Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:763

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
200.289.192-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:14013, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

uitlevering van genocideverdachte aan Rwanda; vertrouwensbeginsel; berechting onder de Transfer Law; garanties en monitoren; geen dreigende levensberoving of onmenselijke behandeling; eerlijk proces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.289.192/01
Rolnummer rechtbank : C/09/593230 / KG ZA 20-445

Vindplaats vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2020:14013

Arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

verblijvend in de Penitentiaire Inrichting te [plaatsnaam] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra te Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid en minister voor Rechtsbescherming),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag.

1 Deze zaak in het kort

1. [appellant] is een Rwandees die in Nederland verblijft. De Rwandese autoriteiten hebben verzocht om hem aan Rwanda uit te leveren met het oog op vervolging voor betrokkenheid bij de genocide in 1994. Nadat de uitleveringsrechter dit toelaatbaar had verklaard, heeft de minister besloten [appellant] uit te leveren. [appellant] vraagt in dit kort geding om de uitlevering te verbieden, omdat deze voor hem bijzonder hard zal uitpakken. Hierbij spelen de vragen of hem in Rwanda geen flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces te wachten staat en of hij de voor hem noodzakelijke medische behandeling zal krijgen. Het hof verbiedt de uitlevering met dit arrest niet.

2 Het verloop van dit proces

2. Hoe deze kortgedingprocedure tot op heden is verlopen blijkt uit:

  • -

    het dossier voor de rechtbank Den Haag in dit kort geding dat leidde tot het vonnis van 23 december 2020 (hierna ook: het bestreden vonnis);

  • -

    de spoedappeldagvaarding van 20 januari 2021 van [appellant] , waarin hij met zeven grieven aangeeft waarom hij het niet met dat vonnis eens is, met bijlagen (producties t/m nr. 59);

  • -

    de memorie van antwoord van de Staat;

  • -

    de door [appellant] overgelegde brief van 24 maart 2021 met producties 60 t/m 73;

  • -

    de op 9 april 2021 gehouden mondelinge behandeling en de door beide partijen overgelegde pleitaantekeningen, met één productie van de Staat.

Partijen hebben het hof gevraagd om uitspraak te doen.

3 Feitelijk kader

3. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Partijen hebben die aangevoerd en als zodanig niet ter discussie gesteld.

3.1

[appellant] is geboren in 1949 en heeft de Rwandese nationaliteit. In 2000 heeft hij in Nederland asiel gevraagd, maar niet gekregen. Hij heeft in 2018 een nieuwe asielaanvraag gedaan, maar die is niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep daartegen op 2 maart 2021 ongegrond verklaard.

3.2

[appellant] is in 2011 ongewenst verklaard. Met toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 is zijn uitzetting tot eind 2019 achterwege gelaten, omdat volgens het Bureau Medische Advisering van de van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: het BMA) de voor [appellant] vereiste noodzakelijke medische zorg in Rwanda niet beschikbaar is. Op 26 mei 2020 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) de aanvraag om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet afgewezen. De IND heeft daarbij geoordeeld dat [appellant] geen belang heeft bij een beroep op artikel 64 Vreemdelingenwet, omdat hij zich in een uitleveringsprocedure bevindt en de Staat tijdens de uitleveringsprocedure niet bevoegd is om tot uitzetting over te gaan. [appellant] ’s bezwaar tegen dit besluit is op 16 oktober 2020 ongegrond verklaard.

3.3

De Rwandese autoriteiten hebben in 2010 en opnieuw op 1 augustus 2018 verzocht om de uitlevering van [appellant] ten behoeve van strafvervolging in Rwanda voor genocide, medeplichtigheid aan genocide en misdrijven tegen de menselijkheid, gepleegd in de periode van 7 april 1994 tot en met juli 1994 in Rwanda. Genocideverdachten van wie de vervolging is overgedragen aan Rwanda worden berecht onder het regime van de Rwandese Law relating to the transfer cases to Rwanda (hierna: de Transfer Law) door een speciale kamer van het High Court in Kigali. De Rwandese autoriteiten1 hebben in hun uitleveringsverzoek voor [appellant] garanties gegeven, onder meer ten aanzien van het recht op een eerlijk proces conform de Transfer Law en de beschikbaarheid van medische zorg.

3.4

Op 29 maart 2018 heeft Rwanda schriftelijk (aanvullend) gegarandeerd dat [appellant] na uitlevering in Rwanda medische zorg zal ontvangen.

