Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:785

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
BK-20/00650
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:8430, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 3.90 Wet IB 2001; art. 67d AWR; Inkomsten uit hennepteelt terecht bij belanghebbende in aanmerking genomen; boete passend en geboden; matiging boete?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1132
FutD 2021-1531 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 11-05-2021
NTFR 2021/1694
NLF 2021/1041 met annotatie van
V-N 2021/30.29.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00650

Uitspraak van 15 april 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: P. van Baaren)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] en […] )

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 september 2020, nummer SGR 20/273.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.601. Voorts is bij gelijktijdig opgelegde beschikkingen belastingrente tot een bedrag van € 1.190 in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd tot een bedrag van € 6.581 (50%). De Inspecteur heeft voorts aan belanghebbende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 36.705. Bij gelijktijdig opgelegde beschikking is € 182 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bij afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar tegen de aanslagen en gelijktijdig vastgestelde beschikkingen ingesteld. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2019 de aanslag IB/PVV en de daarbij behorende rentebeschikking gehandhaafd en de vergrijpboete verminderd tot een bedrag van € 5.264 (40%). De Inspecteur heeft geen uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de aanslag Zvw en de daarbij horende beschikking belastingrente.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 48. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder”:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.922;

- bepaalt dat de beschikking belastingrente alsmede de vergrijpboete worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden”.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof en dit hoger beroep aangevuld bij brieven van 22 september 2020 en 15 oktober 2020. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 131. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van de zijde van belanghebbende is op 27 februari 2021 per fax ter griffie van het Hof een nader stuk met bijlage ingekomen. Hierin is tevens vermeld dat belanghebbende noch zijn gemachtigde ter zitting zullen verschijnen.

1.6.

Het hoger beroep is ter zitting behandeld op 4 maart 2021. De Inspecteur is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Op 16 november 2016 is in een door belanghebbende gehuurde woning een in werking zijnde hennepkwekerij met 187 planten aangetroffen. Blijkens een tot de stukken van het geding behorende “Huurovereenkomst zelfstandige woning” is de huurovereenkomst van de woning tussen belanghebbende en de verhuurder met ingang van 10 februari 2015 voor onbepaalde tijd aangegaan.

2.2.

Tot de stukken van het geding behoort onder meer een naar aanleiding van de onder 2.1 vermelde bevinding door de Politie Eenheid Rotterdam , District Rijnmond-Oost, Basisteam IJsselland opgemaakt “Proces-verbaal Aantreffen hennepkwekerij”. Hierin wordt, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Kweekruimte

(…)

In totaal stonden er 187 hennepplanten. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 40

cm. Per m2 stonden er 19 planten.

(...)

Wederrechtelijk verkregen voordeel door eerdere oogsten

Wij, verbalisanten, troffen omstandigheden aan die duiden op een of meer eerdere opbrengsten uit

de exploitatie van de aangetroffen hennepkwekerij. Wij stelden het volgende vast:

Kalk- en algafzetting

In de kweekruimte bevond zich een op kalk gelijkende afzetting aan de onderzijde van de

plantenpotten en op de uiteinden van het irrigatiesysteem. In de goot, die voor de afwatering van

het irrigatiesysteem diende, was groene algengroei te zien.

Verkleuring van houten latten

Het hout van de latten waarop de plantenbakken stonden, was verkleurd op de plaatsen waar de

bakken op de latten rusten. Ook was hierop een op kalk gelijkende afzetting en algengroei te zien.

Knipscharen

In de kweekruimte waren knipschaartjes aangetroffen. Op deze knipschaartjes bevonden zich

hennepresten.

Productie data

Wij zagen dat op de assimilatielampen een productiedatum stond van januari 2015. Wij zagen dat

op de slakkenhuisafzuiger een productiedatum stond van 9 september 2014.

Groeimiddelen

Wij zagen dat in de kweekruimte, onder de tafels, 12 cans van 5 liter, 8 flacons van 1 liter en

2 flesjes van 250 ml. stonden, met daarin diverse groeimiddelen. Wij voelden en zagen dat alle

cans, flacons en flesjes waren geopend en dat overal een bepaalde hoeveel van was gebruikt.

