Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:751

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
2200068115
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen van afpersing door dreigen met geweld (brandstichting) van een clubhuis van een motorclub door leden van een andere motorclub.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000681-15

Parketnummer: 09-857219-13

Datum uitspraak: 23 april 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 2 en 3, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Ter zake van het onder 3, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft de rechtbank bepaald dat er geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 11 januari 2013 tot en met 20 februari 2013 te Leiden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld en/of brandstichting [slachtoffer] en/of een of meer ander(e) (aspirant) lid/leden van motorclub [motorclub 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een clubhuis/pand, gelegen op of aan de [pleegplaats] en/of een sleutel van dat/een clubhuis/pand, gelegen op of aan de [pleegplaats], in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of motorclub [motorclub 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

(op 11 januari 2013:)

- creëren van een dreigende/intimiderende situatie voor die [slachtoffer] en/of een of meer ander(e) (aspirant) lid/leden van motorclub [motorclub 1] door onverwacht met een groot aantal personen, gekleed in "full colors" (motorkleding) van de "[motorclub 2]" dat clubhuis/pand van motorclub [motorclub 1] binnen te gaan en/of

- bewaken en/of afschermen en/of blokkeren van de deur van dat clubhuis/pand en/of

- rondom verspreid in dat clubhuis/pand met de ruggen tegen de wand(en) te gaan staan en/of

- die [slachtoffer] en/of twee andere leden van motorclub [motorclub 1] apart te nemen en/of af te schermen van de overige aanwezigen en/of

- met een grote overmacht van personen om die [slachtoffer] en/of twee andere leden van motorclub [motorclub 1] te gaan staan, althans die [slachtoffer] en/of die twee andere leden van motorclub [motorclub 1] van de overige aanwezigen te scheiden en/of af te schermen en/of een cordon rondom die [slachtoffer] en/of die twee andere personen te vormen en/of

- die [slachtoffer] en/of een of meer andere aanwezig(e) (aspirant) lid/leden van motorclub [motorclub 1] op dreigende/dwingende toon mede te delen dat zij lid moesten worden van motorclub [motorclub 2] want anders zou hun clubhuis/pand afgefakkeld worden en/of

(op 18 januari 2013:)

- een/de sticker(s) van motorclub [motorclub 3], bevestigd op een deur van dat clubgebouw/pand, te verwijderen en/of

- plaatsen van een nieuw/ander slot op dat clubhuis/pand en/of

- creëren van een dreigende/intimiderende situatie voor die [slachtoffer] en/of een of meer ander(e) (aspirant) lid/leden van motorclub [motorclub 1] door onverwacht met een groot aantal personen, gekleed in "full colors" (motorkleding) van de "[motorclub 2]" naar dat clubhuis/pand van motorclub [motorclub 1] te gaan en/of

- die [slachtoffer] apart te nemen en/of af te schermen, althans een ander (aspirant) lid van motorclub [motorclub 1] dat dit clubhuis/pand binnen wilde gaan, tegen te houden en/of

- op dreigende/dwingende toon die [slachtoffer] mede te delen (zakelijk weergegeven) dat zij net in Heiloo een vergadering van 8 motorclubs hebben gehad, dat Zuid Holland aan de [motorclub 2] is toegekend, dat [motorclub 1] daar ook onder valt, dat het clubhuis/pand van [motorclub 1] nu dus van [motorclub 2] is en dat die [slachtoffer] de sleutel van het clubhuis/pand moet inleveren en/of dat de [motorclub 2] het over zou nemen en dat die [slachtoffer] zich bij die [motorclub 2] aan kon sluiten, althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard;

en/of

hij op of omstreeks 11 januari 2013 tot en met 20 februari 2013 te Leiden, tezamen en in vereniging met eenander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] en/of een of meer ander(e) (aspirant) lid/leden van motorclub [motorclub 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of brandstichting, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

(op 11 januari 2013)