3.5

Op 23 mei 2019 heeft de uitleveringskamer van de rechtbank de verzochte uitlevering van [appellant] aan de Rwanda toelaatbaar verklaard op basis van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven, de uitleveringswet en het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (hierna: het Genocideverdrag). De rechtbank overwoog dat niet is gebleken van schending van een fundamenteel recht of van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces of van het ontbreken van een effectief rechtsmiddel (een en ander zoals bedoeld in de artikelen 2, 3, 6 en 13 van het EVRM2). De rechtbank kwam tot dit oordeel mede op grond van de monitoringrapporten van de Kenyan Sector van de International Commission of Jurists (hierna: ICJ-Kenya) en de uitspraken van dit hof van 5 juli 2016 over twee uitleveringen door de Staat voor strafvervolging in Rwanda onder de Transfer Law.3 Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de door [appellant] naar voren gebrachte voorbeelden, die voor het merendeel betrekking hadden op zaken die niet onder de Transfer Law vallen. Op dezelfde dag heeft de rechtbank geadviseerd om, net als bij de twee in 2016 door de Staat aan Rwanda uitgeleverde mensen, het proces te doen waarnemen en de waarnemingsrapporten publiek toegankelijk te maken. Daarnaast heeft de rechtbank geadviseerd om zich ervan te vergewissen dat [appellant] in Rwanda voldoende adequate medische zorg zal ontvangen, omdat het uitblijven daarvan tot een schending van artikel 2 of 3 van het EVRM kan leiden.4 Op 28 januari 2020 heeft de Hoge Raad, conform het advies van de Advocaat-Generaal, het cassatieberoep tegen deze uitspraak verworpen.5

3.6

De minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft aan Rwanda gevraagd om bepaalde garanties met betrekking tot adequate medische zorg voor [appellant] na zijn uitlevering. De Rwandese Minister of Health heeft in oktober 2019 een nadere garantie gegeven.

3.7

Bij beslissing van 28 april 2020 heeft de Minister de uitlevering van [appellant] toegestaan. Over deze beslissing gaat dit kort geding.

4 Vorderingen en vonnis

De vordering en het vonnis in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (kort gezegd):
primair:

- de Staat te verbieden hem uit te leveren aan Rwanda,

subsidiair (dus als de voorzieningenrechter dat verbod niet zonder meer geeft):

- de Staat te verbieden hem uit te leveren aan Rwanda zonder dat eerst:

• nader en toereikend onderzoek is gedaan door het BMA naar de aanwezigheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid in Rwanda van a) de benodigde medicatie, b) de juiste dosering daarvan en c) de juiste medische behandeling;

• een nieuwe procedure ex artikel 64 Vreemdelingenwet en de tweede asielaanvraagprocedure beide tot in hoger beroep zijn doorlopen;

• nader en toereikend onderzoek is gedaan naar het levensgevaar dat hij na uitlevering en overbrenging in Rwanda loopt (in het licht van de artikelen 2 en/of 3, 6 en 13 EVRM);

meer subsidiair (als de voorzieningenrechter het voorgaande niet doet):

- de Staat te verbieden hem uit te leveren aan Rwanda zonder het bedingen van nadere toereikende garanties;

nog meer subsidiair (dus als de voorzieningenrechter ook het meer subsidiaire niet doet):

- de behandeling van dit kort geding aan te houden om a) getuigen te doen horen dan wel ander bewijsmateriaal aan te dragen ten bewijze van zijn stellingen en b) inzage te verschaffen in de tussen de Nederlandse en Rwandese autoriteiten gevoerde correspondentie, meer in het bijzonder over de medische situatie in Rwanda;

meest subsidiair (dus als de voorzieningenrechter ook het nog meer subsidiaire niet doet):

- de Staat te verbieden hem uit te leveren aan Rwanda zolang niet is voldaan aan nadere door de voorzieningenrechter te stellen voorwaarden;

uiterst subsidiair (dus als de voorzieningenrechter niets van het voorgaande toewijst):

- in goede justitie een voorziening te treffen;

in alle gevallen op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

4.2

[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat met de uitlevering onrechtmatig handelt, omdat een verdragsgrondslag ontbreekt, uitlevering hem blootstelt aan reële risico’s van schending van zijn rechten uit artikel 2, 3 en 6 EVRM zonder dat een effectief rechtsmiddel openstaat, uitlevering voor hem van bijzondere hardheid is en hij in Nederland kan worden berecht en omdat eerst nog op zijn aanvraag ex artikel 64 Vreemdelingenwet en op zijn asielverzoek moet zijn beslist. De Staat heeft tegen een en ander gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3

De voorzieningenrechter heeft alle vorderingen bij vonnis van 23 december 2020 gemotiveerd afgewezen.

De vordering in hoger beroep

4.4

In hoger beroep heeft [appellant] gevorderd dat het hof zijn vorderingen alsnog zal toewijzen en de Staat zal veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. Hij heeft gemotiveerd aangevoerd waarom het vonnis van de voorzieningenrechter niet juist is. Kort gezegd zien zijn klachten tegen het vonnis op het volgende. De Minister kan niet vasthouden aan het vertrouwensbeginsel (grief 1). [appellant] ’s fundamentele rechten van de artikelen 2, 3 en 6 EVRM zullen in Rwanda grof worden geschonden, waartegen geen effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM openstaat (grieven 2 en 3). De uitlevering is van bijzondere hardheid en getuigt niet van een goede rechtsbedeling (grieven 4 en 5). Toelaatbaarheid van de uitlevering voor ‘misdrijven tegen de menselijkheid’ is een kennelijke misslag (grief 6). [appellant] is ten onrechte in het ongelijk gesteld en in de proceskosten veroordeeld (grief 7).

4.5

De Staat heeft de grieven gemotiveerd bestreden en gevorderd om het vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de daarover verschuldigde wettelijke rente.

5 Beoordeling door het hof

5.1

Het hof zal nu overgaan tot beoordeling van de grieven en daarmee van de vraag of de Minister kon beslissen de uitlevering van [appellant] aan Rwanda toe te staan. Het hof zal dit doen aan de hand van de (deel)onderwerpen waarop de grieven zien.