Strijkijzer

In de inloopkast in de hal van de woning zagen wij een strijkijzer staan, dat kennelijk gebruikt

was om zogenaamde strijkzakken mee dicht te maken.

(…)”

2.3.

Tot de stukken van het geding behoort tevens een naar aanleiding van de onder 2.1 vermelde bevinding door de Politie Eenheid Rotterdam , District Rijnmond-Oost, Basisteam IJsselland opgemaakt proces-verbaal van verhoor van belanghebbende op 17 februari 2017. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

V: Heb je werk?

A: Nee, het is op dit moment heel moeilijk om aan werk te komen. Ik zat in de steigerbouw, maar

ik werd vervangen door een paar Polen.

(...)

V: Heb je een uitkering?

A: Ja, een normale uitkering.

V: Wat verdien je per maand/hoeveel uitkering ontvang je?

A: 700 euro per maand.

(...)

V: Heb je schulden?

A: Ja dat was duizenden euro's. Toen werkte ik in de steigerbouw. Ik los nu af. Nu heb ik nog

1500 euro open staan. Ik kom niet in aanmerking voor schuldsanering.

(...)

V: We willen je wat vragen stellen over de hennepkwekerij die collega’s aantroffen aan de [adres] in [woonplaats] op 16 november 2016.

(…)

V: klopt het dat de huurovereenkomst op jouw naam stond?

A: Ja dat klopt.

V: Klopt het dat het contract met Stedin op jouw naam stond?

A: Ja.

(...)

V: Wie hebben er een sleutel van het pand?

A: Alleen ik en nog iemand, maar die doet er niet toe.

(...)

V: Wat kunt u verklaren over de hennepkwekerij aan de [adres] te [woonplaats] ?

A: Ik zat krap bij kas. Iemand zei tegen mij: “Kan ik een klein kamertje hennep doen? Dan kun je

er wat mee verdienen.” Maar nu heb ik ellende erbij.

(...)

V: Kreeg jij een vast bedrag voor de hennepkwekerij?

A: Nee, ik heb niets ontvangen, de kwekerij stond er drie weken.

V: Wie is de eigenaar van de aangetroffen hennepplantage?

A: Ja uiteindelijk wel, het is mijn woning toch? Over drie maanden zou ik er pas wat aan hebben

verdiend.

V: Wie verzorgde de hennepplantage?

A: Ik controleerde af en toe, maar die andere gozer ook.

(...)

V: Wanneer is de hennepkwekerij gebouwd?

A: Ongeveer september of oktober. Ik weet het niet precies, het heeft een tijdje geduurd, twee of

drie weken.

V: Wanneer is het kweken van hennep gestart?

A: Dat weet ik niet, ik hield het niet bij. Die andere jongen hield dat bij. Toen de politie

binnenkwam waren de plantje ongeveer 40 centimeter.

V: Hoe werd het materiaal (stekken) vervoerd naar jou woning?

A: Gewoon met de trap, we deden dit ’s middags of ’s avonds.

(...)

V: Waar werden de kweekmaterialen gekocht?

A: Die kennis zei dat het gebruikte spullen waren.

V: Moest jij betalen voor de inrichting van de kwekerij?

A: Nee.

V: Moest jij een deel van de oogst afstaan?

A: Er is nooit geoogst.

(...)

V: Onderhield jij de kwekerij?

A: Het was in het begin, alles ging automatisch. Ik had alleen een schema om het water te vullen.

Ik heb denk ik drie keer gevuld. Dat vat ging ongeveer 4 á 5 dagen mee. Het was een vat van

ongeveer 100 of 150 liter. De planten kregen druppels water.

V: Hoe lang duurde de kweekperiode?

A: De kwekerij heeft er ongeveer 16 a 17 dagen ingestaan. Niet meer dan drie weken.

(...)

V: Je vertelde net dat de kwekerij in september is gebouwd hoe kan dat dan?

A: Er was een soort van crisis, hij moest wachten op spullen. Dat duurde 10, 11, 12 dagen

ongeveer.

