Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:680

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
27-04-2021
Zaaknummer
200.256.431/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2019:3013
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:16011, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval in strandtent; tussentijds hoger beroep tegen deelgeschilbeschikking. Klachtplicht. Zorgplicht werkgever m.b.t. vloer; bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0376
AR-Updates.nl 2021-0533
JA 2021/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.256.431/01

Zaaknummer rechtbank : 7490963 RL EXPL 19-2224

Zaaknummer deelgeschilprocedure : 7088882 RP VERZ 18-50415

arrest van 20 april 2021

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. E.W. Bosch te Naaldwijk,

tegen

1. [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerden,

verzoekers in het incident,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1] , Nationale-Nederlanden en – gezamenlijk – [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. L.H. Rijpkema te Den Haag.

Het verdere verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot 19 november 2019 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Daarna heeft [geïntimeerde 1] c.s. bij memorie van antwoord (met producties) de grieven bestreden.

[appellante] heeft vervolgens pleidooi gevraagd. Voor het pleidooi hebben beide partijen nog stukken ingezonden. Op 16 oktober 2020 hebben partijen de zaak bepleit aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt.

Met toestemming van het hof heeft [appellante] nog een akte overlegging producties na pleidooi genomen en [geïntimeerde 1] c.s. een antwoordakte.

Ten slotte is een dag voor het arrest bepaald, die nader is vastgesteld op vandaag.

De verdere beoordeling

1. Het hof heeft in het arrest van 19 november 2019 in 2.1 tot en met 2.8 enige feiten genoemd. Die feiten zijn als zodanig tussen partijen niet in geschil. Wel staat [appellante] met grief 1 een aanvulling voor en met grief 2 herstel van een verschrijving. Met inachtneming daarvan, gaat het hof uit van het volgende:

2.1.

Op 1 mei 2012 rond 15:00 uur heeft een ongeval plaatsgevonden. [appellante] heeft daarbij letsel opgelopen.

2.2.

[appellante] was op de dag van het ongeval in dienst bij [geïntimeerde 1] als [functienaam] en als [functienaam] werkzaamheden aan het verrichten in de aan [geïntimeerde 1] toebehorende strandtent [naam strandtent] . [appellante] kreeg tijdens het verrichten van deze werkzaamheden plotseling een enorm stekende pijn in haar rechtervoet.

2.3.

[appellante] is daarop naar het ziekenhuis gebracht. Als reden voor opname vermeldt de plastisch chirurg Bardoel in een brief van 29 juni 2012 aan de huisarts:

verwonding caudo-dorsale zijde en mediale malleolus rechts (inversietrauma, waarbij patiënte een hoge gymschoen tot craniaal van de enkel droeg).

2.4.

[appellante] is vervolgens tweemaal geopereerd en heeft tot en met 16 mei 2012 in het ziekenhuis gelegen.

2.5.

De in 2.3 genoemde brief luidt verder, voor zover relevant:

Anamnese / voorgeschiedenis: patiënte verzwikte tijdens het lopen op haar werk haar rechter enkel die vervolgens “dubbelklapte” waarna er een verwonding was ontstaan aan de caudo-dorsale zijde van de mediale malleolus waarna dit behoorlijk ging bloeden.

2.6.

Het operatieverslag van 1 mei 2012 vermeldt onder meer:

Operatieverslag: op huidniveau is een incisie van ongeveer 1 cm hetgeen ontstaan is na inversie trauma waarbij patiënte hoge gymschoenen (tot boven de enkel) droeg. (…) Te zien is dat de adductor hallucis spierbuik voor een klein deel geincideerd is. Bij verdere exploratie is te zien dat de arteria tibialis posterior doorsneden is. (…) Nog een laag dieper is bij exploratie te zien dat de pees van de flexor hallucis longus voor 70% doorsneden is.

2.7.

In de brief van revalidatiearts [naam revalidatiearts 1] van 20 juli 2012 staat, voor zover

relevant:

Verwijsdiagnose: status na doorsnijding nervus en arteria tibialis posterior en n. plantaris med met partieel letsel van de m. flexor halluces longus bij inversietrauma van de voet rechts in hoge gymschoen (letsel agv scherp contrefort) dd 1 mei 2012

2.8.

Revalidatiearts [naam revalidatiearts 2] schrijft op 2 november 2012, voor zover relevant:

Conclusie en beleid:

25 jarige vrouw met arterie, pees en zenuwdoorsnijding door contrefort van schoen bij enkelverzwikking waarvoor hersteloperatie(s).

2.9.

Nationale-Nederlanden heeft, als aansprakelijkheidsverzekeraar van [naam strandtent] , de aansprakelijkheid afgewezen.

Het hoger beroep

3. In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerde 1] als werkgever aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden en nog te lijden schade in verband met het arbeidsongeval op 1 mei 2012.

4. De kantonrechter heeft die vraag in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure ontkennend beantwoord bij beschikking van 5 december 2018 (hierna: de deelgeschilbeschikking).

5. In deze bodemprocedure heeft [appellante] gevorderd, kort gezegd, om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk is en dat Nationale-Nederlanden gehouden is om de onder de aansprakelijkheidsverzekering uit te keren vergoeding rechtstreeks aan [appellante] over te maken, en verder [geïntimeerde 1] te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten met rente. Met verlof van de kantonrechter heeft [appellante] van de deelgeschilbeschikking tussentijds hoger beroep ingesteld als van een tussenvonnis in de bodemprocedure. In hoger beroep concludeert [appellante] tot vernietiging van de deelgeschilbeschikking en tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante] , met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten van beide instanties, met nakosten en rente.

6. [geïntimeerde 1] c.s. concludeert in hoger beroep tot bekrachtiging van de deelgeschilbeschikking, al dan niet met wijziging of aanvulling van gronden, en veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, met nakosten en rente.

7. Het hof heeft in het tussenarrest van 19 november 2019 de incidentele vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s., die ertoe strekten dat de deelgeschilbeschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard en dat in dat geval [geïntimeerde 1] c.s. voorwaardelijk zou worden gemachtigd om medische informatie over [appellante] op te vragen, afgewezen. Het hof heeft de beslissing over de kosten van het incident aangehouden.

