegd. Uit strafrechtelijk onderzoek volgt dat op grote schaal giftkwitanties van de instelling werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Daarom kunnen de kwitanties van de instelling niet zonder meer dienen als bewijs voor de giften in 2012 en 2013. Met de door belanghebbende overgelegde sponsorcontracten op naam van de eenmanszaak en de BV voor de jaren 2012, 2015, 2017 en 2018, heeft belanghebbende het aanvullende bewijs voor de gestelde giften aan de instelling ook niet geleverd. Ten aanzien van de vergrijpboetes oordeelt het Hof dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften zich ervan bewust is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren. De boetes van 50% (2011) en 75% (2012 en 2013) zijn passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-20/00636 tot en met BK-20/00638

Uitspraak van 19 januari 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] , […] en […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 juli 2020, nummers SGR 19/5285, SGR 19/5286 en SGR 19/5287.

Procesverloop

Jaar 2011 (BK-20/00636)

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.656 (de navorderingsaanslag 2011). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 813 aan heffingsrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 1.889.

1.1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag 2011 en de beschikkingen afgewezen.

Jaar 2012 (BK-20/00637)

1.2.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 225.374 (de navorderingsaanslag 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 1.146 aan belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 4.999.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag 2012 en de beschikkingen afgewezen.

Jaar 2013 (BK-20/00638)

1.3.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 101.270 (de aanslag 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 743 aan belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 3.949.

1.3.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag 2013 en de beschikkingen afgewezen.

Alle jaren

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar in één geschrift beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van deze beroepen is éénmaal een griffierecht geheven van € 47. De beslissing van de Rechtbank luidt:

"De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond voor zover zij gericht zijn tegen de boetebeschikkingen;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de boetebeschikkingen;

- vernietigt de boetebeschikkingen en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraken op bezwaar;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.572;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden."

1.5.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft in een nader stuk gereageerd op het incidenteel hoger beroep.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 december 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft tot 9 januari 2012 gewoond op het adres [adres] te [woonplaats] en is vanaf deze datum woonachtig op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Belanghebbende dreef in de onderhavige jaren een eenmanszaak onder de naam [A] ( [A] ). De eenmanszaak is per 24 april 2014 geruisloos ingebracht in een besloten vennootschap (de BV), waarin belanghebbende alle aandelen houdt. De eenmanszaak was in de onderhavige jaren, en de BV is, gevestigd op het adres [adres 3] te [woonplaats] .

Jaar 2011

2.2.1.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011, ontvangen op 14 december 2012, een gift van € 8.000 aan de [stichting] ( [stichting] ) opgevoerd. Na aftrek van de drempel van € 736 resteerde een aftrekbare gift van € 7.264.

2.2.2.

Met dagtekening 14 mei 2013 is de aanslag 2011 conform de ingediende aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.392.

Jaar 2012

2.2.3.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012, ontvangen op 16 december 2013, een bedrag van € 15.000 aan (contante) giften aan de [stichting] en een bedrag van € 72 met de omschrijving “Save the Children” opgenomen. Na aftrek van de drempel van € 2.253 resteerde een aftrekbare gift van € 12.819.

2.2.4.

Met dagtekening 7 januari 2015 is de aanslag 2012 conform de ingediende aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 212.555.

Jaar 2013

2.2.5.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013, ontvangen op 11 februari 2015, een bedrag van € 17.000 aan (contante) giften aan de [stichting] en een bedrag van € 1.792 aan giften aan “Diverse Islamitische instellingen” opgenomen. Hiervan is € 10.127, namelijk (maximaal) 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, in aftrek gebracht.

Alle jaren

2.3.

De [stichting] stond in de betreffende jaren geregistreerd als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI).

2.4.1.

De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van de [stichting] . Daaruit bleek ten aanzien van het jaar 2012 dat belastingplichtigen gezamenlijk voor ten minste een bedrag van € 3.000.000 aan giften aan de [stichting] in aftrek hadden gebracht terwijl in de jaarstukken van de [stichting] voor dat jaar een bedrag van € 591.210 aan ontvangen giften was verantwoord. Voorts bleek dat de [stichting] in het jaar 2012 meer kwitanties (in totaal 2.500) had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord (531) en dat de [stichting] in de jaarstukken voor 2013 een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in aangiften IB/PVV van diverse belastingplichtigen in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] was aangegeven. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 17 mei 2016.

2.4.2.

Omdat de administratie van de [stichting] ernstige gebreken vertoonde is de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.

2.4.3.

In januari 2015 is de FIOD gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ). Uit die onderzoeken bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften.

2.5.1.

Voormelde bevindingen (2.4.1 en 2.4.3) zijn aanleiding geweest voor de FIOD om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV ( [FIOD-onderzoek 3] ).

2.5.2.

De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn door de FIOD opgenomen in een proces-verbaal, met dossiernummer 57425. De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De resultaten van het onderzoek zijn op 23 april 2018 ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/kantoor Den Haag. Het (geanonimiseerde) proces-verbaal met bijlagen is door de Inspecteur verstrekt op een CD-rom (het FIOD-rapport).

2.5.3.

Belanghebbende is in voormeld onderzoek niet als verdachte aangemerkt noch is hij als getuige gehoord.

2.6.

In het FIOD-rapport zijn proces-verbalen van verhoor van verdachten opgenomen uit de strafrechtelijke onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] . De verdachten hebben onder andere verklaringen afgelegd over de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.6.1.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 1] (blz. 2040 e.v.) De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"[…] is belastingadviseur en hij werkt samen met de [stichting] met betrekking tot het kopen van kwitanties. Hij koopt de kwitanties in voor 10% en verkoopt ze voor 12 tot 15% aan zijn klanten zodat zij dit kunnen aftrekken van de belasting."

2.6.2.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 2] (blz. 2140 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"Ik ga u alles vertellen in 2011, 2012 en 2013 heb ik kwitanties gekocht bij [stichting] . Dit was niet voor 10% maar voor 15% of zelfs 20% procent weet ik niet meer zeker. Het zijn allemaal oplichters van die stichtingen. Ze stoppen alles in de eigen zak en melden niets aan de Belastingdienst. In 2011 heb ik geld betaald aan [de bestuurder/directeur] van de [stichting] . In 2012 en 2013 heb ik geld betaald aan [de penningmeester] van de [stichting] . De door mij overgelegde kwitanties over het jaar 2013 van de [stichting] heb ik van die [penningmeester] gekregen. Dit geld heb ik op de [adres 4] in [woonplaats] betaald. De kwitanties heeft [de penningmeester] mij op het adres aan de [adres 4] waar de [stichting] is gevestigd gegeven."

2.6.3.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 3] (blz. 1900 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, voor zover van belang:

"Opmerking verbalisanten: Uit onderzoek is naar voren gekomen dat uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn ingediend vanaf het IP-adres van de [stichting] .

