Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:783

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
BK-20/00621
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 8, lid 1; art. 9, lid 1 AWR. Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV na herinnering en aanmaning niet tijdig ingediend. Beroep op overmacht.

Omkering en verzwaring bewijslast. Redelijke schatting gelet op omzet BV, inkomen dga van het daarop volgende jaar en de hoogte van het gebruikelijke loon in de zin van art. 12a LB. Niet voldaan aan verzwaarde bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1157
FutD 2021-1542 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1695
NLF 2021/1042 met annotatie van
V-N 2021/30.29.29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00621

Uitspraak van 21 april 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 juli 2020, nummer SGR 20/553.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 ambtshalve een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.000 (aanslag IB/PVV 2016). Bij gelijktijdig gegeven beschik-

kingen is € 1.017 aan belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd van € 369.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 ambtshalve een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016 (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.000 (aanslag Zvw 2016). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 183 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende heeft vervolgens een aangifte IB/PVV 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, die door de Inspecteur is aangemerkt als bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2016. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 48. De Rechtbank heeft het bezwaar- en beroepschrift van belanghebbende tevens aangemerkt als te zijn gericht tegen de aanslag Zvw 2016. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 131. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, door hem aangeduid als verweerschrift.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 maart 2021, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is wel, maar belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 26 februari 2021 aan het adres [adres] te [woonplaats] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie is de vorenbedoelde brief op 27 februari 2021 op het voormelde adres uitgereikt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende woont sinds 28 september 2010 op het adres [adres] in [woonplaats] . Van 28 september 2010 tot en met 12 juni 2015 stond de ex-partner van belanghebbende, [A] (de ex-partner), eveneens op dit adres ingeschreven.

2.2.

Belanghebbende was in 2016 alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B. B.V.] (de BV). De BV is opgericht op 8 oktober 2015 en op 7 mei 2019 in staat van faillissement verklaard. De bedrijfsactiviteiten van de BV bestonden volgens de Kamer van Koophandel uit “Koeriers, pakketdiensten en mediabezorging”.

2.3.

De BV heeft aangifte vennootschapsbelasting gedaan voor de periode oktober 2015 tot en met december 2015. Voor de jaren 2016 tot en met 2018 is geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan.

2.4.

Voor de jaren 2016 en 2017 zijn bij de Kamer van Koophandel balansgegevens van de BV bekend. De BV heeft in de aangifte omzetbelasting voor het jaar 2016 een omzet van € 137.724 verantwoord en in de aangifte omzetbelasting voor het jaar 2017 een omzet van € 257.733. In de aangifte loonbelasting voor het jaar 2017 heeft de BV een bedrag van € 49.600 aan loon verantwoord.

2.5.

Tot de stukken van het geding behoort een zogenoemd “Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A FW)” van 5 december 2019 (het faillissementsverslag). Blijkens het faillissementsverslag heeft de BV in de genoemde jaren de volgende omzetten en winsten/verlies behaald:

Omzet Winst/verlies

2015 € 0 € 515 neg.

2016 € 160.219 € 13.083

2017 € 169.025 € 10.757

2018 € 83.841 € 25.599

In het faillissementsverslag is onder het kopje “1.5 Oorzaak faillissement” het volgende opgenomen:

“Volgens opgave van de bestuurder zou de oorzaak van het faillissement het gevolg zijn van een ernstig auto-ongeluk in september 2017. Hierdoor zou de bestuurder niet meer in staat zijn werkzaamheden te verrichten en viel de grootste opdrachtgever weg. Het faillissement is uitgesproken op verzoek van Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg die uit hoofde van onbetaald gelaten (pensioen)premies een bedrag van € 3.230,39

te vorderen heeft.”

Verder is in het faillissementsverslag onder het kopje “6.1. Exploitatie/zekerheden” het volgende opgenomen:

“De bedrijfsactiviteiten waren volgens opgave van de bestuurder reeds vóór datum faillissement gestaakt. Van voortzetting is geen sprake.”

Aanslagregeling belanghebbende voor het onderhavige jaar 2016

2.6.

Aan belanghebbende is bij brief van 28 februari 2017 een uitnodiging gestuurd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016. Belanghebbende heeft op 17 april 2017 om uitstel voor het doen van aangifte IB/PVV 2016 verzocht. De Inspecteur heeft vervolgens uitstel verleend tot 1 september 2017.

2.7.

Bij brief van 22 september 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende een herinnering gestuurd voor het indienen van de aangiften IB/PVV 2016 en Zvw 2016 en daarin een termijn gegeven tot uiterlijk 6 oktober 2017. Bij brief van 3 november 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende aangemaand tot het doen van aangifte uiterlijk op 17 november 2017. De Inspecteur heeft belanghebbende daarbij gewezen op de mogelijkheid van schatting van het inkomen en de mogelijkheid van het opleggen van een boete bij het niet tijdig doen van aangifte door belanghebbende.

