Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:481

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
200.284.703/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:14017, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

uitlevering naar de VS; schending van recht op familieleven; art 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.284.703/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/594036 / KG ZA 20-507

arrest van 23 maart 2021

inzake

1 [appellant] ,

verblijvende in de penitentiaire inrichting te [plaats] ,

hierna te noemen: [appellant] ,

in dit geding optredend voor zich en als de wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochter

2 [appellante] ,

wonende te [woonplaats] , Iran ,

hierna te noemen: [appellante] ,

appellanten,

hierna tezamen ook te noemen: [appellant] c.s.,

advocaat: mr. T. de Boer te Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij appeldagvaarding van 19 oktober 2020 hebben [appellant] c.s. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 22 september 2020, gewezen tussen partijen. Het hoger beroep is behandeld als spoedappel overeenkomstig art. 9.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. In de appeldagvaarding (met producties) hebben [appellant] c.s. hun eis gewijzigd en zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De Staat heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en zich over de eiswijziging uitgelaten. [appellant] c.s. hebben vervolgens bij akte nog verdere producties in het geding gebracht. Op 18 februari 2021 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten door hun advocaten, [appellant] c.s. mede door mr. T. Buruma, advocaat te Amsterdam, telkens aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Korte samenvatting van deze uitspraak

1.1

[appellant] is een Iraanse zakenman die in Nederland is aangehouden omdat de Verenigde Staten van Amerika (VS) om zijn uitlevering hebben gevraagd. [appellant] wordt ervan verdacht betrokken te zijn bij de uitvoer van apparatuur naar Iran in strijd met de sanctieregelingen die de VS ten aanzien van Iran hebben uitgevaardigd.

1.2

De rechtbank Rotterdam heeft beslist dat bepaalde feiten waarvan de VS [appellant] verdenken ook in Nederland strafbaar zijn gesteld. De rechtbank heeft de uitlevering van [appellant] naar de VS voor die feiten toelaatbaar verklaard. De minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) heeft vervolgens besloten [appellant] uit te leveren. [appellant] en zijn minderjarige dochter [appellante] komen in dit kort geding tegen dit besluit op en vorderen dat de rechter de uitlevering van [appellant] verbiedt.

1.3

Het hof stelt vast dat als [appellant] naar de VS wordt uitgeleverd, hij vanuit de gevangenis waar hij zal worden gedetineerd maar een uiterst beperkt contact met [appellante] zal kunnen onderhouden. Bezoek in de Amerikaanse penitentiaire inrichting door personen met de Iraanse nationaliteit, dan wel telefonisch contact of beeldbellen vanuit de inrichting met personen in Iran, zal niet mogelijk zijn. In de praktijk zal [appellant] alleen contact met [appellante] kunnen onderhouden door middel van (door de Amerikaanse autoriteiten gecensureerde) brieven. Het hof acht dit in strijd met art. 8 EVRM, dat het recht op gezinsleven beschermt. Het hof beslist dan ook dat [appellant] niet mag worden uitgeleverd en verbiedt de Staat daartoe over te gaan.

2. Feiten en achtergronden van deze zaak

2.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2

[appellant] , een zakenman met de Iraanse nationaliteit, is de vader van de op [datum] 2017 geboren [appellante] . [appellante] en haar moeder, echtgenote van [appellant] , wonen in Iran .

2.3

In september 2018 is [appellant] in Nederland aangehouden op grond van een door de VS uitgevaardigd aanhoudingsbevel. Bij diplomatieke nota van 13 november 2018 hebben de VS om de uitlevering van [appellant] verzocht. [appellant] wordt er door de Amerikaanse autoriteiten van verdacht betrokken te zijn geweest bij de uitvoer naar Iran van Amerikaanse goederen die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben (zogenoemde ‘dual use’-goederen).

2.4

Bij uitspraak van 5 juli 2019 heeft de rechtbank Rotterdam als uitleveringsrechter de uitlevering toelaatbaar verklaard ten aanzien van (gedeelten van) twee van de dertien feiten waarvan de Amerikaanse autoriteiten [appellant] verdenken. Ten aanzien van de overige feiten is volgens de rechtbank niet voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid. De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 april 2020 het door [appellant] tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen.