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

"Omdat ik slecht Nederlands spreek, ben ik door diverse mensen geadviseerd om naar de [stichting] te gaan. Ik ging naar de [stichting] om mijn aangiften in te laten vullen.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2011 op uw naam bij de Belastingdienst ingevuld en ingediend?

Antwoord gehoorde:

"Ik ben eerlijk, maar toen ik daar kwam waren het elke keer andere mensen. Er waren allemaal kleine hokjes en daar werd het ingevuld. Ik ben daar gewoon naartoe gegaan, maar ik ken daar helemaal niemand. Ik kan dus niet zeggen wie dat voor mij ingevuld heeft. Op de dag dat ik mijn aangifte liet invullen, kreeg ik de twee kwitanties die ik u zojuist heb overhandigd. De data op de kwitanties hebben zij van de [stichting] erop gezet. Ik heb in ieder geval niet op die data betaald. Ik heb in één keer € 300 of zo betaald. Ik weet niet meer precies hoeveel ik heb betaald maar ik dacht iets van 12 of 15% van € 2.500. Ik heb mijn DigiD code en wachtwoord aan de medewerker van de [stichting] gegeven en die heeft vervolgens mijn aangifte ingediend. Dat ging elk jaar zo."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2012 staat in het onderdeel 'giften' een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

"Daarvoor geldt hetzelfde als het jaar 2011. Ik denk dat ik daar ook ongeveer € 300 voor betaald heb."

(…)

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2012 staan de data 10-03-2012 en 15‑11‑2012. Uw aangifte inkomstenbelasting 2012 is gedaan op 9 maart 2013.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2013 staat in het onderdeel ‘giften’ een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Ook hier heb ik maar € 300 of € 350 voor betaald."

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2013 staan de data 23-02-2013 en 24‑05‑2013. Uw aangifte inkomstenbelasting 2013 is gedaan op 26 februari 2014.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

2.7.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "aangetroffen belastingaangiften en correspondentie op de PC van de [stichting] " (blz. 930 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Resumé

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, te weten dat:

(…)

 […] zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 voor € 50 in heeft laten vullen door/bij de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] een gift is opgenomen van € 3.000;

 […] € 300, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is ingediend;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] die bij de Belastingdienst is ingediend, is verzonden vanaf één van de computers van de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] een gift is opgenomen van €1.000;

 […] € 100, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De kwitantie op naam van […] met nummer [xxx] gelet op de verklaring van [de penningmeester] vermoedelijk valselijk is opgemaakt;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is gedaan;

(…)"

2.8.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "onderzoek in administratie [stichting] " (blz. 747 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"In verband met dit onderzoek heeft op 13 december 2016 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de [stichting] , waarbij diverse administratie in beslag is genomen. Ik heb verhuisdoos 1 met boekingsnummer C.22.02.01 van object C van totaal 21 dozen nader onderzocht.

(…)

Resumé

 De [stichting] neemt niet alle door hun afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties naar aanleiding van contante stortingen op in het kasboek van de [stichting] .

 Meerdere malen wordt slechts het bedrag of een gedeelte van het bedrag wat vermeld staat op 1 donatieformulier of op het bewijs van donatie opgenomen in het kasboek van de [stichting] ;

 Uit onderstaande tabel is op te maken dat ongeveer 22% procent van de afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties verantwoord is in het kasboek van de [stichting] ;

 (…)"

2.9.

Het FIOD-rapport bevat een op 16 april 2015 bij de FIOD binnengekomen anonieme melding, met nummer 35.04946 (blz. 4180) met de volgende mededeling:

"Belastingfraude door […]. Het gaat om giften/donaties aan de [stichting] te [woonplaats] . De ontvangstbewijzen die ontvangen zijn van de [stichting] zijn meermalen vervalst en gebruikt voor meerdere personen om belastingteruggaaf aan te vrahen (lees: vragen, hof) (alsof zij deze giften/bedragen ook hebben betaald)"

2.10.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "Vergelijking opbrengst donaties Stichting [stichting] " (blz. 469 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Ontvangst Excelbestand en kwitanties [stichting]

(…)

De Belastingdienst heeft, onder andere over het jaar 2014, diverse kwitanties op naam van de Stichting [stichting] en een Excelbestand aan de FIOD ter beschikking gesteld.

(…)

Uit onderzoek in het Excelbestand is naar voren gekomen dat er op naam van de [stichting] in de periode 1 januari 2014 tot en met 6 januari 2014 in totaal 232 kwitanties zijn uitgeschreven, die een gezamenlijke waarde van € 564.820 vertegenwoordigen.

Vergelijking donaties 2014 met voorliggende Jaren

Ik heb het aantal boekingen, dat over de jaren 2008 tot en met 2013 in de periode 1 januari tot en met 6 januari in de administratie van de Stichting [stichting] is gedaan, vergeleken met het aantal kwitanties, dat in dezelfde periode in 2014 is uitgeschreven.

Ik zag daarbij dat het aantal boekingen in de administratie over de jaren 2008 tot en met 2013 sterk afwijkt van het aantal kwitanties, dat in 2014 is uitgeschreven. Zie onderstaande tabel.

Jaar

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Data van de boekingen

1, 4 en 5 januari

5 en 6 januari

2, 3 en 5 januari

1, 3,4 en 5 januari

4 en 6 januari

1 t/m 6 januari

Aantal boekingen

7

5

3

13

6

0

232

Bedrag boekingen

€ 9.300

€ 5.450

€ 3.450

€ 13.900

€ 5.250

€ 0

€ 564.820"

2.11.1.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn diverse telefoons in beslag genomen. Het FIOD-rapport (blz. 34) vermeldt hierover, onder meer:

"In diverse telefoons die bij de doorzoeking van de woning van [de penningmeester] in beslag werden genomen zijn tekstberichten aangetroffen waarin wordt gesproken over het aankopen van kwitanties en het percentage wat daarvoor moet worden betaald. Ook zijn er berichten aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat anderen de kwitanties namens belastingplichtigen aankopen."

2.11.2.

Het FIOD-rapport bevat (de vertaling van) de tekstberichten die op de in beslag genomen telefoons zijn gevonden. Het FIOD-rapport bevat onder meer een vertaling van de volgende sms-berichten (blz. 4259, 4261 en 4262):

"*

Folder

Party

Time

(…)

(…)

Message

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

32

Inbox

From

[…]

20-3-2014

21:34:43(…)

Read

Hallo […] Je zou een bon opstellen voor […]. Ik heb de datums genoteerd van de gelden die ik van de bank heb opgenomen. Zou je het na vrijdag kunnen regelen als ik morgen even langskom?

7500 opname op 11.10.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 29.09.2013

2000 opname op 18.12.2013

1000 opname op 17.06.2013

1000 opname op 16.07.2013

1000 opname op 25.07.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 02.10.2013

(…)

33

Sent

To

[...]