Beoordeling in de hoofdzaak

grieven 1, 2 en 9

8. Met de grieven 1 en 2 is rekening gehouden bij de weergave van de feiten die niet in geschil zijn. Met grief 9 klaagt [appellante] dat de kantonrechter in 4.9 ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] na het ongeval niet buiten westen is geweest. [geïntimeerde 1] c.s. erkennen op basis van het inmiddels beschikbare ritformulier van de ambulance dat [appellante] wel buiten westen is geweest. Dit staat derhalve vast.

klachtplicht

9. [geïntimeerde 1] c.s. heeft als verweer aangevoerd dat [appellante] haar klachtplicht, bedoeld in art. 6:89 BW, heeft geschonden. De kantonrechter heeft dit beroep verworpen en geoordeeld dat [appellante] niet te laat heeft geklaagd. [appellante] heeft immers in eerste instantie op goede gronden in de veronderstelling verkeerd dat de schade was veroorzaakt door de contrefort van de sneaker en zij is — toen haar duidelijk werd dat dit niet de oorzaak was — binnen twee maanden overgegaan tot aansprakelijkstelling van [geïntimeerde 1] . Van een zodanige schending van de belangen van [geïntimeerde 1] dat geoordeeld zou moeten worden dat [appellante] te laat heeft geklaagd is niet gebleken. Wel heeft de kantonrechter overwogen dat voor zover bewijs verloren is gegaan door het tijdsverloop, dit in de gegeven omstandigheden voor risico van [appellante] komt, nu zij eerder tot aansprakelijkstelling had kunnen overgaan.

10. In hoger beroep voert [geïntimeerde 1] c.s. hiertegen aan dat [appellante] direct na het ongeval bekend was of bekend behoorde te zijn met het door haar thans gestelde gebrek in de vloer en dat op [appellante] daarom in elk geval vanaf dat moment – en mogelijk zelfs al voor het ongeval, als zij zich toen bewust was van het gebrek – de verplichting rustte om op grond van art. 6:89 BW bij [geïntimeerde 1] te klagen over de vloer. [appellante] heeft volgens [geïntimeerde 1] c.s. veel te laat geklaagd.

11. [geïntimeerde 1] c.s. voert verder aan dat [geïntimeerde 1] in zijn belangen is geschaad doordat [appellante] niet eerder heeft geklaagd. Het gaat in de eerste plaats om een bewijsbelang. Bij een tijdige klacht had [geïntimeerde 1] direct onderzoek aan de vloer kunnen doen om uit te sluiten dat daarmee, ook ter plekke van het ongeval, iets mis was. Dat was na de melding in 2014 niet (goed) meer mogelijk omdat de strandtent na de zomer van 2012 – zoals na iedere zomer - was afgebroken. Bij melding kort na het ongeval hadden ook direct alle relevante getuigen gehoord kunnen worden en zou de herinnering van de getuigen nog niet vervaagd zijn. En als [appellante] al voor het ongeval [geïntimeerde 1] op het gestelde gebrek in de vloer opmerkzaam had gemaakt, zou [geïntimeerde 1] wellicht de schade ook hebben kunnen voorkomen of beperken door eventuele oneffenheden te herstellen.

12. [appellante] voert aan dat [geïntimeerde 1] c.s. geen incidenteel appel hebben ingesteld en om die reden aan het beroep op de klachtplicht moet worden voorbijgegaan. Verder voert [appellante] aan dat [geïntimeerde 1] niet in een redelijk belang is geschaad doordat zij niet eerder heeft geklaagd. [geïntimeerde 1] is op 1 mei 2012 erover geïnformeerd dat [appellante] in de uitoefening van haar werk gewond is geraakt. Op dat moment had hij volgens [appellante] een onderzoek moeten laten doen naar het ongeval. Hij had verder het ongeval moeten melden op grond van de Arbeidsomstandighedenwet, maar heeft dat nagelaten. Had hij dit wel gedaan, dan was er door de Inspectie SZW meteen een onderzoek ingesteld. Zo zijn bewijspositie al is geschaad, dan komt dat niet door de late aansprakelijkstelling maar doordat hij zijn rechtsplicht verzaakte. Verder blijkt uit het overgelegde bewijsmateriaal dat [geïntimeerde 1] bewijstechnisch niet in een lastiger positie is terechtgekomen dan wanneer [appellante] hem kort na het ongeval aansprakelijk zou hebben gesteld, aldus nog steeds [appellante] .

13. Het hof verwerpt het standpunt van [appellante] dat aan het beroep op de klachtplicht moet worden voorbijgegaan omdat [geïntimeerde 1] c.s. geen incidenteel appel heeft ingesteld. Uit HR 30 maart 2012, NJ 2012/583 vloeit niet voort dat incidenteel hoger beroep nodig was voor een beroep op de klachtplicht.

14. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het beroep op de klachtplicht faalt. Het hof licht dat als volgt toe.

15. Het antwoord op de vraag of is voldaan aan de klachtplicht hangt af van alle betrokken belangen en alle relevante omstandigheden, waaronder de aard en de inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Daarbij kan gelet worden op factoren als de waarneembaarheid van het gebrek, de deskundigheid van partijen, de onderlinge verhouding van partijen, de aanwezige juridische kennis en de behoefte aan voorafgaand deskundig advies. De termijn om te klagen gaat niet in als de schuldeiser niet van de jegens hem bestaande verbintenis – hier: de zorgplicht ten aanzien van de vloer – op de hoogte is en behoeft te zijn. Voor het antwoord op de vraag of het gebrek tijdig is gemeld is van bijzonder belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het tijdsverloop totdat is geklaagd. Dit nadeel kan gelegen zijn in de benadeling van de bewijspositie van de schuldenaar, in een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken of in het gebrek aan duidelijkheid over zijn rechtspositie. Als de schuldenaar niet in zijn belangen is geschaad door het late tijdstip waarop het protest is gedaan, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten.

16. De rechtsverhouding tussen partijen is een arbeidsovereenkomst. Daarbij is [appellante] te beschouwen als de zwakkere partij, ondergeschikt aan haar werkgever [geïntimeerde 1] . In de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst komt op diverse plaatsen tot uitdrukking dat de werknemer als zwakkere partij bescherming behoeft. Een algemene bepaling waaraan de werknemer bescherming kan ontlenen is art. 7:611 BW, dat de werkgever verplicht zich te gedragen als een goed werkgever.

