Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:670

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
BK-20/00763
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. ICT-activiteiten en het schrijven van een boek vormen geen bron van inkomen. Reeks van negatieve resultaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1019
FutD 2021-1409
Viditax (FutD), 29-04-2021
NTFR 2021/1486
Viditax (FutD), 6-5-2021
NLF 2021/0950 met annotatie van
V-N 2021/27.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00763

Uitspraak van 8 april 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 16 oktober 2020, nummer SGR 20/1443.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.148 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 161 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 48. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.428, de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 48 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 131. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 maart 2021 een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 maart 2021. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.


Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende drijft een eenmanszaak onder de naam [A] . De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de verkoop van computers, het geven van ICT-adviezen en het oplossen van computerproblemen (ICT-activiteiten). Daarnaast is belanghebbende bezig met het schrijven van een boek over de juridische afwikkeling van de erfenis van zijn vader.

2.2.

De activiteiten van belanghebbende zijn sinds 2006 verliesgevend. Belanghebbende heeft over de jaren 2011 tot en met 2017 voor de IB/PVV aangifte gedaan van de navolgende verliezen uit onderneming (vóór toepassing van de ondernemersaftrek):

Jaar

Omzet

Kosten

Winst

2011

€ 2.672

€ 14.818

-/- € 12.146

2012

€ 2.542

€ 13.944

-/- € 11.402

2013

€ 7.543

€ 14.197

-/- € 6.654

2014

€ 4.606

€ 13.704

-/- € 9.098

2015

€ 7.061

€ 16.361

-/- € 9.300

2016

€ 3.688

€ 15.732

-/- € 12.044

2017

€ 764

€ 14.529

-/- € 13.765

In de aangifte IB/PVV 2018 is een verlies uit onderneming aangegeven van € 14.133 (vóór toepassing van de ondernemersaftrek). Verder blijkt uit de door belanghebbende gedane aangiften omzetbelasting over 2019 en 2020 (1e en 2e kwartaal) niet dat sprake is van omzet, en dat slechts aftrek van voorbelasting is geclaimd.

2.3.

Voor het onderhavige jaar (2016) heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.679, bestaande uit belastbare pensioen-, lijfrente- en andere uitkeringen van € 23.148, winst uit onderneming van € 9.749 negatief en resultaat uit overige werkzaamheden van € 2.720 negatief.

2.4.

Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur het verlies uit onderneming en het resultaat uit overige werkzaamheden gecorrigeerd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“5. In geschil is of de activiteiten die eiser verricht onder de naam [A] en het schrijven van het boek kwalificeren als een bron van inkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat het resultaat uit overige werkzaamheden van negatief € 2.720 ten onrechte is gecorrigeerd zodat het beroep in zoverre gegrond is.

6. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8763) worden de volgende cumulatieve voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economisch verkeer, het subjectieve oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat ook redelijkerwijs (in de toekomst) voordeel kan worden behaald.

7. Voor de beantwoording van de vraag of een voordeel redelijkerwijs is te verwachten, dient te worden onderzocht of de desbetreffende activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de desbetreffende persoon (in de toekomst) positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren (vgl. o.a. Hoge Raad, 1 februari 2002, ECLl:NL:HR:2002: AD8763 en Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821). De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen ook licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

8. Het gerechtshof Den Haag heeft op 18 april 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:1457) in de procedure in het kader van de aan eiser voor het jaar 2014 opgelegde aanslag IB/PVV geoordeeld dat de activiteiten van [A] en het schrijven van het boek als afzonderlijke activiteiten moeten worden gezien en dat deze beide activiteiten niet zijn aan te merken als een bron van inkomen. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof bij arrest van 16 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2128), met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongegrond verklaard.

9. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiser, nu hij een verlies uit onderneming in aanmerking wil nemen, feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de activiteiten van [A] in 2016 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. De rechtbank acht - met hetgeen door eiser is aangevoerd - niet aannemelijk geworden dat in 2016 redelijkerwijs voordeel te verwachten was. De activiteiten van [A] zijn over de periode van 2011 tot en met 2017 immers steeds verliesgevend geweest: eiser heeft daarmee nauwelijks omzet behaald terwijl tegenover die beperkte omzet wel steeds relatief hoge kosten stonden. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verweerder onweersproken heeft verklaard dat ook in de jaren 2018, 2019 en 2020 (eerste en tweede kwartaal) de kosten de (geringe) omzet aanzienlijk overtreffen. Van verbetering van het resultaat dat eiser met de activiteiten heeft behaald is dan ook geen sprake.

10. Eiser heeft gesteld dat hij op korte termijn hoopt te kunnen beschikken over de financiële middelen die nodig zijn om investeringen in [A] te kunnen doen en de onderneming winstgevend te maken. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het gerechtshof Amhem-Leeuwarden (afdeling civiel recht, handel) van 7 juli 2020 (ECLI:NL:GHARJL:2020:5282) inzake de beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen (de weduwe van) de notaris die de nalatenschap van zijn vader heeft afgewikkeld. Bij dit arrest is de weduwe van de notaris veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 41.696,31 aan eiser. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat, en zo ja, op welke termijn hij ook daadwerkelijk over dit bedrag zal kunnen beschikken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser ter zitting heeft verklaard dat de schadevergoeding, wegens gebrek aan betalingscapaciteit bij de weduwe, niet op korte termijn en wellicht helemaal niet te incasseren zal zijn. Echter, zelfs indien eiser binnen afzienbare termijn zal kunnen beschikken over financiële middelen, dan is daarmee nog geen bewijs geleverd voor eisers stelling dat in 2016 met de activiteiten van [A] voordeel kon worden verwacht. Eiser heeft niet, bijvoorbeeld door overlegging van een ondernemingsplan, onderbouwd dat eventuele investeringen in de activiteiten van [A] in de toekomst zullen leiden tot positieve opbrengsten.