20-3-2014

21:35:48 (…)

Sent

Hallo broer, is goed. Ik heb het gereed. Zou je mij je adres en het totaalbedrag van wat je wilt willen doorgeven?

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

54

Inbox

From

[...]

4-7-2014

22:26:10 (…)

Read

Hallo meneer

24-03-2013 800 euro

23-04-2013 1000 euro

10-06-2013 700 euro

(…)

55

Sent

To

[...]

4-7-2014

22.:27:19

Sent

Hallo hoca, Dankjewel. U kunt het morgenavond op komen halen. Gegroet

(…)"

2.12.

Het FIOD-rapport bevat een "TCI proces-verbaal" van het Team Criminele Inlichtingen (blz. 504 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, onder meer:

"Bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD is in de maand maart 2016 via één informant de navolgende Informatie binnengekomen:

'De leiding van de [ [stichting] ] is op de hoogte van de belastingfraude door middel van de verkoop van valse giftenkwitanties op haar naam. Vals opgemaakte stukken worden ondertekend en gestempeld door […]. Nu de [stichting] geen ANBI meer is, worden andere stichtingen gebruikt voor deze fraude"

2.13.1.

Het FIOD-rapport bevat een handgeschreven kasadministratie, aangeduid als DOC‑480 (blz. 3614 e.v.). Dit kasboek bevat de contante inkomsten en uitgaven van de [stichting] in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Het FIOD-rapport bevat voorts een overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties voor het jaar 2013, aangeduid als DOC-433 (blz. 3399 e.v.).

2.13.2.

De penningmeester heeft over voormelde administratie en voormeld overzicht onder meer verklaard:

a. FIOD-rapport, blz. 1518-1526:

"Ik had zelf een administratie ontwikkeld in excel. Pas toen wij een ANBI controle kregen zijn wij de administratie gaan ontwikkelen. In 2012 als er dan iemand kwam voor een of meerdere kwitanties dan werd deze door mij uitgeschreven en schriftelijk geboekt in een doorschrijf kasboek. Ik boekte dan het bedrag dat wij daadwerkelijk ontvingen. Dus voor een kwitantie van € 1.000 boekte ik een ontvangst van € 100. (…) Later werd door mij het daadwerkelijke bedrag op de kwitantie geboekt. Ik maakte hiervoor een excel bestand aan dat op de computer stond van de [stichting] in dit bestand zette ik het bedrag van de kwitantie, zodat ik kon bijhouden wat er gebeurd was voor als de mensen kwamen voor onder andere donatieverklaringen. (…)"

b. FIOD-rapport, blz. 1535:

"Opmerking verbalisanten:

Wij tonen u een Excel bestand welke is gerelateerd aan donatiekwitanties die door de [stichting] aan derden zijn verstrekt. In het Excel bestand zijn de kwitantienummers, datum van afgifte, naam donateur en het gedoneerde bedrag opgenomen. (Het Excelbestand wordt onder DOC-511 opgenomen in het dossier)

Vraag verbalisanten: Kunt u aan de hand van dit overzicht aangeven of de geldbedragen vermeld op de bijbehorende kwitanties, in combinatie met de vermelde persoonsnamen, daadwerkelijk zijn gedoneerd aan de [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

"Van de lijsten die u mij nu laat zien met de namen en bedragen kan ik zeggen, dat niemand hierop deze lijst dat bedragen echt daadwerkelijk aan de [stichting] betaald heeft zij hebben van deze bedragen slechts 10% of 12% betaald zoals ik eerder heb verklaard. Ik heb al eerder gezegd dat er slechts een handjevol mensen is die daadwerkelijk het volledige bedrag heeft betaald maar dat betreffen bedragen van maximaal 300 of 400 euro. Als er in het kasboek kleine bedragen opgenomen zijn en daar staan soms geen kwitanties tegenover, dan is dat omdat deze mensen dit ook niet in aftrek wilden nemen bij de belastingdienst."

c. FIOD-rapport, blz. 1557:

"Vraag verbalisanten: Op 6 januari 2014 is de ANBI status van de [stichting] ingetrokken. Er zijn meerdere kwitanties aangetroffen die zijn voorzien van een datum gelegen in de periode 1 tot en met 6 januari 2014. Zijn al deze kwitanties valselijk opgemaakt?

Antwoord gehoorde:

"Niet allemaal, er zijn ook donaties die echt zijn gedaan. Ik kan mij nu niet herinneren wie dat zijn geweest. Ik heb het dan over de kwitanties vanaf 2012 die onder de € 500 zijn, alles wat daarboven is, is vals. Dit geld voor alle kwitanties die u heeft aangetroffen. Jullie kunnen uit de kasboeken uitvissen welke bedragen echt zijn gedoneerd. Dat boek klopt namelijk wel."

2.13.3.

Het FIOD-rapport vermeldt onder meer nog het volgende over de administratie bij de [stichting] (blz. 33):

"Naast de vermoedelijk achteraf opgestelde donatieoverzichten zijn over de periode

(…) december 2013 tot en met december 2016 handgeschreven kasboeken bijgehouden. Het vermoeden bestaat dat in dat kasboek de juiste bedragen zijn vermeld. De gegevens van dit kasboek zijn ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek in een Excel-bestand verwerkt en digitaal bij het dossier gevoegd. In deze kasboeken staan inkomsten en uitgaven vermeld.

(…) Bij onderzoek van de inkomsten die zijn vermeld in de kasboeken is vastgesteld dat over de periode december 2013 tot en met december 2016 totaal 1.192 mutaties zijn opgenomen met de omschrijving 'donatie'. Het totaalbedrag van deze 1.192 donaties is € 489.087,70. Het is opvallend dat het grootste deel van deze donaties kleiner is dan € 500."

2.13.4.

Het FIOD-rapport vermeldt onder meer het volgende over sponsoring en facturen (dossiernummer 57425, documentcode 1-ZPV-01, blz. 35):

"3.2.2. Sponsoring en facturen

In de loop van het onderzoek is vastgesteld dat naast de valse bescheiden voor giften en donaties aan [stichting] ook sprake is van vermoedelijk valse bescheiden die voor ondernemers zijn opgemaakt voor sponsoring en advertenties. De betalingen die door de ondernemers zijn verricht zijn door [stichting] en/of (…) voor het grootste deel terugbetaald.

De sponsoring betreft meerdere vermoedelijk valse sponsorkwitanties en sponsorovereenkomsten die zijn aangetroffen in de bij [stichting] inbeslaggenomen administratie. In deze inbeslaggenomen administratie zijn notities aangetroffen waarin terugbetalingen zijn beschreven van sponsorbijdragen. Tevens is vanuit het kasboek een overzicht samengesteld van de daarin vermelde inkomsten en uitgaven betreffende sponsoring.

