Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:618

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
200.280.183/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Grootouders ontvankelijk in hun verzoek tot omgang met hun kleinkinderen. Nauwe persoonlijke betrekking aangenomen tussen de in het buitenland wonende grootouders en de kleinkinderen, gelet op het intensievere en frequentere contact dan gebruikelijk. Daarnaast vormen de grootouders een belangrijke link met de familie vaderszijde nu de vader ook in het buitenland woont. Raadsonderzoek naar de vraag of omgang in het belang van de kleinkinderen is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0091
EB 2021/65
FJR 2021/43.37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.280.183/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 19-4381

zaaknummer rechtbank : C/09/575146

beschikking van de meervoudige kamer van 7 april 2021

inzake

[appellant]

en

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , Schotland,

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de grootouders,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen: mr. H. van der Heide-Boertien te Den Haag.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikking van de rechtbank Den Haag van 18 december 2019 en naar de eindbeschikking van de rechtbank Den Haag van 7 april 2020 (hierna ook: de bestreden beschikking), beide uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De grootouders zijn op 30 juni 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

Bij het hof zijn voorts van de zijde van de grootouders de volgende stukken ingekomen:

  • -

    een journaalbericht van 22 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op 23 juli 2020;

  • -

    een journaalbericht van 14 september 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een journaalbericht van 15 december 2020, ingekomen op 18 december 2020.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2021 plaatsgevonden. Ter zitting is de advocaat van de grootouders (fysiek) verschenen. De grootouders hebben de mondelinge behandeling door middel van een Skype-verbinding bijgewoond. De moeder is, hoewel hiertoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De raad is overeenkomstig zijn bericht van 24 februari 2021 niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de (inmiddels verbroken) affectieve relatie van de moeder en [naam vader] (hierna ook: de vader) zijn de volgende kinderen geboren:

  • -

    [naam minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

  • -

    [naam minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );

  • -

    [naam minderjarige 3] , op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] );

hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen of de kleinkinderen.

3.3

De vader heeft de minderjarigen erkend.

3.4

De moeder is alleen met het gezag over de minderjarigen belast.

3.5

De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.6

De vader woont sinds de zomer van 2018 in [plaats] .

3.7

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 december 2019 is de behandeling van de zaak aangehouden tot 25 februari 2020 teneinde de vader op de juiste manier op te roepen en de (groot)ouders in de gelegenheid te stellen de voor de procedure van belang zijnde stukken, zoals het raadsrapport, over te leggen.

3.8

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2020 is het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen en is een beperkte omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen vastgesteld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking zijn de grootouders niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met de kleinkinderen.

4.2

De grootouders zijn het niet eens met deze beslissing en verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, hun verzoek met betrekking tot de verzochte omgang en contacten alsnog toe te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degenen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van artikel 1:3771 lid 3 BW kan de rechter het recht op omgang slechts ontzeggen indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;

  2. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of;

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.2

Aan het hof ligt allereerst de vraag voor of er al dan niet sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de kleinkinderen.

5.3

De grootouders menen dat dit het geval is. Het contact tussen de grootouders en de kleinkinderen kan als frequenter en intensiever dan gebruikelijk worden gekwalificeerd. De grootouders wonen al jaren in Schotland. Zij zijn eigenaar van de in Nederland gelegen woning, waar destijds de vader de moeder met de kleinkinderen woonden, met een annex/ naastgelegen woning voor de grootouders. Vrijwel iedere schoolvakantie kwamen de grootouders, speciaal voor de kleinkinderen, naar Nederland. De grootouders verbleven dan in de gescheiden annex woning. De kleinkinderen konden in- en uitlopen bij de grootouders en deden dit ook regelmatig. Overnachtingen bij de grootouders waren door deze constructie niet nodig. Ook maakten de grootouders verschillende uitstapjes met de kleinkinderen. De betwisting van deze frequentie en gang van zaken door de moeder wordt door haar geenszins onderbouwd. De vermeende slechte relatie tussen de grootouders en de moeder mag niet tot de conclusie leiden dat er geen nauwe persoonlijke betrekking is tussen de grootouders en de kleinkinderen. Dit zijn namelijk twee verschillende dingen. Deze relatie komt eventueel pas aan de orde bij de vraag of omgang in het belang van de kleinkinderen is. Daarnaast moet volgens de grootouders worden meegewogen dat de minderjarigen slechts zeer beperkt contact hebben met hun in het buitenland wonende vader. Als zij dan ook nog opgroeien zonder contact met hun grootouders, wordt hun beeld van de familie van hun vader wel heel eenzijdig. Tot slot benoemen de grootouders dat uit een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 31 mei 2018 kan worden afgeleid dat een nauwe persoonlijke betrekking niet noodzakelijk is, maar dat een persoonlijke betrekking voldoende zou zijn.

