Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:422

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
200.280.333/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof bekrachtigt vonnis waarbij maatregel van school tot verwijdering leerling van opleiding en toegangsverbod t.a.v. een van de schoollocaties niet als een toerekenbare tekortkoming m.b.t. onderwijsovereenkomst/onrechtmatige daad is aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

afdeling civiel recht

zaaknummer: 200.280.333/01

zaaknummer rechtbank Rotterdam: 8143140 CV EXPL 19-47463

arrest van 30 maart 2021 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R. Verspaandonk te Den Haag,

tegen

STICHTING VOOR EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS ZADKINE,

mede handelende onder de naam Regionaal Opleidingen Centrum ROC Zadkine,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P. van der Mersch te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Zadkine genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 26 juni 2020 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2020, gewezen tussen hem als eiser en Zadkine als gedaagde. De appeldagvaarding, waaraan producties zijn gehecht, bevat de (acht) grieven.

Zadkine heeft vervolgens een memorie van antwoord genomen.

Partijen hebben ter zitting van 19 februari 2021 hun standpunten laten toelichten door hun advocaten aan de hand van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] heeft op 6 juni 2018 met Zadkine een onderwijsovereenkomst gesloten voor het volgen van de opleiding “Financieel administratieve beroepen”, te volgen op de locatie van Zadkine aan het Benthemplein 15 te Rotterdam. Op deze overeenkomst zijn zowel Algemene voorwaarden als een Studentenstatuut van toepassing.

Zadkine heeft [appellant] een “Aanvulling op de Onderwijsovereenkomst 2018-2019” (hierna: houdingscontract), gedateerd 9 november 2018, voorgelegd. [appellant] heeft het houdingscontract niet willen ondertekenen. In het houdingscontract is onder meer het volgende vermeld:

“Elke vorm van ongeoorloofd verzuim gedurende de rest van het opleidingstraject is ontoelaatbaar en kan leiden tot definitieve verwijdering van de opleiding. Noodzakelijk verzuim dient vooraf gedocumenteerd te worden aangevraagd.

De student gedraagt zich volgens de door Zadkine vastgestelde voorschriften en volgt aanwijzingen en instructies van docenten of onderwijsondersteunend personeel stipt op. In het bijzonder onthoudt de student zich van gedrag dat verstoring van alle onderwijsactiviteiten tot gevolg heeft. Indien de student vanaf heden met enige regelmaat storend en onaanvaardbaar gedrag vertoont kan dat leiden tot verwijdering van de opleiding.”

Een brief van Zadkine aan [appellant] van 8 januari 2019 houdt onder meer het volgende in:

Betreft: Beëindiging onderwijsovereenkomst

Beste [appellant],

Jij staat bij Zadkine ingeschreven voor de opleiding Financiele beroepen op het Benthemplein 15 te Rotterdam (…) Tot mijn grote teleurstelling heb jij je niet gehouden aan de voorwaarden van de onderwijsovereenkomst Er is sprake van ongeoorloofd verzuim en er zijn meerdere klachten over je gedrag in de klas Ik kan niet anders concluderen dat jij ongeschikt bent voor de opleiding.

Voornemen beëindiging onderwijsovereenkomst

Daarom heb ik het voornemen om jouw onderwijsovereenkomst te beeindigen Daarover kun jij nog een gesprek met mij voeren Tijdens dat gesprek kun jij nog eenmaal toelichten waarom jij niet in staat bent om eerder gemaakte afspraken na te komen

Uitnodiging gesprek

Hierbij nodig ik je uit voor dat gesprek

(…)”

Bij brief van 15 januari 2019 heeft de opleidingsmanager van Zadkine het volgende geschreven aan [appellant] :

Betreft: beeindiging onderwijsovereenkomst

Beste [appellant],

Naar aanleiding van ons gesprek van hedenochtend deel ik je mede dat ik dit gesprek als bijzonder onaangenaam heb ervaren Ik vond dat je intimiderend gedrag vertoonde en acht dit volkomen onaanvaardbaar binnen onze opleidingen

Daarom deel ik je mede dat je met ingang van 16 januari 2019 a s wordt uitgeschreven als deelnemer van de opleiding Financiele beroepen op het Benthemplein 15 te Rotterdam Je wordt vanaf dit moment niet meer toegelaten tot de lessen en/of het schoolgebouw Ik wens je heel veel succes toe met je verdere loopbaan”

3 Beoordeling

3.1.