2.5

De minister heeft bij beschikking van 26 mei 2020 de uitlevering van [appellant] toegestaan.

2.6

In dit kort geding vorderen [appellant] c.s., voor zover in hoger beroep nog van belang, dat de Staat wordt verboden [appellant] aan de VS uit te leveren, althans om hem uit te leveren zolang de Amerikaanse autoriteiten niet bepaalde garanties hebben verstrekt ten aanzien van zijn behandeling in de VS. [appellant] c.s. hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd, eveneens voor zover in hoger beroep nog van belang, een dreigende (flagrante) schending van art. 10 lid 1 Uitleveringswet (Uw), art. 3, 6 en 8 EVRM, art. 3, 9 en 10 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), het proportionaliteitsbeginsel en art. 10 lid 2 Uw. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] c.s. afgewezen op gronden die waar nodig hierna aan de orde zullen komen.

3. De grieven

3.1

Het hof zal eerst grief 5 behandelen, waarin [appellant] c.s. opkomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat art. 8 EVRM en de art. 3, 9 en 10 IVRK niet aan uitlevering in de weg staan. De voorzieningenrechter overwoog in dit verband het volgende. De uitlevering van [appellant] leidt weliswaar tot een inbreuk op zijn recht op familieleven, maar deze inbreuk is toelaatbaar omdat de Staat er een gerechtvaardigd belang bij heeft zijn verplichtingen uit het met de VS gesloten uitleveringsverdrag na te komen en dit belang zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij uitoefening van het door art. 8 EVRM beschermde recht op familieleven. Voor [appellant] zal het mogelijk zijn om briefverkeer met zijn familie in Iran te onderhouden. [appellante] zal door de uitlevering niet het gezinsverband met haar moeder verliezen. De stelling van [appellant] dat [appellante] ’s moeder psychisch niet in staat zal zijn de zorg voor [appellante] te dragen acht de voorzieningenrechter weinig geloofwaardig, nu de moeder wel in staat is gebleken [appellant] in Nederland samen met [appellante] te bezoeken. De omstandigheid dat [appellant] tijdens zijn detentie in de VS mogelijk niet kan voorzien in vervangende toestemming voor tal van aangelegenheden met betrekking tot [appellante] , acht de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan uitlevering moet worden geweigerd, mede in aanmerking genomen dat [appellant] voorafgaand aan zijn uitlevering een mannelijk familielid tot het nemen van beslissingen aangaande [appellante] zal kunnen machtigen.

3.2

[appellant] c.s. voeren in de eerste plaats aan dat het nakomen van verplichtingen uit hoofde van een verdrag niet één van de in art. 8 lid 2 EVRM genoemde legitieme doelstellingen voor het maken van uitzonderingen op het recht op respect voor het gezinsleven betreft. Dit betoog faalt. Nakoming van de verplichtingen uit het door Nederland met de VS gesloten uitleveringsverdrag is noodzakelijk in het belang van het voorkomen van strafbare feiten, een van de in art. 8 lid 2 EVRM genoemde uitzonderingen. Het belang van een staat die partij is bij een uitleveringsverdrag om zijn verplichtingen uit dat verdrag na te komen, wordt ook door het EHRM als een belang beschouwd dat een rol speelt bij het beantwoorden van de vraag of uitlevering een inbreuk op art. 8 EVRM rechtvaardigt (EHRM 26 januari 2010, no. 9742/07 inzake King t. het Verenigd Koninkrijk).

3.3

[appellant] c.s. stellen zich voorts op het standpunt dat zelfs indien briefcontact mogelijk zou zijn, hetgeen zij betwisten, het totale gebrek aan telefonisch en persoonlijk contact op zichzelf al een zodanig vergaande inbreuk op art. 8 EVRM oplevert, dat de uitlevering geweigerd dient te worden. De Staat bestrijdt dat het ontbreken van telefonisch en persoonlijk contact een zodanig uitzonderlijke omstandigheid is als waarop het EHRM in zijn uitspraak (King t. het Verenigd Koninkrijk, hiervoor geciteerd) ziet. Volgens de Staat wordt de inbreuk op het gezinsleven in hoofdzaak veroorzaakt door de detentie van [appellant] , onverschillig of deze in Nederland of de VS wordt ondergaan. De belemmeringen voor het gezinsleven die specifiek samenhangen met de Iraanse nationaliteit van [appellant] zijn minder ernstig dan de detentie en rechtvaardigen geen verbod van de uitlevering, aldus de Staat.

