Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:545

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
BK-20/00465 en BK-20/00784
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:2531, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Specifieke zorgkosten (art. 6.17, lid 1, Wet IB 2001) en scholingsuitgaven (art. 6.27, lid 1, Wet IB 2001). Pas in hoger beroep overgelegde maandfacturen vormen onvoldoende bewijs.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep. Grieven bij aanvulling hogerberoepschrift mogelijk tegen beslissing rechtbank over belastingjaar dat in het hogerberoepschrift niet is genoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/861
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-20/00465 en BK-20/00784

Uitspraak van 3 maart 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.S. Roseval)

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] en […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 maart 2020, nummers SGR 19/4549 en SGR 19/4556.

Procesverloop

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.830 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.173. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 760 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

1.1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.479 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.188. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 794 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de in 1.1 vermelde belastingaanslagen en beschikkingen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.330 en een belastbaar bedrag uit sparen en beleggen van € 24.173 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van die uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingrentebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 dienovereenkomstig;

  • -

    verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2015 ongegrond;

  • -

    veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.050;

  • -

    draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Er is een griffierecht van € 131 geheven. Bij brief van 25 mei 2020, per fax ingekomen bij het Hof op 27 mei 2020, heeft belanghebbende de gronden van het hoger beroep ingediend. De Inspecteur heeft op 8 juli 2020 een verweerschrift, betrekking hebbend op het jaar 2015, ingediend. De Inspecteur heeft vervolgens op 8 januari 2021 een nader stuk, aangeduid als “verweerschrift” en betrekking hebbend op het jaar 2014, ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 januari 2021. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Jaar 2014

2.1.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.813. In de aangifte zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 15.864 (€ 16.463 minus een drempel van € 599) en scholingsuitgaven van € 5.677 (5.927 minus een drempel van € 250) in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrekpost. De aanslag IB/PVV 2014 is overeenkomstig de aangifte opgelegd.

2.1.2.

Bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 heeft de Inspecteur de in de aangifte opgenomen uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 15.864 niet in aftrek toegestaan. Van de in de aangifte opgevoerde scholingsuitgaven van € 5.677 heeft de Inspecteur een bedrag van € 4.351 in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek.

Jaar 2015

2.2.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.189. In de aangifte zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 14.638 (€ 15.276 minus een drempel van € 638) en scholingsuitgaven van € 9.840 (€ 10.090 minus een drempel van € 250) in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek.

2.2.2.

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2015 heeft de Inspecteur de in de aangifte opgenomen uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 14.638 en de scholingsuitgaven van € 9.840 niet in aftrek toegestaan.

Beide jaren

2.3.

De Inspecteur heeft de tegen de aanslag en navorderingsaanslag gemaakte bezwaren bij uitspraken op bezwaar afgewezen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen.

Aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten

7. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat [belanghebbende] vanwege een ongeluk niet-aangeboren hersenletsel heeft en daarom extra zorgkosten maakt. Om kosten als uitgaven specifieke zorgkosten in aanmerking te kunnen nemen moet evenwel worden voldaan aan wettelijke vereisten. Zo vereist artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) dat de uitgaven voor specifieke zorgkosten op [belanghebbende] hebben gedrukt. Verder kunnen alleen de uitgaven in aanmerking worden genomen die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB, de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en als aan alle daarin gestelde wettelijke voorwaarden is voldaan. Daarbij geldt dat op [belanghebbende] de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat zij terecht de uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek heeft gebracht.

Hulpmiddelen 2014

8. [Belanghebbende] heeft aangevoerd dat zij € 4.884 heeft uitgegeven voor het aanpassen van haar woning in verband met haar beperking. Op grond van artikel 6.17, tweede lid, ten vierde, van de Wet IB zijn dergelijke uitgaven echter niet meer aftrekbaar in het jaar 2014. [De Inspecteur] heeft naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht gecorrigeerd.

Genees- en heelkundige hulp 2014

9. [Belanghebbende] heeft gesteld dat zij € 3.519 aan kosten heeft gemaakt voor ‘Body mentor’ en ‘Gimmick’. Op grond van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan:

a. een behandeling door een arts;

b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus;

c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

Niet aannemelijk is geworden dat deze behandelingen door een arts of bij ministeriële regeling aangewezen paramedicus zijn gedaan. Verder heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat de behandelingen op voorschrift en onder begeleiding van een arts hebben plaatsgevonden. [Belanghebbende] heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB, zodat [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht heeft gecorrigeerd.

