Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:771

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
200.267.541/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; risico verzwaring; drugslaboratorium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 4, p. 188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.267.541/01

Rolnummer rechtbank : C/09/561005 / HA ZA 18-1020

arrest van 11 mei 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. E.J.H. Reitsma te Vught,

tegen

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Nationale-Nederlanden,

advocaat: mr. M. de Haan te Den Haag.

Het verloop van de procedure in hoger beroep

Bij exploot van 30 augustus 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag, team handel, tussen partijen gewezen vonnis van 5 juni 2019. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] zeven grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met een productie) heeft Nationale-Nederlanden de grieven bestreden. Ter terechtzitting van 25 januari 2021 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht, waarbij van de zijde van [appellant] pleitaantekeningen zijn overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Tenslotte is een datum voor arrest bepaald.

Feiten

1. De rechtbank heeft in het vonnis van 5 juni 2019 een aantal feiten vastgesteld, waarvan de juistheid in hoger beroep niet is bestreden. Ook het hof gaat daarom van die tussen partijen vaststaande feiten uit.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

( i) [appellant] is eigenaar van een woning met een daarachter gelegen loods aan de [adres] in [plaats] . [appellant] gebruikte voor zijn eenmanszaak, [eenmanszaak] , het vanuit de woning bezien voorste deel van de loods als garage en werkplaats. Het achterste deel van de loods is voorzien van een eigen toegangs(garage)deur en verhuurde [appellant] , met medeweten van Nationale-Nederlanden, aan een ander autobedrijf. In de loop van 2016 is aan deze huursituatie een einde gekomen.

(ii) Op 14 maart 2017 is brand ontstaan in het achterste gedeelte van de loods. Hierdoor is de gehele loods en inventaris verloren gegaan.

(iii) De loods en inventaris waren sinds 2011 via een tussenpersoon voor onder meer brandschade verzekerd bij Nationale-Nederlanden. Op de verzekeringsovereenkomsten zijn de polisvoorwaarden P.G.3 – Perfect Gebouwen verzekering (gebouwen) en P.Z.9 Perfect zakenverzekering (goederen/inventaris) van toepassing. Op beide polisbladen staat als bestemming vermeld: Autobedrijf (In- en verkoop).

(iv) Expertisebureau CED heeft in opdracht van Nationale-Nederlanden onderzoek verricht naar de brand en EMN heeft de schade vastgesteld. Namens [appellant] is [contra-expert] ingeschakeld als contra-expert. [appellant] heeft op 16 maart 2017 en 29 maart 2017 verklaringen afgelegd aan de expert van CED. Hiervan zijn verslagen gemaakt. [appellant] heeft deze verslagen voor akkoord getekend. Hij heeft tegenover CED onder meer verklaard dat hij het achterste deel van de schuur sinds 1 januari 2017 verhuurde aan [huurder] voor zijn handel in vrieskisten en ijskasten.

( v) De plaatselijke politie en de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) hebben direct na de brand ook onderzoek gedaan en hun bevindingen vastgelegd in processen-verbaal van 24 april 2017 en 27 maart 2017. Het proces-verbaal van het LFO bevat onder meer de volgende passages:

Omschrijving locatie

Ik zag dat loodrecht op dit deel van het garagebedrijf zich, over de gehele breedte van het bedrijfsterrein, het andere deel van het garagebedrijf bevond. Dit deel was volgens opgave verhuurd aan een persoon die “handelde in diepvrieskisten”. Ik zag dat het rechtse deel [V] van dit deel van het bedrijf was voorzien van een sectionaal garagedeur met daarnaast een toegangsdeur. Ik zag dat achter deze ingestorte garagedeur 12 sterk door de brand aangetaste diepvrieskisten, 6 gascilinders en een groot aantal door de brand aangetaste en lekkende jerrycans stonden. Verder zag ik dat in dit deel van het garagebedrijf een doorgang naar het linkerdeel [L] aanwezig was. (…). Bij de verkenning werd door ons in het linker deel [L] 2 of 3 sterk door de brand aangetaste (druk)ketels en een gascilinder aangetroffen (…).