17. De aard van het gestelde gebrek bestaat in het tekortschieten in de zorgplicht voor de veiligheid van de werkruimte (art. 7:658 BW). Uitgangspunt van deze zorgplicht is de beschermingsgedachte: de zorgplicht heeft een ruime strekking, waarbij weliswaar niet beoogd is een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Hierbij is in art. 7:658 lid 2 BW op de werkgever de bewijslast gelegd dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dit in afwijking van wat uit de normale regels van stelplicht en bewijslastverdeling zou voortvloeien.

18. Ook in het publiekrecht zijn ter bescherming van werknemers verplichtingen gelegd op de werkgever. Zo schrijft art. 5 van de Arbeidsomstandighedenwet voor dat de werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastlegt welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt en dient deze risico-inventarisatie en -evaluatie te worden aangepast zodra de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geeft. Verder verplicht art. 9 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet de werkgever ertoe om arbeidsongevallen die leiden tot (onder meer) een ziekenhuisopname direct te melden aan de daartoe aangewezen toezichthouder (thans: de Inspectie SZW) en hierover desgevraagd zo spoedig mogelijk aan deze toezichthouder te rapporteren. Deze publiekrechtelijke verplichtingen werken door in de zorgplicht van art. 7:658 BW, in die zin dat de omvang daarvan in de eerste plaats en in elk geval wordt bepaald door wat op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving van de werkgever gevergd wordt.

19. [geïntimeerde 1] c.s. heeft aangevoerd dat ‘zelfs kan worden gesteld’ dat de klachttermijn al voor het ongeval is gaan lopen (MvA 4.5). Het hof begrijpt uit de slag die [geïntimeerde 1] c.s. hier om de arm houdt, dat [geïntimeerde 1] c.s. niet daadwerkelijk het standpunt inneemt dat de klachtplicht al voor het ongeval is gaan lopen. Overigens staat naar het oordeel van het hof geenszins vast dat [appellante] zich al voor het ongeval ervan bewust is geweest dat [geïntimeerde 1] – zoals [appellante] stelt – tekortschoot in zijn zorgplicht ten aanzien van de vloer. Maar ook als dat wel het geval zou zijn, brengt dit naar het oordeel van het hof niet mee dat de bekwame tijd om te klagen op een eerder tijdstip is verstreken dan wanneer [appellante] met het gestelde gebrek pas door het ongeval op de hoogte is geraakt. Het gestelde gebrek kan niet worden beschouwd als een gebrek dat zodanig groot en direct gevaar voor ernstig letsel oplevert dat op grond daarvan onmiddellijke melding door [appellante] aan [geïntimeerde 1] mocht worden verwacht. Dit is te minder het geval nu oneffenheden in de vloer naar de eigen stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. in meer of mindere mate inherent zijn aan de aard van het bedrijf, zodat [appellante] [geïntimeerde 1] daarmee bekend mocht veronderstellen. [appellante] behoefde zich niet op te stellen op een wijze waardoor zij gerede kans liep te worden beschouwd als een ‘zeurkous’.

20. [appellante] heeft bij brief van 3 oktober 2014 aan [geïntimeerde 1] laten weten dat zij hem aansprakelijk acht voor haar schade, nadat zij eerst heeft getracht haar schade te verhalen op de producent van haar schoenen. [appellante] heeft niet op andere wijze eerder bij [geïntimeerde 1] geklaagd over de vloer.

21. Het belang waarin [geïntimeerde 1] stelt te zijn geschaad doordat [appellante] niet eerder heeft geklaagd, betreft een bewijsbelang en een schadebeperkingsbelang. Dit laatste belang heeft [geïntimeerde 1] c.s. slechts genoemd in verband met de geopperde mogelijkheid dat de klachttermijn voor [appellante] al voor het ongeval is gaan lopen. Nu dit laatste door [geïntimeerde 1] c.s. niet daadwerkelijk aan het verweer ten grondslag is gelegd, zal het hof hieraan verder voorbijgaan.

22. Het ingeroepen bewijsbelang acht het hof niet van voldoende gewicht om te oordelen dat [appellante] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd. [geïntimeerde 1] heeft in de gegeven omstandigheden, ook zonder dat [appellante] tegenover hem zich beklaagde over de toestand van de vloer, niet gehandeld zoals van hem mocht worden verwacht. In de eerste plaats had [geïntimeerde 1] het ongeval, dat leidde tot ernstig letsel en een ziekenhuisopname, op grond van art. 9 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet moeten melden bij de Inspectie SZW en hierover desgevraagd zo spoedig mogelijk moeten rapporteren. Bij pleidooi in hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] c.s. zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een meldplicht, omdat er pas sprake is van een arbeidsongeval indien het ongeval verband houdt met de werkzaamheid die op dat moment wordt verricht. Het hof verwerpt dit standpunt. Nu het ongeval heeft plaatsgevonden op de arbeidsplaats tijdens het verrichten van de werkzaamheden door [appellante] , hield het ongeval verband met het verrichten van arbeid en ging het derhalve om een arbeidsongeval als bedoeld in art. 1 lid 3 onder i van de Arbeidsomstandighedenwet. Daarop wijst ook wel dat [collega] , de collega die aanwezig was bij het ongeval, heeft gekeken of er op de grond iets scherps lag dat de verwonding kon hebben veroorzaakt (verweerschrift, prod. 4). [geïntimeerde 1] c.s. heeft verder geen grond aangevoerd voor het achterwege laten van deze verplichte melding. Indien deze melding wel zou zijn gedaan, had de Inspectie SZW een onderzoek kunnen instellen dat duidelijkheid zou hebben gegeven over de toestand van de vloer. De stelling van [appellante] dat de Inspectie SZW bij tijdige melding zeker een onderzoek zou hebben ingesteld, heeft [geïntimeerde 1] c.s. bij pleidooi niet voldoende gemotiveerd betwist. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in de parlementaire geschiedenis van art. 9 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet is vermeld dat het merendeel van de gemelde ongevallen door de inspectie wordt onderzocht (Kamerstukken II 2005/06, 30 552, nr. 3, p. 15). Gelet op het ernstige letsel en het onalledaagse karakter van het ongeval, lag het naar het oordeel van het hof ook voor de hand dat onderzoek zou worden gedaan.

