Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:589

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
200.272.017/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:14813, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Verhuur van equipment. Vordering tot betaling huurpenningen. Beroep op vaststellingsovereenkomst. Bewijsopdracht dt is overeengekomen dat huurder de huurpenningen niet langer hoeft te betalen..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.272.017/01

Zaaknummer rechtbank : 7487936 RL EXPL 19-2128

arrest van 6 april 2021

inzake

Ter Haak Beheer B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

hierna te noemen: Ter Haak,

advocaat: mr. J.H. Fellinger te Amsterdam,

tegen

Peinemann Heftrucks B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Peinemann,

advocaat: mr. V. Terlouw te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 23 december 2019 is Ter Haak in hoger beroep gekomen van een tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2019. Ter Haak heeft bij memorie van grieven vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft producties overgelegd.

1.2

Bij memorie van antwoord heeft Peinemann de grieven bestreden en producties overgelegd.

1.3

Partijen hebben op 2 maart 2021 hun zaak – via een Skypeverbinding – doen bepleiten door hun advocaten. De advocaat van Ter Haak heeft gepleit aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Verder heeft Ter Haak ter gelegenheid van het pleidooi nog drie producties (HB3, HB4 en HB5) overgelegd.

1.4

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan. Met grief 1 klaagt Ter Haak dat de rechtbank ten onrechte niet art. 1.2 van de vaststellingstellingsovereenkomst heeft geciteerd. Wat hier ook van zij, deze grief kan niet leiden tot de vernietiging van het bestreden vonnis.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  • -

    i) Peinemann is een 100% dochtervennootschap van Peinemann Mobilift Groep B.V. Zij is een grote aanbieder van heftrucks, warehouse equipment en gerelateerde producten. Peinemann verkoopt en verhuurt diverse soorten en merken heftrucks voor een korte of lange periode, indien gewenst inclusief onderhoudswerkzaamheden.

  • -

    ii) Ter Haak is onderdeel van de Ter Haak Groep. Zij heeft als hoofdactiviteit de op- en overslag in de Amsterdamse haven.

  • -

    iii) Ter Haak en Peinemann hebben op 24 mei 2013 een “Mantel Overeenkomst” ondertekend met als ingangsdatum 1 januari 2013. Op grond van deze overeenkomst heeft Peinemann equipment ter beschikking gesteld aan Ter Haak en een aantal van Ter Haaks werkmaatschappijen. De overeenkomst bepaalt onder meer:

“Alleen om administratieve redenen geeft huurder (Ter Haak, hof) op aan welke werkmaatschappij van huurder gefactureerd dient te worden. Huurder blijft te allen tijde verantwoordelijk voor betaling.”

( iv) Ten tijde van het aangaan van de Mantel Overeenkomst had Peinemann diverse openstaande en opeisbare vorderingen op Ter Haak en een aantal van haar groepsmaatschappijen in verband met de verhuur van equipment. Het openstaande bedrag betrof in totaal van € 1.086.723,83. Op 10 april 2013 zijn Ter Haak en haar groepsmaatschappijen enerzijds en Peinemann Holding B.V. (een dochtervennootschap van Peinemann Mobilift Groep B.V.) anderzijds een betalingsregeling overeengekomen. Deze overeenkomst bevat onder meer de volgende bepaling:

“4. Zekerheden

Tot meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen onder deze Betalingsregeling stelt Ter Haak zich hierbij jegens Peinemann hoofdelijk aansprakelijk voor de Vorderingen en de terugbetaling daarvan.”

  • -

    v) In de loop der tijd zijn de betalingsachterstanden van Ter Haak verder opgelopen.

  • -

    vi) Op 19 februari 2018 is er een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen vijftien partijen, waaronder Ter Haak en Peinemann Mobilift Groep B.V. In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen een aantal afspraken gemaakt, onder meer over de achterstallige betalingsverplichtingen van de Ter Haak Groep aan de Peinemann Groep. De overeenkomst bepaalt over die kwestie het volgende:

IN AANMEKRKING NEMENDE DAT

(…)

(F) Verschillende vennootschappen uit de Peinemann Groep (o.a. Peinemann Kranen B.V., Peinemann Heftrucks B.V., Peinemann Hoogwerkers B.V. en Peinemann Holding B.V., hierna tezamen met PMG de “Peinemann Groep”)) diverse opeisbare vorderingen hebben op de Ter Haak Groep, terzake van geleverde producten en diensten (de “Peinemann Vorderingen”, welke vorderingen grotendeels achterstallig zijn, en inmiddels zijn ingeroepen;

(…)

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

Artikel 1. Vaststellingsovereenkomst

1.1.

Partijen wensen in de onderhavige Vaststellingsovereenkomst hun rechtsverhoudingen te wijzigen en vast te leggen op de wijze zoals hieronder omschreven.