Vertrouwensbeginsel

5.2

[appellant] heeft aangevoerd dat uit verscheidene rapporten van mensenrechtenorganisaties en uit berichten van toonaangevende media blijkt dat in het huidige Rwanda straffeloosheid voor foltering, moord en verdwijningen heerst. Deze rapporten en berichten laten er volgens [appellant] geen twijfel over bestaan dat er een aanzienlijke kans bestaat op een onmenselijke behandeling in de gevangenis in Rwanda van een ernstig zieke genocideverdachte zoals hij. Het Subcommittee on Prevention of Torture van de Verenigde Naties heeft zijn bezoek aan Rwanda geannuleerd naar aanleiding van maatregelen van de Rwandese autoriteiten in oktober 2017, zoals het beperken van toegang tot detentiefaciliteiten en gebrek aan garanties. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de Staat er – uitgaande van het vertrouwensbeginsel – op mag vertrouwen dat Rwanda de voor [appellant] gegeven garanties zal naleven. Bewijs hiervoor vormen de verschillende producties die [appellant] heeft overgelegd, aldus [appellant] in zijn eerste grief.

5.3

Voor zover [appellant] met deze grief betoogt dat het vertrouwensbeginsel niet geldt, omdat er geen uitleveringsverdrag is en Rwanda ook niet is aangesloten bij het EVRM, is de grief ongegrond vanwege het volgende.

5.4

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 20146 overwogen, kort gezegd, dat staten – dus ook Rwanda en de Staat – op grond van artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht verplicht zijn om het Genocideverdrag in goede trouw uit te voeren, waaronder de bepaling die wederzijdse uitlevering voor berechting van genocideverdachten mogelijk maakt. De Staat moet in beginsel uitgaan van het woord van de verzoekende staat. Dat toezeggingen niet zijn vastgelegd in een uitleveringsverdrag maar in het uitleveringsverzoek zelf, stelt het vertrouwensbeginsel niet buiten toepassing.

5.5

Voor [appellant] heeft Rwanda in het uitleveringsverzoek garanties gegeven die rechten van [appellant] waarborgen. Onder meer is gegarandeerd dat hij gedetineerd wordt in een gevangenis die aan internationale standaarden voldoet (§ 44), dat hij een medische behandeling krijgt die aan de internationale standaarden voldoet (§ 46), dat hij een eerlijk proces krijgt (vanaf § 28) en dat hij het recht van hoger beroep heeft met een volle toetsing ten aanzien van zowel rechten als feiten (§ 36 en 38). Dit betekent dat ten aanzien van fundamentele rechten waarvan [appellant] schending vreest (artikel 2, 3 en 6 EVRM) met de garanties in het uitleveringsverzoek afspraken tussen Rwanda en de Staat zijn gemaakt, waarmee Rwanda zich aan respectering van deze rechten heeft gebonden. Daarnaast is Rwanda aangesloten bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Daarmee heeft Rwanda de plicht, net als bij binding aan het EVRM, om bescherming te bieden aan het recht op leven (artikel 6 IVBPR), de vrijwaring van foltering en van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (artikel 7 IVBPR) en het recht op een eerlijk proces (artikel 14 IVBPR) en heeft Rwanda zich ertoe verbonden om ervoor te zorgen dat iedereen wier verdragsrechten of vrijheden worden geschonden over een effectief rechtsmiddel beschikt (artikel 2 lid 3 IVBPR).

5.6

Gelet op het toepasselijke vertrouwensbeginsel moet de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering van [appellant] als genocideverdachte aan Rwanda alleen dan wijken voor de verplichting om de rechten van [appellant] te verzekeren, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitgeleverde persoon, [appellant] , in geval van uitlevering een reëel gevaar loopt van zijn leven te worden beroofd of te worden onderworpen aan foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (zoals bedoeld in artikelen 2 en 3 EVRM) of indien blijkt dat [appellant] door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een reëel risico van een flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM) en vaststaat dat hem na uitlevering niet een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van de inbreuk.

5.7

[appellant] heeft met zijn grief 1 ook aangevoerd dat er bewijs is dat de garanties en verdragen het respecteren van deze fundamentele rechten door Rwanda niet waarborgen. Dit zal het hof hierna bij de volgende grieven bespreken. De beoordeling van grief 1 gaat (verder) in die bespreking op.

Dreigende schending van de artikelen 2 en/of 3 EVRM

5.8

[appellant] heeft aangevoerd dat hij bij uitlevering te vrezen heeft voor zijn leven en gezondheid en dat dus sprake zal zijn van schending van artikel 2 en/of 3 EVRM, omdat in Rwanda voor hem, als ernstig zieke genocideverdachte, de benodigde medicatie en specialistische behandelaren niet (of niet steeds) beschikbaar zullen zijn. Dat brengt ernstige gezondheidsschade mee en zal zijn dood tot gevolg hebben. Hierop ziet zijn grief 2. Naar het oordeel van het hof is deze grief ongegrond. Daartoe overweegt het hof het volgende.