2.8.

Met dagtekening 27 maart 2019 zijn aan belanghebbende de aanslag IB/PVV 2016 en de aanslag Zvw 2016 opgelegd.

2.9.

Op 5 april 2019 heeft belanghebbende alsnog een aangifte IB/PVV 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil.

2.10.

De Inspecteur heeft de onder 2.9 bedoelde aangifte in behandeling genomen als bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2016. Bij uitspraak op bezwaar van 10 december 2019 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen die aanslag ongegrond verklaard.

Aanslagregeling belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018

2.11.1.

Op 27 maart 2018 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.600. Het in de aangifte opgenomen inkomen bestaat uit loon van de BV van € 49.600, hetgeen overeenkomt met de bij de Belastingdienst bekend zijnde loongegevens van de BV.

2.11.2.

Bij het beroepschrift in eerste aanleg heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 gevoegd, die dezelfde dag bij de Belastingdienst is ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.000, bestaande uit looninkomsten van de BV van € 24.000.

2.12.1.

Op 29 oktober 2019 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil.

2.12.2.

Bij het beroepschrift in eerste aanleg heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 gevoegd, die dezelfde dag bij de Belastingdienst is ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.000, bestaande uit looninkomsten van de BV van € 12.000.

Aanslagregeling ex-partner voor het jaar 2016

2.13.

De ex-partner heeft op 7 november 2018 aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Bij het beroepschrift in eerste aanleg heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2016 van haar ex-partner gevoegd, die dezelfde dag bij de Belastingdienst is ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000. Het in de aangifte opgenomen inkomen bestaat uit looninkomsten van € 40.000 met een loonheffing van € 0 van [C] . Bij de Belastingdienst zijn van de ex-partner voor het jaar 2016 geen loongegevens bekend.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“10. Hoewel verweerder de ingediende aangifte van 5 april 2019 formeel alleen heeft aangemerkt als te zijn gericht tegen de aanslag IB/PVV 2016 en in de uitspraak op het bezwaarschrift ook alleen die aanslag wordt genoemd, gaat hij er in het verweerschrift vanuit dat het bezwaar- en beroepschrift ook tegen de Zvw 2016 is gericht reeds omdat wijzigingen op de aanslag IB/PVV 2016 gevolgen hebben voor de Zvw 2016. De rechtbank zal verweerder daarin volgen en zich dus ook uitlaten over de aanlag [aanslag, Hof] Zvw 2016.

11. Vaststaat dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het in de bezwaarfase alsnog indienen van een aangifte maakt dit niet anders. Dit leidt ingevolge artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (Awr) tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat betekent dat de aanslag geacht wordt juist te zijn, tenzij eiseres overtuigend aantoont dat deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

12. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder niet van zijn verplichting de aanslag te baseren op een redelijke schatting. Verweerder heeft op grond van artikel 12a, eerste lid van de Wet LB een gebruikelijk loon van € 45.000 vastgesteld. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat eiseres geheel 2016 enig aandeelhouder is van [B. B.V.] en daarvoor ook arbeid heeft verricht. Het bedrag van € 45.000 heeft hij gebaseerd op het normbedrag aan gebruikelijk loon van € 44.000, de door [B. B.V.] in dat jaar gerealiseerde omzet en het door eiseres in 2017 genoten salaris van € 49.600 bij een - blijkens het faillissementsverslag - overeenkomstige omzet als in 2016. Daarmee berust de aanslag naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting.

13. Eiseres heeft verklaard dat zij niets van [B. B.V.] heeft ontvangen en dat haar ex-partner de kosten voor de huur en het levensonderhoud heeft betaald. De rechtbank stelt allereerst vast dat de toepassing van artikel 12a van de Wet LB inhoudt dat het loon van een aanmerkelijk belanghouder die arbeid verricht voor zijn BV (de digra) wordt vastgesteld op een in die bepaling opgenomen hoogte (het gebruikelijk loon). Of de digra daadwerkelijk loon uit de BV heeft ontvangen speelt bij de toepassing van die bepaling dus geen rol. De achtergrond daarvan is - onder meer - om te bewerkstelligen dat voor de digra, die niet daadwerkelijk loon vanuit de BV ontvangt, een adequate beloning uit de BV wordt vastgesteld om daarmee te voorkomen dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van inkomensafhankelijke regelingen. De bewijslast dat er aanleiding is een lager loon in aanmerking te nemen rust op grond van artikel 12a van de Wet LB reeds op eiseres, maar gelet op de in deze zaak aan de orde zijnde verzwaring van de bewijslast dient zij dat ook nog eens aan te tonen. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft zij niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres zonder enige toelichting of nadere onderbouwing in beroep wederom nieuwe aangiften inbrengt van haar en haar ex-partner met wederom andere in aanmerking te nemen belastbare inkomens uit werk en woning.