Vermoedelijk bevond zich in dit deel [L] van het pand een productieplaats tbv de vervaardiging van MDMA mbv drukreactieketels.

(…)

Garagedeel [V] (…)

Deze ruimte was vermoedelijk ingericht en gebruikt voor de kristallisatie van MDMA-base in MDMA-hydrochloride (zout) en de opslag van jerrycans met (kristallisatie) afval en hulpstoffen [zoutzuur, aceton en methanol]. In deze ruimte werden door ons vijf 50 liter waterstofgascilinders en één 50 liter methylamine gascilinder, ruikend naar methylamine aangetroffen. In deze ruimte stonden tevens 12 diepvrieskisten welke vermoedelijk gebruikt waren ten behoeve van de genoemde kristallisatie van MDMA-base. Wij zagen dat deze diepvrieskisten met behulp van verlengsnoeren aangesloten waren op het elektriciteitsnetwerk. (...). Wij zagen dat in de looppaden ook een aantal jerrycans (o.a. zoutzuur) stonden. (…). Verder zagen wij dat in deze ruimte houten frames met kippengaas lagen. Ambtshalve is ons bekend dat deze gebruikt worden voor het filteren van de kristallen uit een vloeistof (kristallisatiemengsel met kristallen MDMA).

In dit deel van het pand stonden, direct achter de garagedeur aan de rechterkant, ongeveer 100 sterk door de brand aangetaste jerrycans met zoutzuur, methanol en vervuild aceton (kristallisatieafval). (…).

Voorlopige interpretatie LFO

De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typisch goederen en chemicaliën welke aangetroffen worden op locaties waar synthetische drugs vervaardigd of bewerkt worden. In het garagedeel [L] zijn namelijk 2 drukreactieketels en een destillatieketel aangetroffen. In het garagedeel [V] zijn namelijk 12 diepvrieskisten, waterstofgascilinders, een methylamine gascilinder, en een groot aantal jerrycans gevuld met onder andere zoutzuur, methanol, aceton, vervuilde aceton, (kristallisatieafval) aangetroffen. Vermoedelijk is op deze locatie op grote schaal MDMA vervaardigd volgens de verhoogde druk methode (reductieve animering) waarna de ter plaatse vervaardigde MDMA-base met behulp van diepvrieskisten is omgezet (kristalliseren) in MDMA-hydrochloride (indicatief aangetoond).”

(vi) Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft het door LFO aangeleverde onderzoeksmateriaal onderzocht en daarin de aanwezigheid van MDMA bevestigd. Daarvan is op 21 april 2017 een rapport opgemaakt.

(vii) [appellant] heeft in de nacht van de brand om 23.17 een verklaring tegenover de politie afgelegd. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat onder meer:

“Ik was weg ten tijde van de brand. Toen ik hier aan kwam kwamen de vlammen uit het dak.”

(viii) In het door [appellant] voor akkoord ondertekende verslag van de verklaring die hij op 16 maart 2017 tegenover CED heeft afgelegd staat onder meer:

“Op het moment van het ontstaan van de brand waren mijn vrouw en onze twee kinderen thuis. Ik kwam van mijn broer terug toen ik de vlammen bij de loods zag. Op dat moment was de brandweer nog niet gearriveerd. (…)”

(ix) In het door [appellant] voor akkoord ondertekende verslag van de verklaring die hij op 29 maart 2017 tegenover CED heeft afgelegd staat onder meer:

“Bij het lezen van de eerste verklaring merkte ik dat ik u niet juist heb geïnformeerd. (…) Ik kan (…) niet verklaren waarom ik u (…) niet juist heb geïnformeerd. Het kan zijn dat het te maken heeft met mijn ziekte. Ik heb de Q-koorts nu een jaar onder de leden. (…).

De juiste lezing is het volgende.