- een dreigende/intimiderende situatie voor die [slachtoffer] en/of een of meer ander(e) (aspirant) lid/leden van motorclub [motorclub 1] creëren door onverwacht met een groot aantal personen, gekleed in "full colors" (motorkleding) van de "[motorclub 2]" het clubhuis/pand van motorclub [motorclub 1] binnen te gaan en/of

- de deur van dat clubhuis/pand bewaakt en/of afschermd en/of geblokkeerd en/of

- rondom verspreid in dat clubhuis/pand met de ruggen tegen de wand(en) gestaan en/of

- die [slachtoffer] en/of twee andere leden van motorclub [motorclub 1] apart genomen en/of afgeschermd van de overige aanwezigen en/of

- met een grote overmacht van personen om die [slachtoffer] en/of twee andere leden van motorclub [motorclub 1] gestaan, althans die [slachtoffer] en/of die twee andere leden van motorclub [motorclub 1] van de overige aanwezigen gescheiden en/of afgeschermd en/of een cordon rondom die [slachtoffer] en/of die twee andere personen gevormd en/of

- die [slachtoffer] en/of een of meer andere aanwezig(e) (aspirant) lid/leden van motorclub [motorclub 1] op dreigende/dwingende toon medegedeeld dat zij lid moesten worden van motorclub [motorclub 2] want anders zou hun clubhuis/pand afgefakkeld worden en/of

(op 18 januari 2013:)

- een/de sticker(s) van motorclub [motorclub 3], bevestigd op een deur van dat clubgebouw/pand, verwijderd en/of

- een nieuw/ander slot op dat clubhuis/pand geplaatst en/of

- een dreigende/intimiderende situatie voor die [slachtoffer] en/of een of meer ander(e) (aspirant) lid/leden van motorclub [motorclub 1] gecreëerd door onverwacht met een groot aantal personen, gekleed in "full colors" (motorkleding) van de "[motorclub 2]" naar dat clubhuis/pand van motorclub [motorclub 1] te gaan en/of

- die [slachtoffer] apart genomen en/of afgeschermd, althans een ander (aspirant) lid van motorclub [motorclub 1] dat dit clubhuis/pand binnen wilde gaan, tegen gehouden en/of

- op dreigende/dwingende toon die [slachtoffer] medegedeeld (zakelijk weergegeven) dat zij net in Heiloo een vergadering van 8 motorclubs hadden gehad, dat Zuid Holland aan de [motorclub 2] was toegekend, dat [motorclub 1] daar ook onder viel, dat het clubhuis/pand van [motorclub 1] nu dus van [motorclub 2] was en dat die [slachtoffer] de sleutel van het clubhuis/pand moest inleveren en/of dat de [motorclub 2] het over zou nemen en dat die [slachtoffer] zich bij die [motorclub 2] aan kon sluiten, althans woorden van gelijke dreigende/dwingende aard;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 11 januari 2013 tot en met 20 februari 2013 te Leiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een clubhuis/pand, gelegen op of aan de [pleegplaats], heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat clubhuis/pand wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 11 januari 2013 tot en met 20 februari 2013 te Leiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk uit de opbrengst van (een) door misdrijf verkregen een clubhuis/pand voordeel heeft getrokken, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk, althans terwijl hij en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof, gebruik gemaakt van dit clubhuis/pand en/of de daarbij behorende voorzieningen;

feit 2.
hij op of omstreeks 26 maart 2013 te Achthuizen, gemeente Goeree-Overflakkee, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [pleegplaats]) ongeveer 50, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


feit 3.
hij op of omstreeks 26 maart 2013 te Achthuizen, gemeente Goeree-Overflakkee, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 43,46 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 26 maart 2013 te Achthuizen, gemeente Goeree-Overflakkee, aanwezig heeft gehad ongeveer 1,84 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de aan de verdachte door de rechtbank opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), ter zake van het onder 1 primair (eerste en tweede cumulatief/alternatief), 2 en 3 (eerste cumulatief/alternatief) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Ter zake van het onder 3, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 3, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat het recht tot strafvervolging ten aanzien van het onder 3, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde, gelet op het bepaalde in artikel 70 en volgende van het Wetboek van Strafrecht, is verjaard, nu na de regiezitting van 30 maart 2017 geen daad van vervolging (meer) heeft plaatsgevonden.