Nog daargelaten dat het – gelet op het vorenstaande – voor de toepassing van de bepaling niet relevant is of de ex-partner van eiseres de kosten voor de huur en het levensonderhoud heeft betaald en eiseres die stelling overigens evenmin heeft onderbouwd met objectief verifieerbare gegevens, stelt de rechtbank vast dat [B. B.V.] in 2016 een omzet heeft behaald van € 160.219 en eiseres in 2017 nog een loon heeft genoten van € 49.600 bij een omzet van € 169.025. In dat licht bezien heeft eiseres met hetgeen zij heeft gesteld niet aangetoond dat het gebruikelijk loon niet op het wettelijk uitgangspunt, maar op een lager bedrag moet worden vastgesteld. De rechtbank gaat verder voorbij aan de stelling van eiseres – wat daar verder ook van zij – dat het loon in 2017 onjuist is en dus niet tot uitgangspunt kan dienen, omdat zij ook dat niet nader heeft onderbouwd.

14. Gelet op bovenstaande is het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2016 ongegrond. Dat betekent dat het beroep inzake de aanslag Zvw 2016 eveneens ongegrond is.

15. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikkingen belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslagen volgt.

16. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de verzuimboete. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft weersproken dat zij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging, herinnering en aanmaning om (tijdig) een aangifte IB/PVV en Zvw 2016 in te dienen. Eiseres heeft in haar bezwaar- en beroepschrift in het geheel geen gronden aangevoerd tegen de verzuimboete. De rechtbank stelt tevens vast dat niet gesteld of gebleken is van afwezigheid van alle schuld. Verweerder heeft derhalve op grond van artikel 67a van de Awr in verbinding met paragraaf 21, zesde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst terecht een verzuimboete opgelegd van € 369. De rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de aanslagen IB/PVV 2016 en Zvw 2016 en de gelijktijdig daarmee gegeven beschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of het niet (tijdig) doen van de vereiste aangifte leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast en, zo ja, of de aanslagen berusten op een redelijke schatting. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen tot nihil, tot vernietiging van de gelijktijdig gegeven beschikkingen inzake de

belastingrente en de boete en tot vergoeding van de door belanghebbende in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Beroep op overmacht en niet tijdige aangifte

5.1.1.

Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen binnen een door de inspecteur gestelde termijn (artikel 8, lid 1, in verbinding met artikel 9, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)).

5.1.2.

Vast staat dat de Inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte voor het onderhavige jaar en belanghebbende daartoe vervolgens heeft herinnerd en aangemaand. Verder staat vast dat de uiterste termijn voor het doen van aangifte verstreek op 17 november 2017 en dat belanghebbende binnen die termijn geen aangifte heeft ingediend. De aanslagen IB/PVV 2016 en Zvw 2016 zijn door de Inspecteur vastgesteld op 27 maart 2019. Pas na het opleggen van die aanslagen – op 5 april 2019 – heeft belanghebbende de aangifte ingediend.

5.1.3.

Belanghebbende heeft een beroep op overmacht gedaan en stelt in dit verband, zo begrijpt het Hof, dat zij wegens de gevolgen van een ernstig auto-ongeluk en de daarbij opgelopen whiplash niet in staat is geweest om tijdig aangifte te doen. Zij was zelf niet in staat tot het voeren van een uitgebreide administratie en had bovendien niet de beschikking over de administratie die haar toenmalige boekhouder voerde en weigerde af te geven omdat belanghebbende de kosten van de boekhouder niet meer kon betalen.

5.1.4.

Het beroep op overmacht verwerpt het Hof. Blijkens de inhoud van het faillissementsverslag, waarin belanghebbendes eigen verklaring is opgetekend, heeft het auto-ongeluk plaatsgevonden in september 2017. De termijn voor het doen van aangifte liep in eerste instantie tot 1 september 2017, vervolgens na herinnering tot 6 oktober 2017 en tot slot, na aanmaning, tot 17 november 2017. Belanghebbende (en/of haar boekhouder) was (waren), gelet op het namens haar gevraagde uitstel voor het doen van aangifte, op de hoogte van de noodzaak van het tijdig doen van aangifte en de termijn die daarvoor verleend was. Het had dan ook op de weg van belanghebbende gelegen om voor de periode dat zij ten gevolge van het auto-ongeluk niet of verminderd in staat was te voldoen aan haar fiscale verplichtingen, een vervanger of vertegenwoordiger te zoeken die haar zaken tijdig en afdoende zou behartigen. Door dit na te laten is de niet tijdige indiening van de aangifte aan belanghebbende toe te rekenen. Hier doet niet aan af dat de toenmalige boekhouder de werkzaamheden voor belanghebbende heeft gestaakt. Namens belanghebbende had door een door haar aangewezen vervanger/vertegenwoordiger, onder opgaaf van redenen, nogmaals uitstel gevraagd kunnen worden of de aangifte ingediend kunnen worden. Het Hof merkt daarbij nog op dat belanghebbende niet heeft gesteld niet in staat te zijn geweest een vervanger of vertegenwoordiger aan te wijzen.

