Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:594

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
200.267.127/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

eindloonpensioen, opbouwpercentage, pensioenreglement, overzichten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2021/63
PR-Updates.nl PR-2021-0082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.267.127/01

Rolnummer rechtbank: 7520396 RL EXPL 19-3327

arrest van 6 april 2021

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant,

nader te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.M. Pasman te Haren,

tegen:

Baker Hughes Nederland B.V.,

gevestigd te Oudkarspel, gemeente Langedijk,

geïntimeerde,

nader te noemen: Baker Hughes,

advocaat: mr. R.M. Dammers te Haarlem.

Het geding

Bij exploot van 30 september 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het op
11 juli 2019 tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] een grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Baker Hughes deze grief bestreden.

Op 11 december 2020 heeft (door middel van een videoconferentie waarbij sprake is van een directe beeld- en geluidsverbinding) een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De hiervoor genoemde advocaten zijn namens partijen verschenen. Door de advocaten is gepleit aan de hand van pleitnotities. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1.

Baker Hughes is een onderneming die onder meer diensten verleent aan de olie- en gaswinningsindustrie. [appellant] is in de periode van 1 april 1990 tot
25 februari 2007 bij (de rechtsvoorganger van) Baker Hughes in dienst geweest. Voor [appellant] gold een pensioenregeling op basis van de eindloonsystematiek.

1.2.

In het toepasselijke pensioenreglement is over het opbouwpercentage van het ouderdomspensioen in art. 4 lid 2 vermeld: “Het jaarlijkse ouderdomspensioen bedraagt 1,75% van de pensioengrondslag voor elk dienstjaar”.

1.3.

In het pensioenreglement is in art. 3 (“Pensioenrechten”) vermeld dat de rechten onder meer omvatten:

“(a) ouderdomspensioen; dit recht ontstaat op de eerste van de maand, waarin de deelnemer:

- een diensttijd heeft van tenminste één jaar en tevens

- de 25e verjaardag heeft bereikt;”

1.4.

Als “Dienstjaren” is in het pensioenreglement gedefinieerd: “het aantal jaren en volle maanden, gelegen tussen de datum van indiensttreding en de pensioendatum, met een maximum van 40 jaren”.

1.5.

In de overgelegde pensioenoverzichten van Zwitserleven – de pensioenuitvoerder – over de jaren 2002 tot en met 2005 en die over 2011 en 2012 is steeds vermeld:

“Dit overzicht is met de uiterste zorg opgesteld; er kunnen echter geen rechten aan worden ontleend. Als de pensioenaanspraken die u verkrijgt op grond van het pensioenreglement afwijken van de in dit pensioenoverzicht genoemde bedragen, is het pensioenreglement leidend.”

1.6.

Partijen hebben over de toepasselijke AOW-franchise geprocedeerd. Rechtbank en hof hebben toen in het voordeel van [appellant] geoordeeld. Naar aanleiding daarvan heeft Zwitserleven de aanspraken van [appellant] herrekend en hem bij brief van 26 september 2017 daarover bericht. [appellant] kan zich in de berekening van Zwitserleven niet vinden.

1.7.

[appellant] heeft in de procedure bij de kantonrechter een verklaring voor recht gevorderd die er - kort gezegd - op neer komt dat bij de vaststelling van zijn ouderdomspensioen moet worden gerekend met een opbouwpercentage van 2,19% en daarnaast gevorderd dat Baker Hughes dit op straffe van verbeurte van een dwangsom doorgeeft aan de pensioenuitvoerder. Verder heeft [appellant] gevorderd dat Baker Hughes in de proceskosten wordt veroordeeld.

1.8.

Deze vorderingen zijn bij verstekvonnis toegewezen. Daartegen is Baker Hughes in verzet gekomen. Bij het bestreden vonnis is het verzet gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd, zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen en is [appellant] in de proceskosten van de verzetprocedure veroordeeld.

2. In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en – na wijziging van eis – alsnog een verklaring voor recht (a) dat voor de berekening van zijn ouderdomspensioen moet worden gerekend met een opbouwpercentage van 2% en (b) met 16,917 dienstjaren, alsmede Baker Hughes te veroordelen dit op straffe van verbeurte van een dwangsom aan de pensioenuitvoerder door te geven en van deze doorgifte bewijs te leveren, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast vordert [appellant] veroordeling van Baker Hughes in de proceskosten van beide instanties.

3. Baker Hughes vordert bekrachtiging van het door [appellant] bestreden vonnis, afwijzing van de vorderingen van [appellant] en zijn veroordeling in de proceskosten van beide instanties.

4. Met zijn tegen het bestreden vonnis geformuleerde grief betoogt [appellant] dat voor zijn ouderdomspensioen een opbouwpercentage van 2% geldt en dat moet worden gerekend met 16,917 dienstjaren.

Opbouwpercentage

5. [appellant] stelt zich op het standpunt dat voor het ouderdomspensioen geen opbouwpercentage van 1,75% geldt maar van 2%. In eerste aanleg heeft hij een opbouwpercentage van 2,19% berekend op basis van de bedragen in de verschillende jaarlijkse pensioenoverzichten van Zwitserleven. In hoger beroep past hij deze berekening aan en stelt dat moet worden gerekend met een (gemiddeld) percentage van 2%. Er is in de pensioenoverzichten een stelselmatig beeld te zien van een hoger opbouwpercentage dan 1,75%. Op basis van deze “stelselmatige informatie” mocht hij, als op het gebied van pensioenen ondeskundige werknemer, erop vertrouwen dat de deze uitgangspunten voortaan steeds zouden worden gehanteerd bij de berekening van zijn pensioenrechten, aldus nog steeds [appellant].