Daarom zal het hof het openbaar ministerie ter zake van dit feit niet-ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging.

De bespreking van formele verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, kort gezegd en zakelijk weergegeven, betoogd dat op het moment dat dwangmiddelen jegens de verdachte werden aangewend er geen sprake was van een op de wet gegronde redelijke en concrete verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit. Het dragen van een jack van de [motorclub 2] (hierna: [motorclub 2]) in 2011 en 2012 is onvoldoende om verdachte te verdenken van betrokkenheid bij de gebeurtenissen op 11 en 18 januari 2013 in Leiden. Het binnentreden in de woning van verdachte, de aanhouding en de doorzoeking zijn derhalve onrechtmatig. Dit dient, ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting ten aanzien van de aan [getuige 1] voorgehouden foto en de door [getuige 1] daarover afgelegde verklaring, alsmede van hetgeen bij de doorzoeking is aangetroffen aan hennepplanten, hennep en hennephars, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat deze verweren dienen te worden verworpen.

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

  1. Leden van [motorclub 2] uit Den Haag worden verdacht van afpersing van het clubhuis van motorclub [motorclub 1] te Leiden door leden van [motorclub 1] te intimideren en te bedreigen met in het bijzonder het “affakkelen” van dat clubhuis. Dit vond plaats op 11 en/of 18 januari 2013. De op die dagen in het clubhuis van [motorclub 1] aanwezige leden van [motorclub 2] waren gekleed in “full colors”, dat wil zeggen in een leren motorjack of vest met daarop verwijzingen naar [motorclub 2] en hun rang dan wel functie in die club.

  2. Op 11 januari 2013 waren een twintig- tot dertigtal leden van [motorclub 2] in en om het clubhuis in Leiden. Op 18 januari 2013 waren een aantal leden van [motorclub 2] wederom in en bij het clubhuis in Leiden.

  3. Tot 26 maart 2013 was het aantal leden en de identiteit van het merendeel van de leden van [motorclub 2] onbekend bij de politie. De politie heeft getracht de identiteit van [motorclub 2]-leden te achterhalen door onderzoek in de politiesystemen.

  4. Het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan de vordering tot doorzoeking van de woning van verdachte, gedateerd 18 maart 2013, houdt onder meer het volgende in:

“Uit de politiesystemen is gebleken dat verdachte [verdachte] op maandag 5 december 2011 staande werd gehouden. Hij bleek een jasje van de [motorclub 2] aan te hebben. Tevens is gebleken dat de verdachte [verdachte] op woensdag 24 oktober 2012 in een vest van de [motorclub 2] in een Volkswagen Golf, geregistreerd op zijn naam, over de A20 reed.

Tevens is gebleken dat hetzelfde voertuig op dinsdag 4 september 2012 tijdens een clubavond geparkeerd stond aan de [straatnaam] nabij het clubhuis van de [motorclub 2].”

5. In totaal heeft de politie 22 personen geïdentificeerd die mogelijk betrokken zijn bij de gebeurtenissen op 11 en 18 januari 2013.

6. Blijkens gegevens aangetroffen in het clubhuis van [motorclub 2] op 26 maart 2013 had [motorclub 2] indertijd 41 leden.

7. De verdachte is aangehouden op 26 maart 2013 als de verdachte en dezelfde dag in verzekering gesteld. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is een [motorclub 2]-vest aangetroffen. Uit de ledenadministratie is gebleken dat de verdachte in januari 2013 lid was van [motorclub 2].