In dit geding vordert [appellant] een verklaring voor recht

primair dat Zadkine toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen die voortkomen uit de tussen partijen tot stand gekomen onderwijsovereenkomst en dat Zadkine onrechtmatig handelt door te weigeren de aanmelding voor een andere opleiding op locatie Benthemplein in behandeling te nemen en hem de toegang tot de gebouwen te ontzeggen,

subsidiair dat Zadkine onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en dat Zadkine onrechtmatig handelt door te weigeren de aanmelding voor een andere opleiding op locatie Benthemplein in behandeling te nemen en hem de toegang tot de gebouwen te ontzeggen.

Daarnaast vordert [appellant] veroordeling van Zadkine, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van primair € 17.175,- netto aan schadevergoeding ter compensatie van de door [appellant] geleden vertragingsschade/inkomensderving (subsidiair: € 8.587,50 netto, meer subsidiair: een in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding) alsmede terugbetaling van het lesgeld, althans een schadevergoeding gelijk aan de hoogte van het lesgeld, ten bedrage van € 1.155,- netto.

3.2.

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op in hoger beroep. Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.

3.4.

De kantonrechter heeft overwogen dat uitgegaan moet worden van de juistheid van hetgeen Zadkine heeft gesteld over het gedrag van [appellant] omdat [appellant] de door Zadkine genoemde gang van zaken niet of nauwelijks heeft betwist. Voor de door Zadkine bij conclusie van antwoord gegeven gedetailleerde uiteenzetting omtrent het gedrag van [appellant] verwijst het hof naar het vonnis onder 3.2. Deze uiteenzetting komt erop neer

( i) dat [appellant] op verschillende data in oktober en (eerste helft) november 2018 uit de klas is verwijderd (driemaal) en ongeoorloofd heeft verzuimd (tweemaal),

(ii) dat [appellant] door zijn studieloopbaanbegeleidster op 6 november 2018 per WhatsApp is aangesproken op zijn gedrag tijdens een toets,

(iii) dat [appellant] op 7 november 2018 door zijn studieloopbaanbegeleidster is bericht dat op 13 november 2018 een gesprek zou plaatsvinden en dat hem ter ondertekening een houdingscontract zou worden voorgelegd en dat [appellant] hiertegen per WhatsApp heeft geprotesteerd,

(iv) dat [appellant] tijdens dat gesprek op 13 november niet open stond voor kritiek op zijn gedrag en weigerde het houdingscontract te ondertekenen,

( v) dat van een fundamentele gedragsverandering geen sprake bleek, dat hij soms provocerend en intimiderend gedrag vertoonde en dat [appellant] op verschillende data in (tweede helft) november en december 2018 ongeoorloofd heeft verzuimd, uit de les is gestuurd (driemaal), waarbij hij eenmaal geweigerd heeft het lokaal te verlaten nadat hij uit de les was gestuurd, brutaal gedrag vertoonde, ongeoorloofd bezig was met laptop, telefoon en aanwijzingen weigerde,

(vi) dat [appellant] op 6 december 2018 door zijn studiebegeleidster per WhatsApp is bericht dat hij nog één waarschuwing kreeg en dat zij anders contact zou opnemen met zijn moeder en er een vervolggesprek zou komen met de opleidingsmanager,

(vii) dat dit vervolggesprek heeft plaatsgehad op 19 december 2018, dat de opleidingsmanager [appellant] erop heeft gewezen dat zijn gedrag zou leiden tot uitschrijving en dat [appellant] persisteerde in zijn ontkennende houding,

(viii) dat [appellant] op 8 januari 2019 te laat kwam, zich niet aanspreekbaar toonde, weigerde opdrachten uit te voeren en bezig bleef op zijn telefoon,

(ix) dat [appellant] zich tijdens het gesprek op 15 januari 2019 agressief opstelde tegenover de opleidingsmanager en geen enkel respect toonde en dat [appellant] na de mededeling dat de onderwijsovereenkomst zou worden beëindigd dreigend vlak tegenover de opleidingsmanager is gaan staan (neus tegen neus) en meedeelde op een als intimiderend/bedreigend ervaren toon dat hij zéker niet uitgeschreven zou worden.

3.5.