In de administratie van [stichting] zijn tien kwitantieboekjes aangetroffen met de opdruk ‘ [stichting] ’ en ‘sponsoring’. De kwitanties waren genummerd van 1 tot en met 500. De kwitantieboekjes waren voor een deel ingevuld. De ingevulde kwitanties waren niet opvolgend ingevuld maar verdeeld over de tien boekjes. Tussen de ingevulde kwitanties zaten kartonnen kaartjes, kennelijk bedoeld om de volgorde van de kwitanties bij het invullen te kunnen bijhouden. Het totale bedrag van de kwitanties bedroeg € 559.770."

2.13.5.

Over de sponsorovereenkomsten heeft de penningmeester het volgende verklaard (dossiernummer 57425, documentcode V-003-06, blz. 57):

"De sponsorovereenkomsten zijn eigenlijk hetzelfde gegaan als met die kwitanties. Toen de ANBIstatus niet meer voor de [stichting] gold had de boekhouder meneer (…) dacht ik aan mijn (…) verteld, dat het voor de bedrijven wel door kon gaan maar dan in de vorm van die sponsorovereenkomsten. Ik weet niet precies hoe dat allemaal in zijn werk ging. (…) De sponsorovereenkomsten zijn dus begonnen nadat de ANBIstatus van de [stichting] was ingetrokken. Dus mijn (…) had dit onder andere van de boekhouder (…) gehoord en toen heeft mijn (…) mij gezegd dat ik het moest uitzoeken hoe dit allemaal kon gebeuren en heeft mijn (…) opdracht gegeven om deze sponsorovereenkomsten te maken. Mijn (…) heeft bepaald dat deze bedrijven 12 procent van het sponsorbedrag moesten betalen, maar er waren een aantal bedrijven die korting kregen en dus 10 procent moesten betalen. Het overgrote deel van de bedrijven betaalden maar een percentage en er waren maar enkele bedrijven die het volledige bedrag van de sponsoring hebben betaald. De meeste bedrijven betaalden via de bank."

2.13.6.

Voorts heeft de penningmeester over de sponsorovereenkomsten nog het volgende verklaard (dossiernummer 57425, documentcode 1-ZPV-01, blz. 62):

"Als ik dit zo bekijk dan betekent dit dat hij de sponsorcontracten van 2015 en 2016 in één keer heeft betaald tegen een percentage van 10 procent. Ik kan het mij niet herinneren, maar als ik dit zo zie dan leid ik er uit af dat het zo is gegaan. Dat kruis staat waarschijnlijk op deze kwitanties omdat het op deze wijze is gegaan zoals ik net heb gezegd, omdat deze dus niet verder verwerkt moest worden en heb ik bewaard totdat hij het geld had betaald. Ik geef pas de originele kwitantie af als ze via de bank betaald hebben en het geld komen terughalen en dan wordt het contract pas getekend. En als het contant betaald wordt krijgen de mensen het contract en de getekende kwitanties, nadat ze contant betaald hebben. De mensen komen het geld altijd op [stichting] halen wij gaan het nooit brengen. De data die op deze contracten zijn vermeld dat ze zijn opgemaakt zijn niet de data waarop deze contracten zijn getekend zijn fictief."

2.14.

In eerste aanleg heeft de Inspecteur drie (geanonimiseerde) verslagen van hoorgesprekken met belastingplichtigen overgelegd (bijlage 49). De verslagen bevatten verklaringen van de belastingplichtigen over (hun deelname aan) de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.14.1.

Het "verslag van het horen op vrijdag 13 juni [juli; Hof] 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

4. (…) Hij vertelt dat hij één keer per week naar toespraken op de [stichting] ging. Na afloop van de toespraak werd aan de toehoorders vertelt dat zij de [stichting] konden helpen. In ruil voor deze donaties werd er een hoger bedrag op de kwitantie geschreven. Wanneer er een bedrag van € 300 werd betaald, werd er op de kwitantie € 3.000 vermeld. (…)"

2.14.2.

Het "verslag van het horen op donderdag 9 augustus 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

3. Voor de aankoop van zijn woning is hij in contact gekomen met Advieskantoor […] via iemand genaamd […] (…) Ze waren behulpzaam en gaven goede adviezen. De heer […] hielp hem met zijn hypotheek en […] hielp hem met het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2013. Bij het indienen van de aangifte kreeg hij van […] het advies om te doneren aan de [stichting] .

De [belastingplichtige] deelde hen mee dat hij daarvoor geen financiële middelen had. […] deelde hem daarop mee dat het ook anders kon, namelijk eerst het bedrag in aftrek brengen in de aangifte, afhankelijk van de teruggaaf zou dan een bedrag aan de [stichting] worden gedoneerd. De kwitantie hiervoor zou dan achteraf geregeld worden (…)."

2.15.

Bij het verweerschrift in eerste aanleg heeft de Inspecteur bladzijden 3757 en 3676 van het FIOD-rapport gevoegd (bijlagen 59 en 60). De bladzijden betreffen de onder 2.13.1 genoemde handgeschreven kasadministratie. Dit overzicht vermeldt door de [stichting] ontvangen bedragen van € 1.530 op 16 december 2013 en € 330 op 10 januari 2015 van de eenmanszaak van belanghebbende.

2.16.

Voorts heeft de Inspecteur bij het verweerschrift in eerste aanleg bladzijden 3427, 3410 en 3446 van het FIOD-rapport gevoegd (bijlage 58). Deze bladzijden betreffen een deel van het onder 2.13.1 genoemde overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties (DOC-433) in het jaar 2013. Dit overzicht vermeldt een bedrag van € 9.000 op 5 april 2013, een bedrag van € 4.000 op 19 juli 2013 en een bedrag van € 4.000 op 16 december 2013. De kwitanties zijn op naam gesteld van de eenmanszaak van belanghebbende.

2.17.

Bij het verweerschrift in eerste aanleg heeft de Inspecteur verder bladzijde 942 van het FIOD-rapport gevoegd (bijlage 60, documentcode AMB-130). Dit overzicht vermeldt de bedragen van de sponsorovereenkomsten van de [stichting] over de jaren 2014, 2015 en 2016. In dit overzicht is voor het jaar 2015 de eenmanszaak van belanghebbende opgenomen voor een bedrag van € 11.000. Het daarachter gevoegde overzicht, aangeduid met DOC-490, vermeldt dat de sponsorovereenkomst voor voornoemd bedrag van € 11.000 op 28 december 2015 door de [stichting] is aangegaan met de eenmanszaak van belanghebbende met kwitantienummer 498. Het overzicht dat is opgenomen in DOC-482 (eveneens bijlage 60) vermeldt een teruggaaf aan de eenmanszaak van € 9.900 op 7 januari 2016.

Jaar 2012

2.18.1.

