Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:733

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
BK-20/00664
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:10883, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 3.76 Wet IB 2001; zelfstandigenaftrek en startersaftrek; heeft belanghebbende voldaan aan het urencriterium?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1035
FutD 2021-1411
Viditax (FutD), 30-04-2021
NTFR 2021/1488
NLF 2021/0952 met annotatie van
V-N 2021/30.29.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00664

Uitspraak van 21 april 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 september 2020, nummer SGR 19/6980.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en

premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.233 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.200 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 439 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikking afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht van € 47 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Er is een griffierecht van € 131 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 13 december 2020 een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 maart 2021. De Inspecteur is ter zitting verschenen. Belanghebbende is, met bericht van verhindering en zonder verzoek om uitstel van de zitting, niet verschenen. Dit bij e-mail van 4 maart 2021 ingediende bericht merkt het Hof tevens aan als nader stuk. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is sinds 16 februari 2015 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . Volgens de inschrijving bestaan de activiteiten van [eenmanszaak] uit specialistische zakelijke dienstverlening in de vorm van brandpreventie en repressieve ondersteuning.

2.2.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar (2016) in loondienst bij het [A] , [B B.V.] en N.V. [C] . Volgens de loongegevens van de Belastingdienst hebben deze werkgevers in het onderhavige jaar 2.239 verloonde uren opgegeven. Belanghebbende heeft van deze werkgevers in totaal een brutoloon ontvangen van € 44.060.

2.3.

Belanghebbende heeft in 2016 voorts een ontslagvergoeding van € 10.922 ontvangen in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking bij het [D] per 10 april 2014.

2.4.

Belanghebbende heeft in 2016 met [eenmanszaak] een omzet behaald van € 8.341,84. Na aftrek van de kosten is een winst behaald van € 4.311,43. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2016 ten aanzien van [eenmanszaak] het volgende opgenomen:

Winst uit onderneming voor ondernemersaftrek

€ nihil

Zelfstandigenaftrek

€ 7.280 -/-

Startersaftrek

€ 2.123 -/-

MKB-winstvrijstelling

€ 1.316 +

Belastbare winst

€ nihil

2.5.

Bij brieven van 9 april 2018 en 22 mei 2018 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om informatie over de aangegeven winst uit onderneming. Belanghebbende heeft in reactie op het informatieverzoek onder meer een urenregistratie en een winst- en verliesrekening verstrekt.

2.6.

Bij het opleggen van de aanslag is de Inspecteur afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De Inspecteur heeft de fiscale winst verhoogd en de in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek en startersaftrek gecorrigeerd. De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 45.233, bestaande uit het loon (€ 54.982) en de belastbare winst (€ 3.708) verminderd met de negatieve inkomsten uit eigen woning (€ 13.457). Daarbij heeft de Inspecteur de belastbare winst uit onderneming als volgt berekend:

Bruto resultaat € 8.341

Kosten € 4.030 -/-

Winst uit onderneming € 4.311

MKB-winstvrijstelling € 603 -/-

Belastbare winst uit onderneming € 3.708

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

"6. De zelfstandigen- en startersaftrek gelden voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet.1 Aan het urencriterium wordt voldaan indien gedurende het kalenderjaar ten minste 1.225 uren worden besteed aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.2

7. De bewijslast dat aan het urencriterium is voldaan rust op [belanghebbende]. [Belanghebbende] heeft daartoe een Excelbestand overgelegd. Dit bestand bevat echter meerdere onduidelijkheden, onder andere op de onderdelen opleiding en scholing. [De Inspecteur] heeft daarom vragen gesteld en [belanghebbende] onder meer verzocht facturen over te leggen. Ter zitting heeft [belanghebbende] verklaard dat hij niet over facturen beschikt, omdat sprake was van verrekening met gesloten beurzen. Ook heeft [belanghebbende] ter zitting verklaard dat over zijn werkzaamheden uitsluitend mondeling afspraken zijn gemaakt, waardoor van deze overeenkomsten evenmin stukken beschikbaar zijn. [Belanghebbende] heeft met het enkel overleggen van het Excelbestand niet aannemelijk gemaakt dat hij aan het urencriterium heeft voldaan. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het overgrote deel van de beschikbare tijd van [belanghebbende] werd ingenomen door zijn dienstbetrekkingen (minstens 2.239 uren).