3.4

Het hof overweegt als volgt. Het hof zal er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat het op zichzelf mogelijk zal zijn dat [appellant] na zijn uitlevering brieven zal kunnen sturen aan en zal kunnen ontvangen van personen in Iran, waaronder [appellante] . Vast staat wel dat brieven over en weer door de Amerikaanse autoriteiten op inhoud zullen worden gecontroleerd en dat de brieven daartoe eerst vanuit het Iraans zullen moeten worden vertaald, hetgeen de nodige vertraging in het briefverkeer zal veroorzaken. Verder was tussen partijen tot aan het pleidooi in hoger beroep niet in geschil dat [appellant] in de VS geen bezoek van [appellante] en haar moeder zou kunnen ontvangen en dat evenmin telefonisch contact of beeldbellen met hen mogelijk zou zijn, dit alles vanwege de gespannen verhoudingen tussen de VS en Iran en de in verband daarmee door de VS getroffen maatregelen. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de Staat opgeworpen dat ‘onzeker’ is of het gezin van [appellant] hem in de toekomst in Amerikaanse detentie zal kunnen bezoeken en of in de toekomst vanuit Amerikaanse detentie weer telefoonverkeer met Iran mogelijk zal zijn, zulks kennelijk in verband met de verkiezing van president Biden in november 2020. Het hof leidt hieruit af dat bezoek of telefonisch verkeer met of vanuit Iran op dit moment in ieder geval nog niet een reële mogelijkheid is en dat onzeker is of dat in de toekomst zal veranderen. Ter zitting heeft de advocaat van de Staat nader verklaard dat voor de minister geen aanleiding bestond om aan de autoriteiten in de VS garanties over bezoek of telefonisch contact te vragen, omdat naar het oordeel van de minister reeds de mogelijkheid van briefcontact voldoende is om te voldoen aan de eisen van art. 8 lid 2 EVRM. Het voorgaande betekent dat het hof er in dit geding vanuit moet gaan dat bezoek of telefonisch verkeer met of vanuit Iran niet mogelijk is en dat uitsluitend (gecensureerd en vertraagd) contact per brief mogelijk zal zijn.

3.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de uitlevering van [appellant] naar de VS inbreuk zal maken op het gezinsleven van [appellant] met zijn dochter [appellante] . De vraag die het hof moet beantwoorden is of die inbreuk gerechtvaardigd wordt door het belang (het voorkomen van strafbare feiten) dat met de uitlevering wordt gediend. Daarvoor is beslissend of de inbreuk op het gezinsleven proportioneel is. Het EHRM heeft in zijn uitspraak inzake King t. het Verenigd Koninkrijk (zie hiervoor nr. 3.2) hierover het volgende overwogen (§ 29):

“Mindful of the importance of extradition arrangements between States in the fight against

crime (and in particular crime with an international or cross-border dimension), the Court considers that it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition (see Launder v. the United Kingdom, no. 27279/95, Commission decision of

8 December 1997).”

In die zaak achtte het EHRM de uitlevering van een persoon met de Britse nationaliteit ( King ) naar Australië proportioneel. Weliswaar zou de lange afstand tussen het Verenigd Koninkrijk en Australië betekenen dat het gezin en de moeder van King na diens uitlevering slechts beperkt contact met hem zouden kunnen onderhouden, maar gelet op de ernst van de feiten waarvan King werd verdacht en het belang van het Verenigd Koninkrijk bij het nakomen van zijn verplichtingen jegens Australië achtte het EHRM uitlevering niet disproportioneel.