Bij inleidende dagvaarding onder 26 heeft [appellant] opgemerkt dat hij zich slechts gedeeltelijk in enkele gedragingen herkent, dat uit het feit dat hij nimmer een officiële schriftelijke waarschuwing heeft gehad of is geschorst, blijkt dat de ernst van die gedragingen onvoldoende is en dat dit hem sterkt in zijn gevoel dat die gedragingen achteraf zijn aangehaald om de verwijdering mee te onderbouwen. In grief III heeft [appellant] naar voren gebracht dat hij zich wel degelijk fatsoenlijk heeft gedragen en onderkent hij dat op zijn gedrag een aantal malen iets aan te merken viel “doch niet dat dit van een dusdanige omvang was dat ingrijpen in die zin als gedaan door Zadkine gerechtvaardigd was”. Hij heeft voorts opgemerkt dat hij slechts eenmaal uit de les is gezet en dat zijn gedrag kennelijk niet van dien aard was dat hij meermaals uit de les verwijderd diende te worden. [appellant] heeft verwezen naar de inleidende dagvaarding onder 26, waaraan hij heeft toegevoegd dat de kantonrechter de door Zadkine genoemde gedragingen niet heeft nagelopen. Verder heeft hij aangevoerd dat hij na de kerstvakantie geen kans op verbetering heeft gekregen, terwijl op 18 december 2018 nog was aangegeven dat een verbetering zichtbaar was. [appellant] is een flink aantal maal geoorloofd afwezig geweest en in ieder geval was zijn afwezigheid niet van dien aard dat hierop diende te worden gesanctioneerd (op 18 december 2018 was nog geschreven aan de opleidingsmanager “Hij staat boven de 86% aanwezig”), aldus [appellant] .

3.6.

Ook het hof komt tot het oordeel dat [appellant] met zijn verweer zoals hiervoor weergegeven, de door Zadkine beschreven gang van zaken (de gedragingen van [appellant] en de reacties daarop van de zijde van Zadkine), ondersteund met een door Zadkine als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde uitdraai van de verzuimregistratie over de maanden september t/m december 2018 en de hiervoor geciteerde stukken (houdingscontract en brieven van 8 en 15 januari 2019), niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het hof kan er begrip voor opbrengen dat [appellant] in zijn positie van eerstejaars leerling van Zadkine en op zijn leeftijd (hij is geboren op [datum] 2000) niet goed in staat is een gedocumenteerd overzicht te verstrekken ter betwisting van de vele tamelijk gedetailleerd door Zadkine beschreven verwijten. Ook rekening houdend met de beperkte eisen die gesteld kunnen worden aan de motivering van de betwisting van de door Zadkine gestelde gang van zaken - het hof zal tot uitgangspunt nemen dat de stelplicht en bewijslast rusten op Zadkine -, moet echter worden geoordeeld dat deze betwisting niet aan deze beperkte eisen voldoet. [appellant] erkent “enkele gedragingen” en onderkent “dat op zijn gedrag een aantal malen iets aan te merken viel”. Om welke gedragingen het gaat, laat hij echter in het midden. Evenmin licht [appellant] toe in welk opzicht en om welke reden de ernst van de hem gemaakte verwijten moet worden gerelativeerd. Ook bij de tegenwerping van [appellant] dat hij slechts eenmaal uit de les is gezet, ontbreekt elke toelichting. De opmerkingen van [appellant] over het ongeoorloofd verzuim kan het hof niet aanmerken als een serieuze betwisting, waar [appellant] zich beroept op een weinig indrukwekkend aanwezigheidspercentage. [appellant] is niet naar behoren ingegaan op de herhaalde uitlatingen van de zijde van Zadkine per WhatsApp en brief en, ten slotte, in het geheel niet op het verwijt van intimiderend gedrag tegenover de opleidingsmanager op 15 januari 2019. Het hof heeft [appellant] ter zitting nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld te reageren op feitelijke stellingen van Zadkine. Hij heeft ter zitting gezegd dat het niet waar is dat hij vaker is weggestuurd uit de klas, dat hij in het begin van het schooljaar nog geen boeken had, dat hij het houdingscontract niet heeft getekend “omdat ik het niet gedaan had”, dat hij zich niet kan herinneren dat hij een WhatsApp heeft gekregen, dat het niet klopt dat hij op 8 januari 2019 “geklierd” had, dat hij de verwijten die hij hoorde op 19 december 2018 niet eerder had gehoord en dat de opleidingsmanager op 15 januari 2019 dingen zei die niet klopten en dat hij, [appellant] , hem niet had bedreigd. Het hof acht deze verklaring van [appellant] niet wezenlijk anders en in elk geval niet zodanig dat kan worden aangenomen dat zijn betwisting alsnog behoorlijk uit de verf is gekomen. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de door Zadkine gedetailleerd gestelde feitelijkheden betreffende het gedrag van [appellant] op school.

