Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:390

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
200.275.932/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:10266, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ernstig verwijtbaar handelen werkgever door ramkoers met onterechte negatieve beoordeling, 5 x onterechte loonstop en inschakelen klachtwaardig handelend bedrijfsarts. Billijke vergoeding, transitievergoeding, kosten deskundige en advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.275.932/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : 7930286/ VZ VERZ 19-15646

beschikking van 2 maart 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal beroep,

verweerder in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. G.M.S. Koot te Den Haag,

tegen

Teqoia Engineering and Construction Services B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in het principaal beroep,

verzoekster in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: Teqoia,

advocaat: mr. L. van de Vrugt te Amsterdam.

Het geding

1. Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 19 maart 2020, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 24 december 2019. Teqoia heeft een verweerschrift tevens incidenteel appel, met producties, ingediend. Op 13 november 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben doen bepleiten. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep


2. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. Ten aanzien van de feiten heeft Teqoia om aanpassing gevraagd in die zin dat zij stelt dat het initiatief voor de beëindiging van het slapend dienstverband bij [verzoeker] lag (onder 2.9 van de bestreden beschikking). [verzoeker] heeft dit niet bestreden zodat het hof dit (onder 2.10) heeft aangepast. Het hof stelt ook zelf feiten vast voor zover die niet in het geschil zijn en voor de beoordeling in hoger beroep relevant zijn. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

Teqoia houdt zich bezig met detachering van personeel in een aantal branches, te weten olie, gas, petrochemie, bouw & civiel, machinebouw, maritiem & offshore, installatietechniek, IT en chemie en voeding en farma.

2.2

[verzoeker] , geboren op [datum] 1962, is op 6 maart 1989 bij een rechtsvoorgangster van Teqoia in dienst getreden en is sindsdien bij verschillende opdrachtgevers van Teqoia gedetacheerd geweest. Laatstelijk was hij werkzaam in functie van [functienaam] tegen een loon van € 6.932,00 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag, exclusief 11,54% reservering vakantiedagen en emolumenten.

2.3

Op 2 december 2009 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld, onder meer vanwege psychische klachten. Nadien is tussen partijen discussie ontstaan over onder meer de vraag of [verzoeker] al dan niet arbeidsongeschikt was. Tussen partijen heeft mediation plaatsgevonden, die succesvol is afgerond en waarna [verzoeker] zich eind 2010 beter meldde.

2.4

Van 28 maart 2011 tot 17 juni 2016 is [verzoeker] gedetacheerd geweest bij IV Oil & Gas. Deze detachering werd beëindigd vanwege het einde van de betreffende opdracht van IV Oil & Gas aan Teqoia. In de periode die hierop volgde heeft Teqoia [verzoeker] gevraagd om vanuit haar kantoor op zoek te gaan naar werk.

2.5

[verzoeker] is door regiodirecteur [regiodirecteur] (hierna: [regiodirecteur] ) van Teqoia uitgenodigd voor een POP-gesprek op 17 oktober 2016. In plaats van een POP-gesprek werd [verzoeker] geconfronteerd met een beoordeling van zijn functioneren. Zijn functioneren over de periode na 20 augustus 2016 werd door [regiodirecteur] als “onvoldoende” beoordeeld. In het beoordelingsverslag is onder meer het volgende opgenomen.

“4. Samenvattend oordeel

(…)

Ga gesprekken aan en vertel al je kennis en kunde en kom dan pas met het verhaal Isoper EN een bijpassende oplossing. Kwantiteit is erg laag. Elke dag meld je gezocht op Linkedin en je noemt één klant. Zoals meerdere keren aangegeven is dat erg weinig. Wees hierin veel actiever. Met jou jarenlange kennis in de engineering en dan met name de IT hoek is het op z’n minst opmerkelijk dat je aangeeft geen enkele kennis te hebben hoe te zoeken naar openstaande funkties op Google en hoe andere Multimedia werkt

5. Doelstellingen komende beoordelingstijdvak

(…)

1.Wees actiever met het zoeken naar een passende job. Bel met klanten of mogelijkheden die zich aanbieden in de markt. Bel 4 mogelijke funkties na per dag en solliciteer minimaal op 2 funkties per week.

2.Bel en solliciteer op minimaal 4 andere funkties per week. Dit kunnen funkties zijn die raakvlakken hebben of functies die je uit kunt voeren met jou huidige kennis en opleiding. Denk daarbij aan document control, brandwacht, industrieel reiniger, etc.

3.Vertrouw Isoper op al het goede. Plak geen lens af op je computer omdat je denkt dat wij dan mee kunnen kijken.

4.Sta open voor andere funkties en werk mee naar een oplossing die voor alle partijen positief zullen zijn”.

2.6

[verzoeker] heeft op deze (onderdelen van de) beoordeling als volgt gereageerd:

Samenvattend oordeel

4.1

Oneens, “Het verhaal Isoper” brengt de klant ter sprake.

Jouw stelling, dat ik zou hebben aangegeven geen enkele kennis te hebben hoe te zoeken naar openstaande functies op Google is bizar. Ik vindt het buitengewoon vervelend dat je mij steeds opnieuw tracht te kleineren.

