Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:717

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
2200409319
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling, gebroken oogkas en gebroken neus. Buitenproportioneel politiegeweld. Verdachte, een politieagent, heeft aangever met kracht een klap in het gezicht gegeven. Verdachte heeft het geweld in de rechtmatige uitvoering van zijn bediening toegepast. Het toegepaste geweld voldoet niet aan de eis van proportionaliteit. Beroepen op (putatief) noodweer(exces) worden verworpen. Het hof legt op een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand en een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts beslissing op vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004093-19

Parketnummer: 10-751026-18

Datum uitspraak: 20 april 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en van het meer subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:


hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de linker oogkaswand en de neus en een hersenschudding, heeft toegebracht door met zijn vuist tegen de oogkas, althans het gezicht, van die [slachtoffer] te slaan;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] een vuistslag tegen de oogkas, althans het gezicht, heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door met zijn vuist tegen de oogkas, althans het gezicht, van die [slachtoffer] te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een breuk van de linker oogkaswand en de neus, ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de linker oogkaswand en de neus en een hersenschudding, heeft toegebracht door met zijn vuist tegen de oogkas, althans het gezicht, van die [slachtoffer] te slaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Vaststelling van de feiten

Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 4 augustus 2017 kreeg de verdachte, een politieagent met een leidinggevende positie binnen de politie, een melding met het verzoek tot assistentie van collega’s. Ter plaatse aangekomen trof hij samen met, al eerder gearriveerde, collega’s op straat een groep mensen aan in een hectische en chaotische situatie. Er was (inmiddels) sprake van een dreigende en verbaal-agressieve sfeer tegenover de aanwezige politieagenten. De aangever, [slachtoffer], maakte deel uit van de groep. Hij was op dat moment zeer boos over de naar zijn mening onveilige wijze waarop twee politieauto’s eerder al waren komen aanrijden. Hij schold tegen de politieagenten, schreeuwde en maakte daarbij bewegingen met zijn armen. De aangever kreeg van een politieagent ter plaatse, niet zijnde de verdachte, een duw met een lange wapenstok opdat hij afstand zou houden. Aangever kalmeerde niet en bleef schreeuwen. Kort daarna zegde een van de politieagenten ter plaatse, naar het zich laat aanzien [politieagent], de aangever aan - hetgeen werd gehoord door de verdachte -dat hij was aangehouden; naar het hof begrijpt voor verstoring van de openbare orde. Aangever werd in dat kader door verbalisant [politieagent] bij zijn arm gepakt. De aangever onttrok zich evenwel aan de aanhouding en rende weg in de richting van zijn schuur, waar hij naar binnen ging. [politieagent] ging achter hem aan, het schuurtje in. De verdachte was van de aangezegde aanhouding op de hoogte en zag dat de aangever zich daaraan onttrok door zich richting het schuurtje te bewegen, gevolgd door zijn collega [politieagent]. De verdachte is vrijwel meteen ter assistentie van [politieagent] achter hem aangelopen, eveneens het schuurtje in. In dat schuurtje, waar het donker was en waarin zich nog een bekende van de aangever bleek te bevinden, stonden de aangever en [politieagent] tegenover elkaar. De verdachte bevond zich toen inmiddels in hun nabijheid. De aangever schreeuwde en zwaaide met zijn armen. Om daadwerkelijk tot (fysieke) aanhouding van de aangever te kunnen komen – [politieagent] had de aangever in dat opzicht immers nog niet ‘onder controle’; de aangever was nog niet vastgepakt, geboeid of anderszins meewerkend - voelde [politieagent] met zijn handen naar zijn pepperspray achter zijn rug. Op dat moment gaf de verdachte met zijn vuist één klap tegen het gezicht van de aangever.

Betrouwbaarheid verklaringen van getuige [politieagent]

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verklaringen van [politieagent] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, aangezien de verklaringen op onderdelen tegenstijdigheden bevatten waardoor deze niet betrouwbaar kunnen worden geacht.