5.1.5.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat belanghebbende niet de vereiste aangifte IB/PVV 2016 heeft gedaan. Deze omstandigheid leidt op grond van artikel 27e,

lid 1, in samenhang met artikel 27h, lid 2, AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

Redelijkheid schatting

5.2.1.

Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de Inspecteur gehouden is uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:

2013:BX7184, BNB 2013/181). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, BNB 2006/134). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181).

5.2.2.

De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslagen een inkomen uit de BV van € 45.000 in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft hierbij acht geslagen op de door de BV gerealiseerde omzet in 2016 en het door de BV betaalde loon in 2017. Verder heeft de Inspecteur het gebruikelijke loon als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) van een werknemer die arbeid verricht voor een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 2001 bezit, in aanmerking genomen. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank in r.o. 12 op goede gronden heeft geoordeeld dat de aanslagen op een redelijke schatting berusten en sluit zich daarbij aan.

Verzwaard tegenbewijs

5.3.1.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of belanghebbende met hetgeen zij naar voren heeft gebracht overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen naar een te hoog inkomen zijn vastgesteld.

5.3.2.

Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat de boekhouder in de balans en jaarstukken van de BV weliswaar het reguliere DGA jaarsalaris (het gebruikelijke loon) aangehouden heeft, maar dat dit bedrag niet door belanghebbende is ontvangen.

5.3.3.

Zoals de Rechtbank heeft overwogen, houdt de toepassing van artikel 12a Wet LB 1964 in dat het loon van een aanmerkelijkbelanghouder die arbeid verricht voor zijn BV, wordt vastgesteld op een in die bepaling vastgesteld bedrag (het gebruikelijke loon). Of daadwerkelijk loon uit de BV is ontvangen speelt bij de toepassing van die bepaling geen rol. Het doel van deze regeling is immers – onder meer – te bewerkstelligen dat een adequate beloning uit de BV wordt vastgesteld voor de aanmerkelijkbelanghouder die niet daadwerkelijk loon uit de BV ontvangt, en aldus oneigenlijk gebruik van inkomensafhankelijke regelingen te voorkomen.

5.3.4.

De bewijslast dat het gebruikelijke loon lager is dan het in artikel 12a, lid 1, Wet LB 1964 opgenomen bedrag rust reeds op belanghebbende, maar die bewijslast is, gelet op hetgeen onder 5.1.5 is overwogen, verzwaard. Belanghebbende dient in het onderhavige geval daarom overtuigend aan te tonen dat het in aanmerking genomen bedrag van € 45.000 te hoog is. Evenals de Rechtbank (r.o. 13, tweede alinea) is het Hof van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft gesteld en aangevoerd dit niet heeft aangetoond, laat staan overtuigend aangetoond. Het Hof heeft daarbij de door de BV behaalde omzet in 2016 en het door de BV in 2017 verantwoorde loon bij een vergelijkbare omzet in aanmerking genomen. Niet relevant is of de ex-partner kosten van de huishouding heeft betaald. In hoger beroep heeft belanghebbende haar stelling dat de ex-partner in de kosten van haar levensonderhoud heeft voorzien, aangevuld en betoogd dat vrijwel alle inkomsten van de BV daadwerkelijk zijn aangewend om de onderneming van de BV overeind te houden. Ook dit laatste is echter in het kader van de vaststelling van het gebruikelijke loon niet relevant. Het Hof gaat om die reden voorbij aan het door belanghebbende in haar hogerberoepschrift gedane bewijsaanbod.

Belastingrente

5.4.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

Verzuimboete

5.5.1.

De Inspecteur heeft met toepassing van artikel 67a AWR, in verbinding met paragraaf 21, lid 6, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB), een verzuimboete van € 369 aan belanghebbende opgelegd.

5.5.2.

Vast staat dat belanghebbende de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 niet tijdig heeft ingediend. Ingevolge paragraaf 4, lid 1, BBBB 1998 legt de Inspecteur in geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (avas) geen boete op. Voor zover belanghebbende met haar beroep op overmacht heeft bedoeld te stellen dat in het kader van de beboeting sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, faalt die stelling gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1.4. De Inspecteur heeft terecht de onderhavige boete opgelegd en het Hof acht deze verzuimboete, mede in het kader van norminscherping, passend en geboden.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door I. Reijngoud, F.G.F. Peters en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 21 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.