23. Verder mocht van [geïntimeerde 1] worden verwacht dat hij, niet alleen in het kader van zijn verplichting tot het inventariseren en evalueren van de risico’s die de arbeid voor zijn werknemers meebrengt en het aanpassen daarvan op basis van de daarmee opgedane ervaring maar ook uit hoofde van zijn zorgplicht, bedoeld in art. 7:658 lid 1 BW, eigener beweging een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van het ongeval. Daarvoor bestond te meer aanleiding nu [geïntimeerde 1] c.s. zich op het standpunt stelt dat als gemeld was dat de vloer ongelijk was, [geïntimeerde 1] de vloer had kunnen laten onderzoeken en eventuele oneffenheden had kunnen laten herstellen om ongelukken te voorkomen. Gelet op de aard van de vloer, waarbij oneffenheden volgens [geïntimeerde 1] c.s. onvermijdelijk zijn, en op het feit dat de vloer elk jaar opnieuw werd gebouwd, behoorde het tot de verplichtingen van [geïntimeerde 1] als goed werkgever om na een ongeval zoals aan [appellante] overkomen te onderzoeken (en vast te leggen) of de vloer (nog) voldoende veilig was dan wel of deze een rol kon hebben gespeeld bij het ongeval. Bij een onderzoek had [geïntimeerde 1] ook kunnen vragen naar de ervaringen van de werknemers met de vloer. Dit alles heeft [geïntimeerde 1] ten onrechte nagelaten. Aan de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan art. 7:658 BW, zou afbreuk worden gedaan als een beroep op de klachtplicht slaagt in omstandigheden waarin het door de werkgever gestelde nadeel door de late klacht bij adequaat optreden door de werkgever had kunnen worden voorkomen.

grief 13 (zorgplicht)

24. Met grief 13 stelt [appellante] zich op het standpunt dat [geïntimeerde 1] c.s. niet heeft aangetoond dat [geïntimeerde 1] heeft voldaan aan zijn zorgplicht ingevolge art. 7:658 BW. Dit standpunt neemt zij in tegen de achtergrond van haar standpunt dat de toedracht van het ongeval onduidelijk is (pleitaantekeningen [appellante] , 5.1):

Anders dan de werkgever ingang wil doen vinden is tot op de dag van vandaag — onbekend waardoor [appellante] nu precies gewond is geraakt. (…) [appellante] weet enkel dat zij op die 1e mei 2012 aan het werk was. Zij kwam van het terras buiten naar binnenlopen, met in haar beiden handen borden. In haar linkerhand had zij meer borden dan in haar rechterhand. Op de borden lag bestek. Ter hoogte van de hoek van de bar was een oneffenheid in de vloer, waardoor [appellante] haar voet in onbalans neerzette. Zij weet niet of er iets van een bord is afgevallen of dat er iets scherps op de grond lag, maar plotseling had zij enorme stekende pijn in haar voet, waarna zij op de grond is gaan liggen.

Verder stelt [appellante] dat zij weliswaar aanvankelijk heeft gemeend dat haar letsel was veroorzaakt door het contrefort van haar schoen, en heeft zij in verband daarmee Adidas aansprakelijk gesteld, maar uit nadien verricht onderzoek is volgens [appellante] gebleken dat het contrefort geen gebreken vertoonde.

25. [geïntimeerde 1] c.s. heeft gesteld, samengevat, dat er een goede vloer lag en dat deze niet gebrekkig was (pleitaantekeningen, 10; memorie van antwoord, 7.1). De vloer was egaal, bevatte geen ontoelaatbare oneffenheden, kende geen hoogteverschillen, geen kiervorming en niets dat duidt op een onstabiele ondergrond waardoor sprake van verzakking zou kunnen zijn. De vloer van het strandpaviljoen kon worden gebruikt zonder dat men daarbij valt. Ter onderbouwing heeft [geïntimeerde 1] c.s. verwezen naar een rapport van een expert, [naam expert] , die de vloer in 2015 heeft onderzocht (prod. 3 en prod. 6 bij verweerschrift in de deelgeschilprocedure, hierna kortweg aangeduid als: verweerschrift), naar daarin opgenomen verklaringen van het bedrijf dat de vloer heeft gelegd, naar de technische gegevens waaruit volgt wat voor vloer er destijds lag (prod. 2 bij verweerschrift) en naar verklaringen van oud-medewerkers (prod. 9 bij verweerschrift).

26. Meer en detail heeft [geïntimeerde 1] c.s. het volgende gesteld (verweerschrift, 7.12 e.v.):

(1) De bouwconstructie van het strandpaviljoen voldoet aan de daarvoor geldende normen. Zo beschikte [naam strandtent] in 2012 over een bouwvergunning en een exploitatievergunning. Dat betekent dat de gemeente de bouwconstructie van [naam strandtent] heeft goedgekeurd.

(2) Het paviljoen is ontworpen door het zeer gerenommeerde [naam BV] , die het grootste gedeelte van de strandpaviljoens in Nederland ontwerpt en opbouwt.

(3) De vloerconstructie van [naam strandtent] betreft een constructie die in veel Nederlandse strandpaviljoens wordt gebruikt. Uit de foto’s die overgelegd zijn als productie 10 bij verweerschrift, is te zien dat de vloer identiek is aan de vloeren in andere strandpaviljoens.

(4) Voor de vloer binnen is voor een heel veilige optie gekozen. Anders dan losse planken, is gekozen voor grote egale vloerplaten die naadloos op elkaar aansluiten en met schroeven aan de onderliggende funderingsbalken zijn bevestigd.

(5) De werkvloer voldoet. De vloerdelen die [naam expert] in 2015 heeft onderzocht zijn dezelfde vloerdelen als die uit 2012. Op de bij het rapport overgelegde foto's, is goed zichtbaar dat de vloer egaal is, geen hoogteverschillen kent, geen sprake is van kiervorming en niets te zien is dat duidt op een onstabiele ondergrond waardoor sprake zou kunnen zijn van een doorzakking.

