Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:79

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
BK-20/00359 en 20/00360
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:1907, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2012 en 2013 giften aan een instelling opgevoerd als aftrekpost. De Inspecteur heeft de giften na door belanghebbende verstrekte donatieverklaringen, giftkwitanties en bankafschriften in aftrek toegestaan. De Inspecteur heeft de aftrek teruggenomen met de opgelegde navorderingsaanslagen. Het Hof oordeelt dat belanghebbende met de giftkwitanties, de donatieverklaringen en de bankafschriften niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk giften heeft gedaan. Ten aanzien van de vergrijpboetes oordeelt het Hof dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften zich er van bewust is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren. De boetes van 75% zijn passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/750
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-20/00359 en BK-20/00360

Uitspraak van 19 januari 2021

in het geding tussen:

[X] , domicilie kiezende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] , […] en […] )

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 februari 2020, nummers SGR 19/4656 en SGR 19/4657.

Procesverloop

Jaar 2012 – BK-20/00359

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.546 (de navorderingsaanslag 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 320 belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 1.410.

1.1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag 2012 en de beschikkingen afgewezen.

Jaar 2013 – BK-20/00360

1.2.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.554 (de navorderingsaanslag 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 262 belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 1.428.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag 2013 en de beschikkingen afgewezen.

Beide jaren

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar in één geschrift beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van deze beroepen is eenmaal een griffierecht geheven van € 47. De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen voor zover deze zien op de boetebeschikkingen gegrond:

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze zien op de boetebeschikkingen;

- vermindert de boetes naar 50% van de boetegrondslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraken op bezwaar;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.311;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier eenmaal een griffierecht geheven van € 131. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft op 26 april 2020 het incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 oktober 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Jaar 2012

2.1.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2012 een gift van € 5.000 opgevoerd met de omschrijving “ [stichting] ” ( [stichting] ). Na aftrek van de drempel van € 492 resteerde een aftrekbare gift van € 4.508.

2.1.2.

De [stichting] stond in 2012 en 2013 geregistreerd als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI).

2.1.3.

Bij brief van 8 juli 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht nadere informatie over de in de aangifte opgenomen giften te verstrekken en hem een specificatie van het bedrag, de originele betalingsbewijzen en bankafschriften te doen toekomen.

2.1.4.

Belanghebbende heeft in reactie hierop een donatieverklaring en drie donatieformulieren/kwitanties verstrekt. Het betreft de volgende door de [stichting] uitgeschreven kwitanties: (1) met dagtekening 2 december 2012 voor een bedrag van € 1.000 in contanten met als reden van donatie “sadaqa”, (2) met dagtekening 12 december 2012 voor een bedrag van € 1.000 per bank met als reden van donatie “zakat” en (3) met dagtekening 28 december 2012 voor een bedrag van € 3.000 in contanten met als reden van donatie “sadaqa”. Bij brief van 4 augustus 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende herinnerd aan zijn verzoek om ook de bankafschriften toe te sturen. Aan dit verzoek heeft belanghebbende niet voldaan.

2.1.5.

De aanslag IB/PVV 2012 is met dagtekening 24 oktober 2014 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.546. Daarbij zijn de giften niet geaccepteerd.

2.1.6.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij (wederom) de donatieverklaring (in aangepaste vorm) en de kwitanties verstrekt en een toelichting gegeven op de aan de [stichting] gedoneerde bedragen. In de donatieverklaring is in afwijking van de onder 2.1.4 aangehaalde donatieverklaring opgenomen dat op de daar onder (2) bedoelde kwitantie per abuis “bank” is aangekruisd, waar “contanten” had moeten worden aangekruisd. Tevens heeft belanghebbende bankafschriften overgelegd.

2.1.7.

Hierop heeft de Inspecteur te kennen gegeven van plan te zijn het bezwaar af te wijzen. Bij uitspraak op bezwaar zijn de giften toch in aanmerking genomen en is de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.038.

Jaar 2013

2.2.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2013 eveneens een gift van € 5.000 opgevoerd met de omschrijving ” [stichting] ”. Na aftrek van de drempel van € 464 resteerde een aftrekbare gift van € 4.536.

2.2.2.

Bij brief van 30 augustus 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende onder meer verzocht om bewijsstukken van de opgevoerde giften. Bij brief van de Inspecteur van 12 december 2014 heeft hij om aanvullende informatie gevraagd.

2.2.3.

Belanghebbende heeft in reactie hierop onder meer een donatieverklaring voor het jaar 2013 en drie kwitanties verstrekt. Dit betreft de volgende door de [stichting] uitgeschreven kwitanties: (1) met dagtekening 13 februari 2013 voor een bedrag van € 1.500 in contanten met als reden van donatie “zakat”, (2) met dagtekening 2 september 2013 voor een bedrag van € 1.500 in contanten met als reden van donatie “zakat” en (3) met dagtekening

16 december 2013 voor een bedrag van € 2.000 in contanten met als reden van donatie “sadaqa”.

2.2.4.

Bij brief van 21 januari 2015 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld van plan te zijn de giften niet in aanmerking te nemen omdat de originele kwitanties niet zijn verstrekt. Met dagtekening 11 april 2015 is de aanslag IB/PVV 2013 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.554. Daarbij zijn de opgevoerde giften aan de [stichting] niet geaccepteerd.

2.2.5.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij alsnog de originele kwitanties en een donatieverklaring van de [stichting] aan de Inspecteur verstrekt. Met dagtekening 16 juni 2015 is de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.018. Hierbij heeft de Inspecteur de giften aan de [stichting] in aanmerking genomen.