Bij brief van 7 februari 2017 heeft belanghebbende, na een informatieverzoek d.d. 15 december 2016 van de Inspecteur voor het jaar 2012, ten aanzien van de in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 opgenomen giften vijf kwitanties van de [stichting] verstrekt:

nummer dagtekening naam bedrag

000115 7 februari 2012 [belanghebbende] € 2.500

000878 30 april 2012 [belanghebbende] € 2.500

001202 8 juni 2012 [belanghebbende] € 2.500

001455 5 september 2012 [belanghebbende] € 5.000

002394 8 december 2012 [belanghebbende] € 2.500

Op alle kwitanties staat als adres [adres 3] te [woonplaats] vermeld.

Jaar 2013

2.18.2.

Bij brief van 7 februari 2017 heeft belanghebbende, na een informatieverzoek d.d. 15 december 2016 van de Inspecteur voor het jaar 2013, ten aanzien van de in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 opgenomen giften drie kwitanties van de [stichting] verstrekt:

nummer dagtekening naam bedrag

000475 5 april 2013 [A] € 9.000

001565 19 juli 2013 [A] € 4.000

002469 16 december 2013 [A] € 4.000

Alle kwitanties staan op naam van de eenmanszaak en vermelden als adres [adres 3] te [woonplaats] . Verder heeft belanghebbende bij diezelfde brief een grootboekkaart van de eenmanszaak overgelegd waarop een totaalbedrag van € 1.792 aan giften aan overige instellingen in 2013 is verantwoord.

Jaren 2011 en 2012

2.19.1.

Bij brieven van 2 oktober 2017 (2012) en 15 november 2017 (2011) heeft de Inspecteur aan belanghebbende te kennen gegeven dat hij voor de jaren 2011 en 2012 navorderingsaanslagen zal opleggen waarbij de giftenaftrek wordt gecorrigeerd. Verder heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen als bedoeld in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De hoogte van de boete is voor het jaar 2011 vastgesteld op 50% van de nagevorderde belasting en voor het jaar 2012 op 75% van de nagevorderde belasting.

2.19.2.

Met dagtekening 27 januari 2018 (2011) en 25 november 2017 (2012) zijn de navorderingsaanslagen 2011 en 2012 opgelegd met vergrijpboetes van respectievelijk 50% en 75% en berekening van heffingsrente respectievelijk belastingrente.

Jaar 2013

2.20.1.

Bij brief van 2 oktober 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende te kennen gegeven dat hij voornemens is af te wijken van de door belanghebbende ingediende aangifte voor het jaar 2013 ten aanzien van de door belanghebbende in aftrek gebrachte giften en dat hij voornemens is een vergrijpboete van 75% op te leggen.

2.20.2.

Met dagtekening 29 november 2017 is de aanslag voor het jaar 2013 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 101.270. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van 75% en belastingrente berekend.

Alle jaren

2.21.1.

Na het tegen de navorderingsaanslagen 2011 en 2012 en de aanslag 2013 gemaakte bezwaar zijn door belanghebbende na het hoorgesprek, per e-mailbericht van 22 november 2018, nog stukken betreffende de volgende sponsoringsbedragen ingezonden:

dagtekening onderwerp gesponsorde bedrag

15 oktober 2012 Sponsoring seizoen 2012/2013 [B] € 8.500

15 februari 2018 Sponsoring [C] Vereniging [C] € 1.500

2.21.2.

Voorts zijn van de zijde van belanghebbende bij datzelfde e-mailbericht bankafschriften ingezonden waaruit de navolgende bankoverschrijvingen blijken:

datum omschrijving rekening bedrag

16 oktober 2012 [B] (…) Ondernemersrekening € 8.500

Sponsoring

23 november 2015 Stichting [D] (…) Ondernemersrekening € 4.000

Sponsoring (…)

30 juni 2017 [E] (…) [A] BV € 2.000

Goede doel

17 februari 2018 Vereniging [F] Ondernemersrekening € 1.500

Sponsoring

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"Giftenaftrek

12. Ingevolge artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Ingevolge artikel 6.33, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6:33, eerste lid, onder b in samenhang met artikel 6:35 van de Wet IB dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

Niet in geschil is dat ten tijde van de gestelde giften de [stichting] de ANBI-status had en dat de omstandigheid dat die ANBI-status op 6 januari 2014 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is ingetrokken, op zichzelf niet aan de giftenaftrek in de weg staat.

13. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op [belanghebbende]. Bij contante giften moet een belastingplichtige met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. [Belanghebbende] wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] die worden bevestigd door verklaringen van diverse anderen die hebben erkend gebruik te hebben gemaakt van kwitanties waarvoor zij slechts circa 10% van het daarop vermelde bedrag hebben betaald, kan aan de kwitanties niet de bewijskracht worden toegekend die [belanghebbende] eraan verleent. Nu [belanghebbende] geen andere bewijsstukken - behoudens niet aan de giften te relateren bankafschriften van geldopnames en grootboekkaarten - heeft overgelegd, is hij niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan. Gelet op al het vorenstaande heeft [de Inspecteur] op goede gronden de giften gecorrigeerd. De navorderingsaanslagen en de aanslag zijn terecht opgelegd.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

14. [Belanghebbende] heeft gesteld dat het FIOD-onderzoek volstrekt ondeugdelijk is geweest en [de Inspecteur] door het gebruik daarvan - zo begrijpt de rechtbank - het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. [Belanghebbende] heeft echter onvoldoende onderbouwd waarom het onderzoek ondeugdelijk is geweest. Er is financieel onderzoek gedaan en er zijn diverse verdachten en getuigen gehoord. Daarbij zijn onregelmatigheden geconstateerd bij het verstrekken van giften aan de [stichting] . Dat verdergaand onderzoek of onderzoek in een andere richting geboden was, zoals [belanghebbende] heeft betoogd, doet wat daar verder ook van zij aan de constateringen niet af. [De Inspecteur] heeft de bevindingen van het onderzoek daarom terecht gebruikt voor het stellen van nadere vragen in het kader van de heffing van inkomstenbelasting. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is daarom geen sprake.

15. [Belanghebbende] heeft geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de (navorderings)aanslagen en de bestreden besluiten in strijd zijn genomen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In zowel de aankondiging van de (navorderings)aanslagen en de uitspraken op bezwaar heeft [de Inspecteur] zijn beslissing onderbouwd met bevindingen uit het FIOD-onderzoek. Daarmee heeft hij voldaan aan het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Rentebeschikking

16. Niet is gebleken dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

Vergrijpboetes

17. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan [de Inspecteur] een boete opleggen van ten hoogste 100 percent indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

18. Op [de Inspecteur] rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [belanghebbende] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangifte afgetrokken giften en dat de aanslag daardoor tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van [belanghebbende] baseert [de Inspecteur] zich onder meer op de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [stichting] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. [De Inspecteur] wijst in dit verband ook op het Excel bestand en de kasadministratie (op de naam van [A] ).