(6) De vloer is gelegd door een professioneel bedrijf, dat heeft verklaard dat het gebruik is dat het paviljoen voor de oplevering door het personeel van K&A Houtbouw wordt nagelopen. Mocht er iets niet goed zijn, dan wordt dat eerst hersteld voordat het paviljoen officieel wordt opgeleverd. Het personeel van K&A Houtbouw kan zich niets herinneren over eventuele bijzonderheden tijdens de opbouw van [naam strandtent] in 2012.

(7) [oud-werknemer 1] , [oud-werknemer 2] en [geïntimeerde 1] verklaren dat nooit aan hen is gemeld dat werknemers of bezoekers zijn gevallen in 2012 en ook niet is gemeld dat iemand zou zijn gevallen als gevolg van een ondeugdelijke vloer.

27. Bij deze stellingen plaatst het hof enige kanttekeningen, alvorens in te gaan op de betwisting door [appellante] . Uitgangspunt voor het hof is daarbij de publiekrechtelijke norm van artikel 3.11 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit:

Vloeren van arbeidsplaatsen zijn zo veel mogelijk vrij van oneffenheden en gevaarlijke hellingen en zijn voorts zo veel mogelijk vast, stabiel en stroef.

Deze bepaling is bij de totstandkoming als volgt toegelicht (nota van toelichting, Stb. 1997, 60, p. 300):

De voorschriften ten aanzien van vloeren zijn in algemene termen geformuleerd. Een uitgangspunt daarbij is geweest dat obstakels die zich op onverwachte plaatsen bevinden, aanleiding geven tot gevaar voor struikelen. (…) Daarbij dient wel bedacht te worden dat veel zal afhangen van de aard van de werkzaamheden. In arbeidssituaties waar struikelen of vallen zeer ernstige gevolgen met zich brengt, is er uiteraard alle reden om een vloer zo effen mogelijk en stroef te laten zijn. Denk hierbij aan arbeidssituaties waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt (natte vloeren).

De stellingen (1), (2) en (3) zeggen naar het oordeel van het hof als zodanig niets over de vraag of de vloer voor werknemers voldoende veilig was. Ook de stelling dat de gekozen constructie ‘heel veilig’ is (4), voegt weinig toe, zeker als niet vaststaat dat de vloerplaten inderdaad ‘naadloos’ op elkaar aansluiten en daartoe met (voldoende) schroeven zijn bevestigd. Dit laatste staat niet vast, gelet op de volgende verklaring van de heer [medewerker van K&A] Houtbouw, het bedrijf dat het strandpaviljoen in 2011 had afgebroken en in 2012 weer heeft opgebouwd (rapport [naam expert] 14 september 2018, p. 7; prod. 3 bij verweerschrift):

In het algemeen is het zo dat vloerdelen wel met schroeven worden vastgezet op de balken daaronder, maar dat het aantal schroeven beperkt is om de vloer en de balken niet teveel te beschadigen én om vlotte op- en afbouw mogelijk te maken.

28. Ook stelling (5), inhoudende dat de werkvloer voldoet, zegt weinig. Op de foto’s in het rapport van [naam expert] van 29 juni 2015 is naar het oordeel van het hof niet goed zichtbaar dat de vloer egaal is en geen hoogteverschillen of kiervorming kent. Wel is juist dat daarop niets te zien is dat duidt op een onstabiele ondergrond, maar ook niets dat duidt op het tegendeel. In dit verband acht het hof nog van belang dat in het rapport van [naam expert] ook een verklaring is opgenomen van de heer [naam] van de producent van het strandpaviljoen ( [naam BV] ), die onder meer inhoudt:

De vloer is normaal gesproken dermate vlak dat er niet gestruikeld kan worden, maximale onderlinge verschillen tussen de vloerschotten zijn hooguit 5mm.

Onduidelijk is of de onderlinge verschillen tussen de vloerschotten ook in dit geval, bijvoorbeeld doordat slechts met een beperkt aantal schroeven werd gewerkt, overal zodanig klein waren dat niet gestruikeld kan worden.

29. Bij stelling (6) merkt het hof op dat uit de reeds genoemde verklaring van de heer [medewerker van K&A] niet blijkt dat het strandpaviljoen in 2012 uitsluitend door medewerkers van K&A Houtbouw is opgebouwd. Hij verklaart namelijk dat het opbouwen is gedaan door

3 of 4 medewerkers van K&A (…) feitelijk ter assistentie van de heer [geïntimeerde 1] . Daarnaast waren ook veel personen namens [naam strandtent] / de heer [geïntimeerde 1] zelf aanwezig om het paviljoen op te bouwen en in te richten.

Uit de verklaring blijkt verder niet dat het gebruik is dat het paviljoen voor oplevering door het personeel van K&A Houtbouw wordt nagelopen om eventuele gebreken voor de oplevering te herstellen. Dat het personeel zich geen bijzonderheden herinnert over de opbouw in 2012, zegt uiteraard ook weinig.

30. Ook niet veel zegt het dat de onderzoeker van [naam expert] drie jaar later, in 2015, constateerde dat de houten vloerdelen goed tegen elkaar lagen en dat bij de aansluitingen van de diverse vloerdelen geen openingen, scheuren en/of onregelmatigheden zijn aangetroffen (prod. 6 bij het verweerschrift, p. 6). De situatie in 2012 behoeft immers niet identiek te zijn aan die in 2015, omdat de strandtent elk jaar opnieuw werd opgebouwd.

31. Ten slotte is van belang dat [geïntimeerde 1] c.s. de eigen stellingen heeft gerelativeerd door de volgende opmerkingen (verweerschrift, 7.16):

Hierbij heeft ook te gelden dat (…) een strand per definitie niet egaal is. Wie op een strandpaviljoen werkzaam is, wordt hoe dan ook geconfronteerd met oneffenheden. Een strandpaviljoen is immers demontabel en is niet gebouwd op een egale betonnen ondergrond. Dat je op een strandtent mogelijk met meer oneffenheden wordt geconfronteerd, dan in een gewoon restaurant, is een feit van algemene bekendheid en kan niet voorkomen worden.

