Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:739

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
200.286.339/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 1:383 BW en artikel 1:385 lid 1 onder d BW. Verzoek van betrokkene tot ontslag van de curator en benoeming van een andere curator. Geen gewichtige reden voor ontslag. Dat de huidige curator zijn werkzaamheden goed verricht is niet in geschil. Het volgen van de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene vindt alleen plaats bij een eerste benoeming van een curator. Deze voorkeur vormt niet een gewichtige reden voor ontslag van de curator.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 383
Burgerlijk Wetboek Boek 1 385
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.286.339/01

zaaknummer rechtbank : 8077719 \ EJ VERZ 19-85497

registernummer : [nummer]

beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2021

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de betrokkene,

advocaat mr. M.J. de Jongh te Leiden.

Als belanghebbende is aangemerkt:

FRL Bewindvoeringen en Budgetbeheer B.V.,

gevestigd te Drachten,

hierna te noemen: de curator.

Als degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, zijn aangemerkt:

1. [informant 1] h.o.d.n. Saulute,

gevestigd te Leiden,

hierna te noemen: de beoogde curator,

2. [informant 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder van de betrokkene.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, van 29 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De betrokkene is op 27 november 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de betrokkene van 6 januari 2021 met bijlagen, ingekomen op 8 januari 2021;

- een brief van de zijde van de curator van 23 februari 2021 met bijlage, ingekomen op 24 februari 2021;

- een e-mailbericht van de zijde van de curator van 12 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een e-mailbericht van de zijde van de curator van 15 maart 2021 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 17 maart 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;

- de curator, vertegenwoordigd door [naam] ;

- de beoogde curator, vertegenwoordigd door [informant 1] ;

- de moeder van de betrokkene.

3 De feiten

3.1

De betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1987.

3.2

Bij beschikking van 12 oktober 2005 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Leiden, over de goederen die de betrokkene toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van de ouders van de betrokkene tot bewindvoerders.

3.3

Bij beschikking van 30 oktober 2007 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Leiden, betrokkene onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis, met benoeming van de moeder van de betrokkene tot curator.

3.4

Bij beschikking van 20 juni 2017 heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, de moeder op haar verzoek met ingang van 3 juli 2017 als curator van de betrokkene ontslagen en FRL Bewindvoeringen en Budgetbeheer B.V. te Drachten benoemd tot curator.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene om de curator te ontslaan en de beoogde curator tot nieuwe curator te benoemen, afgewezen.

4.2

De betrokkene verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de curator alsnog te ontslaan en de beoogde curator te benoemen tot nieuwe curator.

4.3

De curator verzoekt (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt het hof het volgende voorop. Op grond van artikel 1:385 lid 1 aanhef en sub d Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de curator te allen tijde, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om curator te kunnen worden, door de rechter worden ontslagen, zulks op verzoek van de medecurator of degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken als bedoeld in artikel 1:379 BW, dan wel ambtshalve.

5.2

Het hof is van oordeel dat de betrokkene geen gewichtige redenen zoals bedoeld in artikel 1:385 lid 1 BW heeft aangevoerd, althans dat zij haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Ook uit hetgeen ter zitting is verklaard is het hof niet gebleken van gewichtige redenen voor ontslag van de curator. De betrokkene geeft aan dat zij het vertrouwen in de curator heeft verloren en dat sprake is van een onwerkbare situatie, maar zij motiveert niet waarom dit zo is. Zij stelt slechts dat zij zich niet prettig voelt bij de curator en dat zij nooit een klik met hem heeft gehad. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de stellingen van de betrokkene echter onvoldoende dat het minimum aan vertrouwen, dat geacht wordt te bestaan tussen een betrokkene en een curator, ontbreekt. Evenmin zijn door de betrokkene andere gronden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat er sprake is van gewichtige redenen voor ontslag van de curator. Integendeel, de advocaat van de betrokkene heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de grondslag van het verzoek tot ontslag geenszins is gelegen in het functioneren van de huidige curator. Het hof acht het op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting bovendien niet uitgesloten dat het door de betrokkene gestelde gebrek aan vertrouwen terug te voeren is op haar problematiek en het bijbehorende ziektebeeld. Zo blijkt uit de door de curator overgelegde brief van 4 februari 2021, afkomstig van de psycholoog van de betrokkene, dat de betrokkene door haar licht verstandelijke beperking onvoldoende inzicht heeft in wat zij nodig heeft en dat zij voornamelijk op zoek is naar (directe) behoeftebevrediging. De curator heeft in dat kader verklaard dat in het gedrag van de betrokkene een patroon zichtbaar is van het aantrekken en afstoten van personen. Zolang hij haar verzoeken inwilligt, is de verstandhouding met de betrokkene redelijk goed. De curator benadrukt daarbij dat het de laatste maanden beter gaat met de betrokkene en dat het van groot belang is dat de huidige zorg kan worden voortgezet. Ook de moeder van de betrokkene heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat een patroon zichtbaar is in het gedrag van de betrokkene als het gaat om de locatie waar zij verblijft: het is nooit goed. In de periode dat de betrokkene steeds haar zin kreeg, ging het wel goed met haar, aldus de moeder van de betrokkene. Mede gelet op het voorgaande acht het hof de huidige curator op dit moment het beste in staat om de belangen van de betrokkene zo goed mogelijk te waarborgen. Het hof verwacht bovendien dat een wisseling van curator geen verbetering zal brengen als het gaat om de behandelbehoefte en behandelacceptatie van de betrokkene.

5.3

De betrokkene heeft zich voorts nog op het standpunt gesteld dat zij bijgestaan zou moeten kunnen worden door een curator naar keuze. In dat verband voert zij aan dat zij het recht heeft om zelf een curator te kiezen en dat de continuïteit van de curatele bij een wijziging van de curator niet in gevaar zal komen. Bovendien is het pas de eerste keer in ruim vijftien jaar dat zij verzoekt om de benoeming van een andere curator. Het hof overweegt hierover als volgt. De rechter benoemt bij de instelling van de curatele een curator en volgt daarbij in beginsel de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, conform het bepaalde in artikel 1:383 lid 2 BW. Deze situatie doet zich dus voor bij eerste benoeming van een curator. Dit volgt uit de tekst van artikel 1:383 lid 2 BW, in samenhang met artikel 1:383 lid 1 BW. Indien een curator eerder is benoemd, zoals in deze zaak, is de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene geen grond voor ontslag van de curator en benoeming van een andere curator. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

5.4

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, J.M. van de Poll en J. Calkoen-Nauta, bijgestaan door mr. L.A.J. Brouwer als griffier en is op 21 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.