19. Op zichzelf mag [de Inspecteur] gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de [stichting] . Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de [stichting] zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen en dus ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van onjuiste kwitanties en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Zoals [belanghebbende] terecht heeft aangevoerd, kan niet worden uitgesloten dat de penningmeester een deel van de bedragen die door donateurs werden geschonken en waarvoor kwitanties zijn uitgereikt, in eigen zak heeft gestoken. Onder die omstandigheden zou het accepteren van de bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op [belanghebbende] komt te rusten. Dat sommige kwitanties zijn gesteld op naam van [A] , de onderneming van [belanghebbende], doet aan het vorenstaande niet af.

Dat [A] voorkomt in het kasboek met datum 16 december 2013 met een bedrag van € 1.530 acht de rechtbank in dit geval ook geen toereikend aanvullend bewijs voor de onderbouwing van de boete voor 2013. Immers de stelling van [de Inspecteur] dat het fraudepatroon er (mede) uit bestaat dat een bedrag corresponderend met 10%-12% van de uiteindelijke kwitantie in 2014 samenhangt met het bedrag waarvoor in 2013 in de aangifte om giftenaftrek wordt gevraagd gaat hier niet op. De betaling is immers in 2013 gedaan en onduidelijk is dan voor welk jaar dat tot onderbouwing van de boete zou moeten dienen gelet op de door [de Inspecteur] beschreven gangbare werkwijze. De rechtbank acht het in ieder geval onvoldoende om - zoals [de Inspecteur] voorstaat, € 1.530 is 9% van de gift van € 17.000) - als onderbouwing van de boete voor 2013 te beschouwen.

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1)."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of:

(i) de navorderingsaanslagen 2011 en 2012 terecht zijn opgelegd en of voor die jaren terecht vergrijpboetes zijn opgelegd;

(ii) bij het vaststellen van de aanslag 2013 de giftenaftrek terecht is gecorrigeerd en terecht een vergrijpboete is opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

De Inspecteur concludeert in zijn principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank ten aanzien van de vergrijpboetes, de proceskosten en het griffierecht en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

4.3.

Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het principaal hoger beroep. In het incidenteel hoger beroep concludeert belanghebbende tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen 2011 en 2012, vermindering van de aanslag 2013 tot een naar een belastbaar inkomen van € 91.143, vernietiging van de vergrijpboetes en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

Beoordeling van het (incidenteel) hoger beroep

FIOD-onderzoek

5.1.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de (navorderings)aanslagen zijn opgelegd op basis van een ondeugdelijk FIOD-onderzoek, waarbij de in het proces-verbaal van dat onderzoek opgenomen conclusies en bevindingen niet kunnen worden gedragen door de feiten. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat nu het proces-verbaal van het FIOD-onderzoek is geanonimiseerd daaruit geen (ontlastende dan wel belastende) conclusies zijn te trekken.

5.1.2.

Het Hof ziet geen aanleiding het proces-verbaal van het FIOD-onderzoek buiten beschouwing te laten. De vraagtekens die belanghebbende stelt bij bepaalde onderdelen van het rapport zijn, mede gelet op hetgeen de Inspecteur daartegenover heeft gesteld, onvoldoende om te concluderen dat de uitkomsten daarvan, in het bijzonder die met betrekking tot de kwitanties, de handgeschreven kasadministratie, het overzicht van uitgegeven kwitanties en de verklaringen van de penningmeester over de gang van zaken met betrekking tot de kwitanties, niet in aanmerking genomen moeten worden. Uit de gedingstukken blijkt dat er aanvankelijk geen administratie aan de controlerend ambtenaar ten behoeve van het onderzoek naar de ANBI-status van de [stichting] , kon worden aangeleverd. Door een aantal vrijwilligers is achteraf aan de hand van de uitgegeven kwitanties een administratie opgemaakt. Deze administratie was niet compleet. Dit brengt mee dat aan deze administratie geen waarde kan worden gehecht en geen cijfermatige conclusies kunnen worden verbonden. De verklaringen van de penningmeester vinden bevestiging in hetgeen al eerder in het FIOD-onderzoek naar voren was gekomen, komen overeen met de bevindingen uit de eerdere onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] (zie onder 2.6.) en worden tevens ondersteund door verklaringen van derden.

Giftenaftrek

5.2.1.

Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet Inkomstenbelasting 2001). In geval van betwisting door de inspecteur, zoals hier het geval is, rust op belanghebbende de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.

5.2.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij in de jaren 2011, 2012 en 2013 giften in contanten heeft gedaan aan de [stichting] voor bedragen van in totaal € 8.000, € 15.000 en € 17.000. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 vijf respectievelijk drie kwitanties overgelegd.

5.2.3.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de giftenaftrek voor 2011 geen bewijs is overgelegd en reeds daarom niet kan worden geaccepteerd. Voor de jaren 2012 en 2013 heeft hij gesteld dat de overgelegde giftkwitanties van de [stichting] niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften. Hij wijst daarbij op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] . Uit dat onderzoek volgt dat op grote schaal giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Uit verklaringen van de penningmeester welke worden bevestigd door verklaringen van diverse andere belastingplichtigen en de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek, volgt dat (veelal) geen bedragen zijn gedoneerd van € 500 of hoger.

5.2.4.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de Inspecteur in beroep en hoger beroep onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] :

  • -

    de vaststelling van een controlemedewerker dat namens de [stichting] in het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties zijn uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie zijn verantwoord;

  • -

    dat in het jaar 2013 in de jaarstukken van de [stichting] € 88.564 aan donaties is verantwoord, terwijl in de diverse aangiften over dat jaar in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] is aangegeven;

  • -

    de verklaringen van verdachten dat giftkwitanties voor een bepaald percentage van het giftbedrag werden gekocht/verkocht van de [stichting] ;

  • -

    dat uit de inbeslaggenomen administratie van de [stichting] volgt dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek;

  • -

    een anonieme tip aan de FIOD dat de kwitanties zijn vervalst en gebruikt door meerdere personen om een belastingteruggaaf te bewerkstelligen;

  • -

    dat na het intrekken van de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014, dat op 19 december 2013 was aangekondigd, in de periode van 1 januari tot 6 januari 2014 een opvallend groter aantal kwitanties is geboekt dan in voorgaande jaren;

  • -

    de whatsapp- en sms-berichten en de verklaringen van onder andere de penningmeester van de [stichting] waaruit volgt dat een levendige handel in giftkwitanties bestond en dat uit die berichten volgt dat de data op de kwitanties worden afgestemd op de data van willekeurige pinopnamen;

  • -

    de verklaring van een informant aan het Team Criminele Inlichtingen waaruit volgt dat de leiding van de [stichting] op de hoogte is van de belastingfraude door middel van de giftkwitanties en meewerkt aan de uitgifte daarvan;