Kort voordat wij constateerden dat er brand was, sliep ik op de bank in de woonkamer. Ik werd wakker door het open klappen van het hek, rechts van ons woonhuis (…). Ik liep via de voordeur naar buiten (…). Ik zag dat uit de loods, in gebruik bij [huurder] , vlammen en rook kwam. Ik ben daarna als een gek, als een haas, naar binnengegaan. (…)

Vervolgens heb ik geprobeerd om met onze vaste telefoon het alarmnummer te bellen. Deze stond in de keuken. Ik kreeg echter geen verbinding. Ik wist even niet waar mijn mobiele telefoon in de bijkeuken lag. In de hectiek, paniek, heb ik eroverheen gekeken. (…). In de bijkeuken lag op het aanrecht wel de sleutel van mijn bus, merk Volkswagen (…). Ik pakte de autosleutel en ben daarna naar mijn Volkswagen gegaan. Die stond achter op ons terrein nabij mijn kantoor, dus achter de hekken. Ik ben als een gek van het terrein gereden. (…). Ik weet dat op de hoek van [straat 1] en [straat 2] een politiebureau staat. Bij het politiebureau ben ik gestopt met als doel te vertellen dat er bij mij een brand was. Het politiebureau bleek echter gesloten te zijn.

Ik ben vervolgens doorgereden naar mijn broer [broer] (…). Dat is ongeveer 5 á 7 minuten rijden van mijn woning. Ik heb [broer] ingelicht en gevraagd de hulpdiensten te informeren. Ik ben toen direct weer teruggereden (…) naar mijn huis. Toen ik kwam aanrijden was er al een voertuig van de brandweer (…).

Later begreep ik dat onze dochter [dochter] in mijn afwezigheid met haar mobiele telefoon naar het alarmnummer 112 had gebeld. (…). Het is gewoon een black-out geweest waardoor ik handelde zoals ik heb gedaan. (…).

Het vorenstaande had ik de vorige keer al aan u moeten vertellen.”

(x) De (gelijkluidende) artikelen 9 respectievelijk 8 van de polisvoorwaarden P.G. 3 (gebouwen) en P.Z. 9 (goederen/inventaris) luiden voor zover van belang als volgt:

Artikel 9 Verplichtingen van de verzekerde

Verzekerde is op straffe van verlies van zijn rechten uit de polis verplicht:

(…)

b. de maatschappij zo spoedig mogelijk alle van belang zijnde gegevens en bescheiden te verstrekken;

(…)

d. desverlangd een schriftelijke en door hem zelf ondertekende verklaring omtrent de oorzaak, toedracht en omvang van de schade aan de maatschappij te overleggen;

(…)

f. zijn volle medewerking aan de schaderegeling te geven en zich te onthouden van alles wat de belangen van de maatschappij zou kunnen schaden.

(xi) De artikelen 24 en 26 van de polisvoorwaarden P.G. 3 en 22 en 24 van de polisvoorwaarden P.Z. 9 zijn, voor zover relevant, gelijkluidend en luiden als volgt:

“Artikel 24 Risicowijziging

Verzekeringnemer is verplicht zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee maanden, schriftelijk aan de maatschappij kennis te geven van:

a. wijziging van gebruik, bouwaard of dekking van het gebouw, zoals op het polisblad omschreven;

b. het feit dat het gebouw

- geheel of grotendeels leeg komt te staan en/of

- buiten gebruik is gedurende een aaneengesloten periode die (naar verwachting) langer dan twee maanden zal duren en/of

- geheel of gedeeltelijk wordt gekraakt,

tenzij verzekeringnemer aannemelijk maakt dat hij van het optreden van een van de genoemde wijzigingen niet op de hoogte was en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn.

Artikel 26 Opschorting na risicowijziging

a. Verzuimt verzekeringnemer tijdig aan de maatschappij kennis te geven volgens het in artikel 24 bepaalde, dan wordt onmiddellijk na het verstrijken van de daar genoemde termijn van twee maanden de dekking opgeschort, tenzij de verzekering ook na kennisgeving op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde of lagere premie zou zijn voortgezet.

Verzekeringnemer blijft ook in geval van opschorting verplicht de premie, kosten en assurantiebelasting te voldoen.