Doelstelling komende beoordelingstijdvak

5.1

Ik ben actief aan het zoeken, als er 4 mogelijke functies zijn per dag bel ik ze zeker na.

5.2

Ik ben heel breed aan het zoeken, ik zoek op alles wat enigszins raakvlak heeft. Brandwacht en industrieel reiniger is niet in redelijkheid te verlangen.

5.3 “

Vertrouw Isoper op al het goede. Plak geen lens af op je computer omdat je denkt dat wij mee kunnen kijken.” Over vertrouwen gesproken zie 3.2. Vertrouwen komt van 2 kanten, als ik in de conferentie ruimte van zitplaats verander en mijn vaste internetverbinding even loskoppel ontvang ik a la minute een email dat ik het WIFI netwerk niet mag gebruiken. Dat is op zijn minst opmerkelijk te noemen…

5.4

Ik heb bij herhaling aangegeven ook andere functies te willen vervullen, ik zet mij onder de gegeven omstandigheden volledig in, ik wil graag aan het werk”.

2.7

Bij e-mail van 20 oktober 2016 heeft [verzoeker] het volgende geschreven aan [regiodirecteur] :

“(…) Onze relatie is op dit moment zo verstoord, ik sta stijf van de stress, heb al dagen niet geslapen. Ik denk dat op dit moment mediation de enige oplossing is. Ik wil morgen graag onbetaald verlof opnemen. (…)”

2.8

Op deze e-mail heeft [regiodirecteur] als volgt gereageerd: “(…) Jij vind dat de arbeidsrelatie verstoord is maar die mening kan ik niet delen. Ik vind je niet correct functioneren en daarover hebben we een gesprek gehad om daar verbeter punten in aan te brengen. Ik hoop ook dat je deze punten ter harte neemt en dit positief oppakt. Je verzoek voor onbetaald verlof voor a.s. vrijdag is akkoord. (…)”

2.9

Op 20 oktober 2016 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld. In de periode van 20 oktober 2016 tot 3 december 2018 hebben zich tussen partijen onder meer de volgende gebeurtenissen – verkort, zakelijk en voor zover mogelijk in chronologische volgorde weergegeven - voorgedaan:

- Op 16 november 2016 is [verzoeker] gezien door bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] van Concept Plus, een bedrijf dat arbodienstverlening verricht. De bedrijfsarts achtte [verzoeker] voor de duur van vier weken volledig arbeidsongeschikt en daarna arbeidsgeschikt voor zijn eigen functie en adviseerde dat werkgever en werknemer na de eerste periode van vier weken de forse arbeidsgerelateerde problemen en duurzame oplossingen zouden bespreken.

- Vanaf 14 december 2016 achtte Teqoia [verzoeker] arbeidsgeschikt. [verzoeker] achtte zich per die datum niet arbeidsgeschikt en heeft per e-mail van 13 december 2016 om een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts gevraagd. Hij verscheen op 14 december 2016 niet op het werk, waarop Teqoia een eerste loonstop heeft toegepast.

- Op 23 december 2016 oordeelde de bedrijfsarts dat sprake was van klachten/beperkingen bij [verzoeker] als gevolg van arbeidsgerelateerde zaken en niet als gevolg van ziekte. De bedrijfsarts adviseerde om een mediator in te schakelen omdat [verzoeker] aangaf dat diverse gesprekken met de werkgever om tot een oplossing te komen waren gestrand.

- Op 13 januari 2017 is de divisiedirecteur van Teqoia, [divisiedirecteur] (hierna: [divisiedirecteur] ), met [verzoeker] en zijn gemachtigde in gesprek gegaan. Hierna heeft Teqoia de loonbetaling hervat.

- Op 13 februari 2017 heeft het UWV (naar aanleiding van de aanvraag daartoe van [verzoeker] d.d. 3 januari 2017) in een deskundigenverklaring geoordeeld dat [verzoeker] zijn werk op 14 december 2016 niet kon doen.

- Op 14 maart 2017 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden tussen [divisiedirecteur] en [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat. Dat gesprek heeft niet tot een oplossing geleid.

- De bedrijfsarts heeft op 31 maart 2017 geschreven dat sprake was van zowel een arbeidsconflict als van ziekte en (nogmaals) geadviseerd de inzet van een mediator te overwegen.

- In de rapportage van 28 april 2017 heeft de bedrijfsarts bericht dat sprake was van een verslechtering in de beperkingen van [verzoeker] en dat hij [verzoeker] in dat stadium niet in staat achtte een gesprek met de werkgever te voeren, omdat dit het herstel naar verwachting negatief zou beïnvloeden.