  • -

    de verklaring van de penningmeester van de [stichting] dat slechts een handvol mensen het volledige vermelde bedrag op de giftkwitanties hebben betaald maar dat die bedragen maximaal € 300 of € 400 betreffen;

  • -

    de verklaringen van diverse personen aan de FIOD en de Belastingdienst die de handel in kwitanties hebben bevestigd;

  • -

    een overzicht van uitgeschreven kwitanties voor 2013 waarvan de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeenkomen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen;

  • -

    een doorlopend handgeschreven kasboek waarin de werkelijk ontvangen bedragen werden opgenomen; de werkelijk ontvangen bedragen (donaties) bedroegen veelal 10% tot 12% van de uitgegeven kwitanties;

  • -

    dat de Belastingdienst bij 2.040 belastingplichtigen navorderingsaanslagen heeft opgelegd dan wel correcties heeft aangebracht bij het opleggen van de aanslagen en indien mogelijk een vergrijpboete. Van deze 2.040 gevallen zijn ongeveer 450 belastingplichtigen in bezwaar gegaan en 150 in beroep;

  • -

    dat bij belastingplichtigen van wie aanslagen zijn gecorrigeerd of bij wie is nagevorderd doorgaans een giftenaftrek van minimaal € 500 in de aangifte is opgenomen.

5.3.1.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2011 giften aan de [stichting] heeft gedaan nu hij in het geheel geen bewijs van de giften heeft overgelegd. Met betrekking tot de jaren 2012 en 2013 overweegt het Hof het volgende. Uit hetgeen de Inspecteur onder 5.2.4 heeft aangevoerd volgt dat op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de kwitanties van de [stichting] niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Het is aan belanghebbende aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.

5.3.2.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat het doen van giften structureel aan de orde is en heeft ter ondersteuning daarvan in zijn reactie op het hoorverslag een aantal stukken aan de Inspecteur verstrekt. Deze stukken hebben echter betrekking op sponsorcontracten op naam van de eenmanszaak en de BV in de jaren 2012, 2015, 2017 en 2018. Met deze stukken heeft belanghebbende het aanvullende bewijs voor de gestelde giften aan de [stichting] dan ook niet geleverd.

5.3.3.

Nu belanghebbende geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de [stichting] , acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende in 2012 en 2013 giften aan de [stichting] heeft gedaan. Dit brengt mee dat de overige giften voor het jaar 2012 evenmin in aftrek komen nu deze de drempel niet overstijgen. De overige in het jaar 2013 opgevoerde giften komen ook niet voor aftrek in aanmerking, nu de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat een gedeelte van die overige giften is gedaan aan instellingen die niet als ANBI zijn aan te merken en het dan nog resterende bedrag de drempel evenmin overstijgt.

5.3.4.

De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling 2013 terecht geen giften in aftrek toegestaan en de navorderingsaanslagen 2011 en 2012 terecht opgelegd.

5.4.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in strijd heeft gehandeld met de zogenoemde Instructie afdoening giftenaftrek (Werkinstructie) en het Memorandum Giftenaftrek (Memorandum). Gezien de bewoordingen van de Werkinstructie ziet deze, anders dan belanghebbende kennelijk meent, op de aanslagregeling en niet op de vraag wanneer en in welke gevallen tot navordering zal worden overgegaan. Uit het Memorandum blijkt niet dat niet tot navordering zal worden overgegaan in de gevallen waarin kwitanties zijn overgelegd. In het onderhavige geval zijn de uitkomsten van het FIOD-onderzoek aanleiding geweest om tot navordering over te gaan, aangezien die uitkomsten voor de Inspecteur het nieuwe feit opleverden. De Werkinstructie en het Memorandum doen daaraan niet af. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende instructies. De door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om te oordelen dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Beschikkingen heffingsrente en belastingrente

6.1.

Tegen de beschikkingen heffingsrente en belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrente en belastingrente ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening zijn gebracht.

Vergrijpboetes

7.1.1.

De Inspecteur kan op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een boete opleggen van ten hoogste 100% indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast hiervan rust op de Inspecteur.

7.1.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. De belanghebbende moet wel een redelijke mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren en het gebruik van vermoedens mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat de inspecteur bij het bewijzen van de opzet of grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. HR 18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet de uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272).

7.2.

Aangezien de Inspecteur primair heeft gesteld dat sprake is van opzet en subsidiair dat sprake is van grove schuld, rust op de Inspecteur de bewijslast aannemelijk te maken primair dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangiften zich ervan bewust is geweest dat (een aanmerkelijke kans bestond dat) de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren en subsidiair dat belanghebbende zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem kan worden verweten dat de aangiften op het punt van de giftenaftrek onjuist waren.

7.3.

Naast de in 5.2.4 aangevoerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] , heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbendes betrokkenheid bij voormelde handel in giftkwitanties het volgende aangevoerd:

- Belanghebbende komt voor in het overzicht van uitgeschreven kwitanties (DOC-433). De gegevens die in dit document zijn opgenomen komen niet overeen met de daadwerkelijk door [stichting] ontvangen bedragen. Dit overzicht is achteraf door de [stichting] opgesteld;

- De naam van de eenmanszaak komt op 16 december 2013 voor in het handgeschreven kasboek voor een bedrag van € 1.530. Dit betreft dezelfde datum als de dagtekening van de laatste kwitantie van 2013. De omschrijving in het kasboek vermeldt een donatie 2013. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende € 1.530 betaald voor de in 2013 opgevoerde giften van in totaal € 17.000 aan de [stichting] en komt dit overeen met de frauduleuze handelwijze die is beschreven door de FIOD nu dit 9% bedraagt van het in de aangifte opgevoerde bedrag;

- Uit de grootboekkaart van de eenmanszaak voor het jaar 2013 blijkt het bestaan van de giften aan de [stichting] niet. Evenmin is gebleken dat er privé-onttrekkingen hebben plaatsgevonden om de giften te voldoen;

- Belanghebbende heeft na het indienen van de aangifte IB/PVV 2014 alsnog verzocht rekening te houden met giften aan de [stichting] voor een bedrag van € 11.500. Hij heeft hiertoe drie kwitanties op naam van de eenmanszaak overgelegd met bedragen van € 6.500 op 17 december 2014, € 2.000 op 18 december 2014 en € 3.000 op 31 december 2014. De [stichting] heeft sinds 6 januari 2014 geen ANBI-status meer. De grootboekkaart van de eenmanszaak over het jaar 2014 vermeldt geen giften aan de [stichting] . Volgens de Inspecteur blijkt hieruit dat belanghebbende kwitanties van de [stichting] heeft overgelegd om een belastingvoordeel te verkrijgen terwijl geen gift aan de [stichting] is gedaan;

- Volgens het proces-verbaal van de FIOD heeft de eenmanszaak voor 2015 een sponsorcontract met de [stichting] afgesloten van € 11.000. Uit de handgeschreven kasadministratie volgt dat op 7 januari 2016 een bedrag van € 9.900 aan de eenmanszaak contant is terugbetaald. De feitelijke betaling bedraagt derhalve € 1.100, precies 10% van het bedrag van de kwitantie. Dit komt overeen met de frauduleuze handelwijze die is beschreven door de FIOD en die volgt uit verklaringen van de penningmeester van de [stichting] .