32. [appellante] heeft de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. die ertoe strekken dat de vloer aan de daaraan te stellen eisen voldeed, gemotiveerd betwist onder verwijzing naar een aantal schriftelijke verklaringen van oud-collega’s, die zij heeft overgelegd als producties 43-51 bij inleidende dagvaarding. Het gaat om de volgende verklaringen (onderstrepingen toegevoegd door het hof):

a. [oud-collega 1] (prod. 43)

In de tijd van [appellante] haar ongeval werkte ik bij strandtent [naam strandtent] . Mij is gevraagd of ik kan herinneren dat de vloer bij de bar, vlak bij de wc’s, ongelijk/niet goed was. Ik kan mij herinneren dat je daar inderdaad gemakkelijk kon struikelen door de vloer daar. Zelf ben ik daar niet gestruikeld maar kan herinneren dat anderen daar wel struikelden of bijna struikelden .

b. [oud-collega 2] (prod. 44)

In 2012 heb ik gewerkt bij [naam strandtent] met [appellante] als manager. De oneffen vloer kan ik wel degelijk bevestigen . In die tijd dat ik er heb gewerkt ben ik zelf een keer met een dienblad vol glazen er op gevallen doordat ik struikelde over een stuk hout dat uitstak op de vloer dicht bij de wc .

c. [oud-collega 3] (prod. 45)

Ik ben [oud-collega 3] en heb gewerkt bij [naam strandtent] op de boulevard van Scheveningen in de zomer van 2012. Ik kan me nog heel goed herinneren dat [appellante] die zomer werkte met een gipsbeen die ze had opgelopen omdat ze d.m.v. loszittende vloer onderdelen was gestruikeld en hierdoor haar voet/been beschadigde. Ook herinner ik me dat de planken van de vloer in de aanloop naar het toilet een soort van doorbogen als je er overheen liep wat ik persoonlijk altijd een beetje eng vond als je er met volle dienbladen rondliep.

d. [oud-collega 4] (prod. 46)

1) Ten tijde van het ongeluk was ik zelf niet werkzaam bij [naam strandtent] . Wel ben ik kort nadien vaak aanwezig geweest, zowel werkende, beginnende op 8 mei, als in mijn vrije tijd.

2) De werkvloer in het gehele bedrijf was destijds niet overal van gelijke hoogte , de vloerplaten/ondervloer wisselend stabiel en ben ik zelf enige maal gestruikeld zonder significante gevolgen, ten gevolge van deze situatie.

3) De werkvloer binnen het bedrijf, met name voor de bar, was ook niet overal stabiel noch volledig afgedekt . Zo waren er enkele uiteinden van vloerplanken die niet geheel aansloten op de bar , 'deinde' de vloer op enige plaatsen met een herkenbaar geluid van de vloerplaat tegen de fundering vanwege loszittende vloerpanelen , en was de vloer – zoals men zich kan voorstellen bij ene houten vloer waarop gewerkt wordt – niet overal meer in nieuwe staat. Dat wil zoveel zeggen dat de verf redelijk was afgebladderd, kinderen er weleens een splinter in de voet kregen, en bij tijd en wijlen de panelen wat loskwamen ...

e. [oud-collega 5] (prod. 47)

Ik heb bij strandpaviljoen [naam strandtent] gewerkt van april 2008 tot medio 2012 (…)

In de periode dat bij [naam strandtent] heb gewerkt is er nooit iets veranderd aan de vloer van de zaak. Er zijn op het terras in deze periode wel een aantal vlonders vervangen, maar afhankelijk van hoe deze geplaatst worden en hoe ze gedurende het seizoen bijgehouden worden, liggen deze gedeeltelijk los . Na een paar dagen stevige regen is het mogelijk het zand onder deze vlonders aangevuld moet worden omdat ze anders verzakken.

Naast de vlonders buiten was er gedurende deze hele periode binnen ook een houten vloer, die geregeld nat werd, waar harde of scherpe objecten op vielen die schade maakten en waar ook veel zand tussen ieder kiertje kwam.

Bij de keuken, waar het uitgifte luik zich bevond, is op een gegeven moment een oude vriezer geplaatst voor ijsjes, deze had aan alle kanten scherpe randjes waar ik me meermaals aan heb open weten te halen. Ook bij de hoek waar de afwas wordt neergezet valt geregeld een bord, een mes, een vork of kopje. Wegens de drukte werd ook niet alles correct opgeruimd.

f. [oud-collega 6] (prod. 48)

Ik bevestig hierbij dat de vloer die destijds bij [naam strandtent] op de grond lag niet overal even gelijk was. Het was een wat verouderde vloer waar op sommige plekken de vloer op een dusdanige manier uitstak dat je hier over zou kunnen struikelen of iets dergelijks.

g. [oud-collega 7] (prod. 49)

Mijn naam is [oud-collega 7] en ik werk sinds 2009 bij Strandpaviljoen [naam strandtent] te Scheveningen. 1 mei 2012 was ik getuige van het ongeluk van [appellante] bij strandpaviljoen [naam strandtent] . De vloer was van houten vlonders die op bepaalde plekken omhoog zijn gaan staan . Op de dag van het ongeluk van [appellante] was dit het geval. De desbetreffende vloer is later vervangen, de datum hiervan weet ik niet.

h. [oud-collega 8] (prod. 50)

De houten vloer van [naam strandtent] lag op 1 mei 2012 op meerdere plekken in [naam strandtent] ongelijk , ik kan me dit nog goed herinneren omdat ik 's avonds bij het aanvegen van de vloer vaker last had van randjes vuil die achter bleven. De vloer die er nu ligt is een andere vloer dan 1 mei 2012.

i. [oud-collega 9] (prod. 51)

In het jaar 2012 heb ik de hele zomer bij [naam strandtent] gewerkt. Ik kan om deze reden dan ook bevestigen dat de houten vloeren op meerdere plaatsen heel erg ongelijk liepen. (…) Niet alleen struikelde veel gasten over verschillende ongelijke punten van de vloeren, ook mensen uit de bediening - waaronder ikzelf - zijn vaak onderuit gegaan hierdoor. Zelf heb ik ook meerdere malen mijn teen lelijk gestoten , wat niet was gebeurd als de vloeren van zowel van betere kwaliteit waren geweest, en daarnaast beter gelegd zouden zijn.