3.6

Het hof is van oordeel dat uitlevering van [appellant] in dit geval wel disproportioneel zou zijn. Anders dan in het geval van King moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] na uitlevering in het geheel geen bezoek van [appellante] (of haar moeder) zal kunnen ontvangen. Ook moet ervan worden uitgegaan dat telefonisch contact of beeldbellen met [appellante] vanuit een Amerikaanse gevangenis onmogelijk zal zijn. Dit betekent dat, mogelijk gedurende meerdere jaren, alleen correspondentie (gecensureerd en met vertraging) mogelijk zal zijn, hetgeen het hof onvoldoende acht om nog te kunnen spreken van een enigszins betekenisvol gezinsleven tussen [appellant] en [appellante] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellante] thans drie jaar oud is en dat briefcontact met een kind van die leeftijd niet meer dan een uiterst beperkte betekenis kan hebben. In zoverre verschilt de positie van [appellant] dan ook wezenlijk van die van King in de hiervoor aangehaalde uitspraak van het EHRM. In het geval van [appellant] zijn ‘exceptional circumstances’ als bedoeld in die uitspraak aanwezig.

3.7

Het is ook niet zo dat de beperkingen die [appellant] na uitlevering zal ondervinden in de uitoefening van zijn gezinsleven met [appellante] inherent zijn aan uitlevering naar een ander land dan zijn land van herkomst. De uiterst beperkte mogelijkheden voor contact zijn immers niet het gevolg van de uitlevering naar een ander land, maar van het feit dat uitlevering zou plaatsvinden naar de VS terwijl [appellant] de Iraanse nationaliteit bezit en [appellante] in Iran woont. Anders dan de Staat aanvoert kan ook niet worden gezegd dat de belemmeringen voor het gezinsleven die specifiek samenhangen met de Iraanse nationaliteit van [appellant] minder ernstig zijn dan de gevolgen die detentie onvermijdelijk met zich brengt. Juist die Iraanse nationaliteit in combinatie met detentie in de VS heeft tot gevolg dat vrijwel ieder contact met [appellante] onmogelijk zal zijn, terwijl dergelijk contact bij detentie van [appellant] in vrijwel elk ander land, zij het met de aan detentie inherente beperkingen, wel mogelijk zou zijn.

3.8

De ernst van de feiten waarvan [appellant] wordt verdacht en waarvoor de uitlevering is toegestaan geven geen aanleiding te oordelen dat de inbreuk op art. 8 EVRM wel proportioneel zou zijn. Volgens de Staat kunnen deze feiten worden gekwalificeerd als deelneming aan een criminele organisatie met onder meer als doel overtreding van de Sanctieregeling Iran 2012, valsheid in geschrifte en poging tot overtreding van de Sanctieregeling Iran 2012. Deze feiten, hoewel ernstig, zijn niet van zodanig gewicht dat de proportionaliteitstoets hierdoor alsnog in het nadeel van [appellant] zou moeten uitvallen.

3.9

Het voorgaande betekent dat grief 5 slaagt. De uitlevering van [appellant] aan de VS zal worden verboden omdat de daardoor veroorzaakte inbreuk op het gezinsleven van [appellant] en [appellante] disproportioneel en dus in strijd met art. 8 EVRM zou zijn. Bij deze stand van zaken hoeven de overige grieven niet te worden behandeld.

4. Conclusie

4.1

Nu grief 5 slaagt zal de primaire vordering van [appellant] c.s. worden toegewezen. De uitlevering van [appellant] aan de VS zal worden verboden.

4.2

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan hoger beroep, en opnieuw rechtdoende:

- verbiedt de Staat [appellant] aan de VS uit te leveren;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van [appellant] c.s. in eerste aanleg begroot op (€ 304,-- aan griffierecht en € 100,89 aan dagvaardingskosten =) € 404,89 en € 980,-- voor salaris van de advocaat, en in hoger beroep tot op heden op (€ 332,-- aan griffierecht en € 100,89 aan dagvaardingskosten =) € 432,89 en € 3.342,-- aan salaris van de advocaat en op € 163,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag van voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, H.J.M. Burg en J. H. Gerards, en ondertekend en op 23 maart 2021 in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.