Indien de maatschappij de verzekering zou hebben voortgezet op andere voorwaarden en/of tegen een hogere premie, dan wordt de dekking hiervoor van kracht onmiddellijk nadat partijen voortzetting op nieuwe voorwaarden en/of tegen gewijzigde premie zijn overeengekomen.

b. Indien schade ontstaat terwijl de dekking is opgeschort, zal, op voorwaarde dat voortzetting alsnog is overeengekomen, worden gehandeld alsof de dekking volgens de nieuwe voorwaarden reeds ten tijde van de schade van kracht was; de eventuele schade uitkering zal dan echter worden berekend in dezelfde verhouding als de vóór de opschorting geldende premie staat tot de ná de aanpassing geldende premie als die hoger is.”

(xii) Nationale-Nederlanden heeft geweigerd de schade aan de opstal en de inventaris/goederen uit te keren.

De procedure bij de rechtbank

3. [appellant] heeft in conventie, na vermindering van eis, gevorderd Nationale-Nederlanden, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:

- tot betaling aan [appellant] uit hoofde van de tussen partijen gesloten

verzekeringsovereenkomsten, van de schade als gevolg van de brand op 14 maart 2017, een

en ander overeenkomstig de toepasselijke polisvoorwaarden, te vermeerderen met

de wettelijke (handels)rente daarover vanaf 14 maart 2017;

- tot betaling van een bedrag van € 3.050,-- aan buitengerechtelijke kosten, en

- de proceskosten, waaronder de nakosten.

4. [appellant] heeft, kort gezegd, aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat hij op grond van de verzekeringsovereenkomsten recht heeft op vergoeding van de door de brand aan de loods en de inventaris ontstane schade, en dat Nationale-Nederlanden ten onrechte weigert om deze schade te vergoeden.

5. Nationale-Nederlanden heeft in reconventie, kort gezegd, gevorderd dat [appellant] wordt

veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 18.724,94, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen, alsmede tot betaling van

de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6. Nationale-Nederlanden heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat er sprake is geweest van een voor de verzekeringen relevante risicowijziging, en dat indien [appellant] de risicowijzigingen tijdig zou hebben gemeld de verzekeringen al voor de brand zouden zijn beëindigd. Door de schending van deze meldplicht heeft Nationale-Nederlanden schade geleden in de vorm van onderzoekskosten, bestaande uit de kosten van de expertises en de contra-expertise.

7. Nationale-Nederlanden en [appellant] hebben deze vorderingen over en weer gemotiveerd

betwist.

8. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen. De rechtbank

heeft geoordeeld dat Nationale-Nederlanden terecht de aanwezigheid van een

drugslaboratorium in de loods aan [appellant] heeft tegengeworpen. De rechtbank heeft dit oordeel, kort gezegd, als volgt uitgelegd.

- De stelling van [appellant] dat sprake is van niet meer dan een vermoeden van een

drugslaboratorium en dat bovendien niet blijkt dat het drugslaboratorium in de loods heeft

gefunctioneerd is, onder verwijzing naar het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant van

24 april 2017 met bijlagen (foto’s), het proces-verbaal van het LFO van 27 maart 2017 met

bijbehorende foto’s en het rapport van het NFI, verworpen. (r.o. 4.3)

- [appellant] heeft niet weersproken dat de aanwezigheid van het drugslaboratorium een relevante wijziging is van het gebruik van een substantieel deel van de loods, die met een aanzienlijke (voor Nationale-Nederlanden niet acceptabele) risicoverzwaring gepaard ging. Dit had [appellant] Nationale-Nederlanden moeten melden, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij van deze wijziging niet op de hoogte was en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn. Dat dit het geval is geweest heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op de in r.o. 4.5 genoemde feiten en omstandigheden, en verder nog geoordeeld dat als [appellant] niet wist wat zich in dat deel van de loods afspeelde hij in elk geval voldoende aanleiding had om zich daarvan als verhuurder - en richting Nationale-Nederlanden als verzekerde – op de hoogte te stellen, zodat hij het redelijkerwijs had moeten weten. De rechtbank heeft bij haar oordeel op dit punt verder nog betrokken dat [appellant] aanvankelijk onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid ten tijde van het ontstaan van de brand. (r.o. 4.5 en 4.6).