V: Wat betrof de crisis?

A: Er was crisis in de aanvoer van de planten.

(...)

V: Dus als ik het goed begrijp, zijn de planten die mijn collega’s aantroffen, binnengekomen als

klein plantje en niet als zaadje?

A: Dat klopt, als plantje.

(...)

V: Hoe vaak is er tot nu toe hennep geoogst?

A: Geen.

V: Had je afspraken gemaakt over als er wel geoogst werd aan wie er werd verkocht?

A: Er zijn nooit afspraken gemaakt. We zouden de winst delen. Er is mij niets beloofd per oogst.

Exacte prijs weet ik niet.

(...)

V: Voor wie was de opbrengst bestemd?

A: In de eigen zak van die kennis.

(...)

V: Welke inkomsten heeft u?

A: Ik krijg nog steeds mijn uitkering.

V: Welke uitkering heeft u?

A: Een bijstandsuitkering.

(…)

V: Hoe lang krijgt u die uitkering al?

A: Nu drie jaar ongeveer.

V: Was financieel gewin de reden voor de hennepkwekerij in uw woning?

A: Uiteindelijk wel, ik kon nergens aan de bak.

(...).”

2.4.

Verder behoort tot de stukken van het geding een “RAPPORTAGE DIEFSTAL ENERGIE”, opgemaakt door een verbalisant van politieeenheid Rotterdam, bureau Zevenkamp, waarin aangifte van diefstal van energie is gedaan door een fraudespecialist in dienst van netbeheerder Stedin Netbeheer B.V. (Stedin). Hierin wordt, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

De periode van 1 volledige hennepoogst is 70 dagen.

In dit geval zijn het 2 volledige hennepoogsten van 70 dagen en een deel van een hennepoogst van

21 dagen.

Diefstal is gepleegd in de periode van 08-06-2016 t/m 16-11-2016.

(...)

Ik zag dat de kappen van de in de hennepkwekerij aanwezige assimilatielampen onder een dikke

laag stof zaten, wat duidt dat deze al een langere tijd aanwezig waren, (zie foto’s)

Het witte filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilter was door het gebruik in de hennepkwekerij dermate vervuild op een wijze dat het filter meerdere hennepoogsten in werking moet zijn geweest. Het filtermateriaal van het koolstoffilter was door het gebruik ter plaatse vervuild. Dit blijkt onder andere uit het feit dat op de contact plaatsen tussen de bevestigingsbanden en het koolstoffilter geen vervuiling is aangetroffen, (zie foto’s)

Ik zag dat de afvoergoten, de afwateringspijpjes en de sproeikoppen van de watervoorziening, voorzien waren van een dikke laag kalkaanslag, wat duidt op een langdurige tijd in bedrijf zijn van de hennepkwekerij, (zie foto’s)

Ook zag ik een aantal scharen liggen met restanten van hennepproducten vermoedelijk gebruikt

bij het knippen van een eerdere hennepoogst.

De aangetroffen henneprestanten waren zodanig vervuild dat deze niet alleen afkomstig waren van het knippen van de huidige hennepplanten.

In het pand trof ik een hoeveelheid lege vaten en flessen met voedingssupplementen aan.

Ik zag dat de bewoner het pand huurde vanaf 10-02-2015 en dat de bewoner zich op 13-02-2015 heeft aangemeld bij een energieleverancier, in de hennepkwekerij trof ik assimilatielampen aan waarop een productiedatum stond vermeld van januari 2015, ervan uitgaande dat de bewoner zich op 13-02-2015 heeft aangemeld bij een energieleverancier is het heel aannemelijk dat deze kwekerij ook al vanaf deze periode in gebruik is.

(...)”.

2.5.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.896. Het aangegeven inkomen betreft een bijstandsuitkering van de gemeente [A] .

2.6.