Beide jaren

2.3.1.

De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van de [stichting] . Daaruit bleek ten aanzien van het jaar 2012 dat belastingplichtigen gezamenlijk voor ten minste een bedrag van € 3.000.000 aan giften aan de [stichting] in aftrek hadden gebracht terwijl in de jaarstukken van de [stichting] voor dat jaar een bedrag van € 591.210 aan ontvangen giften was verantwoord. Voorts bleek dat de [stichting] in het jaar 2012 meer kwitanties (in totaal 2.500) had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord (531) en dat de [stichting] in de jaarstukken voor 2013 een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in aangiften IB/PVV van diverse belastingplichtigen in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] was aangegeven. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 17 mei 2016.

2.3.2.

Omdat de administratie van de [stichting] ernstige gebreken vertoonde, is de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.

2.3.3.

In januari 2015 is de FIOD gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ). Uit die onderzoeken bleek dat diverse belastingplichtigen, die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen, ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften.

2.4.1.

Voormelde bevindingen (2.3.1 en 2.3.3) zijn aanleiding geweest voor de FIOD om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV ( [FIOD-onderzoek 3] ).

2.4.2.

De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn door de FIOD opgenomen in een proces-verbaal, met dossiernummer 57425. De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De resultaten van het onderzoek zijn op 23 april 2018 ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/kantoor Den Haag. Het (geanonimiseerde) proces-verbaal met bijlagen is door de Inspecteur verstrekt op een CD-rom (het FIOD-rapport).

2.4.3.

Belanghebbende is in voormeld onderzoek niet als verdachte aangemerkt, noch is hij als getuige gehoord.

2.5.

In het FIOD-rapport zijn proces-verbalen van verhoor van verdachten opgenomen uit de strafrechtelijke onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] . De verdachten hebben onder andere verklaringen afgelegd over de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.6.1.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 1] (blz. 2040 e.v.) De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"[…] is belastingadviseur en hij werkt samen met de [stichting] met betrekking tot het kopen van kwitanties. Hij koopt de kwitanties in voor 10% en verkoopt ze voor 12 tot 15% aan zijn klanten zodat zij dit kunnen aftrekken van de belasting."

2.6.2.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 2] (blz. 2140 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"Ik ga u alles vertellen in 2011, 2012 en 2013 heb ik kwitanties gekocht bij [stichting] . Dit was niet voor 10% maar voor 15% of zelfs 20% procent weet ik niet meer zeker. Het zijn allemaal oplichters van die stichtingen. Ze stoppen alles in de eigen zak en melden niets aan de Belastingdienst. In 2011 heb ik geld betaald aan [de bestuurder/directeur] van de [stichting] . In 2012 en 2013 heb ik geld betaald aan [de penningmeester] van de [stichting] . De door mij overgelegde kwitanties over het jaar 2013 van de [stichting] heb ik van die [penningmeester] gekregen. Dit geld heb ik op de [adres] in [woonplaats] betaald. De kwitanties heeft [de penningmeester] mij op het adres aan de [adres] waar de [stichting] is gevestigd gegeven."

2.6.3.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 3] (blz. 1900 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, voor zover van belang:

"Opmerking verbalisanten: Uit onderzoek is naar voren gekomen dat uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn ingediend vanaf het IP-adres van de [stichting] .

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

"Omdat ik slecht Nederlands spreek, ben ik door diverse mensen geadviseerd om naar de [stichting] te gaan. Ik ging naar de [stichting] om mijn aangiften in te laten vullen.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2011 op uw naam bij de Belastingdienst ingevuld en ingediend?

Antwoord gehoorde:

"Ik ben eerlijk, maar toen ik daar kwam waren het elke keer andere mensen. Er waren allemaal kleine hokjes en daar werd het ingevuld. Ik ben daar gewoon naartoe gegaan, maar ik ken daar helemaal niemand. Ik kan dus niet zeggen wie dat voor mij ingevuld heeft. Op de dag dat ik mijn aangifte liet invullen, kreeg ik de twee kwitanties die ik u zojuist heb overhandigd. De data op de kwitanties hebben zij van de [stichting] erop gezet. Ik heb in ieder geval niet op die data betaald. Ik heb in één keer € 300 of zo betaald. Ik weet niet meer precies hoeveel ik heb betaald maar ik dacht iets van 12 of 15% van € 2.500. Ik heb mijn DigiD code en wachtwoord aan de medewerker van de [stichting] gegeven en die heeft vervolgens mijn aangifte ingediend. Dat ging elk jaar zo."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2012 staat in het onderdeel 'giften' een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

"Daarvoor geldt hetzelfde als het jaar 2011. Ik denk dat ik daar ook ongeveer € 300 voor betaald heb."

(…)

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2012 staan de data 10-03-2012 en 15‑11‑2012. Uw aangifte inkomstenbelasting 2012 is gedaan op 9 maart 2013.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2013 staat in het onderdeel ‘giften’ een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Ook hier heb ik maar € 300 of € 350 voor betaald."