33. Naar aanleiding van deze betwisting door [appellante] heeft [geïntimeerde 1] c.s. de betekenis van de door [appellante] overgelegde verklaringen gerelativeerd (memorie van antwoord, 7.3-7.4, en verweerschrift, 5.20 e.v.). Daartoe voert [geïntimeerde 1] c.s. met name het volgende aan.

1. De verklaringen zijn meer dan drie jaar na het ongeval op verzoek van [appellante] afgelegd.

2. Uit sommige verklaringen blijkt dat de desbetreffende oud-collega met [appellante] meeleefde, wat de vraag oproept of de verklaringen betrouwbaar zijn.

3. Niemand behalve [collega] heeft het ongeval gezien.

4. Niemand verklaart iets over de plek waar het ongeval gebeurd zou zijn.

5. Het grootste deel van de verklaringen gaat niet over de vloer binnen.

6. Er bevinden zich binnen bij de aansluitingen van de vloerdelen geen kieren.

7. Voor zover verklaard wordt over splinters, zijn de verklaringen niet relevant.

8. Uit de verklaringen blijkt niet waar mensen zijn gestruikeld of gevallen.

9. In het grootste deel van de verklaringen is sprake van omhoog staande vloerdelen. [appellante] is echter niet gestruikeld.

10. [appellante] sprak eerder zelf niet over opstaande randen of hoogteverschillen.

11. De verklaring van [oud-collega 4] is niet relevant, want hij werkte naar eigen zeggen in 2012 niet bij [naam strandtent] .

12. De verklaringen zijn deels tegenstrijdig aan de eerdere verklaring van [appellante] . Zo heeft [oud-collega 3] het erover dat [appellante] is gestruikeld.

13. [oud-collega 7] verklaart ten onrechte dat hij getuige is geweest van het ongeval.

14. De grootste vraag is waarom de vermeende gebreken aan de vloer nooit bij [geïntimeerde 1] zijn aangekaart.

15. De vloer was twee maanden tevoren gelegd en nagelopen.

16. Ontoelaatbare oneffenheden zouden daarbij zijn geconstateerd en verholpen.

18. De vloer was nog niet intensief gebruikt dat seizoen.

19. [appellante] heeft in de memorie van grieven zelf verklaard niet te hebben gesteld dat zij is gevallen als gevolg van een oneffen vloer, terwijl dit haar uiteraard wel bekend zou zijn als dit de oorzaak van het ongeval was.

34. Ook bij deze nadere stellingen plaatst het hof enige kanttekeningen. De stelling onder 5 komt het hof vooralsnog onjuist voor. De stelling onder 6 verdraagt zich niet met de verklaring van [oud-collega 5] . Bij stelling 9 rijst de vraag of omhoog staande vloerdelen behalve tot struikelen niet ook aanleiding kunnen geven tot het in onbalans raken. Stelling 11 ziet eraan voorbij dat [oud-collega 4] volgens zijn verklaring kennelijk enige dagen na het ongeval bij [naam strandtent] is gaan werken, zodat zijn verklaring wel relevant kan zijn. Bij stelling 12 merkt het hof op dat [oud-collega 3] niet verklaart dat hij heeft waargenomen dat [appellante] is gestruikeld. Bij de stellingen 15 en 16 rijst de vraag of, en zo ja op grond waarvan, inderdaad kan worden aangenomen dat K&A Houtbouw de vloer (zelf) voldoende heeft nagelopen en deze in goede staat gemonteerd heeft opgeleverd (vergelijk hiervoor onder 27). Met stelling 19 miskent [geïntimeerde 1] c.s. dat het [appellante] erom te doen was dat op haar niet de stelplicht rust met betrekking tot de toedracht van het ongeval en dat zij om die reden daarover geen gedetailleerde stellingen heeft ingenomen. Wel heeft zij aangevoerd zich te herinneren dat zij haar voet direct voor het ongeval in onbalans heeft neergezet. Door dit laatste is relevant of de vloer voldeed aan de daaraan te stellen eisen.

35. [geïntimeerde 1] c.s. heeft zijn stellingen verder onderbouwd met twee verklaringen van oud-collega’s van [appellante] , die de juistheid bevestigen van de weergave van een telefoongesprek met de advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. (prod. 9 bij verweerschrift).

[oud-werknemer 1] bevestigt het volgende (onderstrepingen toegevoegd door het hof):

- Jij bent in het zomerseizoen van 2011 en 2012 werkzaam geweest bij [naam strandtent] .

- In de periode dat jij bij [naam strandtent] hebt gewerkt heb jij niet gezien of gehoord dat collega's of bezoekers zijn gevallen. Ook niet als gevolg van een slechte vloer.

- De vloer die binnen in het strandpaviljoen lag was overal gelijk. Er was geen sprake van hoogteverschillen of losliggende delen.

- Op enig moment zijn jij en mevrouw [appellante] elkaar tegengekomen op de Grote Markt in Den Haag. Zij heeft jou toen verteld dat zij verklaringen aan het inzamelen was om haar schade vergoed te krijgen. Zij heeft jou gevraagd te verklaren dat jij in 2012 werkzaam was bij EI Nino, te verklaren dat de vloer van [naam strandtent] ongelijk was en deze verklaring te ondertekenen.

- Jij hebt die verklaring niet afgegeven. Dit omdat jij het gevoel had dat ze verklaringen aan het verzamelen was om een verhaal te creëren terwijl er met de vloer van [naam strandtent] niets mis was en deze binnen gelijk was.

[oud-werknemer 2] bevestigt het volgende (onderstrepingen toegevoegd door het hof):

- In 2012 was jij werkzaam bij [naam strandtent] . Jij werkte daar toen op fulltime basis.

- Bij jouw weten zijn er toen nooit medewerkers of bezoekers gevallen als gevolg van een scheve/slechte vloer. Ook heeft niemand jou ooit verteld dat er een collega of een bezoeker is gevallen.

- In 2015 heeft mevrouw [appellante] jou benaderd met de vraag of jij een verklaring wilde afleggen dat de vloer binnen in [naam strandtent] scheef lag. Jij vertelde mij dat je die verklaring niet hebt willen afleggen omdat in jouw herinnering de vloer binnen gewoon gelijk was en jij kon je niet herinneren dat de vloer scheef lag. Als jij de verklaring zou afleggen dan zou je voor jouw gevoel liegen.