6. Het hof verwerpt dit standpunt, omdat er onvoldoende grond is om te oordelen dat bij [appellant] door toedoen van Baker Hughes het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat hij recht had op een opbouwpercentage van 2%. Voor dit oordeel is het volgende beslissend.

6.1.

In de overgelegde pensioenoverzichten, waarop [appellant] zich beroept, is steeds duidelijk te lezen dat voor het vaststellen van de pensioenaanspraken het pensioenreglement leidend is, ook als deze tot andere bedragen zouden leiden dan in de overzichten zijn vermeld. Over de uitleg van het pensioenreglement op dit punt bestaat geen verschil van mening. In het pensioenreglement is duidelijk vermeld dat er een vast opbouwpercentage van 1,75% geldt.

6.2.

Bij gelegenheid van het pleidooi is [appellant] gevraagd waarop het vertrouwen op een hoger percentage is gebaseerd. Hij heeft toen geantwoord dat dit vertrouwen pas achteraf is ontstaan toen hij de brief van 26 september 2017 van Zwitserleven ontving (zie r.o. 1.6) en hij achteraf de jaarlijkse opbouwpercentages is gaan berekenen van de in de overzichten vermelde bedragen. Bij deze feitelijke gang van zaken is het dus niet zo dat bij [appellant] in de loop der jaren het vertrouwen is ontstaan/gegroeid dat hij mocht uitgaan van de in de pensioenoverzichten genoemde bedragen.

6.3.

De bedragen waarop [appellant] zich baseert laten geen vast percentage zien, maar variërende percentages van 1,65% oplopend tot 2,10%

7. De grief faalt dus in dit opzicht.

Dienstjaren

8. Volgens [appellant] dient voor het vaststellen van zijn pensioenaanspraken te worden gerekend met de dienstjaren vanaf 1 april 1990, de datum van indiensttreding bij Baker Hughes. [appellant] wijst daarbij op de definitie van dienstjaren in het pensioenreglement (zie r.o. 1.4).

9. Volgens Baker Hughes volgt uit art. 3 sub a van het pensioenreglement (zie r.o. 1.3) dat er pas vanaf 1 januari 1991, op welke datum [appellant] 25 jaar oud werd, pensioen wordt opgebouwd. De voorwaarde in art. 3 sub a van het pensioenreglement was destijds een gebruikelijke.

10. Het hof volgt [appellant] in zijn lezing van het pensioenreglement om de volgende redenen.

10.1

Voor de uitleg van het pensioenreglement geldt volgens vaste rechtspraak de zogeheten CAO-norm. Deze houdt in de kern samengevat in dat een bepaling van een cao naar de objectief kenbare betekenis moet worden uitgelegd. Van een situatie als bedoeld in ECLI:NL:HR:2016:2687 die tot afwijking van deze norm noopt, is hier geen sprake. Het gaat in deze zaak uitsluitend om de tekst van het pensioenreglement. Er is geen (officiële) toelichting op dit reglement die aan de uitleg kan bijdragen.

10.2

In art. 3 sub a van het pensioenreglement is bepaald wanneer de werknemer begint met het opbouwen van pensioen. Daarvoor geldt een wachttijd van in ieder geval een jaar. Dit aanvangsmoment is iets anders dan de omvang van de opgebouwde rechten. Voor deze omvang wordt volgens art. 4 lid 2 van het pensioenreglement gerekend met 1,75% van de pensioengrondslag “voor elk dienstjaar” (zie r.o. 1.2). En deze dienstjaren vangen volgens de definitie van dienstjaren aan op “de datum van indiensttreding” (zie r.o. 1.4).

10.3

[appellant] is op 1 april 1990 bij Baker Hughes in dienst getreden. Voor het bepalen van de omvang van zijn pensioenaanspraken moet dus van die datum worden uitgegaan. Dit leidt onweersproken tot 16,917 dienstjaren die in aanmerking moeten worden genomen.

Slotsom

11. De grief faalt op het punt van het opbouwpercentage. Het bestreden vonnis wordt daarom bekrachtigd. De grief slaagt op het punt van de in aanmerking te nemen dienstjaren. Dit slagen van de grief leidt niet tot vernietiging van het bestreden vonnis omdat dit punt in eerste aanleg niet aan de orde was. De vorderingen ter zake van de dienstjaren wordt toegewezen, met dien verstande dat er steeds een dwangsom geldt van € 100,-- per dag met een maximum als hierna te bepalen. Voor de dwangsom ter zake van het verstrekken van een aangepast pensioenoverzicht geldt dat deze eerst gaat lopen 14 werkdagen nadat Baker Hughes dit overzicht van (de rechtsopvolger van) Zwitserleven heeft ontvangen.

11. Bij deze uitkomst past dat de proceskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.

11. Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2019;

  • -

    verklaart voor recht dat als uitgangspunt voor de berekening van het ouderdomspensioen van [appellant] moet worden gerekend met 16,917 dienstjaren;

  • -

    veroordeelt Baker Hughes om aan (de rechtsopvolger van) Zwitserleven mee te delen dat als uitgangspunt voor de berekening van het ouderdomspensioen van [appellant] moet worden gerekend met 16,917 dienstjaren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag of gedeelte van een dag dat Baker Hughes met deze mededeling in gebreke is met een maximum van € 10.000,--;

  • -

    veroordeelt Baker Hughes om een aangepast pensioenoverzicht aan [appellant] te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag of gedeelte van een dag dat Baker Hughes met deze verstrekking in gebreke is, te rekenen vanaf
    14 werkdagen nadat Baker Hughes dit overzicht van (de rechtsopvolger van) Zwitserleven heeft ontvangen, met een maximum van € 10.000,--;

  • -

    compenseert de kosten van het hoger beroep;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.D. Ruizeveld en O.F. Blom en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers, op 6 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.