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2013 staan de data 23-02-2013 en 24‑05‑2013. Uw aangifte inkomstenbelasting 2013 is gedaan op 26 februari 2014.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

2.7.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "aangetroffen belastingaangiften en correspondentie op de PC van de [stichting] " (blz. 930 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Resumé

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, te weten dat:

(…)

 […] zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 voor € 50 in heeft laten vullen door/bij de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] een gift is opgenomen van € 3.000;

 […] € 300, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is ingediend;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] die bij de Belastingdienst is ingediend, is verzonden vanaf één van de computers van de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] een gift is opgenomen van €1.000;

 […] € 100, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De kwitantie op naam van […] met nummer [xxx] gelet op de verklaring van [de penningmeester] vermoedelijk valselijk is opgemaakt;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is gedaan;

(…)"

2.8.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "onderzoek in administratie [stichting] " (blz. 747 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"In verband met dit onderzoek heeft op 13 december 2016 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de [stichting] , waarbij diverse administratie in beslag is genomen. Ik heb verhuisdoos 1 met boekingsnummer C.22.02.01 van object C van totaal 21 dozen nader onderzocht.

(…)

Resumé

 De [stichting] neemt niet alle door hun afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties naar aanleiding van contante stortingen op in het kasboek van de [stichting] .

 Meerdere malen wordt slechts het bedrag of een gedeelte van het bedrag wat vermeld staat op 1 donatieformulier of op het bewijs van donatie opgenomen in het kasboek van de [stichting] ;

 Uit onderstaande tabel is op te maken dat ongeveer 22% procent van de afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties verantwoord is in het kasboek van de [stichting] ;

 (…)"

2.9.

Het FIOD-rapport bevat een op 16 april 2015 bij de FIOD binnengekomen anonieme melding, met nummer 35.04946 (blz. 4180) met de volgende mededeling:

"Belastingfraude door […]. Het gaat om giften/donaties aan de [stichting] te [woonplaats] . De ontvangstbewijzen die ontvangen zijn van de [stichting] zijn meermalen vervalst en gebruikt voor meerdere personen om belastingteruggaaf aan te vrahen (lees: vragen, hof) (alsof zij deze giften/bedragen ook hebben betaald)"

2.10.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "Vergelijking opbrengst donaties Stichting [stichting] " (blz. 469 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Ontvangst Excelbestand en kwitanties [stichting]

(…)

De Belastingdienst heeft, onder andere over het jaar 2014, diverse kwitanties op naam van de Stichting [stichting] en een Excelbestand aan de FIOD ter beschikking gesteld.

(…)

Uit onderzoek in het Excelbestand is naar voren gekomen dat er op naam van de [stichting] in de periode 1 januari 2014 tot en met 6 januari 2014 in totaal 232 kwitanties zijn uitgeschreven, die een gezamenlijke waarde van € 564.820 vertegenwoordigen.

Vergelijking donaties 2014 met voorliggende Jaren

Ik heb het aantal boekingen, dat over de jaren 2008 tot en met 2013 in de periode 1 januari tot en met 6 januari in de administratie van de Stichting [stichting] is gedaan, vergeleken met het aantal kwitanties, dat in dezelfde periode in 2014 is uitgeschreven.

Ik zag daarbij dat het aantal boekingen in de administratie over de jaren 2008 tot en met 2013 sterk afwijkt van het aantal kwitanties, dat in 2014 is uitgeschreven. Zie onderstaande tabel.

Jaar

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Data van de boekingen

1, 4 en 5 januari

5 en 6 januari

2, 3 en 5 januari

1, 3,4 en 5 januari

4 en 6 januari

1 t/m 6 januari

Aantal boekingen

7

5

3

13

6

0

232

Bedrag boekingen

€ 9.300

€ 5.450

€ 3.450

€ 13.900

€ 5.250

€ 0

€ 564.820"

2.11.1.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn diverse telefoons in beslag genomen. Het FIOD-rapport (blz. 34) vermeldt hierover, onder meer:

"In diverse telefoons die bij de doorzoeking van de woning van [de penningmeester] in beslag werden genomen zijn tekstberichten aangetroffen waarin wordt gesproken over het aankopen van kwitanties en het percentage wat daarvoor moet worden betaald. Ook zijn er berichten aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat anderen de kwitanties namens belastingplichtigen aankopen."

2.11.2.

Het FIOD-rapport bevat (de vertaling van) de tekstberichten die op de in beslag genomen telefoons zijn gevonden. Het FIOD-rapport bevat onder meer een vertaling van de volgende sms-berichten (blz. 4259, 4261 en 4262):

"*

Folder

Party

Time

(…)

(…)

Message

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

32

Inbox

From

[…]

20-3-2014

21:34:43(…)

Read

Hallo […] Je zou een bon opstellen voor […]. Ik heb de datums genoteerd van de gelden die ik van de bank heb opgenomen. Zou je het na vrijdag kunnen regelen als ik morgen even langskom?

7500 opname op 11.10.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 29.09.2013

2000 opname op 18.12.2013

1000 opname op 17.06.2013

1000 opname op 16.07.2013

1000 opname op 25.07.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 02.10.2013

(…)

33

Sent

To

[...]

20-3-2014

21:35:48 (…)

Sent

Hallo broer, is goed. Ik heb het gereed. Zou je mij je adres en het totaalbedrag van wat je wilt willen doorgeven?

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

54

Inbox

From

[...]

4-7-2014

22:26:10 (…)

Read

Hallo meneer

24-03-2013 800 euro

23-04-2013 1000 euro

10-06-2013 700 euro

(…)

55

Sent

To

[...]

4-7-2014

22.:27:19

Sent

Hallo hoca, Dankjewel. U kunt het morgenavond op komen halen. Gegroet

(…)"

2.12.

Het FIOD-rapport bevat een "TCI proces-verbaal" van het Team Criminele Inlichtingen (blz. 504 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, onder meer:

"Bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD is in de maand maart 2016 via één informant de navolgende Informatie binnengekomen:

'De leiding van de [ [stichting] ] is op de hoogte van de belastingfraude door middel van de verkoop van valse giftenkwitanties op haar naam. Vals opgemaakte stukken worden ondertekend en gestempeld door […]. Nu de [stichting] geen ANBI meer is, worden andere stichtingen gebruikt voor deze fraude"

2.13.1.

