Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:512

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
200.287.908/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:10249, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank waarin de machtiging om de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg is verlengd. Aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan. Het hof wijst het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen af. Volgens het hof kan een deskundigenrapport niet mede tot de beslissing van de zaak leiden en ook het belang van de kinderen verzet zich daartegen. Dit omdat gelet op de verstreken tijd het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt.

Het hof betreurt de feitelijke gang van zaken rondom de (verlenging van de machtiging tot) uithuisplaatsing van de minderjarigen. Al in het raadsrapport van 15 augustus 2019 heeft de raad aangegeven dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarigen, mede gelet op hun jonge leeftijd, slechts zes maanden bedraagt. De onmogelijkheid om de minderjarigen terug te plaatsen was niet zozeer gelegen in de omstandigheid dat de moeder (nog) niet aan de bodemeisen voldeed, maar in de omstandigheid dat de minderjarigen inmiddels zodanig aan de pleegouders waren gehecht dat de aanvaardbare termijn voor hen was verstreken. Door van de gecertificeerde instelling te vergen dat zij bodemeisen zou opstellen, zonder zich daarbij uit te laten over de vraag of de aanvaardbare termijn voor de minderjarigen niet reeds was verstreken, heeft de kinderrechter met zijn beschikking van 7 juli 2020 onterechte verwachtingen gewekt bij de moeder. Daar komt bij dat de wijze waarop de gecertificeerde instelling de bodemeisen heeft geformuleerd en toegelicht eveneens maakt dat de moeder ten onrechte hoop is gegeven dat zij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op enig moment weer op zich zou kunnen nemen. Zo staat onderaan de opsomming van de bodemeisen genoemd dat de gecertificeerde instelling met de moeder kan onderzoeken hoe een thuisplaatsing van de minderjarigen kan worden vormgegeven, zodra zij aantoonbaar aan de geformuleerde bodemeisen voldoet. Hoewel de gecertificeerde instelling zich door de kinderrechter wellicht gedwongen heeft gevoeld om de bodemeisen op te stellen op grond van diens voornoemde beslissing, is het naar het oordeel van het hof de vraag of zij hieraan goed heeft gedaan. Het voorgaande brengt weliswaar geen verandering in de beslissing van het hof over de vervulling van de vereisten in artikel 1:265b lid 1 BW, maar dat neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat de moeder tekort is gedaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265b
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.287.908/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 20-1921

zaaknummer rechtbank : C/09/597746

beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2021

inzake

[appellante] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S.F. Smidt te Baarn,

tegen

Stichting Jeugdbescherming west, regio Zuid-Holland Midden,

gevestigd te Gouda,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

hierna te noemen: de vader,

2. [belanghebbende 2 en 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de pleegouders.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 29 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 29 december 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De gecertificeerde instelling heeft op 28 januari 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 14 januari 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 9 februari 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een faxbericht van de zijde van de moeder van 15 februari 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.4

Bij brieven van 7 januari 2021 en 18 januari 2021 heeft de raad aan het hof laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 16 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordigers van de GI] .

De vader en de pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de moeder heeft het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de - inmiddels verbroken - relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

- [naam minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;

- [naam minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ;

hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

3.3

De vader heeft de minderjarigen erkend.

3.4

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

3.5

Bij beschikking van 1 oktober 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag de minderjarigen onder toezicht gesteld van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2020.

3.6

Bij beschikking van 1 oktober 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag de gecertificeerde instelling gemachtigd om de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 1 oktober 2019 tot 1 april 2020. Bij beschikking van 30 maart 2020 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 1 april 2020 tot 1 oktober 2020.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd van 1 oktober 2020 tot 1 oktober 2021, met behoud van de gecertificeerde instelling die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Tevens is de aan de gecertificeerde instelling verleende machtiging om de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 1 oktober 2020 tot 1 oktober 2021, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2

De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    primair: de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: uitsluitend voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft), inhoudende dat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt afgewezen en, opnieuw rechtdoende, dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor de duur van drie maanden na de uitspraak;

  • -

    subsidiair: de zaak aan te houden en een onderzoek ex artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten, waarbij een deskundige onderzoekt in hoeverre de moeder voldoet aan de voorwaarden zoals door de gecertificeerde instelling in productie 6 gesteld en, indien de moeder hier niet aan voldoet, welke hulpverlening er dan nog voor de moeder kan worden ingezet binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn;

dan wel een beslissing te nemen zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren en in het belang van de minderjarigen acht.