Uitgaven voor extra gezinshulp 2014

10. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB, kunnen kosten voor extra gezinshulp die gemaakt zijn wegens ziekte of invaliditeit in aftrek worden gebracht voor zover die de drempel te boven gaan. Op grond van artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB is bepaald dat uitgaven voor extra gezinshulp slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarop duidelijk en op overzichtelijke wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld. [Belanghebbende] heeft in bezwaar een factuur met dagtekening 30 december 2014 overgelegd van ‘Stichting [A] ’, blijkens het briefhoofd een administratie en juridisch maatschappelijk adviesbureau. Uit de factuur leidt de rechtbank af dat [belanghebbende] in 2014 520 uur aan huishoudelijke hulp heeft gehad voor een totaalbedrag van € 7.865. Ter zitting heeft gemachtigde toegelicht dat deze factuur van zijn onderneming komt, dat hij [belanghebbende] op allerlei gebied helpt en dat de Stichting heeft bemiddeld in het huishoudelijke werk en de betreffende facturen heeft voorgeschoten en deze vervolgens bij [belanghebbende] in rekening brengt. Uit de door [belanghebbende] overgelegde factuur en met de gegeven toelichting kan niet worden vastgesteld wie de gezinshulp is geweest en wat voor werkzaamheden de gezinshulp heeft verricht. Zonder extra bewijsmiddelen kunnen de uitgaven voor extra gezinshulp niet in aftrek komen. De stelling van [belanghebbende] dat zij eerder extra bewijsmiddelen aan [de Inspecteur] heeft verstrekt, is tegenover de betwisting daarvan door [de Inspecteur] niet nader onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt. De betreffende stukken zijn in beroep niet overlegt.

Uit het voorgaande volgt dat [belanghebbende] niet heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB en artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB, zodat [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht heeft gecorrigeerd.

Reiskosten en kleding en beddengoed 2014

11. [De Inspecteur] heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat gelet op de aard van [belanghebbende] haar beperking de reiskosten ziekenbezoek van € 198 en de lage forfaitaire aftrek voor kleding en beddengoed van € 310 aftrekbaar kunnen zijn. Omdat deze kosten echter niet boven de drempel van € 599 uitkomen, leiden ze niet tot aftrek.

Scholingsuitgaven 2014

12. Op grond van artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB komen scholingsuitgaven voor aftrek in aanmerking als sprake is van uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. De wet somt vervolgens limitatief op welke kosten als zodanig voor aftrek in aanmerking komen. Het betreft lesgeld, cursusgeld, collegegeld, examengeld en door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen. Op grond van artikel 6.28, tweede lid, van de Wet IB, komen scholingsuitgaven voor aftrek in aanmerking als het meer bedraagt dan de toegekende studiefinanciering. Voor de aftrek voor scholingsuitgaven geldt ook het algemene vereiste dat de uitgaven op [belanghebbende] moeten hebben gedrukt op grond van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB. En ook voor deze kosten geldt dat op [belanghebbende] de bewijslast rust aannemelijk te maken dat ze recht heeft op aftrek.

13. [De Inspecteur] heeft in bezwaar € 7.500 collegegeld en € 235 aan studieboeken minus de toegekende studiebeurs in aftrek toegestaan. [De Inspecteur] heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de aftrek voor scholingsuitgaven te laag is vastgesteld in de bezwaarfase en € 4.851 had moeten zijn. Het beroep is in zoverre dus gegrond.

Voor het jaar 2014 is dan nog in geschil of [de Inspecteur] terecht € 826 niet in aftrek heeft toegestaan. [Belanghebbende] heeft hiervoor enkele stukken overgelegd en aangevoerd dat zij veel scholingskosten heeft gemaakt vanwege haar beperking. Een ‘charity dinner’ valt echter niet onder de kosten die op grond van artikel 6.27 van de Wet IB in aftrek worden toegestaan. Verder heeft [belanghebbende] niet geconcretiseerd welke scholingsuitgaven zij heeft gedaan. [Belanghebbende] heeft dus niet aannemelijk gemaakt zij recht heeft op een hogere aftrek voor scholingsuitgaven ten bedrage van € 826, zodat [de Inspecteur] deze kosten terecht niet in aftrek toe heeft gelaten.

14. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Nu de aanslag is verminderd, heeft de rechtbank de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. Gesteld noch gebleken is dat de rente die nog wel in rekening is gebracht naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is berekend.

15. Nu [de Inspecteur] de aanslag IB/PVV 2014 tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld is het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2014 gegrond verklaard en is de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd.

Hulpmiddelen 2015
16. [Belanghebbende] heeft aangevoerd dat zij € 1.589 heeft afgeschreven vanwege het aanpassen van haar woning. Zoals reeds onder 8. geoordeeld zijn dergelijke kosten op grond van artikel 6.17, tweede lid, ten vierde, van de Wet IB niet meer aftrekbaar in het jaar 2015.

[De Inspecteur] heeft naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht gecorrigeerd.

Genees- en heelkundige hulp 2015
17. [Belanghebbende] heeft gesteld dat zij in 2015 € 703,96 aan kosten heeft gemaakt voor ‘Body mentor’ en ‘Health Beauty’. Niet aannemelijk is geworden dat deze behandelingen door een arts of bij ministeriële regeling aangewezen paramedicus zijn gedaan. Verder heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat de behandelingen op voorschrift en onder begeleiding van een arts hebben plaatsgevonden. [Belanghebbende] heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.17, negende lid, van de Wet IB, zodat [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank deze kosten terecht heeft gecorrigeerd.

Uitgaven voor extra gezinshulp 2015

18. [Belanghebbende] heeft in bezwaar een factuur met dagtekening 30 december 2017 overgelegd van ‘Stichting [B] ’ die gevestigd is op hetzelfde adres als de onder 10. genoemde ‘Stichting [A] ’. In de factuur staat dat [belanghebbende] van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 1.040 uur aan huishoudelijke hulp heeft gehad voor een totaalbedrag van € 13.370. Dit betreft een factuur met een dagtekening van bijna twee jaar na het onderhavige belastingjaar en uit de factuur kan niet afgeleid worden voor welk bedrag [belanghebbende] in 2015 aan gezinshulp heeft ontvangen. Verder kan ook niet worden afgeleid wie de gezinshulp is geweest en wat voor werkzaamheden de gezinshulp heeft verricht. Blijkens de factuur zou deze contant zijn betaald en gelet op de dagtekening daarvan, niet in het jaar waarop de uitgaven zien. Daarom heeft [de Inspecteur terecht in twijfel getrokken of de kosten wel in 2015 op [belanghebbende] drukken. [Belanghebbende] heeft verder een modelzorgovereenkomst overgelegd, maar ook dit is geen factuur zoals wordt bedoeld in artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB. [Belanghebbende] heeft dus niet voldaan aan het vereiste in artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB en zonder extra bewijsmiddelen kunnen de uitgaven voor extra gezinshulp niet in aftrek komen. Ook voor deze uitgaven geldt dat [belanghebbende] haar stelling dat zij eerder extra bewijsmiddelen aan [de Inspecteur] heeft verstrekt, tegenover de betwisting daarvan door [de Inspecteur] niet nader onderbouwt en niet aannemelijk heeft gemaakt. De betreffende stukken zijn in beroep niet overlegt. [Belanghebbende] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven voor extra gezinshulp voor aftrek in aanmerking komen, zodat [de Inspecteur] deze kosten terecht heeft gecorrigeerd.

Scholingsuitgaven 2015

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] terecht de scholingsuitgaven in aftrek geweigerd. [Belanghebbende] heeft op 17 april 2015 collegegeld betaald voor het studiejaar 2014/2015 ten bedrage van € 4.500. Aan [belanghebbende] is volgens een renseignement van [de Inspecteur] tot en met 31 augustus 2015 € 4.422,88 aan studiefinanciering toegekend, zodat rekening houdend met de drempel van € 250 geen recht bestaat op aftrek. Zoals reeds onder 13. is overwogen komen de op 27 april 2015 betaalde kosten voor een ‘charity dinner’ niet voor aftrek in aanmerking. Het is verder niet aannemelijk geworden dat andere aftrekbare scholingsuitgaven in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 op [belanghebbende] hebben gedrukt.