- Verder vertelde je dat mevrouw [appellante] jou later opnieuw heeft benaderd met de vraag of jij wilde verklaren dat de vloer scheef was en of jij wilde verklaren dat jij er zelf ook (vaker) bijna over de vloer bent gestruikeld. Daarop heb jij mevrouw [appellante] gebeld om te zeggen dat dit niet waar was omdat jij je niets kon herinneren van een scheve vloer en zelf niet (bijna) over de vloer bent gestruikeld.

36. Uit de verklaringen van [oud-werknemer 2] en vooral [oud-werknemer 1] komt een ander beeld naar voren van de toestand van de vloer dan uit de door [appellante] overgelegde verklaringen. Nu partijen daarover tegengestelde stellingen hebben betrokken, kan het hof op grond daarvan niet vaststellen of de vloer beantwoordde aan de daaraan te stellen eisen en of [geïntimeerde 1] in verband daarmee aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Indien zou moeten worden uitgegaan van de verklaringen van [oud-werknemer 1] en [oud-werknemer 2] en niet op de in andere richting wijzende andere verklaringen, valt – ook als met het oog op vereiste hoge beschermingsniveau het voorschrift van zo veel mogelijk vrij zijn van oneffenheden en gevaarlijke hellingen streng wordt toegepast – niet zonder meer uit te sluiten dat aan die norm werd voldaan. In dit verband vraagt het hof zich wel af of de door [geïntimeerde 1] c.s. erkende aanwezigheid van oneffenheden in de strandtent daadwerkelijk niet voorkomen kon worden, zoals [geïntimeerde 1] c.s. stelt. Dat volgt in elk geval niet uit de door [geïntimeerde 1] c.s. in dat verband gestelde omstandigheden dat de voor [naam strandtent] toegepaste bouwconstructie voor strandtenten gangbaar was en dat [geïntimeerde 1] beschikte over een bouwvergunning en exploitatievergunning.

37. Voor verdere beoordeling van grief 13 is bewijslevering nodig. [geïntimeerde 1] c.s. heeft bewijs aangeboden dat de vloer van het strandpaviljoen voldeed aan de daarvoor geldende normen. Alvorens op dit aanbod te beslissen, zal het hof eerst oordelen over het verweer van [geïntimeerde 1] c.s. dat het causaal verband tussen een zorgplichtschending door [geïntimeerde 1] en het letsel van [appellante] ontbreekt.

grief 14 (causaal verband)

38. Met grief 14 komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de schade die [appellante] heeft geleden niet in zodanig verband staat met de volgens [appellante] geschonden zorgplicht van [geïntimeerde 1] , dat die schade op grond van art. 6:98 BW, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg daarvan aan [geïntimeerde 1] kan worden toegerekend. Volgens [appellante] heeft de kantonrechter daarbij ten onrechte overwogen (1) dat het opgetreden letsel is veroorzaakt door een gebrek in de sneaker en (2) dat dit letsel als zodanig zo uitzonderlijk is dat zij (het hof begrijpt: het letsel) niet aangemerkt kan worden als voorzienbare schade ten gevolge van een oneffenheid van de werkvloer van de strandtent.

39. Deze grief slaagt. Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat [geïntimeerde 1] is tekortgeschoten in zijn zorgplicht ten aanzien van de vloer en dat het gevolg hiervan kan zijn geweest dat [appellante] direct voor het ontstaan van het letsel in onbalans is geraakt en haar voet heeft verzwikt, is er geen reden om de schade door het letsel niet aan [geïntimeerde 1] toe te rekenen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet als vaststaand ervan kan worden uitgegaan dat de contrefort in de sneaker de snijwond in de voet van [appellante] heeft veroorzaakt. Daarvan is weliswaar aanvankelijk uitgegaan, onder meer door artsen die [appellante] hebben behandeld, maar daar staat tegenover dat bij onderzoek van de schoen door EMN en [naam expert] daarin geen scherpe delen zijn aangetroffen. Indien onzekerheid zou blijven bestaan over wat precies de verwonding heeft veroorzaakt, is er geen reden om het letsel niet aan [geïntimeerde 1] toe te rekenen. Maar ook als de snijwond wel door de contrefort is veroorzaakt, ziet het hof ondanks de bijzondere wijze van ontstaan van de verwonding onvoldoende grond, mede gelet op de aard van de aansprakelijkheid (aansprakelijkheid van de werkgever voor de veiligheid van werknemers) en de aard van de schade (letselschade), om het letsel niet aan [geïntimeerde 1] toe te rekenen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat wanneer het gevaar van oneffenheden in de werkvloer zich voor een werknemer realiseert, daaruit op zo uiteenlopende wijzen en in zo diverse vormen letsel kan ontstaan dat het weinig zinvol is om hier bepaalde letselcategorieën als normaal te verwachten gevolgen aan te merken. Verder is van belang dat nu werknemers in een strandtent plegen te lopen met borden, bestek en glazen, bij een val ook het risico van snijwonden niet als uitzonderlijk kan worden beschouwd.

bewijs

40. Zoals hiervoor onder 37 overwogen, is voor verdere beoordeling van grief 13 bewijslevering nodig. Het hof zal het bewijsaanbod van [geïntimeerde 1] c.s. honoreren en hem toelaten tot bewijs dat de vloer van de strandtent voldeed aan de daaraan te stellen eisen, in het bijzonder dat deze zoveel mogelijk vrij van oneffenheden, vast en stabiel was, en ter plaatse geen verhoogd gevaar opleverde voor onbalans of zwikken. De verdere beoordeling zal het hof in verband daarmee aanhouden.

Beslissing

Het hof:

  • -

    stelt [geïntimeerde 1] c.s. in de gelegenheid tot het leveren van bewijs als hiervoor onder 40 omschreven;

  • -

    bepaalt dat, indien Lodewegs c.s. daartoe getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. D.A. Schreuder, op 2 juli 2021 om 09:00 uur;

  • -

    bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden oktober tot en met december van 2020, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

  • -

    verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, D.A. Schreuder en B.R. ter Haar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.