11. Ten aanzien van de werkzaamheden met betrekking tot het schrijven van een boek heeft eiser geen afzonderlijke gronden aangevoerd. De rechtbank sluit zich daarom aan bij het oordeel van het gerechtshof Den Haag in de procedure over het jaar 2014 (Gerechtshof Den Haag 18 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1457) dat geen sprake is van een bron van inkomen omdat geen sprake is van deelname aan het economisch verkeer en evenmin van een objectieve voordeelsverwachting.

12. Gelet op wat hiervoor onder 5. is overwogen, is het beroep gegrond verklaard en is de aanslag verminderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 2.720 negatief.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

Tussen partijen is, evenals voor de Rechtbank, in geschil of de activiteiten van belanghebbende een bron van inkomen vormen, zodat het daarmee behaalde negatieve resultaat als verlies uit onderneming dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking kan worden genomen.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.679.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Bij uitspraak van 18 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1457, heeft het Hof als volgt overwogen over de vraag of de ICT-activiteiten en het schrijven van het boek zodanig in elkaars verlengde liggen dat beide als één activiteit beschouwd dienen te worden:

“Naar het oordeel van het Hof bestaat tussen de ICT-activiteiten enerzijds en de werkzaamheden met betrekking tot het schrijven van een boek over de juridische afwikkeling van een erfenis anderzijds, geen samenhang. Bij dit oordeel is de uiteenlopende aard van deze activiteiten, de afwezigheid van economische/commerciële verbondenheid tussen de activiteiten en het verschil in (beoogde) klantenkring in aanmerking genomen.”

5.2.

Het Hof ziet geen grond om daarover voor het jaar 2016 anders te oordelen. De vraag of sprake is van een bron van inkomen zal derhalve ten aanzien van beide activiteiten afzonderlijk beoordeeld worden.

ICT-activiteiten

5.3.

Wat betreft de ICT-activiteiten is tussen partijen uitsluitend in geschil of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, die nodig is voor het bestaan van een bron van inkomen. Niet in geschil is dat belanghebbende met zijn activiteiten deelneemt aan het economische verkeer en het oogmerk heeft daarmee voordeel te behalen.

5.4.

De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting dient in beginsel te worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BP5707, BNB 2011/246, en HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348, BNB 2012/241).

5.5.

Aangezien belanghebbende een negatief resultaat in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door belanghebbende beoogde voordeel ook, objectief beoordeeld, kon worden verwacht. Naar het Hof begrijpt, heeft belanghebbende in dit verband gesteld op korte termijn te kunnen beschikken over de financiële middelen die nodig zijn om investeringen in de onderneming te kunnen doen om deze winstgevend te maken. Meer in het bijzonder verwijst belanghebbende naar het arrest van de civiele kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5282, inzake een beroepsaansprakelijkheidsprocedure, waarbij de weduwe van de notaris die de nalatenschap van belanghebbendes vader heeft afgewikkeld, is veroordeeld tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding van € 41.696,31 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2001. Belanghebbende ziet dat bedrag als aanbetaling, kennelijk met uitzicht op meer.

5.6.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Het Hof overweegt hiertoe als volgt. Belanghebbende heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waaraan hij in 2016, objectief bezien, de verwachting kon ontlenen dat met de onderhavige activiteiten, in weerwil van een reeks negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. De activiteiten van belanghebbende hebben vanaf het jaar 2006 tot en met 2018 geen positief resultaat opgeleverd (zie onder 2.2). Over het jaar 2019 en de eerste helft van 2020 heeft belanghebbende met zijn activiteiten zelfs geen omzet behaald (zie eveneens onder 2.2). Belanghebbende heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat - beoordeeld naar de situatie in het jaar 2016 en mede in het licht van feiten en omstandigheden uit latere jaren - voor het jaar 2016 met deze werkzaamheden een positieve opbrengst was te verwachten. Dat belanghebbende voornemens is een nog te ontvangen bedrag te investeren in de ICT-activiteiten, doet aan het voorgaande niet af. Belanghebbende heeft namelijk - nog daargelaten het antwoord op de vraag of daarvoor in de toekomst enig bedrag beschikbaar komt - onvoldoende concreet gemaakt dat een dergelijke investering deze activiteiten wel winstgevend zou maken.

5.7.

Het Hof komt tot de conclusie dat belanghebbendes positieve verwachting ten aanzien van het te behalen voordeel objectief bezien niet gerechtvaardigd was. Dat oordeel brengt mee dat de ICT-activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. De verliezen uit die activiteiten hebben daarom geen invloed op het inkomen uit werk en woning.

Schrijven boek

5.8.

Wat betreft de werkzaamheden met betrekking tot het schrijven van het boek heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met het schrijven van het boek deelneemt aan het economische verkeer en - indien daarvan wel sprake zou zijn - dat hij met deze activiteit redelijkerwijs een voordeel kan verwachten. Gesteld noch gebleken is dat zicht bestaat op publicatie van het boek. Deze activiteiten kunnen daarom evenmin worden aangemerkt als een bron van inkomen.

Belastingrente

5.9.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

Slotsom

5.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 8 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.