- Het is zonder meer aannemelijk dat Nationale-Nederlanden de verzekering niet zou hebben

voortgezet wanneer [appellant] haar op de hoogte zou hebben gesteld van de aard van het

gewijzigde gebruik. Daarom waren de verzekeringen op de voet van de artikelen 24 en 26

van de polisvoorwaarden met ingang van 1 maart 2017 opgeschort en was er dus op het

moment van de brand geen dekking. (r.o. 4.6).

9. De vordering in reconventie is toegewezen tot een bedrag van € 12.067,61, met rente.

De vorderingen in hoger beroep

10. [appellant] heeft in hoger beroep gevorderd om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Nationale-Nederlanden in conventie te veroordelen aan [appellant] te voldoen:

I. uit hoofde van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomsten de schade als gevolg van de brand van 14 maart 2017, met inachtneming van de tijdens de zitting van 5 april 2019 gedane eiswijziging, een en ander op te maken bij staat;

II. de buitengerechtelijke kosten, te begroten op circa € 3.050,-- en

III. de wettelijke (handels)rente vanaf het moment dat Nationale-Nederlanden met de schade-uitkering in verzuim is, dan wel vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum, tot aan het moment van algehele voldoening.

Verder heeft [appellant] gevorderd dat het hof de vorderingen in reconventie van Nationale-Nederlanden alsnog zal afwijzen, en dat Nationale-Nederlanden zal worden veroordeeld in de proceskosten in de beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

11. Nationale-Nederlanden heeft het hof verzocht bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen – al dan niet onder verbetering van gronden - en [appellant] , kort gezegd, te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.

Beoordeling van het hoger beroep

12. Het hof gaat er van uit dat het verzoek van [appellant] tot verwijzing naar de schadestaatprocedure op een vergissing berust. In de eiswijziging bij de rechtbank, waarnaar in het petitum van de memorie van grieven wordt verwezen, is de eis gewijzigd in die zin dat “een en ander op te maken bij staat” vervalt en in plaats daarvan gelezen moet worden: “een en ander overeenkomstig de toepasselijke polisvoorwaarden” (proces-verbaal comparitie van partijen, blz 5, randnummer 10). Het hof gaat er derhalve van uit dat [appellant] bedoelt om het hof te verzoeken om in hoger beroep zijn gewijzigde eis, zoals in het vonnis van de rechtbank is weergegeven, alsnog toe te wijzen.

13. De grieven lenen zich (deels) voor gezamenlijke behandeling.

14. In randnummer 60 van de memorie van grieven heeft [appellant] aangevoerd dat geenszins is komen vast te staan dat er een drugslaboratorium in de loods was gevestigd. Dat er drugsgerelateerde materialen zijn aangetroffen is volgens [appellant] iets heel anders. Grief III is gericht tegen r.o. 4.3 van het vonnis. In de toelichting op deze grief heeft [appellant] kenbaar gemaakt dat hij zijn eerdere stellingen handhaaft dat uit de rapportages van de politie en LFO alleen het vermoeden van de aanwezigheid van een drugslaboratorium kan worden afgeleid. Niet is komen vast te staan, en evenmin is in een strafrechtelijke procedure/onderzoek bewezen, dat sprake was van een drugslaboratorium.

15. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat uit de overgelegde processen-verbaal van de politie en het LFO en het rapport van het NFI blijkt dat in het achterste gedeelte van de loods een werkruimte was ingericht voor het vervaardigen en/of bewerken van MDMA (in andere woorden: een drugslaboratorium). De door [appellant] geopperde mogelijkheid dat de drugsgerelateerde materialen alleen maar lagen opgeslagen in de loods wordt hiermee verworpen. Het hof maakt dit oordeel van de rechtbank tot het zijne.

16. Vervolgens komt de vraag aan de orde of [appellant] ten onrechte heeft nagelaten een (of meer) risicowijziging(en) te melden, waardoor de dekkingen ten tijde van de brand waren opgeschort.