4.3

De gecertificeerde instelling verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Standpunten

5.1

De moeder stelt dat de kinderrechter het perspectief van de minderjarigen bij het pleeggezin heeft bepaald op basis van verouderde informatie. Niet is gebleken dat zij niet aan de door de gecertificeerde instelling gestelde bodemeisen voldoet. De moeder voert in dat verband aan dat zij zich openstelt voor hulpverlening en begeleiding en dat zij goed aansluit bij de minderjarigen. Zij heeft hard aan zichzelf gewerkt en het gaat beter met haar, hetgeen ook de betrokken hulpverlening ziet. De samenwerking met de gecertificeerde instelling verloopt daarentegen moeizaam. De moeder voelt zich niet gehoord. Zij heeft het gevoel dat de bodemeisen tegen haar worden gebruikt en dat de gecertificeerde instelling haar valse hoop heeft gegeven. Voorts stelt de moeder dat het starten van het traject NIKA, het opstellen van de bodemeisen door de gecertificeerde instelling en de uitbreiding van de omgang door de kinderrechter allemaal stappen zijn die zijn genomen met de intentie om de minderjarigen weer thuis te plaatsen. De aanvaardbare termijn is niet eerder aan de orde geweest en de moeder acht dit ook niet passend in de onderhavige procedure. Zij wil de kans krijgen om te laten zien dat zij de opvoeding van de minderjarigen op zich kan nemen. Een uithuisplaatsing zou een kortdurende maatregel moeten zijn en de gecertificeerde instelling moet dan ook blijven werken aan thuisplaatsing van de minderjarigen, aldus de moeder.

5.2

De gecertificeerde instelling voert aan dat de minderjarigen in hun eerste levensjaren in een onveilige situatie zijn opgegroeid, waarbij sprake was van huiselijk geweld en van verslavingsproblematiek bij de ouders. De kinderen kampen met hechtings- en traumaproblematiek en hebben een bovengemiddeld opvoedklimaat nodig. Zij zijn inmiddels gehecht aan de pleegouders. Zij komen in het pleeggezin tot rust en zij ontwikkelen zich leeftijdsadequaat. De kinderrechter heeft volgens de gecertificeerde instelling dan ook terecht geoordeeld dat de aanvaardbare termijn is verstreken. De minderjarigen hebben duidelijkheid nodig over hun verblijfplaats en hun perspectief. Voorts is ter zitting namens de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat de bodemeisen opgesteld moesten worden in het kader van de geschillenregeling. De gecertificeerde instelling heeft echter destijds al aangegeven dat de aanvaardbare termijn was verstreken en dat niet meer werd gewerkt aan thuisplaatsing van de minderjarigen. De gecertificeerde instelling betwist bovendien dat de moeder aan de bodemeisen voldoet. Hoewel het positief is dat zij inmiddels positieve stappen zet, was zij gedurende het eerste jaar van de uithuisplaatsing veelal onbereikbaar voor de gecertificeerde instelling. Zij zei vaak afspraken af, kwam de bezoekmomenten niet altijd na en viel terug in haar verslavingsgedrag. Ook op dit moment verloopt de samenwerking niet naar behoren. De gecertificeerde instelling begrijpt dat de moeder graag de kans wil krijgen om te laten zien dat zij de opvoeding van de minderjarigen op zich kan nemen, maar de minderjarigen zijn daar niet bij gebaat.

Oordeel hof

5.3

In artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. In artikel 1:265c lid 2 BW is bepaald dat de duur van de machtiging op verzoek van de gecertificeerde instelling kan worden verlengd.

5.4

Evenals de kinderrechter en op dezelfde gronden als de kinderrechter, die het hof overneemt en – na een eigen afweging - tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW en dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verlengd. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het hof sluit zich aan bij de overweging van de kinderrechter dat de moeder in de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet en dat de contactmomenten tussen de moeder en de minderjarigen goed verlopen. Dit is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de moeder op dit moment in staat is om de verzorging en opvoeding van de minderjarigen weer op zich te nemen. De moeder heeft nog niet het gehele nabehandelingstraject, waaronder de schematherapie, afgerond en de jongens hebben vanwege hun in de oorspronkelijke gezinssituatie opgelopen trauma een bovengemiddelde opvoeder nodig. De kinderrechter heeft - hoewel die ziet op gezagsbeëindiging - terecht geoordeeld dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarigen is verstreken en dat hun toekomstperspectief niet bij de ouders ligt. Doorslaggevend hierbij is met name de jonge leeftijd van de jongens, dat voor zeer jonge kinderen een aanvaardbare termijn van zes maanden geldt, dat zij al sinds april 2019 uit huis geplaatst zijn en zich goed ontwikkelen in het pleeggezin. Zij hebben rust nodig en moeten weten waar ze aan toe zijn en waar ze zullen opgroeien.

5.5

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen moet worden afgewezen. Daartoe overweegt het hof dat een deskundigenrapport niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van de kinderen zich daartegen verzet. Dit omdat gelet op de verstreken tijd het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt.