5.9

Voor het verbieden van de uitlevering op grond van een dreigende schending van artikel 2 en/of 3 EVRM moet vast zijn komen te staan dat sprake is van ‘a real and immediate risk’ (een daadwerkelijke en onmiddellijke dreiging) van levensberoving en/of ‘a real risk’ te worden onderworpen aan foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling met ‘a minimum level of severity’. (De voorzieningenrechter heeft dit ook in zijn vonnis aangegeven en hiertegen is niet gegriefd.)

5.10

Uit de (in dit geding genoemde) jaarrapporten van de World Health Organisation (de WHO) blijkt dat de juiste HIV-behandeling in Rwanda in het algemeen beschikbaar is. Deze algemene informatie wijst erop dat de behandeling en medicijnen die [appellant] nodig heeft, in Rwanda (gratis) beschikbaar zijn, ook in de gevangenissen. Van tekorten wegens het SARS-Cov-2-virus die zodanig groot zijn (en blijven) dat de gevangenisautoriteiten niet meer aan alle noodzakelijke medicijnen kunnen komen, is vooralsnog niet gebleken. In de monitoringrapporten ten aanzien van de twee eerder door Nederland aan Rwanda uitgeleverde personen zijn geen aanwijzingen te vinden dat hun medische zorg tekort zou schieten.

5.11

Het hof acht van doorslaggevend belang dat Rwanda voor [appellant] voldoende specifieke en duidelijke garanties heeft gegeven ten aanzien van de medische zorg die hij na uitlevering zal krijgen – dus de vereiste medicijnen én de nodige medische behandeling. Deze garanties blijken uit het volgende:

- In het uitleveringsverzoek van oktober 2018 is gegarandeerd (in § 46) dat [appellant] de medische zorg zal krijgen die voldoet aan de internationaal erkende standaarden.

- Op 29 maart 2018 heeft Rwanda specifiek voor [appellant] gegarandeerd dat hij de noodzakelijke en nodige medicatie zal ontvangen gedurende zijn detentie. Rwanda heeft daarbij (mede) verwezen naar de verzekering dat [appellant] “the high quality HIV treatment that meets internationally recognised standards” zal ontvangen.

- Nadat de uitlevering toelaatbaar was verklaard, heeft de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) in 2019 nog om de specifieke garantie gevraagd dat [appellant] “will receive the health care necessitated by his medical conditions”. Daartoe heeft hij gevraagd naar de beschikbaarheid van de benodigde medicijnen met informatie over de merknaam, de locatie van uitgifte en de voorwaarden waaronder [appellant] ze zal krijgen, gedurende de rechtszaak en daarna. De Rwandese Minister of Health heeft hierop in oktober 2019 gereageerd met een schriftelijke (aanvullende) garantie. In die garantie staat niet alleen uitvoerige informatie over de aard en beschikbaarheid en de gratis verstrekking (ook in de gevangenis) van de vier verschillende medicijnen die voor [appellant] noodzakelijk zijn, maar is ook expliciet benoemd dat “Like any other Rwandese, Mr [appellant] will receive free HIV medications according to his medical conditions”. Het “according to his medical conditions” kan niet anders betekenen dan dat de medicijnverstrekking overeenkomstig de medische conditie van [appellant] zal zijn.

Met een en ander tezamen heeft Rwanda de specifieke garantie gegeven dat [appellant] de voor hem nodige medische zorg krijgt.

5.12

De Staat mocht aan deze garanties een zwaarder gewicht toekennen dan aan de BMA-adviezen die voor [appellant] in het kader van artikel 64 Vreemdelingenwet waren gegeven. De garanties zijn immers specifiek gegeven voor de detentieomstandigheden waarin [appellant] terechtkomt na zijn uitlevering, terwijl de BMA-adviezen algemener op de situatie in Rwanda (na uitzetting) zagen. De informatie in de garanties gaat daarmee verder dan die in de BMA-adviezen, aangezien de garanties zijn gericht op wat de autoriteiten met wie [appellant] daadwerkelijk te maken zal krijgen, hem aan medische zorg kunnen bieden. Bovendien behelzen de garanties uit hun aard een verzekering voor [appellant] . Het BMA kon niet van enige verzekering uitgaan.

5.13

Om dreigende schending van artikel 2 en 3 EVRM door slechte medische zorg aan te tonen, heeft [appellant] ook een beroep gedaan op de uitspraak van 27 november 2020 van het African Court on Humans and People’s Rights oftewel het Cour Africaine des Droits de l’Homme et des Peuples (hierna: het Afrikaans hof) in de zaak van [naam 1] . [naam 1] is een door Canada uitgeleverde genocideverdachte die is gedetineerd in de Mpanga-gevangenis. In de uitspraak van 27 november 2020 heeft het Afrikaans hof geconstateerd dat het recht van [naam 1] om niet te worden blootgesteld aan een wrede, onmenselijke en vernederende behandeling is geschonden. Dit betreft dus een (recent) geconstateerde schending van de met artikel 2 en/of 3 EVRM overeenstemmende bepalingen van het Afrikaanse mensenrechtenverdrag bij een persoon die na uitlevering gedetineerd is en berecht wordt onder de Transfer Law.

