Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:73

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
200.288.020/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:866, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:13710, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Gratieverlening voor levenslanggestrafte. Is de beslissing van de minister om geen gratie te verlenen onrechtmatig? Motivering van de beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.288.020/01

Rolnummer rechtbank : C/09/585857/KG ZA 19-1255

arrest van 19 januari 2021

inzake

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetel houdend te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.J. Wybenga te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van dagvaarding in spoedappel van 4 januari 2021 is de Staat in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 30 december 2020 (hierna: het eindvonnis), alsmede tegen het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 6 februari 2020. Bij de appeldagvaarding (met productie) heeft de Staat onder aanvoering van twee grieven gevorderd dat deze vonnissen worden vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen, met diens veroordeling in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met wettelijke rente, en met de verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden bij een memorie van antwoord (met drie producties).

Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 14 januari 2021, de Staat door zijn advocaat, en [geïntimeerde] door zijn advocaat en diens kantoorgenoot mr. V. Sloeserwij. De raadslieden hebben zich hierbij bediend van pleitnota’s, die zij op de zitting hebben overgelegd.

Het hof heeft met partijen besproken dat op 19 januari 2021 om 10.00 uur arrest wordt gewezen, en wel in de vorm van een kop-staart-arrest (met daarin enkel de beslissing) en dat de motivering ten spoedigste daarna wordt weergegeven in een uitgewerkt arrest. Dit is dat uitgewerkte arrest.

Beoordeling van het hoger beroep

1. korte samenvatting van wat in dit arrest wordt beslist.

1.1

[geïntimeerde] is in 1984 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Hij heeft in de afgelopen jaren meerdere malen een verzoek om gratie ingediend. De Staat, laatstelijk de minister voor Rechtsbescherming, daartoe gemachtigd door de Koning (hierna: de minister), heeft deze verzoeken tot nu toe steeds afgewezen.

1.2

In deze zaak is het vierde gratieverzoek van [geïntimeerde] aan de orde. De minister heeft dit verzoek (voor de tweede keer) bij beslissing van 20 december 2019 afgewezen. [geïntimeerde] heeft tegen die beslissing een kort geding aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 30 december 2020 [geïntimeerde] in het gelijk gesteld omdat hij van oordeel was dat de minister zijn beslissing niet goed had gemotiveerd. De voorzieningenrechter heeft de Staat veroordeeld om binnen vier weken een nieuwe beslissing op het vierde gratieverzoek te nemen.

1.3

De Staat heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter dit hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep behandeld als een ‘(turbo)spoedappel’. In dit arrest beslist het hof dat de voorzieningenrechter terecht heeft beslist dat de minister een nieuwe beslissing op het vierde gratieverzoek moet nemen, omdat de beslissing van de minister inderdaad niet goed is gemotiveerd. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de voorzieningenrechter.

2. de feiten en de achtergronden van het geschil.

2.1

Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 14 oktober 1984 is [geïntimeerde] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café “Het Koetsiertje” te Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. [geïntimeerde] is op 7 april 1983 in detentie genomen.

2.2

Op 11 maart 1998 heeft [geïntimeerde] een gratieverzoek ingediend, dat aanleiding is geweest voor een onderzoek naar [geïntimeerde] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Na overleg tussen de minister van Justitie en het Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. Henri van der Hoevenkliniek (hierna: de kliniek) is [geïntimeerde] op 31 augustus 2001 opgenomen in die kliniek.

2.3

Op 3 november 2016 is aan [geïntimeerde] transmuraal verlof toegekend. Dit komt er thans op neer dat [geïntimeerde] buiten de kliniek verblijft, werkt en (bij zijn gezin) woont. [geïntimeerde] staat nog wel onder toezicht van de kliniek. Het land verlaten of zich in het buitenland vestigen is hem niet toegestaan.

2.4

In de loop der jaren heeft [geïntimeerde] meerdere malen een gratieverzoek ingediend. Deze verzoeken zijn tot nu toe steeds afgewezen.