8. Gedurende de periode dat de verdachte in verzekering gesteld was, zijn foto’s van hem gemaakt, die zijn opgenomen in een fotoboek. Onder meer deze foto’s zijn op 5 april 2013 aan een medeverdachte getoond, die vervolgens over de verdachte belastend verklaard heeft.

9. Op 29 maart 2013 is de verdachte voorgeleid aan de rechter-commissaris in Den Haag.

De raadsman heeft de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling betwist en de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte verzocht. Hij heeft daartoe blijkens het betreffende proces-verbaal aangevoerd: “Er wordt gezegd dat cliënt lid is van een motorclub, maar om dan de lijn door te trekken dat hij bij [motorclub 1] is geweest gaat echt een stap te ver. Er zijn veel meer leden van de [motorclub 1].” De rechter-commissaris heeft dit verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling afgewezen en gemotiveerd geoordeeld dat de aanhouding en de inverzekeringstelling rechtmatig waren.

Voor wat betreft het antwoord op de vraag of in het voorbereidend onderzoek vormen onherstelbaar zijn verzuimd maakt het hof onderscheid tussen enerzijds de vraag of sprake was van een zodanig redelijk vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit van de verdachte dat hij op basis daarvan kon worden aangehouden en in verzekering gesteld en anderzijds de vraag of de rechter-commissaris op 22 maart 2013 in redelijkheid kon besluiten de vordering van de officier van justitie om de woning van de verdachte te doorzoeken toe te wijzen.

Zoals hiervoor onder 9 vastgesteld heeft de rechter-commissaris de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte met redenen onderbouwd rechtmatig geacht. Het hof stelt vast dat bij de rechter-commissaris in feite dezelfde bezwaren tegen de aanhouding en inverzekeringstelling naar voren zijn gebracht als thans in hoger beroep ten grondslag zijn gelegd aan het 359a-verweer. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris ingevolge art. 59a Sv staat geen rechtsmiddel open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen wordt op onaanvaardbare wijze doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep wederom een beroep zou kunnen worden gedaan op dezelfde vermeende verzuimen als die aangevoerd zijn bij de door de rechter-commissaris uitgevoerde toetsing ingevolge art. 59a Sv (HR 7-9-2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2257). Hieruit volgt dat hetgeen aangevoerd is door de verdediging in hoger beroep niet in aanmerking genomen kan worden bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv ten aanzien van de aanhouding en inverzekeringstelling. Het op dit punt gevoerde verweer wordt verworpen.

Het hof beantwoordt de vraag of de rechter-commissaris op 22 maart 2013 in redelijkheid de machtiging tot doorzoeking van de woning van de verdachte heeft kunnen afgeven bevestigend. De onder 4 vermelde informatie beziet het hof tegen de achtergrond van hetgeen vastgesteld is onder 1, 2, 3 en 5. Het gaat om ernstige strafbare feiten, die lokaal hevige beroering teweeg hebben gebracht. Bij deze feiten waren 20 tot 30 leden van [motorclub 2] betrokken. De identiteit van het merendeel van de [motorclub 2]-leden was onbekend. De verdachte is in december 2011 en in oktober 2012 gezien in een [motorclub 2]-vest, terwijl zijn auto in september 2012 nabij het [motorclub 2] clubhuis in Den Haag geparkeerd stond. In het najaar van 2012 is de verdachte dus twee keer met [motorclub 2] in verband gebracht. Het hof merkt dit aan als indertijd recente informatie, bevestigd door informatie uit 2011. Onder deze omstandigheden heeft de rechter-commissaris in redelijkheid de machtiging tot doorzoeking van de woning van de verdachte kunnen afgeven. Ook in zoverre is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.

Waar geen sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv behoeven de verweren geen verdere bespreking. De verweren worden verworpen.