5.14

Met de omstandigheden die tot deze uitspraak over [naam 1] hebben geleid, staat voor dit hof geen reëel en voldoende ernstig risico voor de gezondheid en leven van [appellant] vast. De medische klachten van [naam 1] met betrekking tot schending van de rechten zoals die in Europa worden beschermd door artikel 2 en 3 EVRM waren, zo blijkt uit de uitspraak, dat de voorraad van de door hem gebruikte medicijnen op enig moment op was, dat twee afspraken met artsen zijn afgezegd, dat een arts toegang tot de gevangenis is geweigerd, dat [naam 1] een orthopedisch kussen en een voor zijn gezondheid noodzakelijk dieet is onthouden (zoals het hem voorgeschreven volkorenbrood gedurende 42 dagen en het ontbijt op 24 maart 2016) en dat zijn oogaandoening door zijn te donkere cel verslechterde. Daarmee is de geconstateerde schending weliswaar ernstig, maar deze betekent niet dat de Staat voor de gezondheid van [appellant] moet vrezen. Uit de uitspraak kan namelijk niet worden geconcludeerd dat het in de gevangenis zodanig aan voldoende medicijnen en medische zorg ontbreekt dat niet meer op de voor [appellant] gegeven garanties kan worden vertrouwd. De uitspraak ziet op meldingen van (ernstige) incidenten tijdens de medische behandeling, maar de noodzakelijke behandeling als zodanig is – kennelijk – wel aanwezig en voor [naam 1] toereikend gebleven. Uit de uitspraak blijkt niet dat noodzakelijke medicijnen aan [naam 1] zijn onthouden of dat zijn blijvende gezondheid op het spel is gezet. Van levensbedreiging was ook geen sprake. De uitspraak ziet verder op specifiek voor [naam 1] geldende omstandigheden, zoals doodsbedreigingen rondom een voorval in 2012 (voorafgaand aan de uitlevering) en verlies van contact met zijn advocaat en familie ten tijde van overplaatsing. Van doodsbedreigingen jegens [appellant] is niets gebleken. Het hof ziet in de door het Afrikaans hof geconstateerde wrede en onmenselijke behandeling van [naam 1] geen reëel risico voor schending van artikelen 2 en 3 EVRM bij [appellant] .

5.15

Het hof acht bij dit oordeel – naast de voldoende specifieke en duidelijke garanties van de beschikbaarheid voor [appellant] van de nodige medische zorg – van groot belang dat de Staat van Rwanda de garantie heeft gekregen voor het kunnen monitoren van niet alleen het proces, maar ook de detentiefaciliteiten en andere zaken die relevant zijn voor het welzijn van [appellant] (§ 43 van het uitleveringsverzoek). ICJ-Kenya, dat belast is met deze monitoring, heeft weliswaar niet de bevoegdheid om zelf klachten in te dienen, maar kan wel al zijn observaties doorgeven aan de Nederlandse autoriteiten. Via het ministerie en de ambassade kan de Staat rechtstreeks in contact treden met de autoriteiten aan wier handelen wordt getwijfeld. De Staat kan daarbij wijzen op de gegeven garanties waaraan Rwanda gebonden is. De Staat heeft dit geïllustreerd met een verwijzing naar de situatie van [naam 2] (één van de twee eerder door Nederland aan Rwanda uitgeleverde personen voor wie monitoring gegarandeerd is), waar de aan ICJ-Kenya verstrekte informatie dat [naam 2] eerst in de gevangenis moest zijn behandeld voordat hij toegang tot het King Faizal Hospital kon krijgen, leidde tot de voor hem gemaakte uitzondering dat hij zijn medische behandeling in het King Faizal Hospital in Kigali zou blijven ontvangen. 7 Het hof overweegt ook dat de monitoringrapporten, per kwartaal, openbaar zijn. Familie en advocaten hebben er toegang toe en zij kunnen eventuele moeilijke detentieomstandigheden of tekortschietende medische zorg aankaarten bij de Nederlandse ambassade en/of bij de (straf)rechter in Rwanda naar voren brengen.

5.16

Het hof merkt voorts op dat het VN-Comité tegen Foltering (CAT) op 11 en 12 juni 2019 ten aanzien van de twee eerder door Nederland aan Rwanda uitgeleverde personen, heeft geconcludeerd dat uitlevering hen niet aan een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM blootstelt. De Mpanga-gevangenis en de Kigali Central Prison voldoen aan de internationale minimum standaarden voor detentie, zo oordeelde het Comité in 2019.

Recht op een eerlijk proces (art. 6 en 13 EVRM)

5.17

Met grief 3 komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij na uitlevering niet zal worden blootgesteld aan schending van zijn recht op een eerlijk proces zonder dat hij een effectief rechtsmiddel daartegen heeft (artikel 6 en 13 EVRM). Volgens [appellant] heeft de voorzieningenrechter te beperkt getoetst door uitsluitend de Transfer Law-zaken in acht te nemen om het risico op grove schendingen van artikel 6 en 13 EVRM in te schatten en door niet naar de werkelijke en huidige situatie te kijken. De Rwandese autoriteiten zullen de rechten van genocideverdachten niet openlijk schofferen en uit vrijwel alle mensenrechtenrapporten blijkt dat het slecht gesteld is met de onpartijdigheid van rechters in Rwanda, aldus [appellant] .