2.5

Op 25 maart 2019 heeft [geïntimeerde] een vierde gratieverzoek ingediend. Naar aanleiding van dit gratieverzoek heeft (de strafkamer van) dit hof in zijn advies van 23 juli 2019 de minister geadviseerd het verzoek toe te wijzen. Het hof heeft in dit advies deels verwezen naar zijn eerdere advies van 6 september 2018, gegeven naar aanleiding van een eerder (derde) gratieverzoek. Het hof heeft in zijn advies tevens acht geslagen op het evaluatieverslag van de kliniek van 13 september 2018.

2.6

Bij beslissing van 5 september 2019 heeft de minister het vierde gratieverzoek afgewezen.

2.7

Bij kort geding-vonnis van 5 november 2019 heeft de voorzieningenrechter beslist dat de minister een nieuwe beslissing op het vierde gratieverzoek moet nemen. De voorzieningenrechter baseerde zich in zijn vonnis (in ieder geval mede) op het criterium zoals geformuleerd in het arrest van dit hof van 6 mei 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1167), waarin is overwogen dat de minister slechts van het rechterlijk advies kan afwijken indien sprake is van nieuwe omstandigheden. Inmiddels is door de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1747) komen vast te staan dat de eis van nieuwe omstandigheden niet mag worden gesteld.

2.8

De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 5 november 2019. Dit hoger beroep, bij het hof aanhangig onder zaaknummer 200.272.250/01, is tezamen met de onderhavige zaak bepleit op 14 januari 2021.

2.9

Ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter van 5 november 2019 heeft de minister bij beslissing van 20 december 2019 zijn beslissing van 5 september 2019 herroepen en het vierde gratieverzoek opnieuw afgewezen. De kern van de motivering van deze afwijzing luidt:

“(…)

Uw verzoek dient derhalve beoordeeld te worden tegen de achtergrond van artikel 2 onder B van de

Gratiewet. Dat wil zeggen dat eerst beoordeeld dient te worden of aannemelijk is geworden dat met

de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de

strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

Ondanks mijn eerdere opvattingen en de niet eensluidende adviezen daarover heeft de rechter in kort

geding dusdanige kaders geschetst dat ik geen argumenten meer heb om te betogen dat niet aan

artikel 2 onder B van de Gratiewet is voldaan. Ik leg mij daarom neer bij de meerderheid van de

adviezen dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen

met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Dat wil echter niet

zeggen dat daarmee automatisch tot gratieverlening overgegaan moet worden. De wet zegt immers

dat als aan onderdeel B is voldaan gratie "kan" worden verleend. Er is derhalve ook dan nog sprake

van een discretionaire bevoegdheid waarbinnen de kroon ruimte toekomt om een belangenafweging

te maken met inachtneming van eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid.

Daarbij dien ik de belangen van de maatschappij en de slachtoffers/nabestaanden enerzijds af te

wegen tegen uw belang anderzijds. Ten aanzien van het maatschappelijk belang overweeg ik dat

gratieverlening in casu tot grote maatschappelijke verontwaardiging zal leiden. Uit het eerder

uitgevoerde slachtofferonderzoek is bovendien bekend dat de nabestaanden het verlies van hun

dierbare nog lang niet verwerkt hebben. Bij hen zal gratiëring op groot onbegrip stuiten.

Daartegenover staat uw belang om uw leven in vrijheid te kunnen vervolgen. Daarbij merk ik op dat

u door het verloop van uw detentie feitelijk al zo goed als vrij bent. Voor u is gratieverlening

derhalve een belangrijke stap qua formele status maar het materiele effect ervan is voor u beperkt.

Naar mijn mening is voor u daarmee geen sprake (meer) van een inhumane of onrechtvaardige

situatie.

Als ik de in deze betrokken belangen tegen elkaar weeg dan ben ik van mening dat uw (nog beperkte)

belang bij gratiëring op dit moment in redelijkheid niet opweegt tegen de belangen van maatschappij,

slachtoffers en nabestaanden.

(...)"