Het FIOD-rapport bevat een handgeschreven kasadministratie, aangeduid als DOC‑480 (blz. 3614 e.v.). Dit kasboek bevat de contante inkomsten en uitgaven van de [stichting] in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Het FIOD-rapport bevat voorts een overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties voor het jaar 2013, aangeduid als DOC-433 (blz. 3399 e.v.).

2.13.2.

De penningmeester heeft over voormelde administratie en voormeld overzicht onder meer verklaard:

a. FIOD-rapport, blz. 1518-1526:

"Ik had zelf een administratie ontwikkeld in excel. Pas toen wij een ANBI controle kregen zijn wij de administratie gaan ontwikkelen. In 2012 als er dan iemand kwam voor een of meerdere kwitanties dan werd deze door mij uitgeschreven en schriftelijk geboekt in een doorschrijf kasboek. Ik boekte dan het bedrag dat wij daadwerkelijk ontvingen. Dus voor een kwitantie van € 1.000 boekte ik een ontvangst van € 100. (…) Later werd door mij het daadwerkelijke bedrag op de kwitantie geboekt. Ik maakte hiervoor een excel bestand aan dat op de computer stond van de [stichting] in dit bestand zette ik het bedrag van de kwitantie, zodat ik kon bijhouden wat er gebeurd was voor als de mensen kwamen voor onder andere donatieverklaringen. (…)"

b. FIOD-rapport, blz. 1535:

"Opmerking verbalisanten:

Wij tonen u een Excel bestand welke is gerelateerd aan donatiekwitanties die door de [stichting] aan derden zijn verstrekt. In het Excel bestand zijn de kwitantienummers, datum van afgifte, naam donateur en het gedoneerde bedrag opgenomen. (Het Excelbestand wordt onder DOC-511 opgenomen in het dossier)

Vraag verbalisanten: Kunt u aan de hand van dit overzicht aangeven of de geldbedragen vermeld op de bijbehorende kwitanties, in combinatie met de vermelde persoonsnamen, daadwerkelijk zijn gedoneerd aan de [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

"Van de lijsten die u mij nu laat zien met de namen en bedragen kan ik zeggen, dat niemand hierop deze lijst dat bedragen echt daadwerkelijk aan de [stichting] betaald heeft zij hebben van deze bedragen slechts 10% of 12% betaald zoals ik eerder heb verklaard. Ik heb al eerder gezegd dat er slechts een handjevol mensen is die daadwerkelijk het volledige bedrag heeft betaald maar dat betreffen bedragen van maximaal 300 of 400 euro. Als er in het kasboek kleine bedragen opgenomen zijn en daar staan soms geen kwitanties tegenover, dan is dat omdat deze mensen dit ook niet in aftrek wilden nemen bij de belastingdienst."

c. FIOD-rapport, blz. 1557:

"Vraag verbalisanten: Op 6 januari 2014 is de ANBI status van de [stichting] ingetrokken. Er zijn meerdere kwitanties aangetroffen die zijn voorzien van een datum gelegen in de periode 1 tot en met 6 januari 2014. Zijn al deze kwitanties valselijk opgemaakt?

Antwoord gehoorde:

"Niet allemaal, er zijn ook donaties die echt zijn gedaan. Ik kan mij nu niet herinneren wie dat zijn geweest. Ik heb het dan over de kwitanties vanaf 2012 die onder de € 500 zijn, alles wat daarboven is, is vals. Dit geld voor alle kwitanties die u heeft aangetroffen. Jullie kunnen uit de kasboeken uitvissen welke bedragen echt zijn gedoneerd. Dat boek klopt namelijk wel."

2.13.3.

Het FIOD-rapport vermeldt onder meer nog het volgende over de administratie bij de [stichting] (blz. 33):

"Naast de vermoedelijk achteraf opgestelde donatieoverzichten zijn over de periode

(…) december 2013 tot en met december 2016 handgeschreven kasboeken bijgehouden. Het vermoeden bestaat dat in dat kasboek de juiste bedragen zijn vermeld. De gegevens van dit kasboek zijn ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek in een Excel-bestand verwerkt en digitaal bij het dossier gevoegd. In deze kasboeken staan inkomsten en uitgaven vermeld.

(…) Bij onderzoek van de inkomsten die zijn vermeld in de kasboeken is vastgesteld dat over de periode december 2013 tot en met december 2016 totaal 1.192 mutaties zijn opgenomen met de omschrijving 'donatie'. Het totaalbedrag van deze 1.192 donaties is € 489.087,70. Het is opvallend dat het grootste deel van deze donaties kleiner is dan € 500."

2.14.1

In eerste aanleg heeft de Inspecteur drie (geanonimiseerde) verslagen van hoorgesprekken met belastingplichtigen overgelegd (bijlage 37). De verslagen bevatten verklaringen van de belastingplichtigen over (hun deelname aan) de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.14.2.

Het "verslag van het horen op vrijdag 13 juni [juli; Hof] 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

4. (…) Hij vertelt dat hij één keer per week naar toespraken op de [stichting] ging. Na afloop van de toespraak werd aan de toehoorders vertelt dat zij de [stichting] konden helpen. In ruil voor deze donaties werd er een hoger bedrag op de kwitantie geschreven. Wanneer er een bedrag van € 300 werd betaald, werd er op de kwitantie € 3.000 vermeld. (…)"

2.14.3.