Bewijsoverwegingen

Feit 1 primair en subsidiair

De verdachte wordt – verkort en zakelijk weergegeven - verdacht van het al dan niet tezamen met anderen schuldig maken aan afpersing van het clubhuis van motorclub [motorclub 1] en/of de sleutel van dat clubhuis, de bedreiging van leden van voornoemde motorclub, dan wel voornoemd clubhuis heeft geheeld en/of dat hij voordeel heeft getrokken uit de opbrengst van dat clubhuis.

De aanleiding voor de tegen de verdachte gerezen verdenking is het volgende geweest.

Op 11 januari 2013 hebben leden van de motorclub [motorclub 2] in de avond een onverwacht bezoek gebracht aan leden van motorclub [motorclub 1] in het clubhuis van die motorclub aan de [pleegplaats] in Leiden. Een twintig- tot dertigtal leden van [motorclub 2] betrad daarbij, in “full-colors”, het clubhuis van [motorclub 1]. Op dat moment waren ongeveer tien personen (leden en enkele bekenden) in het clubhuis van [motorclub 1] aanwezig. De leden van [motorclub 2] verspreidden zich in het clubhuis en posteerden zich onder meer bij de deur.

Enkele (bestuurs)leden van [motorclub 2] hebben vervolgens met enkele (bestuurs)leden van [motorclub 1] een gesprek gevoerd. Het gesprek vond plaats in een door de leden van [motorclub 2] gecreëerde afgeschermde setting. Door één of meer leden van [motorclub 2] is in dit gesprek tegen (bestuurs)leden van [motorclub 1] gezegd dat zij lid moesten worden van [motorclub 2] en dat anders hun clubhuis zou worden afgefakkeld.

Toen de voorzitter van [motorclub 1] op 18 januari 2013 in de avond (alleen) bij het clubhuis van [motorclub 1] aankwam zag hij dat een aantal leden van [motorclub 2] bij het terrein aanwezig was en er een hangslot op de deur van het clubhuis hing. Aan de voorzitter werd medegedeeld dat er in Heiloo een vergadering van acht motorclubs had plaatsgevonden waarin was besloten dat Zuid-Holland – waar [motorclub 1] onder valt - aan de [motorclub 2] toebehoorde en dat het clubbuis van [motorclub 1] nu van [motorclub 2] was. De voorzitter heeft, na een verzoek daartoe, de sleutel (van het cilinderslot) van het clubhuis afgegeven.

Op 22 januari 2013 is bij een controle in het clubhuis/pand van [motorclub 1] door politieambtenaren vastgesteld dat er negen personen aanwezig waren, waarvan het merendeel geen leden waren van [motorclub 1].

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de in zijn overgelegde schriftelijke requisitoir opgenomen feiten en omstandigheden op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing in vereniging en het medeplegen van bedreiging met brandstichting.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Naar het oordeel van het hof is daarvan in casu geen sprake van. Bewijs voor een substantiële bijdrage van de verdachte in intellectuele dan wel materiële zin is er naar het oordeel van het hof niet. Hetgeen door de advocaat-generaal daartoe is aangevoerd acht het hof onvoldoende.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de primair tenlastegelegde feiten stelt het hof op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 18 januari 2013 niet in of nabij het clubhuis van [motorclub 1] is geweest.

Dat de verdachte behoorde tot de [motorclub 2]-groep die op 11 januari 2013 het clubhuis van [motorclub 1] aandeed kan slechts worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. Deze verklaring houdt bovendien niet meer in dan dat de verdachte ‘er op 11 januari 2013 bij was’. Wat de verdachte daar toen gedaan heeft, blijkt niet. Dat en op welke wijze zijn aanwezigheid heeft bijgedragen aan een getalsmatige versterking van de groep waardoor het bedreigende karakter daarvan werd vergroot is niet gebleken.

Op grond van het dossier kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op 11 januari 2013 weet had van een vooropgezet plan om kwaadschiks de beschikking te krijgen over het clubhuis van [motorclub 1]. De enkele omstandigheid dat de verdachte toen een “full member” of “full color” lid was, is daartoe onvoldoende.

Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de opeenvolgende gebeurtenissen op 11 januari 2013 zou weliswaar afgeleid kunnen worden dat daaraan een vooropgezet plan ten grondslag lag, maar nu niet vaststaat wat de verdachte in dan wel bij het clubgebouw van [motorclub 1] heeft gedaan en wat zijn rol is geweest, kan aan de hand daarvan zijn betrokkenheid als medepleger bij de uitvoering daarvan niet vastgesteld worden

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan behoort te worden vrijgesproken.

Nu op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op 18 januari 2013 en/of 22 januari 2013 aanwezig is geweest in het clubhuis van [motorclub 1], noch dat hij op enig andere manier strafbaar betrokken is geweest bij de onder 1 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte ook van die feiten vrijspreken.

Voorwaardelijk verzoek

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in verband met het aanwezigheidsrecht van de verdachte, indien het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde zou komen. Nu het hof de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreekt is de grondslag aan het verzoek komen te vervallen. Het hof hoeft derhalve niet over het verzoek te beslissen.

Feiten 2 en 3

Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 26 maart 2013, welke doorzoeking plaatsvond in het kader van het onderzoek naar de afpersing, zijn hennepplanten en hennep aangetroffen. De verdenking bestaat er uit dat de verdachte die hennep opzettelijk heeft geteeld, dat hij die hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad en dat hij de hasjiesj aanwezig heeft gehad. De verdachte heeft deze drugsgerelateerde feiten bekend.

Nu de verdachte hetgeen het hof onder 2 en 3 (eerste cumulatief/alternatief) bewezen zal verklaren, heeft bekend — te weten het telen van hennepplanten en het aanwezig hebben van hennep — en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman voor deze feiten vrijspraak hebben bepleit, zal het hof volstaan met een

opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv.

Het hof bezigt de volgende bewijsmiddelen:

1. Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van de woning van verdachte gelegen aan de [straatnaam] te Achthuizen op 26 maart 2013 (waarbij de 50 hennepplanten en zakjes met hennep zijn aangetroffen);

2. Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende dat het hennep betrof met het gewicht van 43,46 gram;

3. Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Op grond van deze bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 26 maart 2013 te Achthuizen:

- opzettelijk 50 hennepplanten heeft geteeld,

- opzettelijk 43,46 gram hennep aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 2.
hij op 26 maart 2013 te Achthuizen, gemeente Goeree-Overflakkee, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [straatnaam]) 50, hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


feit 3.
hij op 26 maart 2013 te Achthuizen, gemeente Goeree-Overflakkee, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 43,46 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen en aanwezig hebben van hennep. Softdrugs kunnen ernstige schade toebrengen aan de volksgezondheid. De met de handel in drugs gepaard gaande criminaliteit wordt door verdachtes handelen tevens in stand gehouden.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat er dat er sinds het plegen van de feiten geruime tijd is verstreken en de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2013 niet eerder en niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen voor feiten als de onderhavige.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Het toepassen van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zoals door de raadsman is bepleit, doet onder de gegeven omstandigheden geen recht aan de door de verdachte gepleegde bewezenverklaarde feiten.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Het hof overweegt nog volledigheidshalve dat het heeft geconstateerd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, met ruim vier jaren is overschreden in de procesfase die is gelegen tussen het instellen van het hoger beroep op 16 februari 2015 en het wijzen van onderhavig arrest. Het hof heeft ook gelet op de duur van de procedure als geheel, te weten vanaf 26 maart 2013 tot de datum waarop arrest wordt gewezen. Het hof zal evenwel, gelet op de aard en hoogte van de op te leggen straf, volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief en het subsidiair, eerste en het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,
mr. I.E. de Vries en mr. E.C. van Veen, in bijzijn van de griffiers mr. C.B. Jans en mr. R. van Eekeres.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 april 2021.

Mr. R. van Eekeres is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.