De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 afgeweken van de aangifte. De Inspecteur heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, op het standpunt gesteld dat belanghebbende in 2016 inkomsten uit de exploitatie van een hennepkwekerij moet hebben genoten die hij niet heeft aangegeven. Voor het bepalen van de daaruit door belanghebbende genoten inkomsten heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van 1 juni 2016 (BOOM-rapport). In het met dagtekening 15 juli 2019 aan belanghebbende gezonden voornemen tot afwijking van de aangifte heeft de Inspecteur uitgaand van een brutoresultaat van € 39.881 en rekening houdend met een bedrag van € 3.176 aan kosten het nettoresultaat berekend op € 36.705.

2.7.

Met dagtekening 23 augustus 2019 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.601, bestaande uit eerdergenoemde uitkering van € 14.896 en inkomsten uit hennepteelt van € 36.705. Tegelijk met de aanslag is aan belanghebbende bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van 50% (€ 6.581). In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur, wederom aan de hand van het zogeheten BOOM-rapport, een nieuwe berekening gemaakt, resulterend in een brutoresultaat van € 42.925 en rekening houdend met een bedrag aan kosten van € 4.871 uitkomend op een nettoresultaat van € 38.051. Nu bij het vaststellen van de aanslag is uitgegaan van een belastbaar resultaat (nettoresultaat) van € 36.705 heeft de Inspecteur vervolgens geconcludeerd dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd en deze in stand gelaten. Voorts heeft de Inspecteur de vergrijpboete gematigd tot 40%, omdat de aanslag is vastgesteld met behulp van een theoretische berekening.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder”:

“11. Vast staat dat op 16 november 2016 een hennepkwekerij is aangetroffen in de door eiser gehuurde woning. Uit de verklaringen van eiser volgt dat de kwekerij met zijn instemming en medewerking daar is opgebouwd in de verwachting dat hij daarmee geld zou verdienen. De rechtbank acht gelet op dit een en ander aannemelijk dat eiser de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het door hem overgelegde “proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij” en de door hem overgelegde aangifte door de fraudespecialist van netbeheerder Stedin voorts aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige jaar in ieder geval is geoogst. De bevindingen van de politiebeambten en de fraudespecialist, zoals de kalkafzetting, de algengroei, de lege cans en flacons met groeimiddelen, het stof op de kappen van de assimilatielampen, en de verkleuring van het koolstoffilter en de resten van hennep op de knipscharen, duiden op een langer gebruik van de hennepkwekerij en in ieder geval één oogst. Daarnaast wordt in de aangifte van de fraudespecialist van Stedin vermeld dat in de periode van 8 juni 2016 tot en met 16 november 2016 op het adres van de huurwoning sprake was van diefstal van energie. Uitgaande van een gemiddelde kweekcyclus van tien weken acht de rechtbank het dan ook aannemelijk dat er in ieder geval één oogst is geweest. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De verklaring van eiser in het proces-verbaal van verhoor dat de hennepkwekerij er niet meer dan drie weken heeft gestaan en zijn stelling dat er niet is geoogst, is - in het licht van hetgeen is aangetroffen - onvoldoende. Eiser heeft hiervoor geen begin van bewijs aangeleverd. Verder acht de rechtbank aannemelijk dat eiser uit die oogst ook inkomsten heeft genoten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser heeft verklaard dat hij duizenden euro’s schuld had en dat hij deze nu aan het aflossen is. De schuld zou nu nog maar€ 1.500 bedragen. Aangezien eiser slechts een bijstandsuitkering geniet van € 700 per maand en daarvan de huur moest betalen en eten en kleding, is aannemelijk dat eiser daarnaast dus een andere bron van inkomen moet hebben gehad waarmee hij de schuld heeft kunnen aflossen.