Anders dan de raadsvrouw ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [politieagent]. Allereerst geldt dat [politieagent] in grote lijnen en op voor het bewijs relevante onderdelen consistent heeft verklaard, inhoudende dat hij de aangever wilde aanhouden in het schuurtje, dat hij aangever nog niet ter aanhouding ‘onder controle’ had en in dat kader zijn pepperspray wilde pakken. [politieagent] heeft bovendien in dit kader telkenmale verklaard dat hij in het schuurtje niet met enige vorm van aanranding is bedreigd door de aangever. Voorts vinden de verklaringen van [politieagent 2] op dit punt volledig steun in andere bewijsmiddelen. Dat [politieagent] op enkele details wisselend heeft verklaard moge zo zijn, maar dit doet in het licht van voorgaande naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen ten gronde.

Het hof zal de verklaringen van [politieagent] derhalve niet uitsluiten van het bewijs.

Zwaar lichamelijk letsel

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het letsel – een breuk van de oogkaswand en van het neusbot, alsmede een hersenschudding - niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat medisch ingrijpen niet noodzakelijk is geweest, aangezien de breuken ‘recht stonden’ en het oog goed functioneerde. De geschatte genezingsduur betrof zes weken, wat voor een breuk niet een ongebruikelijk lange genezingsduur is. Ten aanzien van de hersenschudding zijn op de MRI en/of CT-scan geen zichtbare afwijkingen vermeld. Voor wat betreft de klachten van de aangever na de hersenschudding heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze klachten niet geobjectiveerd zijn.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder meer wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat en voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kunnen als algemene gezichtspunten worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

Bij de aangever zijn een aan de binnenzijde gebroken linker oogkaswand, een gebroken neus, een flinke bloeduitstorting en een hersenschudding, dit alles met een herstelperiode van “ten minste” zes weken, en met sindsdien voortdurende, niet medisch objectiveerbare, maar wel bestaande en voortdurende klachten van hoofdpijn en nekpijn en duizeligheid geconstateerd, die, zo blijkt uit het medisch dossier, in verband worden gebracht met genoemd letsel aan het gezicht en/of de hersenschudding. De aangever heeft als gevolg van genoemd letsel onder medische behandeling gestaan, onder meer van een oogarts – het zicht van het aangedane oog was meer dan een jaar beperkt – en als gevolg van de hersenschudding van een neuroloog. Hij heeft bovendien tot mei 2019 – ruim anderhalf jaar na het incident – als gevolg van genoemd letsel onder behandeling gestaan bij [naam] Revalidatie, waar hij fysiotherapie en ergotherapie kreeg. Voorts is de aangever, die specialistisch lasser van beroep was, als gevolg van genoemd letsel in eerste instantie geheel en later deels arbeidsongeschikt geraakt. De verdachte is heden ruim drieënhalf jaren na het incident, lichamelijk nog steeds niet volledig hersteld, zoals ook volgt uit de aan de vordering benadeelde partij gehechte stukken ter onderbouwing.

Gelet op het vorengaande is het hof van oordeel dat het letsel van de aangever, zo dit al geen letsel is als nader geduid in art. 82 Wetboek van Strafrecht, in ieder geval naar gewoon spraakgebruik dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Voorwaardelijk opzet

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het uitdelen van één vuistslag in het gezicht levert niet zonder meer een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte de aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard. Als contra-indicaties ten aanzien van de aanvaarding heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte slechts één klap, met geringe kracht, heeft gegeven en dat hij zeer verbaasd was over het ontstane letsel.

Het hof is van oordeel dat van opzet in voorwaardelijke zin sprake is en overweegt hiertoe het volgende.