1.2.

De in deze Vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken gaan voor op (en waar van toepassing, vervangen) alle eerdere afspraken en overeenkomsten tussen Partijen, en waar van toepassing worden alle eerdere afspraken en tussen Partijen getekende overeenkomsten gewijzigd voor zover nodig om invulling te geven aan het gestelde in deze Vaststellingsovereenkomst.

(…)

Artikel 3. Vorderingen Peinemann

3.1

EMA heeft zich jegens de Peinemann Groep borg gesteld (in de zin van Titel 14 Boek 7 BW) voor de betaling van de Peinemann vorderingen door de Ter Haak groep alsmede alle andere vorderingen van de Peinemann Groep op de Ter Haak Groep.

3.2

EMA zal op basis van en in overeenstemming met de borgstelling de Peinemann Vorderingen namens de Ter Haak Groep voldoen, en direct afzien van haar regresrechten (in de zin van artikel 7:866 Burgerlijk Wetboek) op de Ter Haak Groep (buiten invordering plaatsing).

3.3 (…)”

2.3

In dit geschil heeft Peinemann gevorderd dat Ter Haak wordt veroordeeld tot betaling van € 3.801.611,07 aan achterstallige huurpenningen, te vermeerderen met rente ten bedrage van € 2.253.410,-. Verder heeft Peinemann gevorderd dat Ter Haak wordt veroordeeld tot betaling van € 1.250,- aan buitengerechtelijke incassokosten.

2.4

Ter Haak heeft de vordering weersproken. Zij voert aan dat zij op grond van de vaststellingsovereenkomst niet langer verplicht is de achterstallige vordering aan Peinemann te betalen. Volgens Ter Haak heeft EMA (Exploitatiemaatschappij Amerikahaven B.V.) zich in de vaststellingsovereenkomst verbonden tot betaling van de gevorderde bedragen. Verder heeft Ter Haak de hoogte van de vordering betwist.

2.5

De kantonrechter heeft de vorderingen van Peinemann toegewezen.

2.6

In hoger beroep vordert Ter Haak vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van Peinemann. Verder vordert Ter Haak dat Peinemann wordt veroordeeld in de proceskosten en tot terugbetaling van alle betalingen die Ter Haak op grond van het bestreden vonnis al aan Peinemann heeft betaald.

2.7

Peinemann heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Ter Haak in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep.

3 Beoordeling

3.1

Met grief 2 klaagt Ter Haak dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Peinemann Ter Haak kan aanspreken tot betaling van achterstallige huurpenningen ter zake van de door Peinemann aan de Ter Haak Groep verhuurde equipment. Ter Haak voert aan dat EMA niet alleen in de plaats van Ter Haak is getreden als borg, maar ook als enige debiteur. De bewoordingen van art. 3.2 van de vaststellingsovereenkomst zijn gekozen om ‘btw issues’ te vermijden die zouden kunnen optreden als partijen helder hadden weergegeven wat de bedoeling was: namelijk dat enkel EMA als debiteur heeft te gelden.

3.2

De achtergrond van de vaststellingsovereenkomst (en meer in het bijzonder van art. 3) is volgens Ter Haak de volgende. Met de vaststellingsovereenkomst werd beoogd de schuldpositie van de Ter Haak Groep te saneren. De Ter Haak Groep (althans haar werkmaatschappij USA (United Stevedores Amsterdam (USA) V.O.F.)) zou de huurinkomsten (uit onderhuur) van de in Amsterdam gelegen en aan EMA toebehorende terminal inleveren. De huurinkomsten zouden daardoor bij EMA komen te liggen. Dit had als gevolg dat Ter Haak geen inkomsten meer had om schulden te voldoen. Vandaar dat is afgesproken dat in ruil voor het inleveren van verdiencapaciteit, EMA de schulden voor de Ter Haak Groep zou voldoen. Het was dan ook zinledig, aldus Ter Haak, om haar te handhaven als debiteur van Peinemann. Zij zou geen enkel voordeel hebben bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst als die tot gevolg zou hebben dat zij haar huurinkomsten zou verliezen terwijl haar verplichtingen jegens Peinemann in stand zouden blijven. Daarbij moet worden bedacht, aldus Ter Haak, dat Peinemann een aandeelhouder van EMA is, zodat Peinemann er belang bij had dat de huurinkomsten naar EMA zouden gaan. De overeengekomen constructie – waarbij een faillissement van Ter Haak zou worden voorkomen – was ook in het belang van Peinemann.