17. In het midden kan blijven of het achterste/rechter gedeelte van de loods, waar de brand heeft plaatsgevonden, in 2016 meer dan twee maanden leeg heeft gestaan nadat de vorige (Poolse) huurder was vertrokken, zoals door Nationale-Nederlanden is betoogd. Ook als dit het geval is geweest heeft [appellant] zijn mededelingsplicht naar het oordeel van het hof op dit punt niet geschonden. Volgens artikel 24 onder b / artikel 22 onder b van de polisvoorwaarden geldt de mededelingsplicht indien het gebouw geheel of grotendeels leeg komt te staan en/of buiten gebruik is gedurende een aaneengesloten periode die (naar verwachting) langer dan twee maanden zal duren. [appellant] heeft gesteld dat niet het hele gebouw maar slechts een derde gedeelte van de loods was verhuurd, en dat hij het overige deel zelf in gebruik had. Dit is op zichzelf genomen door Nationale-Nederlanden niet (gemotiveerd) betwist. Voor zover Nationale-Nederlanden wil betogen dat artikel 24 onder b / artikel 22 onder b moet worden uitgelegd in die zin dat het achterste/rechter gedeelte van de loods als (zelfstandig) gebouw in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt heeft zij dit onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd en gaat dit betoog niet op.

18. De tweede risicowijziging waarop Nationale-Nederlanden zich beroept betreft de (gestelde) verhuur voor de opslag van vrieskisten en koelkasten. [appellant] heeft aangevoerd dat hij het achterste gedeelte van de loods per 1 januari 2017 heeft verhuurd aan [huurder] voor de opslag van vrieskisten en koelkasten. Dit is een wijziging van gebruik, zoals op de polisbladen omschreven, als bedoeld in artikel 24 onder a / 22 onder b van de polisvoorwaarden. [appellant] was verplicht Nationale-Nederlanden zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee maanden, schriftelijk van deze wijziging kennis te geven. Vast staat dat [appellant] niet aan deze verplichting heeft voldaan. Op de voet van artikel 26 onder a / artikel 24 onder a, eerste gedeelte, van de polisvoorwaarden wordt onmiddellijk na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van twee maanden de dekking opgeschort, tenzij de verzekering ook na de kennisgeving onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde of lagere premie zou zijn voortgezet.

19. [appellant] heeft betoogd dat van andere voorwaarden of een hogere premie geen sprake zou zijn geweest, aangezien er geen sprake is van risicoverzwarende omstandigheden bij de opslag van koel- en vrieskisten ten opzichte van het (eerder in dat deel van de loods gevestigde) garagebedrijf. [appellant] , zijn gezin en hond hielden 24 uur per dag toezicht op het terrein. Deze combinatie van toezicht en zeer hoge veiligheidsstandaard ter plekke maakt het volgens [appellant] in hoge mate onwaarschijnlijk dat de opslag van vrieskisten en koelkasten in dit specifieke geval een hoger risico en een hogere premie met zich mee zou hebben gebracht. [appellant] wijst er verder nog op dat hij in hetzelfde gebouw zijn eigen onderneming heeft, en dat de bij het eerder in dat deel van de loods gevestigde autobedrijf gebruikelijke laswerkzaamheden, metaalslijp- en snijwerkzaamheden, waarbij gas en vuur worden gebruikt, bij de opslag van koel- en vrieskisten ontbreken. Kort gezegd, heeft volgens [appellant] in dit geval de opslag van koelkasten en vrieskisten niet geleid tot enige risicoverzwaring voor Nationale-Nederlanden omdat er, anders dan voorheen in het autobedrijf, geen vuurgevaarlijke werkzaamheden plaatsvonden en er continu toezicht was.

20. Nationale-Nederlanden heeft deze stelling betwist. Zij stelt dat in geval van melding door [appellant] van wijziging van het gebruik van een deel van de loods van garagebedrijf naar opslag in koelkasten en vrieskisten de premie en het eigen risico omhoog zouden zijn gegaan. Dit houdt onder meer verband met de omstandigheden dat (i) bij opslag er een groter risico is op een onbeheerde situatie, waardoor het risico op inbraak en het te laat ontdekken van schade (bijvoorbeeld waterschade) wordt vergroot en (ii) dat in tegenstelling tot de eerdere situatie twee verschillende activiteiten op het risico-adres worden uitgevoerd met ieder zijn eigen risico. Nationale-Nederlanden verwijst in dit verband naar de als productie D bij de conclusie van antwoord overgelegde e-mail van haar Sr. Acceptant van 30 november 2018.