Het hof stelt voorop dat opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel - aanwezig is indien een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het betreffende gevolg zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte een grote politieman is van 1,94 meter lang. De aangever is aanzienlijk kleiner dan de verdachte. Gelet op het behoorlijke verschil in lengte kan het niet anders zijn dan dat de verdachte bij het slaan in het gezicht van de aangever enigszins naar beneden heeft geslagen – door [politieagent] ook zo verklaard. Daarbij komt dat de afstand tussen de verdachte en de aangever gering was, zoals onder meer uit de verklaring van de verdachte zelf volgt. De verdachte heeft, ook volgens zijn eigen verklaring, voorts met gebalde vuist geslagen. Uit de verklaring van [politieagent] bij de rechter-commissaris volgt dat hij een zoevend geluid hoorde, gevolgd door een harde klap. [politieagent] spreekt in dit verband van “een doodsklap”, hetgeen wordt ondersteund door het eerder beschreven letsel dat kort na het incident bij de aangever is geconstateerd, waaraan wordt toegevoegd dat het oog van de aangever na de klap sterk opgezwollen was en hevig bloedde. Verbalisant [politieagent 2] heeft van haar collega [politieagent] gehoord dat hij de klap omschreef als “een ongelooflijk harde klap”.
Uit het vorengaande leidt het hof af dat de verdachte op korte afstand, met gebalde vuist en met veel kracht in het gezicht van de aangever heeft geslagen, waarbij geldt dat het gezicht als geheel en meer in het bijzonder nog het oog en de neus als kwetsbare onderdelen van het lichaam moeten worden aangemerkt. Het hof komt op grond van deze omstandigheden, in onderling verband beschouwd, tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte met zijn handelen en met de door hem toegepaste kracht bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever heeft aanvaard. Het verweer van de verdediging dat van voorwaardelijk opzet geen sprake is geweest, wordt derhalve verworpen.

Naar het oordeel van het hof is derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair aan de verdachte is tenlastegelegd.

Voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek naar medische voorgeschiedenis

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep (opnieuw) voorwaardelijk verzocht om nader onderzoek naar de medische voorgeschiedenis van de aangever te bevelen, voor zover het hof mocht oordelen dat het ontstane letsel het gevolg is van het handelen van de verdachte, dan wel dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het letsel kan immers niet, althans niet louter, het gevolg zijn van het handelen van de verdachte, aldus de raadsvrouw, nu de verdachte met geringe kracht heeft geslagen.

Het hof acht het niet noodzakelijk dit nader onderzoek te bevelen, reeds omdat de verdediging daarbij tot feitelijk uitgangspunt neemt dat de verdachte met geringe kracht zou hebben geslagen, terwijl het hof er, anders dan de verdediging, vanuit gaat dat verdachte met veel kracht heeft geslagen en een harde vuistslag heeft uitgedeeld, als hiervoor uiteengezet. Het hof betrekt hierin mede dat de medische voorgeschiedenis betrekking zou hebben op chirurgie die de aangever, inmiddels 42 jaar oud, als baby/kind zou hebben ondergaan – hetgeen volgens de aangever zelf enkel plastische chirurgie betrof – en het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting steun biedt voor de stelling dat het door de aangever op 4 augustus 2017 opgelopen letsel (mede) zijn oorzaak zou hebben in deze medische voorgeschiedenis.

Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek dus af.

Strafuitsluitingsgronden
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, zo het hof komt tot bewezenverklaring van een strafbaar feit, de verdachte een beroep toekomt op strafuitsluitingsgronden. Het hof verwerpt de in dit verband gevoerde verweren op grond van de navolgende overwegingen, waarbij opgemerkt wordt dat daarbij steeds leidend is dat het hof van een andere lezing van de feiten uitgaat dan de verdediging.

Artikel 7, eerste en zevende lid van de Politiewet 2012

De raadsvrouw heeft voorop gesteld dat de verdachte in de rechtmatige uitvoering van zijn bediening het geweld heeft toegepast, met een beroep op art. 7 van de Politiewet 2012. Het geweld vond plaats in het kader van de door de verdachte verleende assistentie bij aanhouding van de aangever en was gericht op de afwending van de acute dreiging die van de aangever uitging richting verdachte’s collega [politieagent], aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft bepleit dat het uitdelen van een enkele klap in deze noodweersituatie voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat de verdachte eventueel andere opties zou hebben gehad, maakt dat niet anders, waarbij de raadsvrouw heeft verwezen naar een arrest van het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:3418).

Het hof verstaat dit verweer als een beroep op art. 42 Wetboek van Strafrecht en overweegt hiertoe het volgende.

Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte geweld heeft gebruikt en voorts dat hij in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was. Hij assisteerde immers bij de aanhouding van de aangever, gegrond op artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering. De vraag die voorligt, is of het geweld dat de verdachte daarbij heeft aangewend, in overeenstemming is met de voor de politie in dat kader geldende geweldsinstructie.