5.18

Het hof stelt dienaangaande voorop dat in verscheidene rechterlijke uitspraken reeds is geoordeeld dat de berechting van aan Rwanda uitgeleverde genocideverdachten die onder de Transfer Law plaatsvindt, voldoende waarborgen biedt voor een eerlijk proces. Dit betreft niet alleen de hiervóór onder 3.5 en 3.6 al genoemde uitspraken van dit hof en van de Hoge Raad, maar ook uitspraken van het Rwanda Tribunaal (ICTR) en het Mechanism for International Criminal Tribunals (MICT). Met het oog daarop heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden in de en 4.8 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellant] geen reëel risico op een flagrante schending van de rechten uit artikel 6 EVRM kan baseren op de omstandigheden en voorbeelden die voor die rechterlijke uitspraken ook al zijn aangedragen of op voorbeelden van situaties van mensen die niet onder de Transfer Law worden berecht. De ‘talloze voorbeelden’ die [appellant] aanvoert van schendingen, zien met name daarop. Het hof verwijst naar genoemde overwegingen van de voorzieningenrechter en maakt die tot de zijne.

5.19

Verder is het vaste jurisprudentie dat artikel 6 EVRM alleen dan aan uitlevering in de weg staat als de opgeëiste persoon heeft aangetoond dat hij na uitlevering zal worden blootgesteld aan ‘a real risk of being subject to a flagrant denial of justice’. Voor ‘a flagrant denial of justice’ is niet voldoende dat zich een situatie voordoet die op nationaal niveau een schending van artikel 6 EVRM inhoudt. Vereist is ‘a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article’. Er moet dus sprake zijn van een schending die zo ernstig en fundamenteel is dat het recht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast of tenietgedaan. Daarbij moet het proces als geheel worden beoordeeld. De voorzieningenrechter heeft deze uitgangspunten in overweging 4.6 weergegeven. Daartegen is geen grief gericht en het hof maakt ook die overweging tot de zijne.

5.20

In aanvulling op het voorgaande overweegt het hof, naar aanleiding van hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, het volgende.

5.21

[appellant] heeft aangevoerd dat het Afrikaans hof op 27 november 2020 heeft geoordeeld dat het recht van [naam 1] op verdediging is geschonden (§ 47) (bij berechting onder de Transfer Law). Uit de uitspraak blijkt dat dit gaat om klachten die [naam 1] op 20 april 2012 heeft geuit. De Staat heeft hierover (onbestreden) aangevoerd dat er destijds een geschil was over gefinancierde rechtsbijstand waarin [naam 1] stelselmatig weigerde de noodzakelijke formulieren in te vullen. Het hof oordeelt dat met de schending die bij [naam 1] is gepleegd, niet vaststaat dat [appellant] wordt blootgesteld aan een reëel risico van een flagrant denial of justice. Daarvoor is de door het Afrikaans hof vastgestelde schending te oud en incidenteel en te specifiek gericht op de situatie van [naam 1] (met zijn weigering ten aanzien van de rechtsbijstandformaliteiten), terwijl ook niets er op wijst dat deze schending later in de strafzaak niet is hersteld. Hierbij weegt het hof mee dat het Afrikaans hof op 27 november 2020 (ook) heeft geoordeeld dat de klachten van [naam 1] over schending van zijn recht op juridische bijstand en zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn voor een onpartijdig gerecht, niet gegrond zijn (§ 61, 67 en 73). Bovendien hebben het International Criminal Tribunal for Rwanda (het ICTR) en het Mechanism for International Criminal Tribunals (MICT) vanaf 2011 en de jaren daarna in een constante reeks van uitspraken beslist dat de aan Rwanda door het ICTR overgedragen verdachten wel een eerlijk proces krijgen. Ook daaraan komt gewicht toe tegenover de door het Afrikaans hof geconstateerde schending.

5.22

Dat Rwanda het individuele klachtrecht bij het Afrikaans hof niet langer erkent, betekent niet dat [appellant] geen effectief rechtsmiddel heeft na een (mogelijke) schending van zijn recht op een eerlijk proces. Hij kan een eventuele schending tijdens de strafrechtelijke procedure bij de strafrechter aankaarten. Wanneer hem dat in eerste aanleg niet kan baten, kan hij de schending in hoger beroep naar voren brengen. Zoals uit het uitleveringsverzoek blijkt (§ 36 en 38), is gegarandeerd (en onder de Transfer Law geregeld) dat [appellant] in hoger beroep kan gaan. Een hoger beroepsrechter kan een eventueel in eerste aanleg plaatsgevonden schending in het strafproces herstellen of compenseren.