2.10

[geïntimeerde] is in dit kort geding opgekomen tegen deze (tweede) afwijzing van het vierde gratieverzoek. Hij vordert, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, dat de minister zijn beslissing herroept en een nieuwe beslissing op het (vierde) gratieverzoek neemt. De voorzieningenrechter heeft, voor zover thans nog van belang, de Staat veroordeeld om binnen vier weken na 30 december 2020 opnieuw te (doen) beslissen op het vierde gratieverzoek van [geïntimeerde] .

2.11

De voorzieningenrechter heeft zijn beslissing in het eindvonnis als volgt gemotiveerd. De erkenning van de minister dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend, impliceert dat de vergelding met verdere tenuitvoerlegging niet meer wordt gediend. Daarmee valt niet te rijmen dat de minister de grote maatschappelijke verontwaardiging waartoe gratieverlening zal leiden en de omstandigheid dat gratiëring bij de nabestaanden op groot onbegrip zal stuiten doorslaggevend acht in de door hem te maken belangenafweging. Dit laatste impliceert immers dat het strafdoel van vergelding tóch wordt gediend met de verdere tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing. Het instrument van gratie strekt er bovendien niet toe de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing. De motivering van de minister geeft daar echter wel blijk van. Van bijzondere omstandigheden om van het advies van de rechter af te wijken blijkt in die motivering niet of onvoldoende. Dat sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden geldt hier temeer nu afwijking van het advies van de rechter in voor [geïntimeerde] ongunstige zin plaatsvindt, aldus de voorzieningenrechter.

3. bespreking van de grieven.

3.1

In grief 1 (grief 2 heeft geen zelfstandige betekenis) komt de Staat op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de motivering van de minister om ondanks het positieve advies van de strafrechter toch geen gratie te verlenen die beslissing niet kan dragen. De Staat voert hiertoe (samengevat) het volgende aan:

( a) De voorzieningenrechter heeft miskend dat art. 2 Gratiewet de Kroon een discretionaire bevoegdheid geeft. Indien aan een van de daarin genoemde gronden is voldaan kán gratie worden verleend.

( b) Het is onjuist dat de minister zou hebben erkend dat er geen strafdoelen meer worden gediend met verdere tenuitvoerlegging. De minister moest beslissen op grond van kaders die in het kort geding-vonnis van 5 november 2019 waren geschetst maar deze waren, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020, onjuist. De minister heeft de belangen van slachtoffers en nabestaanden in dit geval zwaar gewogen.

( c) De minister mag (onder omstandigheden) ook van het rechterlijk advies afwijken indien hij de relevante feiten en belangen anders weegt, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 (rov. 3.6.2).

( d) De overweging van de voorzieningenrechter dat het instrument van de gratie niet ertoe strekt de Kroon in de gelegenheid te stellen af te wijken van een van het adviserend gerecht afwijkend inzicht omtrent de strafrechttoepassing, is hier niet op zijn plaats. Daarvan is volgens de Staat slechts sprake in de omgekeerde situatie, namelijk wanneer in afwijking van een negatief advies van het gerecht toch gratie wordt verleend. Alleen dan wordt ingegrepen in de rechtspraak en wordt blijk gegeven van een van de rechter afwijkend inzicht in de strafrechtstoepassing.

( e) Het hof heeft er in zijn advies onvoldoende blijk van gegeven of, en zo ja hoe, het heeft meegewogen dat het in dit geval gaat om een misdrijf dat zijn weerga niet of nauwelijks kent, dat er sprake was van zoveel willekeurige slachtoffers en dat de slachtoffers en nabestaanden in dit geval zoveel jaren later nog zoveel negatieve gevolgen van het gebeuren ondervinden zoals blijkt uit het laatste slachtofferonderzoek van 2014. De situatie van de slachtoffers is schrijnend, zij hebben anders dan [geïntimeerde] hun leven niet of nauwelijks meer kunnen oppakken.