7.4.1.

Uit hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd volgt een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Voorts volgt daaruit dat de valse giftkwitanties door de belastingplichtigen werden gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de betreffende giftkwitantie.

7.4.2.

Uit het onderzoek van de FIOD volgt dat de handgeschreven kasboeken van de [stichting] in totaal 1.192 donaties vermelden met een totaalbedrag van € 489.087,70 in de periode december 2013 tot en met december 2016. Hierbij is het bedrag van het grootste deel van de donaties lager dan € 500. Gelet op i) voormelde handelwijze waarbij de valse giftkwitanties veelal werden verhandeld voor 10%-12% van daarop vermelde bedragen en ii) de verklaringen van getuigen en belastingplichtigen waaruit blijkt dat veelal een paar honderd euro is betaald voor de giftkwitanties, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het handgeschreven kasboek de juiste gegevens vermeldt.

7.5.1.

De naam van de eenmanszaak komt in het handgeschreven kasboek voor onder vermelding van een donatie 2013 van € 1.530 op 16 december 2013. Op diezelfde dag is een kwitantie uitgeschreven voor belanghebbende. Het bedrag, zoals opgenomen in het handgeschreven kasboek, bedraagt precies 9% van de in 2013 in aftrek gebrachte giften aan de [stichting] . Dit komt, mede gelet op de onweersproken stelling van de Inspecteur dat onderhandeling over het percentage mogelijk was, overeen met de handelwijze die volgt uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse kwitanties van de [stichting] .

7.5.2.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de omstandigheid dat voor het jaar 2015 op naam van de eenmanszaak van belanghebbende voor een bedrag van € 11.000 een sponsorovereenkomst met de [stichting] is gesloten waarvan blijkens handgeschreven notities op 7 januari 2016 een bedrag van € 9.900 aan de eenmanszaak is terugbetaald, hetgeen eveneens overeenkomt met de handelwijze van de [stichting] die volgt uit het strafrechtelijk onderzoek, is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] en hij zich er ten tijde van het doen van zijn aangiften IB/PVV 2012 en 2013 bewust van is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren.

7.6.

De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een bewijsvermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207).

7.7.

Belanghebbende betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van valse aangiften. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De giften aan de [stichting] heeft hij daadwerkelijk gedaan. Vanuit zijn geloofsovertuiging geeft hij jaarlijks veelal contante giften, ook aan instellingen en organisaties die geen ANBI-status hebben. De verklaringen van de penningmeester zijn niet betrouwbaar en dat geldt eveneens voor het handgeschreven kasboek van de [stichting] .

7.8.1.

Het Hof ziet geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de penningmeester over de handelwijze met betrekking tot de valse giftkwitanties. De verklaringen van de penningmeester zijn bevestigd door verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen die door de FIOD en de Inspecteur zijn gehoord. Daarnaast bevat het FIOD-rapport diverse onderzoeken van opsporingsambtenaren naar onder andere tekstberichten op in beslag genomen telefoons en de administratie van de [stichting] die voormelde handelwijze bevestigen.

7.8.2.

Het Hof ziet, anders dan belanghebbende, evenmin reden te twijfelen aan de in het handgeschreven kasboek vermelde data en bedragen. Die kasadministratie vormt een (administratieve) weergave van de handelwijze waarbij de giftkwitanties voor een bepaald percentage van de daarop vermelde bedragen werden verkocht. Verder volgt uit die kasadministratie en uit de verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen dat de kwitanties werden gekocht op een latere datum dan vermeld op de uitgeschreven kwitanties. De twee andere kwitanties voor 2013 vermelden een eerdere dagtekening dan 16 december 2013. Belanghebbende heeft bovendien onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat ten aanzien van de op hem betrekking hebbende bedragen en data van andere data of bedragen dan die vermeld in het kasboek moet worden uitgegaan.

7.8.3.

Dat het in het handgeschreven kasboek vermelde bedrag van € 1.530 minder bedraagt dan 10%, te weten 9% van de door belanghebbende in het jaar 2013 in aftrek gebrachte gift, maakt evenmin dat (redelijke) twijfel wordt gewekt aan het bewijsvermoeden dat belanghebbende in de jaren 2012 en 2013 gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] . Uit de verklaringen van getuigen volgt immers dat de giftkwitanties ook tegen andere percentages dan de veelal gebruikelijke 10-12% werden verhandeld.

7.9.

Gelet op hetgeen onder 7.7 tot en met 7.8.3 is overwogen heeft belanghebbende het bewijsvermoeden dat hij in 2012 en 2013 gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] niet ontzenuwd. Dit betekent dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangiften IB/PVV 2012 en IB/PVV 2013 zich ervan bewust is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren, zodat het opzet bewezen is. Wat betreft het jaar 2011 geldt dit eveneens aangezien belanghebbende voor dat jaar voor een aanzienlijk bedrag aan giften in aftrek heeft gebracht die hij niet met schriftelijke bescheiden kon staven.

De hoogte van de boetes

8.1.

De Inspecteur heeft de boete voor 2011 bepaald op 50% (opzet) en de boete voor 2012 en 2013 op 75%, te weten 50% vanwege opzet van belanghebbende verhoogd met 25% wegens strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB, tekst 2013). Ingevolge laatstvermelde bepaling is voor het in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning.

8.2.

De Inspecteur stelt dat het gebruik maken van falsificaties (de valse giftkwitanties) geldt als een strafverzwarende omstandigheid.

8.3.

Gelet op hetgeen onder 7.3 tot en met 7.9 is overwogen acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan het willens en wetens doen van onjuiste aangiften als gevolg waarvan de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld, waarna de onderhavige navorderingsaanslagen en de correctie bij de aanslagregeling zijn gevolgd. Gelet op de ernst van de gedragingen, in het bijzonder het gebruikmaken van valse giftkwitanties voor de jaren 2012 en 2013, acht het Hof de opgelegde boetes van 50% respectievelijk 75% van het nagevorderde dan wel gecorrigeerde bedrag passend en geboden.

Slotsom

9. De slotsom is dat het principaal hoger beroep gegrond is en het incidenteel hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

10. Er is geen aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikkingen, de proceskosten en het griffierecht, en

- bevestigt de uitspraken op bezwaar.

Deze uitspraak is vastgesteld door I. Obbink-Reijngoud, Chr.Th.P.M. Zandhuis en

R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op

19 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.