Het "verslag van het horen op donderdag 9 augustus 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

3. Voor de aankoop van zijn woning is hij in contact gekomen met Advieskantoor […] via iemand genaamd […] (…) Ze waren behulpzaam en gaven goede adviezen. De heer […] hielp hem met zijn hypotheek en […] hielp hem met het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2013. Bij het indienen van de aangifte kreeg hij van […] het advies om te doneren aan de [stichting] .

De [belastingplichtige] deelde hen mee dat hij daarvoor geen financiële middelen had. […] deelde hem daarop mee dat het ook anders kon, namelijk eerst het bedrag in aftrek brengen in de aangifte, afhankelijk van de teruggaaf zou dan een bedrag aan de [stichting] worden gedoneerd. De kwitantie hiervoor zou dan achteraf geregeld worden (…)."

2.15.

Bij brief van 30 september 2019 in eerste aanleg heeft de Inspecteur bladzijden 3697 en 3699 van het FIOD-rapport gevoegd. De bladzijden betreffen de onder 2.13.1 genoemde handgeschreven kasadministratie (DOC-480) en bevatten ten aanzien van belanghebbende de volgende informatie:

Naam

Datum

Omschrijving

Bedrag

Blz. van het FIOD-rapport

[Belanghebbende]

25-07-2014

Donatie

€ 750

003699

[Belanghebbende]

09-09-2014

Donatie

€ 1.500

003697

2.16.

Voorts heeft de Inspecteur bij vorenbedoelde brief bladzijden 3404, 3432 en 3446 van het FIOD-rapport gevoegd. De bladzijden betreffen een deel van het onder 2.13.1 genoemde overzicht van de door [stichting] uitgeschreven kwitanties in het jaar 2013 (DOC-433). Dit overzicht vermeldt de naam van belanghebbende bij een bedrag van € 1.500 op

13 februari 2013, bij een bedrag van € 1.500 op 2 september 2013 en bij een bedrag van € 2.000 op 16 december 2013.

2.17.

Bij brieven van 30 augustus 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende te kennen gegeven dat hij voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen IB/PVV zal opleggen waarbij de giftenaftrek ter zake van de [stichting] wordt gecorrigeerd. Verder heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij voornemens is vergrijpboetes op te leggen als bedoeld in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De hoogte van de boetes is voor beide jaren vastgesteld op 75% van de nagevorderde belasting.

2.18.

Met dagtekening 11 november 2017 zijn de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 opgelegd en zijn gelijktijdig de boetebeschikkingen met vergrijpboetes van 75% en de beschikkingen belastingrente vastgesteld.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen:

Giftenaftrek

11. Ingevolge artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Ingevolge artikel 6.33, eerste lid, onder a van de Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6.33, eerste lid, onder b in samenhang met artikel 6.35 van de Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

12. Niet in geschil is dat ten tijde van de gestelde giften de [stichting] de ANBI-status had en dat de omstandigheid dat die ANBI-status op 6 januari 2014 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is ingetrokken, op zichzelf niet aan de giftenaftrek in de weg staat.

13. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op [belanghebbende]. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals [de Inspecteur] terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. [Belanghebbende] wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties, donatieverklaringen en de in de bezwaarfase overgelegde bankafschriften waarop contante opnames zijn weergegeven. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] die worden bevestigd door verklaringen van anderen, kan aan de kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. Weliswaar staat niet onomstotelijk vast dat ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van onjuiste kwitanties, maar evenmin kan met zekerheid worden gesteld dat de kwitanties in overeenstemming zijn met wat hij daadwerkelijk aan de [stichting] heeft geschonken. Ter onderbouwing van de kwitanties van in totaal € 5.000 voor beide jaren heeft [belanghebbende] gewezen op diverse bankafschriften waaruit contante opnames volgen. Het betreft hier echter een groot aantal geldopnames in hoogte variërend van € 20 tot € 600 die, gelet op de data van die opnames, niet rechtstreeks te koppelen zijn aan de data waarop de gestelde giften zouden zijn gedaan. [De Inspecteur] heeft dan ook voorbij kunnen en mogen gaan aan de bankafschriften. Nu [belanghebbende] geen ander bewijs heeft overgelegd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de door hem overgelegde kwitanties wel voldoende betrouwbaar zijn en is hij niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan. [De Inspecteur] heeft dan ook op goede gronden de giftenaftrek gecorrigeerd en de navorderingsaanslagen opgelegd.