5.23

[appellant] heeft naar voren gebracht dat uit de in Rwanda gevoerde strafzaak tegen [naam 2] , een van de twee in 2016 uitgeleverde genocideverdachten, blijkt dat er een risico bestaat van het gebruik van door foltering verkregen bewijs. Een van de getuigen tegen [naam 2] heeft ter zitting verklaard dat hij zijn eerdere belastende verklaringen onder foltering en druk van de aanklager heeft afgelegd, aldus [appellant] . De Staat heeft hiertegen (onder meer) aangevoerd dat niet vaststaat of de verklaring van de getuige waar is en ook niet dat de gestelde foltering ziet op de verkrijging van een belastende verklaring in [naam 2] ’s strafproces. Het hof heeft het verslag van hetgeen ter zitting in Rwanda rondom deze getuige is gezegd gelezen in het Monitoring Report van ICJ-Kenya van april/mei 2019. Daarin staat dat de advocaat van de verdediging de getuige voorhoudt dat hij eerder heeft verteld dat hij zijn belastende verklaring heeft ondertekend nadat hij was geslagen totdat het pus uit zijn oren kwam. De getuige heeft verklaard dat het medische rapport daarvan in de Nyanza-gevangenis gevonden kan worden (§ 25 en 26). Het hof leest vervolgens dat de rechtbank aan de verdediging heeft medegedeeld dat zij zal onderzoeken of de beweringen waar zijn (§ 116). Uit dit verslag blijkt niet dat de getuige daadwerkelijk geslagen is om hem in de genocidezaak een verklaring af te laten leggen. Wel is duidelijk dat de strafrechter in Rwanda de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige die zegt geslagen te zijn, zal onderzoeken. Niet is gebleken dat dit onderzoek daarna niet gedaan is of gedaan zal worden. Het voorval wijst er ook niet op dat getuigen in genocidezaken voor de rechter niet á décharge durven te verklaren. Evenmin blijkt dat de rechter de betrouwbaarheid van de getuigen niet kan, wil of zal (laten) onderzoeken en beoordelen voordat hij een getuigenverklaring ten grondslag legt aan een veroordeling. Daarom is met dit voorval niet komen vast te staan dat [appellant] na uitlevering zal worden blootgesteld aan een reëel risico op een flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces. Uit de monitoringrapporten van ICJ-Kenya blijkt overigens ook niet dat het gestelde slaan zich in genocidezaken vaker voordoet of in de Mpanga-gevangenis gebeurt.

5.24

[appellant] heeft aangevoerd dat sinds ruim een jaar geen enkel bezoek aan de twee in 2016 door Nederland aan Rwanda uitgeleverde genocideverdachten is toegestaan. De advocaat van een van hen heeft in november 2020 een klacht ingediend, omdat het contact met zijn cliënt uitsluitend telefonisch via een door de autoriteiten gecontroleerde telefoonverbinding kon plaatsvinden, dan wel via een e-mailaccount in de gevangenis die werd gemonitord door de autoriteiten. Ook mocht de advocaat in Rwanda niet bij zijn cliënt in de rechtbank zitten, zodat zij niet in vrijheid en vertrouwelijk konden communiceren, aldus [appellant] . Het hof overweegt hieromtrent dat momenteel corona-beperkingen in de hele wereld gelden. Vanwege de risico’s van verspreiding van het coronavirus is fysiek contact op veel plaatsen onmogelijk gemaakt. De genoemde beperkingen duiden op een situatie die problematisch is vanuit het perspectief van het recht op een eerlijk proces, maar kunnen (tijdelijk) noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn ter bescherming van leven en gezondheid zolang het SARS-CoV-2-virus rondwaart. De beperkingen brengen onder de huidige pandemie-omstandigheden niet zonder meer de vaststelling van een grove schending van het recht op een eerlijk proces met zich.

5.25

[appellant] heeft aangevoerd dat de strafzaken van de twee in 2016 door Nederland aan Rwanda uitgeleverde genocideverdachten nog steeds niet in eerste aanleg zijn afgerond. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat de berechting (te) lang duurt, maar deze omstandigheid betekent niet dat het recht op een eerlijk proces zodanig wordt uitgehold dat de wezenlijke kern daarvan wordt aangetast. Uit hetgeen is aangevoerd en uit de monitoringrapporten blijkt dat de rechtszaken wel voortgang hebben en het einde naderen. Er is onvoldoende aanleiding te oordelen dat een uitspraak in (een van) deze zaken nog lang uit zal blijven. Hierbij weegt het hof mee dat de processen voor genocidedelicten waarbij veel slachtoffers zijn gevallen en waarvoor onderzoek nodig is naar feiten en omstandigheden van lang geleden (1994), uit hun aard veel tijd vergen.

5.26

Voor het overige heeft [appellant] ook geen voldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof een reëel risico voor hem op flagrante schending van het eerlijke proces kan vaststellen. [appellant] is geen prominent persoon. Hij heeft geen politieke activiteiten ontplooid en is volgens zijn stellige verklaring (na 1991) ook nooit lid geweest van enige politieke partij. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat [appellant] ’s rechten geschonden zullen worden omdat hij in verband wordt gebracht met aanhangers van president Habyarimana en de huidige oppositie. Dat Rwanda het individueel klachtrecht bij het Afrikaans hof heeft ingetrokken, betekent niet dat de Rwandese autoriteiten de verdragsrechten en gegeven garanties voor [appellant] zullen gaan schenden. De stelling dat Rwanda tegenwoordig vaak de mensenrechten zou schenden (het hof laat de juistheid daarvan in het midden), is onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] in gevaar komt. Zoals hiervoor is overwogen, is Rwanda gebonden aan de eerbiediging van zijn rechten en de gegeven garanties, wordt hierop toegezien via monitoring en kan [appellant] tegen een eventuele schending opkomen. De stelling dat [appellant] na eventuele veroordeling alsnog zal worden onderworpen aan een reëel risico van onmenselijke en vernederende behandeling, is pas tijdens de mondelinge behandeling bij repliek voor het eerst opgeworpen. Dat is zodanig laat dat de Staat daarop niet goed heeft kunnen reageren. De stelling is bovendien niet verder onderbouwd zodat het hof daaraan voorbijgaat.