13. Volgens de aangifte van de fraudespecialist heeft de diefstal plaatsgevonden in de periode van 8 juni 2016 tot en met 16 november 2016. Dat zijn drieëntwintig weken. Gelet op de kweekcyclus van tien weken en het feit dat ten tijde van de ontdekking van de hennepkwekerij er plantjes stonden van ongeveer veertig centimeter, acht de rechtbank niet aannemelijk dat er twee oogsten zijn geweest, ook niet in het geval de aangetroffen plantjes niet als zaadje zijn geplant. Daarvoor acht de rechtbank de periode namelijk net te kort. Nu verweerder de inkomsten heeft gebaseerd op twee oogsten, kan de aanslag in zoverre niet in stand blijven. De rechtbank zal de aanslag daarom verminderen, uitgaande van de berekening die verweerder in zijn uitspraak op bezwaar heeft gehanteerd. Het bruto resultaat wordt dan: 187 planten x één oogst x 28,2 gram x € 4,07 = € 21.462. De kosten heeft verweerder berekend op € 4.871. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder hierin niet te volgen, althans gelet op één oogst de helft daarvan (€ 2.436) in aanmerking te nemen. Het nettoresultaat komt dan uit op € 19.026

14. Voor de stelling van eiser dat er ook een ander bij de hennepkweek was betrokken aan wie dan kennelijk een deel van de inkomsten zouden moeten worden toegerekend, heeft hij nog geen begin van bewijs geleverd. Dat acht de rechtbank wel noodzakelijk om die stelling te kunnen volgen. Dat verweerder de inkomsten geheel aan eiser heeft toegerekend, acht de rechtbank dus juist.

15. Nu de aanslag ib/pvv zal worden verminderd, dient de belastingrente die berekend is over de aanslag dienovereenkomstig te worden verminderd.

16. Aan eiser is op de voet van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd van 50% van de correctie. De boete is na bezwaar verminderd tot 40% (€ 5.264). Ingevolge genoemd artikel kan aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan diens opzet is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, onjuist of onvolledig is gedaan. Onder opzet wordt ook verstaan voorwaardelijk opzet. Het is aan verweerder om (voorwaardelijk) opzet aannemelijk te maken.

17. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser inkomsten heeft genoten uit de teelt van hennep. Het is van algemene bekendheid dat inkomsten als de onderhavige een voordeel vormen dat in de belastingheffing dient te worden betrokken. Met het verzwijgen van de even bedoelde inkomsten heeft eiser dan ook willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat die aangifte onjuist zou zijn. Aldus is sprake van (voorwaardelijk) opzet. De boete is daarom terecht aan eiser opgelegd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de boete is opgelegd in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat eiser zichzelf niet hoeft te incrimineren, betekent niet dat hij de inkomsten niet in de belastingaangifte hoeft te vermelden en voorkomt hier ook niet dat een boete kan worden opgelegd.

18. De rechtbank acht een boete van veertig percent in dit geval passend en ook geboden. Feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om de boete te matigen, zijn gesteld noch gebleken. Wel dient de boete te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de correctie.

19. Eiser heeft gesteld dat in bezwaar te onrechte geen proceskostenvergoeding aan hem is toegekend, terwijl de boete is verminderd tot veertig procent. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat er een proceskostenvergoeding van € 254 is toegekend, maar dat deze is verrekend met een openstaande belastingschuld van eiser. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan deze verklaring van verweerder.

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gecorrigeerd en of de boete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend; de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag conform de aangifte, vernietiging van de beschikking belastingrente en vernietiging van de vergrijpboete.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Het Hof merkt vooraf op dat ter zitting van het Hof is gebleken dat de Inspecteur geen uitspraak heeft gedaan op het bezwaarschrift dat belanghebbende heeft ingediend tegen de aanslag Zvw en de daarbij horende beschikking belastingrente. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur toegezegd alsnog uitspraak op dat bezwaar te zullen doen, conform de uitspraak van het Hof.

5.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat er niet is geoogst en dat hij geen onjuiste opgave heeft gedaan nu er voor hem geen inkomsten uit de hennepteelt zijn geweest. Dit volgt volgens belanghebbende uit het in het dossier aanwezige bewijsmateriaal. De gevonden resten die door de verbalisanten in het proces-verbaal zijn opgesomd zijn logische gevolgen van tweedehands apparatuur. Deze apparatuur, zoals scharen en groeimiddelen, heeft hij gratis over mogen nemen van een kennis. Het stof en de op kalk gelijkende afzettingen en algengroei worden volgens belanghebbende door het eerdere gebruik door derden verklaard. Belanghebbende heeft meer dan twee jaar zonder huis gezeten. In het geval belanghebbende oogsten had gehad en daaruit inkomsten had genoten was dit niet nodig geweest.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat er in ieder geval één oogst is geweest, gelet op de bevindingen die zijn neergelegd in het proces-verbaal en de aangifte van Stedin. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet het tegendeel aannemelijk gemaakt. De verklaringen van belanghebbende daaromtrent zijn daartoe onvoldoende en blijven bij blote stellingen. De vergrijpboete is voorts terecht opgelegd.