Vergrijpboeten

14. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

15. Op [de Inspecteur] rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [belanghebbende] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangifte afgetrokken giften en dat de aanslag daardoor tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van [belanghebbende] maakt [de Inspecteur] gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [stichting] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. [De Inspecteur] wijst verder op de administratie van de afgegeven kwitanties waarin de naam van [belanghebbende] voorkomt met drie donaties op 13 februari 2013, 2 september 2013 en 16 december 2013 ten bedrage van respectievelijk € 1.500, € 1.500 en € 2.000. Tevens wijst [de Inspecteur] op de handgeschreven kasadministratie van de [stichting] over de periode 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Volgens verklaringen van de penningmeester bevat deze handgeschreven kasadministratie een overzicht van de daadwerkelijk ontvangen bedragen. In deze kasadministratie komt een betaling van € 750 van [belanghebbende] voor op 25 juli 2014 en een betaling van € 1.500 op 9 september 2014 terwijl op dat moment de ANBI-status voor de [stichting] reeds was ingetrokken. Deze betalingen kunnen derhalve geen betrekking hebben op het jaar 2014. Nu de betaling van 25 juli 2014 is gedaan kort nadat [de Inspecteur] op 8 juli 2014 informatie over de giftenaftrek voor het jaar 2013 had opgevraagd, ziet deze vermoedelijk op het verkrijgen van kwitanties ter onderbouwing van de in de aangifte over 2013 opgevoerde giftenaftrek. [De Inspecteur] heeft er in dit verband op gewezen dat het bedrag van € 750 overeenkomt met een percentage van 15% van het bedrag van € 5.000, zijnde het totaalbedrag van de drie kwitanties die in de administratie van de afgegeven kwitanties voorkomen. Een vergelijkbare gang van zaken heeft zich voorgedaan bij de betaling van 9 september 2014 die kort volgt op de brief van [de Inspecteur] van 30 augustus 2014 waarin informatie wordt opgevraagd over de giftenaftrek voor het jaar 2012. Het bovenstaande sluit aan bij de gebruikelijke werkwijze van de [stichting] waarbij feitelijk met terugwerkende kracht handelingen werden verricht om giften aannemelijk te maken. Hiermee heeft [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs geleverd dat [belanghebbende] wist dat hij in zijn aangiften giften in aanmerking nam die hij feitelijk niet heeft gedaan en dat de daarvoor verstrekte kwitanties vals waren. Daarmee is het aan opzet van [belanghebbende] te wijten dat de aanslagen op te lage bedragen zijn vastgesteld en dat hij daardoor te weinig belasting heeft betaald. [De Inspecteur] is daarmee echter nog niet geslaagd in het bewijs dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden. Het enkele gebruik van valse kwitanties is daarvoor onvoldoende. Gezien de aard en ernst van de gedragingen acht de rechtbank daarom boetes van 50% van de nagevorderde belasting passend en geboden.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

16. In de uitspraak op bezwaar heeft [de Inspecteur] zijn beslissing onderbouwd met bevindingen uit het FIOD-onderzoek. Daarmee heeft hij voldaan aan het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het enkele feit dat hij op dat moment nog niet beschikte over het volledige FIOD-PV, maakt niet dat die motivering ondeugdelijk is of dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Tevens volgt uit de stukken van het dossier dat [belanghebbende] meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk of mondeling zijn bezwaren toe te lichten.

Rentebeschikkingen

17. Niet is gebleken dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen is dient het beroep voor wat betreft de boetebeschikkingen gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond.

19. De rechtbank vindt aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.311 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Bij bevestigende beantwoording van beide vragen is tevens in geschil of de opgelegde boetes passend en geboden zijn.

4.2.

Belanghebbende concludeert in zijn principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en tot vernietiging van de vastgestelde vergrijpboetebeschikkingen. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het principaal hoger beroep. In het incidenteel hoger beroep concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover de boetes zijn verminderd tot 50% en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

Beoordeling van het hoger beroep

Giftenaftrek

5.1.1.

Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet Inkomstenbelasting 2001). In geval van betwisting door de Inspecteur, zoals hier het geval, rust op belanghebbende de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.

5.1.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij zowel in 2012 als in 2013 giften in contanten van € 5.000 aan de [stichting] heeft gedaan. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende donatieverklaringen van de [stichting] , door de [stichting] verstrekte kwitanties en voor het jaar 2012 tevens bankafschriften van de ING-bank en de ABN AMRO bank verstrekt.

5.1.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de overgelegde donatieverklaringen en giftkwitanties van de [stichting] niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften en wijst daarbij op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] .

5.1.4.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de Inspecteur in beroep en hoger beroep onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] :

  • -

    de vaststelling van een controlemedewerker dat namens de [stichting] in het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties zijn uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie zijn verantwoord;

  • -

    dat in het jaar 2013 in de jaarstukken van de [stichting] € 88.564 aan donaties is verantwoord, terwijl in de diverse aangiften over dat jaar in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] is aangegeven;

  • -

    de verklaringen van verdachten dat giftkwitanties voor een bepaald percentage van het giftbedrag werden gekocht/verkocht van de [stichting] ;

  • -

    dat uit de inbeslaggenomen administratie van de [stichting] volgt dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek;

  • -

    een anonieme tip aan de FIOD dat de kwitanties zijn vervalst en gebruikt door meerdere personen om een belastingteruggaaf te bewerkstelligen;

  • -

    dat na het intrekken van de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014, dat op 19 december 2013 was aangekondigd, in de periode van 1 januari tot 6 januari 2014 een opvallend groter aantal kwitanties is geboekt dan in voorgaande jaren;

  • -

    de whatsapp- en sms-berichten en de verklaringen van onder andere de penningmeester van de [stichting] waaruit volgt dat een levendige handel in giftkwitanties bestond en dat uit die berichten volgt dat de data op de kwitanties worden afgestemd op de data van willekeurige pinopnamen;

  • -

    de verklaring van een informant aan het Team Criminele Inlichtingen waaruit volgt dat de leiding van de [stichting] op de hoogte is van de belastingfraude door middel van de giftkwitanties en meewerkt aan de uitgifte daarvan;

  • -

    de verklaring van de penningmeester van de [stichting] dat slechts een handvol mensen het volledige vermelde bedrag op de giftkwitanties hebben betaald maar dat die bedragen maximaal € 300 of € 400 betreffen;

  • -

    de verklaringen van diverse personen aan de FIOD en de Belastingdienst die de handel in kwitanties hebben bevestigd;

  • -

    een overzicht van uitgeschreven kwitanties voor 2013 waarvan de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeenkomen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen;

  • -

    een doorlopend handgeschreven kasboek waarin de werkelijk ontvangen bedragen werden opgenomen; de werkelijk ontvangen bedragen (donaties) bedroegen veelal 10% tot 12% van de uitgegeven kwitanties;

  • -

    dat de Belastingdienst bij 2.040 belastingplichtigen navorderingsaanslagen heeft opgelegd dan wel correcties heeft aangebracht bij het opleggen van de aanslagen en indien mogelijk een vergrijpboete. Van deze 2.040 gevallen zijn ongeveer 450 belastingplichtigen in bezwaar gegaan en 150 in beroep, en

  • -

    dat bij belastingplichtigen van wie aanslagen zijn gecorrigeerd of bij wie is nagevorderd doorgaans een giftenaftrek van minimaal € 500 in de aangifte is opgenomen.