5.27

De conclusie is dat ook grief 3 faalt. Er is geen reëel risico van grove schendingen van het recht op een eerlijk proces en zonder dat [appellant] bij schending een effectief rechtsmiddel heeft.

Bijzondere hardheid en berechting in Nederland

5.28

[appellant] heeft aangevoerd dat uitlevering in zijn specifieke geval buitengewoon hard is, vanwege het risico op een gewisse dood, zijn slechte gezondheid en hoge leeftijd en zijn familiebanden in Nederland. Bovendien heeft hij al 19 jaar domicilie in Nederland en besluiten (andere) westerse landen regelmatig om genocideverdachten zelf te berechten in plaats van uit te leveren aan Rwanda. Daarop zien zijn grieven 4 en 5.

5.29

Deze grieven falen. Hiervoor heeft het hof al geoordeeld dat [appellant] door uitlevering naar Rwanda geen gewisse dood tegemoet gaat (althans niet sneller of anders dan in Nederland). Dat [appellant] speciale medische zorg nodig heeft en 71 jaar oud is, betekent niet dat hij niet in Rwanda berecht kan worden. Over zijn familiebanden in Nederland is te weinig gesteld om te oordelen dat die aan de uitlevering in de weg staan.

5.30

In het Genocideverdrag is bepaald dat diegenen die worden beschuldigd van genocide worden berecht door een daartoe bevoegde rechtbank van de staat binnen welks gebied het feit is gepleegd (of door een internationale strafrechter). Omdat de feiten waarvoor de uitlevering van [appellant] wordt gevraagd in Rwanda zouden zijn gepleegd, het meeste bewijs zich in Rwanda bevindt en [appellant] en de (meeste) slachtoffers de Rwandese nationaliteit bezitten, is het niet kennelijk onredelijk dat de Staat [appellant] voor de berechting aan Rwanda uitlevert in plaats van hem in Nederland te berechten.

Toelaatbaarheid van uitlevering voor misdrijven tegen de menselijkheid

5.31

Met zijn zesde grief keert [appellant] zich tegen de toelaatbaarheid van de uitlevering voor “misdrijven tegen de menselijkheid”, feit 3 in het uitleveringsverzoek. Volgens hem had de voorzieningenrechter moeten oordelen dat de toelaatbaarheid van de uitlevering voor dat feit een kennelijke juridische misslag betreft.

5.32

Deze grief is ongegrond. De beoordeling van de vraag of [appellant] kan worden uitgeleverd voor feit 3 was voorbehouden aan de uitleveringsrechter. Deze vraag is door de uitleveringsrechter onder ogen gezien en deze heeft daarover een gemotiveerd oordeel gegeven.8 Dit oordeel is in cassatie door de Advocaat-Generaal besproken en door de Hoge Raad in stand gelaten.9 Er is geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter (of de Minister) hierin een kennelijke misslag had moeten lezen.

5.33

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er geen grond is voor uitstel van de uitlevering in verband met een procedure ex artikel 64 Vreemdelingenwet of het herhaalde asielverzoek. Dit oordeel is juist. Voor zover [appellant] heeft bedoeld daartegen te grieven, treft dit geen doel.

Slot

5.34

De laatste grief van [appellant] richt zich tegen de eindbeslissing en de veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Deze grief bevat geen afzonderlijke klachten en deelt het lot van de andere grieven.

5.35

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle grieven falen. Het te algemene bewijsaanbod dat [appellant] aan het eind van zijn memorie van grieven heeft geformuleerd, passeert het hof in dit kort geding.

5.36

Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Bij die uitkomst past dat het hof [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeelt in de proceskosten. Omdat de Staat dat heeft gevorderd zal het hof bepalen dat [appellant] bij niet betaling, wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest. Conform de vordering van de Staat zal het hof de proceskostenveroordeling ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Beslissing in kort geding

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank van 23 december 2020;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 722,- aan griffierecht en € 2.148,- aan salaris van de advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, M.P.J. Ruijpers en J.H. Gerards en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 4 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.

1 Hierna zal het hof de Rwandese autoriteiten kortheidshalve (ook) aanduiden met ‘Rwanda’.

2 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Deze uitspraken zijn gepubliceerd onder ECLI:NL:GHDHA:2016:1924 en -:1925.

4 De uitspraak en het advies van de rechtbank zijn gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2019:5235.

5 De conclusie van de Advocaat-Generaal van 17 december 2010 is gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2019:1341 en het arrest van de Hoge Raad onder ECLI:NL:HR:2020:133

6 Gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2014:1441

7 Genoemd op p.19 van de citaten uit monitoringsrapporten bijeengebracht door dr.ir. J. Brouwer (productie 69)

8 In overweging 4.2 van het uitleveringsvonnis van 23 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5235.

9 § 15 en 16 van de eerder genoemde conclusie van 17 december 2010, ECLI:NL:PHR:2019:1341 en HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:133.