5.4

Het hof overweegt ten aanzien van de aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie (HvJ EU 31 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:359, zaak C-335/17 Valcheva/Babanarakis) het volgende. In die zaak lag de vraag voor of het begrip omgangsrecht, zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 sub a van de Brussel II-bis Verordening, aldus moet worden uitgelegd dat dit begrip ook ziet op omgang met andere familieleden dan ouders, in het bijzonder grootouders. Naar het oordeel van het hof ging het in die zaak dus puur om de vraag of het omgangsrecht van anderen dan ouders (ook) onder de werkingssfeer van de Brussel II-bis Verordening valt. Dit betreft een vraag naar rechtsmacht, niet naar de invulling van het begrip nauwe persoonlijke betrekking dat voor de ontvankelijkheid van het verzoek van de grootouders van toepassing is. Voormelde uitspraak van het Hof van Justitie is dus niet van belang in de onderhavige procedure.

5.5

Het hof is voorts, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de grootouders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hen en de minderjarigen. Het hof heeft hierbij in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat de grootouders in het buitenland wonen. Dit maakt immers dat de contacten niet dagelijks of wekelijks (kunnen) plaatsvinden. Het volgende is van belang. De grootouders kwamen vier tot vijf keer per jaar voor een aantal dagen naar Nederland en hebben deze bezoeken vrijwel altijd (bewust) afgestemd op de schoolvakanties van de minderjarigen. Tijdens deze bezoeken hadden de grootouders (zeer) regelmatig contact met de minderjarigen, mede vanwege hun verblijf in de annex woning, dat wil zeggen de woning die direct naast de woning van de ouders van de minderjarigen was gelegen. Naar het oordeel van het hof kan uit het voorgaande worden opgemaakt dat het contact tussen de grootouders en de kleinkinderen ruimer was dan het gebruikelijke contact tussen grootouders die in het buitenland wonen en hun kleinkinderen. Het feit dat er geen bijkomende factoren waren, zoals overnachten, verzorging en opvoeding of regelmatig oppascontact, doet hier niet aan af. De grootouders hebben ter zitting toegelicht dat dit door de hun verblijf in de annex woning niet noodzakelijk was, en het hof acht dit aannemelijk. De moeder heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen en heeft aldus wat de grootouders hebben aangevoerd niet weersproken. Haar betwisting in eerste aanleg van de frequentie van de contacten tussen grootouders en kleinkinderen acht het hof in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd. Dat het contact tussen de grootouders en de moeder is verstoord, zoals de moeder in eerste aanleg heeft gesteld, acht het hof niet redengevend voor de vraag of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de minderjarigen. Het hof heeft daarnaast in aanmerking genomen dat de grootouders een belangrijke link naar de familie van vaderszijde vormen nu de vader van de minderjarigen in [plaats] woont en zij slechts beperkt contact met hem hebben. Gelet op deze omstandigheden, zal het hof de grootouders ontvankelijk verklaren in hun verzoek.

5.6

Nu er naar het oordeel van het hof sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking hebben de grootouders in beginsel recht op omgang met hun kleinkinderen. Dit recht kan de grootouders slechts ontzegd worden als een van de reeds genoemde ontzegginsgronden zich voordoet. Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie, mede omdat de moeder in hoger beroep niet is verschenen maar in eerste aanleg wel haar bezwaren heeft geuit tegen omgang tussen de grootouders en de minderjarigen, onvoldoende voorgelicht om nu definitief te beslissen of een omgangsregeling vastgesteld kan worden. Daarom zal het hof de raad verzoeken onderzoek te doen naar en advies te geven over de vraag of het – gelet op alle omstandigheden – in het belang van de minderjarigen is om omgang te hebben met de grootouders of dat er zwaarwegende omstandigheden zijn op grond waarvan ontzegging aan de grootouders van het recht op omgang aan de orde zou kunnen zijn. Ook verzoekt het hof de raad te adviseren, indien omgang tussen de grootouders en de minderjarigen mogelijk is, in welke vorm en met welke frequentie deze kan plaatsvinden. Teneinde de raad in de gelegenheid te stellen dit onderzoek uit te voeren, zal het hof iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek van de grootouders pro forma aanhouden tot na te noemen datum.

5.7

De grootouders hebben ter zitting verzocht om hangende het raadsonderzoek, alvast een regeling vast te stellen voor contact tussen de grootouders en de minderjarigen. Omdat het hof nog niet kan beoordelen of contact tussen de grootouders en de minderjarigen strijdig zou zijn met het belang van de minderjarigen, zal het hof voor de duur van het raadsonderzoek geen voorlopige regeling voor contact vaststellen tussen de grootouders en de minderjarigen.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.6 omschreven en daarover aan het hof, voor na te noemen pro forma datum, te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de raad zal toesturen;

houdt de behandeling van de zaak aan tot zaterdag 28 augustus 2021 pro forma;

bepaalt dat partijen het hof uiterlijk twee weken vóór de genoemde pro forma datum schriftelijk berichten over de gewenste voortgang van de onderhavige procedure, waaronder de wenselijkheid van een zitting, onder opgave van verhinderdata, of de gewenste afdoeningswijze;

wijst af het verzoek van de grootouders om een voorlopige contactregeling vast te stellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van de Poll, E.A. Mink en A.F. Mollema, bijgestaan door mr. N. van Duijvenbode als griffier, en is op 7 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.