( f) Het hof heeft in zijn advies ook het belang van [geïntimeerde] onjuist gewogen. [geïntimeerde] wordt niet feitelijk absoluut uitgesloten uit de maatschappij. Hij verblijft buiten de kliniek, werkt en woont bij zijn gezin en kan meedoen met het maatschappelijk leven. Dat is niet de uitzichtloze situatie en de feitelijk absolute uitsluiting uit de maatschappij waarop het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) doelt.

( g) Het feit dat het hof in zijn advies de onder (e) en (f) genoemde belangen onjuist heeft gewogen, levert voldoende bijzondere omstandigheden op die een afwijking van dat advies rechtvaardigen.

Het hof zal deze argumenten zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

3.2

Het hof stelt voorop dat de Staat kennelijk niet bepleit dat de regels die de Hoge Raad in zijn arrest van 6 november 2020 heeft geformuleerd, in dit geval toepassing missen omdat, volgens de Staat, de situatie van [geïntimeerde] niet zo uitzichtloos is als waarop het EHRM in zijn rechtspraak omtrent art. 3 EVRM doelt. Integendeel, de Staat beroept zich zelf op dat arrest. Het hof zal dan ook het hoger beroep beoordelen tegen de achtergrond van de kaders die in het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 zijn gesteld.

3.3

De voorzieningenrechter heeft terecht de beslissing van de minister op de daarin gegeven motivering – en daarmee op innerlijke consistentie – getoetst. Daarbij heeft hij eveneens terecht de regels toegepast die de Hoge Raad in zijn arrest van 6 november 2020 (en eerdere arresten) heeft gegeven en die er meer in het bijzonder op neerkomen (i) dat aan het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd een zeer groot gewicht toekomt, in die zin dat het advies in beginsel leidend is bij de beslissing omtrent gratieverlening, (ii) dat alleen op grond van bijzondere omstandigheden van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd mag worden afgeweken en dat dit in het bijzonder geldt indien afwijking van het advies in voor de veroordeelde ongunstige zin plaatsvindt en (iii) dat een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening in het bijzonder van belang is indien wordt afgeweken van dat advies, in welk geval de redenen voor de afwijking van het advies moeten worden opgegeven (eindvonnis rov. 2.8). De omstandigheid dat art. 2 Gratiewet bepaalt dat, indien aan een van de daarin genoemde voorwaarden is voldaan, gratie ‘kan’ worden verleend, doet niet af aan de toepasselijkheid van de hiervoor weergegeven regels.

3.4

De Staat maakt bezwaar tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat het instrument van de gratie niet ertoe strekt de Kroon in de gelegenheid te stellen af te wijken van een van het adviserend gerecht afwijkend inzicht omtrent de strafrechttoepassing. Daarvan is volgens de Staat slechts sprake wanneer in afwijking van een negatief advies van het gerecht toch gratie wordt verleend. Dit standpunt van de Staat is onjuist. De desbetreffende overweging komt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 (rov. 3.5.3) en is daarin niet beperkt tot de situatie dat ten gunste van de veroordeelde van het rechterlijk advies wordt afgeweken. Overigens heeft de Staat bij deze klacht geen belang. Toetsing aan dit gezichtspunt leidt niet tot een ander resultaat dan toepassing van de regels die hiervoor onder 3.3. zijn samengevat en die de voorzieningenrechter aan zijn uitspraak ten grondslag heeft gelegd.

3.5

De voorzieningenrechter heeft voorts met juistheid overwogen dat de overweging van de minister dat met (de voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend, onverenigbaar is met zijn beslissing dat de grote maatschappelijke verontwaardiging waartoe gratieverlening zal leiden en de omstandigheid dat gratiëring bij de nabestaanden op groot onbegrip zal stuiten aan gratieverlening in de weg staan. Vergelding is immers één van de doeleinden van de strafrechtstoepassing.