5.3.

Het Hof komt in hoger beroep tot dezelfde conclusie als de Rechtbank. Dit betekent dat de beslissingen van de Rechtbank over de aanslag en de beschikkingen juist zijn. Hetgeen belanghebbende ter onderbouwing van het hoger beroep heeft aangevoerd, doet hieraan niet af. Het Hof maakt de oordelen van de Rechtbank en haar overwegingen daartoe tot de zijne en voegt daaraan nog het volgende toe.

5.4.

Het Hof acht volstrekt onaannemelijk dat een (anoniem gebleven) kennis gratis apparatuur, (volgens de verklaring van belanghebbende) dure groeimiddelen en verdere benodigdheden (zoals knipscharen) weggeeft. Door deze gulle gift zou deze onbekende zich ten gunste van belanghebbende de mogelijkheid op aanzienlijke inkomsten laten ontgaan, wat het Hof niet aannemelijk acht. Dat belanghebbende zich geen eigen huis meer kan veroorloven is evenmin een aanwijzing dat belanghebbende niet heeft geoogst. Belanghebbende heeft immers verklaard dat hij aanzienlijke schulden had, waarop hij heeft afgelost. Evenals de Rechtbank acht het Hof de door belanghebbende ontvangen bijstandsuitkering te karig om daarvan zowel in zijn levensonderhoud te voorzien als de schulden af te betalen en acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende om deze schulden af te hebben kunnen lossen, gelijk hij heeft gedaan, ook een andere bron van inkomen moet hebben gehad. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende het door de Rechtbank, aan de hand van de berekening van de Inspecteur en rekening houdend met één oogst uit de hennepteelt, berekende nettoresultaat van € 19.026 heeft genoten.

5.5.

Aan belanghebbende is op de voet van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd van, na de onder 2.7 bedoelde matiging uiteindelijk, 40% (€ 5.264). Belanghebbende heeft de inkomsten uit de hennepteelt niet aangegeven. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende zich met het verzwijgen van deze inkomsten in de aangifte willens en wetens schuldig heeft gemaakt aan het doen van een onjuiste aangifte. Er is dan ook sprake van (voorwaardelijk) opzet. Gelet op de ernst van de gedraging, acht ook het Hof de opgelegde boete van 40% van de IB/PVV die over de geschatte inkomsten uit de hennepteelt verschuldigd is, gelet op de aard van de gedraging, passend en ook, uit een oogpunt van normhandhaving, geboden. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd doet hier niet aan af. Voor het geval belanghebbende, met het in zijn (hoger) beroepschrift en aanvullende stukken benoemen van zijn (vervelende) situatie en financiële omstandigheden, heeft bedoeld dat matiging van de boete wegens die financiële omstandigheden op zijn plaats is, heeft de Inspecteur desgevraagd verklaard geen grond te zien om die reden de boete met toepassing van artikel 7 van het Besluit Bestuurlijke Boeten 1998 nog nader te matigen. Belanghebbende heeft immers wel gesteld dat hij financiële moeilijkheden heeft, maar zijn omstandigheden niet met stukken onderbouwd. Het Hof ziet, gelijk de Inspecteur, nu de door belanghebbende gestelde financiële omstandigheden niet met stukken zijn onderbouwd en derhalve niet inzichtelijk zijn geworden, geen aanleiding de vergrijpboete verder te matigen.

5.6.

De conclusie luidt dat het hoger beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, W.M.G. Visser en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier E.J Nederveen. De beslissing is op 15 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.