5.1.5.

Het Hof overweegt als volgt. Uit hetgeen de Inspecteur onder 5.1.4 heeft aangevoerd volgt dat op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de donatieverklaringen en kwitanties van de [stichting] niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Het is aan belanghebbende aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.

5.1.6.

Met de overgelegde bankafschriften van de betaalrekening op naam van de echtgenote van belanghebbende bij de ING-bank en van de rekening op naam van belanghebbende bij de ABN AMRO bank en de daarop vermelde geldopnamen in het jaar 2012 heeft belanghebbende dat aanvullende bewijs niet geleverd, reeds omdat daarmee niet vaststaat dat (een deel van) de opgenomen gelden ook daadwerkelijk aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. Voor het jaar 2013 is geen aanvullend bewijs verstrekt.

5.1.7.

Nu belanghebbende geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de [stichting] , acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende in de onderhavige jaren giften aan de [stichting] heeft gedaan.

5.1.8.

De Inspecteur heeft dan ook terecht geen giften in aftrek toegestaan en de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 terecht opgelegd.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur

5.2.1.

De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel één of meerdere andere beginselen van behoorlijk bestuur, faalt. De Inspecteur heeft zijn beslissingen voldoende gemotiveerd. Dat belanghebbende het niet eens is met die beslissingen, maakt niet dat het schort aan de motivering daarvan, noch dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of dat sprake is van willekeur.

5.2.2.

Verder kon belanghebbende aan de omstandigheid dat de giften bij de uitspraken op bezwaar in aftrek zijn toegelaten niet het vertrouwen ontlenen dat geen navordering meer zou kunnen plaatsvinden. Uit het enkele aanvaarden van de giftenaftrek en het verminderen van de aanslagen conform de ingediende aangiften kon belanghebbende immers geen vertrouwen ontlenen dat hij op dezelfde manier zou worden behandeld ingeval de Inspecteur wel van de juiste feiten op de hoogte zou zijn (vgl. HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4736, BNB 2007/323).

De vergrijpboetes 2012 en 2013

5.3.1.

De Inspecteur kan op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een boete opleggen van ten hoogste 100% indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast hiervan rust op de Inspecteur.

5.3.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. De belanghebbende moet wel een redelijke mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren en het gebruik van vermoedens mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat de inspecteur bij het bewijzen van de opzet of grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. HR 18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet de uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272).

5.4.

De Inspecteur heeft gesteld dat sprake is van opzet en dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zodat boetes van 75% passend en geboden zijn.

5.5.

Op de Inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangiften IB/PVV 2012 en 2013 zich ervan bewust is geweest dat (een aanmerkelijke kans bestond dat) de aangiftes voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren.

5.6.

Naast de in 5.1.4 aangevoerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] , heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbendes betrokkenheid bij voormelde handel in giftkwitanties het volgende aangevoerd:

- de naam van belanghebbende komt voor in het overzicht van uitgeschreven kwitanties (DOC-433), namelijk met (1) een donatie op 13 februari 2013 voor een bedrag van € 1.500, (2) een donatie op 2 september 2013 voor een bedrag van € 1.500 en (3) een donatie op 16 december 2013 voor een bedrag van € 2.000. Op basis van hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de FIOD komen de gegevens die in dit overzicht zijn opgenomen niet overeen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen. De lijst werd achteraf opgesteld aan de hand van de verstrekte kwitanties en donatieverklaringen;

- de naam van belanghebbende komt voor in het handgeschreven kasboek (DOC-480). Op 25 juli 2014 voor een bedrag van € 750 met de omschrijving “Donatie” en op 9 september 2014 voor een bedrag van € 1.500 met de omschrijving “Donatie”. Het bedrag van € 750 met datum 25 juli 2014 ziet volgens de Inspecteur op de in de aangifte IP/PVV voor het jaar 2012 opgevoerde giftenaftrek en bedraagt 15% van het in die aangifte opgevoerde bedrag aan giften van € 5.000. Het bedrag van € 1.500 met datum 9 september 2014 ziet volgens de Inspecteur op de in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 opgevoerde giftenaftrek en bedraagt 30% van de in die aangifte opgevoerde giften van € 5.000;

- de genoemde percentages wijken weliswaar af van de onder 5.1.4 genoemde gebruikelijke bandbreedte van 10-12%, maar dit is te verklaren. In de agenda van de penningmeester is een staatje gevonden met daarop bedragen voor diverse diensten die bij de penningmeester kunnen worden afgenomen. Het vermoeden van de Inspecteur is dat belanghebbende een van deze diensten heeft afgenomen en dat het daarvoor verschuldigde bedrag is opgeteld bij het bedrag in het handgeschreven kasboek;

- de betalingen op naam van belanghebbende die zijn opgenomen in het handgeschreven kasboek hebben plaatsgevonden (relatief) kort nadat de Inspecteur (originele) bewijsstukken van de opgevoerde giftenaftrek heeft gevraagd bij zijn brieven van 8 juli 2014 voor het jaar 2012 en 30 augustus 2014 voor het jaar 2013; en

- belanghebbende heeft het totaalbedrag aan opgevoerde giften van € 5.000 in 2012, waarvan de betalingen volgens de dagtekening op de drie voor dat jaar overgelegde kwitanties zouden zijn gedaan in december 2012, onderbouwd met contante pinopnames die hebben plaatsgevonden gedurende het gehele jaar.