Op grond van artikel 6.28, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB (tekst na 1 juli 2015) komen scholingsuitgaven niet voor aftrek in aanmerking indien de belastingplichtige aanspraak maakt op studiefinanciering. Aangezien [belanghebbende] volgens een renseignement van [de Inspecteur] na 1 juli 2015 aanspraak had op studiefinanciering, komen de collegegeldbetalingen na 1 juli 2015 ook niet voor aftrek in aanmerking.

20. Nu [de Inspecteur] met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2015 terecht de aftrek voor uitgaven specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven heeft geweigerd is het beroep ongegrond verklaard.

21. Nu [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking belastingrente voor het jaar 2015 heeft aangevoerd, is ook het beroep tegen de beschikking belastingrente ongegrond verklaard.

22. [De Inspecteur] heeft de vraag opgeworpen of de gemachtigde van [belanghebbende] in de hoedanigheid van professioneel gemachtigde is opgetreden namens [belanghebbende]. De rechtbank stelt vast dat gemachtigde in zijn hoedanigheid van de Stichting [A] voor [belanghebbende] heeft opgetreden en dat die Stichting zich presenteert als een administratie- en juridisch maatschappelijk adviesbureau. [Belanghebbende] heeft verder ter zitting verklaard dat zij een factuur van de gemachtigde heeft gekregen voor zijn diensten. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zodat deze als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). De proceskosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien hierom niet verzocht is in de bezwaarfase (artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht).”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 recht heeft op een hogere aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven dan reeds is toegestaan. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.2.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de belastbare inkomens uit werk en woning tot nihil en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikkingen belastingrente.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep voor zover dat ziet op het belastingjaar 2014, en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover die betrekking heeft op het belastingjaar 2015.

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid hoger beroep

5.1.

Belanghebbende heeft bij brief van 28 april 2020, bij het Hof ingekomen op 30 april 2020, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank van 18 maart 2020 en daarbij alleen nummer SGR 19/4556 en de aanslag IB/PVV 2015 vermeld. In haar brief van 25 mei 2020, waarbij belanghebbende de gronden van haar hoger beroep heeft aangevuld, heeft zij zowel grieven aangevoerd met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2015 als met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2014. Anders dan de Inspecteur betoogt, betekent dit niet dat het hoger beroep betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de daarvoor geldende termijn. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:913, BNB 2015/128, volgt immers dat het object van het geschil in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank is. Nu de Rechtbank in haar uitspraak heeft beslist op het beroep tegen beide aanslagen en het hoger beroep is gericht tegen die uitspraak, kunnen in hoger beroep beide aanslagen in het geding worden betrokken. Het hoger beroep is derhalve ook ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2014.

Aftrek uitgaven specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven

5.2.

De Rechtbank heeft op goede gronden beslist dat belanghebbende voor 2014 noch voor 2015 recht heeft op een hogere aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven dan de Inspecteur reeds heeft toegestaan. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd of aan bewijs overgelegd dat een andere conclusie rechtvaardigt. Weliswaar heeft belanghebbende in hoger beroep maandfacturen van Stichting [B] inzake extra gezinshulp voor het jaar 2015 overgelegd, maar het Hof kent daaraan geen bewijskracht toe. In de eerste plaats bevatten die maandfacturen verschillende onvolkomenheden; zo wordt een adres vermeld waar belanghebbende nimmer heeft gewoond alsmede een adres waar belanghebbende in 2015 nog niet woonde. Voorts vloeit uit de stellingname van belanghebbende voort dat de in 2015 verleende gezinshulp in dat jaar door middel van de maandfacturen geheel is gefactureerd en voldaan, maar daarmee is niet in overeenstemming dat diezelfde hulp vervolgens door middel van de factuur van 30 december 2017 nogmaals in rekening is gebracht. Belanghebbende heeft daarvoor, ook ter zitting van het Hof, geen enkele verklaring kunnen geven. Het Hof komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, F.G.F. Peters, en J.V. van Noorle Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De beslissing is op 3 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.