8. [ De Inspecteur] heeft dus terecht de zelfstandigen- en startersaftrek geweigerd. Dat volgens [belanghebbende], voorafgaand aan het opleggen van de definitieve aanslag, [de Inspecteur] en hij uitsluitend in discussie waren over een specifieke opleiding en hij in dat verband een kopie van een diploma heeft overgelegd, betekent niet dat het [de Inspecteur] niet is toegestaan in de bezwaar- en beroepsfase het gehele Excelbestand ter discussie te stellen. [De Inspecteur] mag gedurende de procedure de onderbouwing van een correctie wijzigen, zolang dat niet leidt tot een hogere correctie.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek terecht buiten aanmerking heeft gelaten. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende heeft voldaan aan het urencriterium. Belanghebbende beantwoordt deze laatste vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.2.

Belanghebbende concludeert - naar het Hof begrijpt - tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Ingevolge artikel 3.76, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 geldt voor een ondernemer die aan het urencriterium voldoet de zelfstandigenaftrek. Deze wordt op grond van het derde lid verhoogd met € 2.123 (startersaftrek) indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de met de activiteiten van [eenmanszaak] behaalde voordelen winst uit onderneming vormen, en dat belanghebbende als ondernemer moet worden aangemerkt. In geschil is of belanghebbende in 2016 aan het urencriterium heeft voldaan. Aangezien de Inspecteur belanghebbendes stelling dat dit het geval is betwist, moet belanghebbende aannemelijk maken dat hij in het onderhavige jaar ten minste 1.225 uren aan zijn onderneming heeft besteed. Belanghebbende heeft hiertoe een urenregistratie overgelegd waarin 1.229 uren zijn opgenomen.

5.3.1.

Anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt, is niet beslissend of het Excelbestand al dan niet als agenda moet worden gezien. Waar het om gaat, is dat belanghebbende bewijs moet leveren van de door hem gestelde uren. Belanghebbende is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen die hij wil gebruiken (vrije bewijsleer). Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet in die bewijslast is geslaagd. De urenregistratie en de beschrijving per dag zijn te vaag om daaruit te kunnen afleiden welke activiteiten daadwerkelijk op de onderneming betrekking hebben. Zo is onduidelijk of de vermelding ‘opleiding’ - waaraan meermaals een hele werkweek is besteed - ziet op lessen die belanghebbende heeft gegeven in het kader van zijn onderneming of in het kader van zijn dienstbetrekking. Dat geldt ook met betrekking tot de door belanghebbende zelf gevolgde bij- en nascholingen. Verder zijn de uren onvoldoende verifieerbaar bij gebrek aan enige objectief controleerbare feitelijke onderbouwing, zoals bijvoorbeeld facturen of opleidingsroosters. Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard dat hij voor de verleende diensten geen betaling heeft verkregen, omdat er werd verrekend met gesloten beurzen. Zelfs als dat de afwezigheid van door belanghebbende uitgereikte facturen zou kunnen verklaren, geldt dat hij dan op andere wijze aannemelijk had kunnen maken deze diensten vanuit zijn onderneming te hebben verricht, bijvoorbeeld door middel van verklaringen van zijn cliënten. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot het ontbreken van schriftelijke overeenkomsten met cliënten. Het Hof wijst er ten slotte op dat diverse malen zelfs een omschrijving van de als ‘opleiding’ vermelde werkzaamheden ontbreekt.

5.3.2.

Evenals de Rechtbank weegt het Hof voorts mee dat belanghebbende tot 12 december 2016 een voltijds dienstverband had bij het [A] en vanaf 1 november 2016 een voltijds dienstverband bij [B B.V.] . Gelet op de omvang van zijn dienstbetrekkingen (2.239 verloonde uren) komt het door belanghebbende gestelde aantal aan zijn onderneming bestede uren (1.229) het Hof onaannemelijk hoog voor; belanghebbende zou dan in het onderhavige jaar 3.468 uren hebben gewerkt. Het Hof wijst er hierbij op dat, anders dan waarvan belanghebbende uitgaat, de Inspecteur bij de berekening van het aantal uren dat belanghebbende in 2016 aan zijn dienstbetrekkingen heeft besteed, geen uren in aanmerking heeft genomen met betrekking tot het [D] .

5.3.3.

De conclusie luidt dat de Inspecteur de zelfstandigenaftrek en startersaftrek terecht heeft gecorrigeerd.

5.4.

Belanghebbende heeft in zijn nader stuk verzocht om het op de aanslag verschuldigde bedrag in maandelijkse termijnen te mogen voldoen als het Hof het hoger beroep ongegrond verklaart. Het Hof wijst belanghebbende erop dat hij voor een betalingsregeling contact zal moeten opnemen met de ontvanger. De Inspecteur heeft ter zitting toegezegd daarbij behulpzaam te zullen zijn.

5.5.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

5.6.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, W.M.G. Visser en L.D. van Wijck-Koolstra, in tegenwoordigheid van de griffier N. Veenstra. De beslissing is op 21 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Artikel 3.76 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)

2 Artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001