5.6

Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Wel betreurt het hof de feitelijke gang van zaken rondom de (verlenging van de machtiging tot) uithuisplaatsing van de minderjarigen. Daarover overweegt het hof als volgt. Al in het raadsrapport van 15 augustus 2019 heeft de raad aangegeven dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarigen slechts zes maanden bedraagt, mede gelet op hun jonge leeftijd. Daaropvolgend heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag in de beschikking van 30 maart 2020 (C/09/587915 / JE RK 20-291) een aantal vragen geformuleerd, welke vragen door de gecertificeerde instelling beantwoord moesten worden indien opnieuw een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zou worden ingediend. Voornoemde vragen waren gericht op de thuisplaatsing van de minderjarigen en de acties daaromtrent vanuit de gecertificeerde instelling, de hulpverlening van de ouders, de omgangsregeling, het al dan niet bestaan van een perspectief biedende oplossing en de mogelijkheden tot een netwerkplaatsing. Vervolgens is op 7 juli 2020 wederom een beschikking gegeven door de kinderrechter in de rechtbank Den Haag (C/09/594494 / JE RK 20-1367), ditmaal in het kader van de geschillenregeling van artikel 1:262b BW. In voornoemde beschikking heeft de kinderrechter, op verzoek van de moeder, overwogen dat de gecertificeerde instelling binnen twee weken bodemeisen diende op te stellen waaruit duidelijk zou blijken wat er van de moeder werd verwacht en waaraan zij moest voldoen voordat naar de mening van de gecertificeerde instelling een thuisplaatsing van de minderjarigen kon worden overwogen. Vervolgens heeft de gecertificeerde instelling op 3 augustus 2020 een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend bij de rechtbank, zijnde het verzoekschrift in eerste aanleg in de onderhavige procedure. In dit verzoekschrift is tevens antwoord gegeven op de vragen zoals deze zijn gesteld door de kinderrechter in zijn beschikking van 30 maart 2020, waarbij de gecertificeerde instelling heeft aangevoerd dat een thuisplaatsing niet aan de orde is, omdat de moeder (nog) niet voldoet aan de gestelde bodemeisen. In de bestreden beschikking – bijna twee maanden na de indiening van het verlengingsverzoek – heeft de kinderrechter vervolgens overwogen dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarigen is verstreken en dat hun perspectief niet bij de ouders ligt.

5.7

De gecertificeerde instelling heeft over de hiervoor vermelde gang van zaken verklaard dat het een en ander door elkaar is gelopen. Volgens de gecertificeerde instelling is dat het gevolg van het feit dat zij volgens de regels uit het betreffende procesreglement al drie maanden voorafgaand aan de afloop van een machtiging tot uithuisplaatsing om de verlenging van deze machtiging moet verzoeken. Voorts heeft de gecertificeerde instelling ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij ter zitting bij de kinderrechter op 7 juli 2020 al heeft aangegeven dat de aanvaardbare termijn was verstreken en dat thuisplaatsing van de minderjarigen niet meer aan de orde was. Desondanks heeft de kinderrechter bepaald dat de gecertificeerde instelling bodemeisen voor terugplaatsing diende op te stellen.

Het hof betreurt deze gang van zaken, nu op dat moment blijkbaar al evident was dat een terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Het hof voegt daaraan toe dat de onmogelijkheid om de minderjarigen terug te plaatsen niet zozeer was gelegen in de omstandigheid dat de moeder (nog) niet aan de bodemeisen voldeed, maar in de omstandigheid dat de minderjarigen inmiddels zodanig aan de pleegouders waren gehecht dat de aanvaardbare termijn voor hen was verstreken. Door van de gecertificeerde instelling te vergen dat zij bodemeisen zou opstellen, zonder zich daarbij uit te laten over de vraag of de aanvaardbare termijn voor de minderjarigen niet reeds was verstreken, heeft de kinderrechter met zijn beschikking van 7 juli 2020 onterechte verwachtingen gewekt bij de moeder. Daar komt bij dat de wijze waarop de gecertificeerde instelling de bodemeisen heeft geformuleerd en toegelicht eveneens maakt dat de moeder ten onrechte hoop is gegeven dat zij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op enig moment weer op zich zou kunnen nemen. Zo staat onderaan de opsomming van de bodemeisen genoemd dat de gecertificeerde instelling met de moeder kan onderzoeken hoe een thuisplaatsing van de minderjarigen kan worden vormgegeven, zodra zij aantoonbaar aan de geformuleerde bodemeisen voldoet. Hoewel de gecertificeerde instelling zich door de kinderrechter wellicht gedwongen heeft gevoeld om de bodemeisen op te stellen op grond van diens voornoemde beslissing, is het naar het oordeel van het hof de vraag of zij hieraan goed heeft gedaan. Het voorgaande brengt weliswaar geen verandering in de beslissing van het hof over de vervulling van de vereisten in artikel 1:265b lid 1 BW, maar dat neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat de moeder tekort is gedaan.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 29 september 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.M. Braun, A.A.F. Donders en D.H. Steenmetser-Bakker, bijgestaan door mr. L.A.J. Brouwer als griffier, en is op 17 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.