3.3

Peinemann heeft de stellingen van Ter Haak weersproken. Volgens Peinemann is er geen sprake van een overname van de schuld door EMA, maar van borgtocht. Ter Haak blijft hoofdschuldenaar en EMA staat ter meerdere zekerheid borg. Peinemann wijst erop dat dit ook volgt uit een koopovereenkomst van 29 september 2018 tussen Peinemann als verkoper en Ter Haak als koper. De overeenkomst vermeldt het bedrag dat Ter Haak verschuldigd is in het kader van de huur van materieel over het jaar 2018. Daarop volgt de volgende passage: “Ter vermijding van misverstanden, dit laat onverlet de (verschuldigdheid resp. opeisbaarheid van de) vorderingen van Verkoper op Koper terzake van materieel over voorgaande jaren, zoals bij partijen genoegzaam bekend en waarover partijen separaat corresponderen.” Verder heeft Peinemann betwist dat het bij de vaststellingsovereenkomst erom ging de schuldenpositie van Ter Haak te saneren. Het was volgens Peinemann vooral de bedoeling om afspraken te maken over de betaling door de Ter Haak Groep van aanzienlijke openstaande vorderingen. Het was ook niet zo dat Ter Haak (USA) huurinkomsten “inleverde”. USA ontving, als onderverhuurder, wel huurpenningen van haar onderhuurders, maar was zelf nalatig met het betalen van huurpenningen aan EMA, aldus Peinemann.

3.4

Het hof overweegt als volgt. Art. 3.1 van de vaststellingsovereenkomst vermeldt dat EMA zich borg heeft gesteld voor de betaling van de ‘Peinemann-vorderingen’. Verder bepaalt art. 3.2 dat EMA op basis van en in overeenstemming met de borgstelling deze vorderingen namens de Ter Haak Groep zal voldoen, zonder regres te nemen op Ter Haak. Het hof stelt vast dat art. 3 uitdrukkelijk melding maakt van een overeenkomst van borgtocht en niet van in de plaatstelling of schuldoverneming. Dit impliceert dat Peinemann op grond van art. 3 van de vaststellingsovereenkomst niet het recht heeft verloren om Ter Haak aan te spreken tot betaling van de schuld uit hoofde van de verhuur van equipment. De vaststellingsovereenkomst vermeldt ook niet uitdrukkelijk dat Peinemann jegens Ter Haak afstand heeft gedaan van haar vorderingen. Het beroep dat Ter Haak op art. 1.2 van de vaststellingsovereenkomst doet, faalt voor zover Ter Haak betoogt dat uit art. 1.2 voortvloeit dat de oude overeenkomsten niet langer zouden gelden. In art. 1.2 wordt immers slechts bepaald dat de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken voor gaan op alle eerdere afspraken en overeenkomsten. Slechts waar van toepassing worden eerdere afspraken en overeenkomsten gewijzigd voor zover nodig om invulling te geven aan het gestelde in de vaststellingsovereenkomst. Ervan uitgaande dat EMA zich borg heeft gesteld voor de betaling van de Peinemann-vorderingen, is er geen sprake van dat het nodig zou zijn de eerdere afspraken tussen Peinemann en Ter Haak te wijzigen in die zin dat Ter Haak niet langer gehouden zou zijn de Peinemann-vorderingen te voldoen.

3.5

De slotsom is dat uit de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst niet volgt dat Peinemann niet langer van Ter Haak betaling van de Peinemann-vorderingen kan verlangen. Niettemin is denkbaar dat de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst niet de werkelijke bedoeling van partijen uitdrukken.

3.6

In dat verband is van belang dat Ter Haak bij pleidooi in hoger beroep bewijs heeft aangeboden van haar stelling dat het de bedoeling van partijen was om de Peinemann-vorderingen door EMA te laten voldoen en dat in de vaststellingsovereenkomst is gekozen voor borgstelling vanwege de fiscale consequenties (naar het hof begrijpt: van een alternatieve juridische constructie, zoals schuldoverneming of in de plaatststelling), maar dat nimmer is beoogd dat Ter Haak nog schuldenaar van Peinemann zou blijven.

3.7

Het hof zal Ter Haak toelaten tot het leveren van bewijs van deze stelling. Het hof zal daartoe zittingsruimte reserveren op woensdag 9 juni 2021 tussen 9.00 – 13.00 uur. Mocht deze datum niet schikken dan dienen partijen verhinderdata op te geven over de periode juni tot en met september 2021.

3.8

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 Beslissing

Het hof:

  • -

    laat Ter Haak toe tot bewijs van haar stelling dat het de bedoeling van partijen was om de Peinemann-vorderingen door EMA te laten voldoen en dat nimmer is beoogd dat Ter Haak nog schuldenaar van Peinemann zou blijven;

  • -

    bepaalt dat, indien Ter Haak getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. C.A. Joustra, op woensdag 9 juni 2021 om 9.00 uur;

  • -

    bepaalt dat, indien één van de partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden juni tot en met september 2021, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

  • -

    verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.W. Frieling en B.R. ter Haar en is ondertekend en uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers ter openbare terechtzitting van 6 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.