5.7.1.

Uit hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd, volgt een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Voorts volgt daaruit dat de valse giftkwitanties door de belastingplichtigen werden gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de betreffende giftkwitantie.

5.7.2.

Uit het onderzoek van de FIOD volgt dat de handgeschreven kasboeken van de [stichting] in totaal 1.192 donaties vermelden met een totaalbedrag van € 489.087,70 in de periode december 2013 tot en met december 2016. Hierbij is het bedrag van het grootste deel van de donaties lager dan € 500. Gelet op i) voormelde handelwijze waarbij de valse giftkwitanties veelal werden verhandeld voor 10%-12% van daarop vermelde bedragen en ii) de verklaringen van getuigen en belastingplichtigen waaruit blijkt dat veelal een paar honderd euro is betaald voor de giftkwitanties, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het handgeschreven kasboek de juiste gegevens vermeldt.

5.8.

De naam van belanghebbende komt in het handgeschreven kasboek voor onder vermelding van donaties van € 750 en € 1.500 op respectievelijk 25 juli 2014 en 9 september 2014. Aangezien de ANBI-status van de [stichting] toen al was ingetrokken, kunnen deze bedragen geen betrekking hebben op het jaar 2014. Deze betalingen hebben plaatsgevonden kort na ontvangst van de brieven van de Inspecteur van 8 juli 2014 en 30 augustus 2014 waarin de Inspecteur vroeg om (originele) bewijsstukken van de giften voor de jaren 2012 en 2013. Het bedrag van € 750 is exact 15% van de op naam van belanghebbende uitgeschreven kwitanties over het jaar 2012. De bevindingen ten aanzien van belanghebbende komen overeen met de handelwijze die volgt uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse kwitanties van de [stichting] , waarbij feitelijk met terugwerkende kracht handelingen werden verricht om giften aannemelijk te maken.

5.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is voor beide jaren het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] en hij zich er ten tijde van het doen van de aangiften IB/PVV 2012 en 2013 bewust van is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren.

5.10.

De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een bewijsvermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207).

5.11.

Belanghebbende betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte. De giften aan de [stichting] heeft hij daadwerkelijk gedaan. Hij verwijst hiervoor naar de kwitanties en de donatieverklaringen. Verder voert belanghebbende aan dat de verklaringen van de penningmeester niet betrouwbaar zijn en dat de Inspecteur zorgvuldiger onderzoek had moeten doen naar de personen die fraude hebben gepleegd.

5.12.1.

Het Hof ziet geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de penningmeester over de handelwijze met betrekking tot de valse giftkwitanties. De verklaringen van de penningmeester zijn bevestigd door verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen die door de FIOD en de Inspecteur zijn gehoord. Daarnaast bevat het FIOD-rapport diverse onderzoeken van opsporingsambtenaren naar onder andere tekstberichten op in beslag genomen telefoons en de administratie van de [stichting] die voormelde handelwijze bevestigen.

5.12.2.

Het Hof ziet evenmin reden te twijfelen aan de in het handgeschreven kasboek vermelde data en bedragen. Die kasadministratie vormt een (administratieve) weergave van de handelwijze waarbij de giftkwitanties voor een bepaald percentage van de daarop vermelde bedragen werden verkocht. Verder volgt uit die kasadministratie en uit de verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen dat de kwitanties werden gekocht op een latere datum dan vermeld op de uitgeschreven kwitanties. Belanghebbende heeft bovendien onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat ten aanzien van de op hem betrekking hebbende bedragen en data van andere data of bedragen dan die vermeld in het kasboek moet worden uitgegaan.

5.13.

Belanghebbende heeft, gelet op hetgeen onder 5.11 tot en met 5.12.2 is overwogen, het bewijsvermoeden dat hij gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] niet ontzenuwd. Dit betekent dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangiften IB/PVV 2012 en 2013 zich ervan bewust is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren, zodat het opzet bewezen is.

De hoogte van de boetes

5.14.

De Inspecteur heeft de boetes bepaald op 75%, te weten 50% vanwege opzet van belanghebbende verhoogd met 25% wegens strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (tekst 2013). Ingevolge laatstvermelde bepaling is voor het in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning.

5.15.

De Inspecteur stelt dat het gebruik maken van falsificaties (de valse giftkwitanties) geldt als een strafverzwarende omstandigheid.

5.16.

Gelet op hetgeen onder 5.6 tot en met 5.13 is overwogen acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan het willens en wetens doen van onjuiste aangiften als gevolg waarvan de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Gelet op de ernst van de gedragingen, in het bijzonder het gebruikmaken van valse giftkwitanties, acht het Hof de opgelegde boeten van 75% van de nagevorderde belasting passend en geboden.

Slot

5.17.

De slotsom is dat het principaal hoger beroep ongegrond is en het incidenteel hoger beroep gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikkingen, de proceskosten en het griffierecht; en

  • -

    bevestigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 en 2013.

Deze uitspraak is vastgesteld door I. Obbink-Reijngoud, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 19 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. Zandhuis.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.