3.6

Dat de minister onder de invloed van in het kort geding-vonnis van 5 november 2019 gegeven maar later onjuist geoordeelde ‘kaders’ zou hebben beslist, doet er niet aan af dat de beslissing van de minister onvoldoende, want innerlijk tegenstrijdig is gemotiveerd. Overigens dwong de inhoud van het vonnis van 5 november 2019 de minister geenszins zich op het standpunt te stellen dat met (de voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Evenmin blijkt, dat het punt waarop dat vonnis in het licht van het latere arrest van de Hoge Raad blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, namelijk de eis dat sprake zou moeten zijn van nieuwe omstandigheden, een rol heeft gespeeld in de (tweede) beslissing van de minister op het vierde gratieverzoek. Dat de minister zich daarin gedwongen voelde ‘nieuwe omstandigheden’ aan te voeren blijkt niet, de minister doet immers geen beroep op nieuwe omstandigheden.

3.7

Hierbij kan nog ten overvloede worden opgemerkt dat de beslissing van de minister ook niet voldoet aan het vereiste dat de redenen voor de afwijking van het rechterlijk advies moeten worden opgegeven. Op de inhoud van het advies van 23 juli 2019 wordt in de beslissing van de minister niet ingegaan, hoewel in dit advies (dat in zoverre ook verwijst naar het eerdere advies van 6 september 2018, deels geciteerd in het tussenvonnis van de voorzieningenrechter onder 4.11) specifiek op de aspecten ernst van het misdrijf, impact op slachtoffers en nabestaanden en vergelding is ingegaan. Weliswaar heeft de Staat in zijn memorie van grieven kritiek geleverd op het advies van het hof (het hof zou te weinig belang hebben gehecht aan de ernst van het misdrijf en de belangen van de slachtoffers en nabestaanden, en hebben miskend dat [geïntimeerde] op vrije voeten is en niet is uitgesloten van de maatschappij), maar daardoor wordt de ontoereikende motivering van de minister niet geheeld. Het gaat er om of de beslissing van de minister correct is gemotiveerd, niet om wat de Staat nadien in kort geding aanvoert om die beslissing verder aan te kleden.

3.8

Onjuist is voorts de opvatting van de Staat dat de minister ook van het rechterlijk advies mag afwijken indien hij de relevante feiten en belangen anders weegt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 volgt onmiskenbaar dat een van het rechterlijk advies afwijkende weging alleen mogelijk is indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, zeker indien van het advies wordt afgeweken in voor de veroordeelde ongunstige zin. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft de minister niet, althans niet kenbaar, aan zijn beslissing ten grondslag gelegd. Het betoog van de Staat, dat sprake is van een bijzondere omstandigheid omdat de minister de belangen anders weegt draait de zaak om en kan dan ook niet worden gevolgd.

3.9

Daarbij merkt het hof op dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] in het kader van de resocialisatie transmuraal verlof geniet en dus in zoverre ‘op vrije voeten’ is, bezwaarlijk als een bijzondere omstandigheid kan worden beschouwd die ten nadele van de veroordeelde werkt bij een beslissing omtrent gratieverlening. Het zou ongerijmd zijn, en moeilijk verenigbaar met het bepaalde in art. 4 lid 4 onder c van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften, indien een succesvol resocialisatietraject aan de veroordeelde die om gratie verzoekt kan worden tegengeworpen.

3.10

Resumerend moet worden geconcludeerd dat de beslissing van de minister op innerlijk tegenstrijdige wijze is gemotiveerd en dat uit die motivering niet blijkt van bijzondere omstandigheden die afwijking van het rechterlijk advies rechtvaardigen. De grieven falen.

4. conclusie; proceskostenveroordeling.

4.1

De slotsom uit het voorgaande is dat de grieven falen en dat de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zullen worden bekrachtigd.

4.2

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding om de Staat te veroordelen in de reële proceskosten van [geïntimeerde] . Dat de Staat misbruik maakt van procesrecht is niet gebleken.

Beslissing

Het hof :

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 februari 2020 (tussenvonnis) en 30 december 2020 (eindvonnis), het tussenvonnis voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 332,- aan verschotten en op € 3.222,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar -

- - - bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.A.M. van Waesberghe, S.A. Boele en A. Dupain,

en ondertekend alsmede op 19 januari 2021 in het openbaar uitgesproken door

mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.