21. Het hof overweegt dat de maatstaf die hier geldt is of een redelijk handelend verzekeraar in dit geval de verzekering op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde (of lagere) premie zou hebben voortgezet. Naar het oordeel van het hof is de verklaring van de eigen acceptant van Nationale-Nationale op dit punt onvoldoende overtuigend. Het hof acht een in zijn opdracht te maken deskundigenbericht over dit geschilpunt noodzakelijk. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich, bij voorkeur na onderling overleg, bij akte uit te laten over de naam c.q. namen van (een) te benoemen deskundige(n) en de formulering van de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Het hof is voornemens om aan de deskundige(n) de vraag ter beantwoording voor te leggen of een redelijk handelend verzekeraar bij melding door [appellant] van het feit dat het achterste/rechter gedeelte van de loods was verhuurd voor de opslag van vrieskisten en koelkasten de verzekering op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde (of lagere) premie zou hebben voortgezet.

22. Als deze vraag door de deskundige(n) ontkennend wordt beantwoord, en het standpunt van Nationale-Nederlanden dus wordt onderschreven, was de dekking op grond van artikel 26 onder a / 24 onder a van de polisvoorwaarden per 1 maart 2017 opgeschort. Artikel 26 onder a / 24 onder a (tweede gedeelte) bepaalt dat indien de maatschappij de verzekering zou hebben voortgezet op andere voorwaarden en/of tegen een hogere premie de dekking hiervoor van kracht wordt onmiddellijk nadat partijen voortzetting op nieuwe voorwaarden en/of tegen een gewijzigde premie zijn overeengekomen. Artikel 26 onder b / 24 onder b bepaalt dat indien de schade ontstaat terwijl de dekking is opgeschort – op voorwaarde dat voortzetting alsnog is overeengekomen - gehandeld zal worden alsof de dekking volgens de nieuwe voorwaarden reeds ten tijde van de schade van kracht was. Nationale-Nederlanden heeft met juistheid aangevoerd dat [appellant] in dit geval gezien artikel 26 onder b / 24 onder b alleen nog recht heeft op dekking indien voortzetting van de verzekeringen op basis van nieuwe voorwaarden alsnog is overeengekomen. Het hof volgt Nationale-Nederlanden in haar stelling dat gezien de na de brand geconstateerde situatie, te weten het aantreffen van een drugslaboratorium, daar geen sprake van zal zijn. Dit leidt tot de slotsom dat indien de stelling van Nationale-Nederlanden opgaat dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering bij melding van de verhuur voor de opslag van vrieskisten en koelkasten niet op zelfde voorwaarden en tegen dezelfde (of lagere) premie zou hebben voortgezet, de dekking ten tijde van de brand was opgeschort en er geen recht is op uitkering van de brandschade.

23. Indien echter door de deskundige(n) het standpunt van [appellant] wordt bevestigd dat een melding door [appellant] van de opslag van vrieskisten en koelkasten niet zou hebben geleid tot andere voorwaarden of een hogere premie, dan was de dekking ten tijde van de brand niet op deze grond geschorst en kan deze bestemmingswijziging niet leiden tot afwijzing van de vordering. Het hof zal dan vervolgens de overige geschilpunten beoordelen (waaronder met name de vraag of [appellant] , gelet op de hiervoor genoemde in de polisvoorwaarden vermelde termijn van twee maanden waarbinnen hij een wijziging van het gebruik moest melden, vóór 14 januari 2017 op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de aanwezigheid van een drugslaboratorium in het achterste gedeelte van de loods.)

24. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

Het hof:

  • -

    verwijst de zaak naar de rol van vier weken na heden voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant] met het doel zoals vermeld in rechtsoverweging 21 van dit arrest;

  • -

    bepaalt dat Nationale-Nederlanden hierop twee weken later bij antwoordakte mag reageren;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, J.M.T. van der Hoeven-Oud en C.W.M. Lieverse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.