Op grond van artikel 7, eerste lid van de Politiewet 2012 is een politieambtenaar in de rechtmatige uitvoering van zijn bediening bevoegd om geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. De toepassing van het geweld dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn, zo volgt uit artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012.

Bij de strafrechtelijke beoordeling van opsporingshandelingen van politieagenten in functie moet terughoudendheid worden betracht. De rechter mag niet,

achteraf oordelend, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van een politieagent in de hitte van de strijd. Beoordeeld dient wel te worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs had moeten maken (ECLI:NL:GHDHA:2016:3418).

Het hof overweegt, met verwijzing naar het feitenrelaas zoals in dit arrest eerder vastgesteld, dat de verdachte wist dat [politieagent] buiten het schuurtje had getracht de aangever aan te houden, waaraan de aangever zich had onttrokken. Toen de aangever wegrende van [politieagent], heeft de verdachte besloten om [politieagent] te assisteren bij de aanhouding, waarna hij [politieagent] is gevolgd het schuurtje in. In het schuurtje heeft [politieagent] de aangever, die niet aan zijn aanhouding meewerkte, daadwerkelijk en fysiek willen aanhouden, waartoe hij zijn pepperspray trachtte te bemachtigen.

Gegeven deze situatie heeft de verdachte naar het oordeel van het hof in redelijkheid besloten dat hij op moest treden met gebruik van een zekere mate van geweld om de aanhouding van de aangever te effectueren. Dat er geen waarschuwing aan het geweld vooraf is gegaan, verwijt het hof de verdachte in de gegeven omstandigheden niet.

Gelet op de terughoudendheid die het hof dient te betrachten in zaken als de onderhavige, zal het hof niet in de beoordeling treden van de keuze van de verdachte om de aangever een vuistslag te geven. Het hof zal enkel beoordelen of deze vuistslag in de gegeven omstandigheden voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval, nu de verdachte de aangever zeer hard heeft geslagen in het gezicht. Deze vuistslag was, in acht genomen de omstandigheden, niet redelijk en gematigd, en stond evenmin in verhouding tot het beoogde doel, te weten de aanhouding van de verdachte wegens verstoring van de openbare orde. Daarbij is van cruciaal belang dat het hof, anders dan de verdediging, niet uitgaat van een noodweersituatie of een die daarop lijkt, zoals het hof in het kader van het beroep op noodweer nog nader uiteen zal zetten en naar welke uiteenzetting het hof hier met nadruk verwijst.

Het hof is derhalve van oordeel dat het door de verdachte toegepaste geweld - in de gegeven situatie - niet proportioneel was. Het beroep op art. 42 Sr kan daarom niet slagen.