3.7.

Beoordeeld moet vervolgens worden of Zadkine met de jegens [appellant] getroffen maatregel wegens de aldus tot uitgangspunt te nemen gedragingen van [appellant] heeft gehandeld volgens de daarvoor geldende regels. Zadkine heeft aangevoerd dat die maatregel niet is geweest blijvende verwijdering van de instelling, zoals geregeld in artikel 27 van het Studentenstatuut, maar een minder zware maatregel, te weten verwijdering van de opleiding waarvoor [appellant] zich had ingeschreven in combinatie met een toegangsverbod ten aanzien van de locatie Benthemplein. Daarnaar ter zitting in hoger beroep gevraagd, is van de zijde van Zadkine bevestigd dat het Studentenstatuut deze (lichtere) maatregel niet kent, maar dat Zadkine natuurlijk bevoegd is een lichtere maatregel dan voorzien in artikel 27 te treffen. Zij heeft erkend dat die lichtere maatregel dan wel moet voldoen aan de eisen die zijn gesteld aan het opleggen van de maatregel van blijvende verwijdering van de instelling. Het hof zal de volgende bepalingen hanteren als beoordelingsmaatstaf. Het hof gaat voorbij aan het betoog van [appellant] bij pleidooi dat een ander beoordelingskader van toepassing is, reeds omdat dit betoog een nieuwe grief inhoudt waarvoor in dit stadium van het geding geen plaats meer is.

3.8.

De volgens Zadkine door [appellant] overtreden regels van het Studentenstatuut zijn de volgende:

“12.1 De student is verplicht het onderwijs te volgen. Dit houdt in dat de student aanwezig is tijdens alle theorielessen, praktijksimulaties, praktijkopdrachten, stages en tijdens lesuren waar zelfstandig en/of in groepen gewerkt wordt aan opdrachten.”

“16.1 Studenten en medewerkers gaan respectvol met elkaar om en hebben de plicht om samen te zorgen voor een prettig en veilig werk- en leerklimaat.”

“17.1 De student gedraagt zich fatsoenlijk. Wederzijds respect geldt daarbij altijd als uitgangspunt.”

3.9.

Artikel 27 luidt voor zover hier van belang als volgt:

“27.1 De directeur kan de student blijvend verwijderen van de instelling wanneer de student:

a. regelmatig de regels binnen de instelling overtreedt en er herhaaldelijk en aantoonbaar gewaarschuwd is;

(…)

27.3

Bij de verwijdering geldt de volgende procedure:

a. De teamleider of collegedirecteur meldt het voornemen tot verwijdering door middel van een aangetekende brief aan de student. De brief bevat de reden(-en) van de verwijdering, alsmede een uitnodiging voor een gesprek;

b. De student kan zich tijdens het gesprek laten bijstaan;

c. De teamleider of collegedirecteur neemt binnen vijf schooldagen na het gesprek een besluit en bevestigt dit besluit met een aangetekende brief aan de student;

d. De teamleider of collegedirecteur kan de student tijdens de procedure tot verwijdering de toegang tot de instelling ontzeggen.

(…)”

3.10.

Daarnaast is van belang artikel 11.6 van de Algemene voorwaarden:

“De student kan van de instelling worden verwijderd als hij het studentenstatuut van de instelling overtreedt, nadat hij een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen en daarbij is gewezen op de mogelijke consequenties van zijn handelen en/of nalaten of als hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig wangedrag.”

3.11.

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Zadkine bij het opleggen van de maatregel aan [appellant] volgens de daarvoor geldende regels heeft gehandeld.

3.12.

Uit de hiervoor besproken gedragingen van [appellant] volgt dat [appellant] regelmatig de binnen Zadkine geldende regels (de artikelen 12.1, 16.1 en 17.1 van het Studentenstatuut) heeft overtreden. Daarvoor is [appellant] herhaaldelijk en aantoonbaar gewaarschuwd (het hof verwijst naar het houdingscontract, de WhatsApp op 6 december 2018 en het gesprek op 19 december 2018). Het houdingscontract en de WhatsApp zijn aan te merken als een schriftelijke waarschuwing. Ook is [appellant] gewezen op de mogelijke consequenties van zijn gedrag. Dat is in elk geval schriftelijk gebeurd door middel van het houdingscontract. Ook tijdens het gesprek op 19 december 2018 is [appellant] gewezen op de mogelijke consequenties.

3.13.

Hetgeen [appellant] hiertegen ingebracht heeft, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het hof is van oordeel dat zowel de aard van de gedragingen van [appellant] als de frequentie daarvan zodanig zijn dat Zadkine de maatregel jegens hem heeft kunnen treffen. In het licht van de herhaalde en indringende waarschuwingen hoefde Zadkine niet eerst haar toevlucht te nemen tot bijvoorbeeld een maatregel of straf als schorsing of een formele maatregel als overplaatsing. Dat [appellant] na de kerstvakantie geen kans op verbetering heeft gekregen, is onjuist. Mogelijk bedoelt [appellant] dat hij na de kerstvakantie nogmaals een waarschuwing had moeten krijgen, maar daarvoor bestaat geen grond na de reeks waarschuwingen vóór de kerstvakantie. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te betogen dat slechts de in het Studentenstatuut onder G genoemde maatregelen en straffen kunnen gelden als waarschuwing, faalt dit betoog. Het Studentenstatuut biedt daarvoor geen aanknopingspunt, nog daargelaten dat artikel 22 als maatregel kent de verwijdering van de student van activiteiten en Zadkine deze maatregel heeft toegepast door [appellant] uit de les te sturen. Anders dan [appellant] verdedigt, kan zijn weigering het houdingscontract te ondertekenen geen afbreuk doen aan het karakter daarvan als schriftelijke waarschuwing. Met de stellingname dat het niet treffen van de maatregel van verwijdering van de instelling betekent dat het verweten gedrag niet zo ernstig is als door Zadkine gesteld, miskent [appellant] de aard, ernst en frequentie van zijn hiervóór besproken gedragingen. Ten slotte heeft Zadkine bij haar besluit mogen meewegen dat zij confrontatie van de betrokken medewerkers met [appellant] op de locatie Benthemplein, gelet ook op het soms provocerende en intimiderende gedrag van [appellant] , onwenselijk achtte.

3.14.

De omstandigheid dat de brief van 15 januari 2019 afkomstig is van de opleidingsmanager terwijl in artikel 27.1 van het Studentenstatuut is bepaald dat de directeur de student blijvend kan verwijderen van de instelling, acht ook het hof niet van belang. De directeur (de voorzitter van het College van Bestuur) heeft immers bij brief van 17 april 2019 aan [appellant] het advies van de Beroepscommissie van 17 april 2019 overgenomen, welk advies onder meer inhoudt dat de beslissing om [appellant] te verwijderen terecht is genomen. Daarmee heeft de directeur deze beslissing tot de zijne gemaakt.

3.15.

Het voorgaande komt erop neer dat het treffen door Zadkine van de onderhavige maatregel jegens [appellant] niet een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit de onderwijsovereenkomst vormt of onrechtmatig is. Evenmin is onrechtmatig de weigering van Zadkine [appellant] toe te laten tot de locatie Benthemplein. Aan beoordeling van de omvang van de door [appellant] gestelde schade komt het hof niet toe. Hetzelfde geldt voor de vordering tot (terug)betaling van het (bedrag van het) lesgeld, waarbij het hof nog opmerkt dat volgens de eigen stelling van [appellant] bij pleidooi voor deze laatste vordering geen grond bestaat indien de maatregel van Zadkine geen toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad oplevert. Op het voorgaande stuiten de grieven af. Bij verdere afzonderlijke bespreking van de grieven bestaat onvoldoende belang.

3.16.

Bij deze stand van zaken zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van Zadkine tot aan deze uitspraak op € 2.071,- wegens verschotten en € 3.342,- wegens salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, R.J.F. Thiessen en A.J. Swelheim en is door de rolraadsheer uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2021 in aanwezigheid van de griffier.