Noodweer

De raadsvrouw heeft zich voorts primair op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, aangezien sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding van het lijf van verdachte’s collega [politieagent]. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte het dreigend gevaar heeft gebaseerd op de vechthouding van de aangever, de korte afstand tussen de aangever en [politieagent], het feit dat [politieagent] zijn aandacht niet op de aangever had gericht omdat hij zijn pepperspray zocht, het gereedschap in het schuurtje en het eerdere agressieve gedrag van de aangever richting de politieagenten.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Het hof gaat uit van de feiten zoals hiervoor in het arrest vastgesteld, eindigend met de situatie in het schuurtje. De verdachte heeft, in aanvulling daarop, tegenover de politie en op zitting telkens verklaard dat de aangever in het schuurtje in een gevechtshouding stond en dat hij zijn vuisten had gebald, en dat de verdachte meende dat hij [politieagent] wilde slaan. Naar het oordeel van het hof is deze situatie evenwel niet aannemelijk geworden. De enige verklaring die eventueel steun zou kunnen bieden voor het feit dat de aangever in een gevechtshouding zou hebben gestaan, betreft de verklaring van [politieagent 2] bij de rechter-commissaris, inhoudende dat [politieagent] tegen haar heeft gezegd dat de aangever een gevechtshouding aannam. Het hof stelt echter op de eerste plaats vast dat deze (de auditu) verklaring van [politieagent 2] geen steun vindt in de verklaringen van [politieagent] zelf. [politieagent] is meermalen expliciet bevraagd over de eventuele dreigende (gevechts)houding van de aangever. Zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris heeft [politieagent] verklaard dat hij niet de indruk had dat de aangever, die weliswaar schreeuwde en met zijn armen zwaaide, een dreigende houding aannam en ook dat hij, [politieagent], zich niet bedreigd voelde in het schuurtje. Op de tweede plaats volgt uit de eerdere politieverklaring van [politieagent 2] in het geheel niet dat [politieagent] dit tegen haar zou hebben gezegd. Zij verklaart veeleer dat zij van [politieagent] heeft gehoord dat hij zo ontdaan was over de situatie in de schuur en de ongelooflijk harde klap van de verdachte. Het dossier bevat op de derde plaats ook voor het overige geen enkele aanwijzing dat de aangever een dreigende (gevechts)houding in het schuurtje had aangenomen of dat hij [politieagent] wilde slaan. Ook de derde aanwezige persoon in het schuurtje, de getuige [naam], verklaart niet over een dreigende situatie of iets wat daarop ook maar enigszins zou kunnen duiden. Derhalve biedt de (de auditu) verklaring van [politieagent 2] ten overstaan van de rechter-commissaris naar het oordeel van het hof onvoldoende steun voor de verklaring van de verdachte dat de aangever een gevechtshouding zou hebben aangenomen of dat van een dreigende situatie sprake was.

Naar het oordeel van het hof is deze aan het beroep op noodweer ten grondslag gelegde omstandigheid derhalve niet aannemelijk geworden. De overige door de verdediging aangedragen omstandigheden zijn op zichzelf genomen en in onderlinge samenhang bezien eveneens onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding van het lijf van [politieagent].

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is derhalve niet aannemelijk geworden dat de verdachte de klap aan de aangever heeft gegeven in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van het lijf van [politieagent] tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Noodweerexces

De raadsvrouw heeft voorts subsidiair aangevoerd dat de verdachte een beroep toekomt op noodweerexces.

Het hof heeft reeds vastgesteld dat geen sprake is geweest van noodzaak tot verdediging van het lijf van [politieagent] tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever. Bij gebreke van een dergelijke noodzaak kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

Putatief noodweer(exces)

De raadsvrouw heeft tot slot en meer subsidiair nog aangevoerd dat de verdachte een beroep toekomt op putatief noodweer(exces).

Het hof heeft reeds hiervoor overwogen dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de feitelijke toedracht, zoals door de verdediging in het kader van een beroep op noodweer(exces) is aangevoerd, niet aannemelijk is geworden. Het hof ziet ook overigens in de onderhavige omstandigheden van het geval geen aanleiding te veronderstellen dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zijn collega [politieagent] moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. De door de verdediging aangevoerde omstandigheden, inhoudende dat de verdachte onder stress stond en in een seconde moest handelen, zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) te rechtvaardigen.

Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt verworpen.


Slotsom: strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het beroep op de aangevoerde strafuitsluitingsgronden slaagt niet. Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluit.

Het primair bewezenverklaarde is derhalve strafbaar en levert op:

zware mishandeling.


De verdachte is strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De verdachte, een leidinggevende politieagent met zeer veel ervaring, heeft zich in functie op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan zware mishandeling van het slachtoffer. Hiermee heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft nog lange tijd lichamelijke en ook psychische gevolgen van de zware mishandeling ondervonden, zoals onder meer is gebleken uit de verklaring die het slachtoffer in hoger beroep in het kader van zijn spreekrecht heeft afgelegd en de stukken die ter onderbouwing van de zijn vordering als benadeelde partij zijn ingediend.

De verdachte die, dat neemt het hof zonder meer aan, in de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar de intentie had zijn collega te assisteren bij een aanhouding in een hectische situatie, heeft daarbij – en daarin ligt de kern van het verwijt - buitenproportioneel geweld gebruikt. De verdachte heeft derhalve misbruik gemaakt van het geweldsmonopolie dat bij de overheid – en in dit geval bij de politie – ligt. In dat kader is het hof van oordeel dat een stevige reactie op het handelen van de verdachte dient te volgen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte eerder op nummer onherroepelijk door de rechtbank is veroordeeld voor een soortgelijk feit in de uitoefening van zijn functie. De advocaat-generaal heeft dit ter terechtzitting toegelicht en heeft in dat kader het vonnis van de rechtbank overgelegd.

In hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting is aangevoerd, ziet het hof, in het licht van de eerdere overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf, geen aanleiding om te volstaan met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Dat de verdachte thans niet meer werkzaam is bij de politie, maakt dit niet anders.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering van de benadeelde partij [naam]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 49.563,17.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 49.563,17.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 9.052,80 (bestaande uit € 4.052,80 aan materiële schade en € 10.000 aan immateriële schade, met aftrek van het door de verzekeringsmaatschappij van de verdachte reeds aan de benadeelde toegekende voorschot op de schade van € 5.000,-), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij oordeelt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat tot een bedrag van € 1.427,04 materiële schade is geleden, bestaande uit de volgende posten:

1. Beschadigde zaken/kleding (€ 80,00),

bestaande uit:

1.b. Telefoon (€ 50,00);

1.d. Kleding (€ 30,00);

2. Reiskosten (€ 135,20),

bestaande uit:

2.a. Politiebureau

(4 km x € 0,26 per km = € 1,04);

2.b. Bezoeken ziekenhuis

(414 km x € 0,26 per km = € 107,64);

2.c. Bezoeken huisarts

(90 km x € 0,26 per km = € 23,40);

2.g. Bezoek advocaat

(2 km x € 0,26 per km = € 0,52);

2.h. Bezoeken rechtbank

(10 km x € 0,26 per km = € 2,60);

3. Ziektekosten (€ 1.211,84),

bestaande uit:

3.a. Aanschaf pijnstilling (€ 56,84);

3.b. Eigen risico zorgverzekeraar (€ 1.155,00).

Deze schade is het rechtstreekse gevolg van het primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van € 1.427,04 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, voor zover de vordering betrekking heeft op vergoeding van de overige materiële schade, bestaande uit de volgende posten:

1. Beschadigde zaken/kleding:

1.a. motor;

1.c. horloge;

1.d. schoenen;

2. Reiskosten:

2.d. bezoeken [naam] Revalidatie;

2.e. bezoeken fysiotherapeut;

2.f. bezoek psycholoog;

2.i. parkeerkosten;

3. Ziektekosten:

3.c. kosten fysiotherapie;

4. Behoefte aan huishoudelijke hulp;

5. Verlies van zelfwerkzaamheid;

6. Verlies aan arbeidsvermogen;

7. Kosten zonder nut;

8. Vliegtickets Aruba;

9. Aanvullende kosten hoger beroep.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van deze overige posten levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorts is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. Het hof acht in het kader van de onderhavige strafprocedure – naar maatstaven van billijkheid - een bedrag van € 5.000,00 toewijsbaar als de vergoeding voor de geleden immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 4 augustus 2017.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het resterende bedrag van zijn vordering, te weten € 25.000, niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

In beginsel komt naar het oordeel van het hof aldus een bedrag van € 1.427,04 + € 5.000,00 = € 6.427,04 voor toewijzing in aanmerking.

Echter, ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verzekeringsmaatschappij van de werkgever van de verdachte op 23 juli 2019 reeds een bedrag van € 5000,00 aan de benadeelde partij heeft uitgekeerd als voorschot onder algemene titel, ter tegemoetkoming van de reeds gemaakte – niet nader gespecificeerde – kosten door de benadeelde partij.

De benadeelde partij dient derhalve op die grond ter zake van de vordering tot een bedrag van € 5.000,00 alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het door het hof toe te wijzen bedrag betreft € 1.427,04, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 17 juli 2019.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.427,04 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam], vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 17 juli 2019.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.427,04 (duizend vierhonderdzevenentwintig euro en vier cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.427,04 (duizend vierhonderdzevenentwintig euro en vier cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 juli 2019.

Dit arrest is gewezen door mr. Y.J. Wijnnobel - van Erp, mr. A.S.I. van Delden en mr. W.A.G.J.W. Ferenschild, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Marsman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 april 2021.