- Teqoia heeft op 3 mei 2017 een andere bedrijfsarts (niet [bedrijfsarts 1] ), de [bedrijfsarts 2] van Incentivo, een arbeidsdeskundig en medisch adviesbureau, ingeschakeld. Deze bedrijfsarts heeft op 22 mei 2017 een huisbezoek aan [verzoeker] afgelegd en geconcludeerd dat geen sprake was van ‘geen benutbare mogelijkheden’ in de zin van het Schattingsbesluit, maar van sterk verminderde mogelijkheden én dat van [verzoeker] kon worden verwacht dat hij samen met zijn advocaat met Teqoia in gesprek zou gaan over de stagnatie van zijn re-integratie en zijn toekomst bij zijn werkgever.

- Bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] heeft op 16 juni 2017 geadviseerd “conform deskundigenoordeel UWV”.

- In een deskundigenverklaring van 4 juli 2017 heeft UWV (naar aanleiding van een aanvraag van Teqoia van 4 mei 2017) geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen door Teqoia voor [verzoeker] voldoende waren geweest. Volgens de arbeidsdeskundige van het UWV waren er geen benutbare mogelijkheden voor [verzoeker] en was die situatie niet toe te schrijven aan het ontbreken van juiste sociale begeleiding. Verder achtte de arbeidsdeskundige niet aannemelijk dat er door adequatere begeleiding daadwerkelijk een andere belastbaarheid met re-integratiemogelijkheden mogelijk zou zijn geweest. Eveneens in een deskundigenverklaring van 4 juli 2017 heeft UWV (naar aanleiding van een aanvraag van [verzoeker] van 14 juni 2017) geoordeeld dat een direct contact tussen Teqoia en [verzoeker] momenteel een negatief effect heeft op de psychische gezondheid en dat dit belemmerend is voor verder herstel van [verzoeker] .

- Teqoia heeft [verzoeker] in de maand juli 2017 opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. [verzoeker] is op deze uitnodigingen niet ingegaan, waarop Teqoia op 27 juli 2017 een tweede loonstop heeft toegepast;

- [verzoeker] is een kort geding gestart tegen Teqoia, waarin hij betaling van het achterstallige loon vorderde en zich op het standpunt stelde dat de (tweede) loonstop onterecht was toegepast. De kantonrechter heeft de loonvordering van [verzoeker] toegewezen bij kortgedingvonnis van 10 november 2017 (zaaknummer 6296183 VV EXPL 17-363). Omdat Teqoia het achterstallige salaris pas met de salarisronde van begin december 2017 wilde betalen, heeft [verzoeker] een deurwaarder ingeschakeld teneinde de executie van het vonnis te bewerkstelligen.

- Eind maart 2018 heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] ( [arbeidsdeskundige] ) adviseerde een kennismakingsgesprek tussen [verzoeker] en de re-integratiecoach van re-integratiebureau PDCA. [verzoeker] had in de tussentijd (op 8 maart 2018) een deskundigenverklaring aangevraagd en wilde dat afwachten. Omdat [verzoeker] weigerde een afspraak te maken met PDCA heeft Teqoia op 19 april 2018 een derde loonstop toegepast.

- [verzoeker] heeft op 2 mei 2018 drie re-integratiebureaus voorgedragen en heeft Teqoia gevraagd met een van deze bureaus akkoord te gaan.

- De door [verzoeker] aangevraagde deskundigenverklaring van het UWV van 4 mei 2018 hield in dat [verzoeker] vanaf 30 april 2018, conform het advies van de bedrijfsarts, geschikt werd geacht om te starten met geleidelijke activering in een vertrouwde omgeving en daarna re-integratie via een arbeidsdeskundig persoon in spoor 2, met geleidelijke re-integratie tot volledige hervatting binnen een jaar.

- Bij brief van 14 mei 2018 heeft Teqoia [verzoeker] geschreven dat zij de loonstop zou opheffen maar vasthield aan haar standpunt dat [verzoeker] een gesprek met PDCA moest hebben, bij gebreke waarvan een nieuwe loonstop zou worden doorgevoerd.

- Omdat - volgens Teqoia – [verzoeker] op 17 mei 2018 nog geen contact met PDCA had opgenomen, heeft Teqoia een vierde loonstop toegepast.

- [verzoeker] heeft vervolgens een afspraak gemaakt met PDCA voor een gesprek, dat nadien heeft plaatsgevonden. Zijn gemachtigde heeft hierover aan Teqoia teruggekoppeld dat er volgens [verzoeker] geen klik was, het voorgestelde programma niet aansloot bij de persoon van [verzoeker] en PDCA niet gespecialiseerd was op het relevante werkterrein.

- [verzoeker] stelde via zijn gemachtigde aan Teqoia opnieuw het al eerder door hem voorgedragen re-integratiebureau, […] Re-integratie, voor. Teqoia wilde daar niet in meegaan en heeft op 19 juni 2018 een vijfde loonstop toegepast.

- In het kader van de WIA-aanvraag heeft het UWV bij besluit van 27 juli 2018 aan Teqoia een loonsanctie opgelegd, inhoudende dat zij het loon van [verzoeker] maximaal 52 weken, te weten tot uiterlijk 17 oktober 2019 moest doorbetalen. De re-integratie-inspanningen door Teqoia werden onvoldoende geacht omdat “werkgever heeft nagelaten de door werknemer aangedragen reintegratiebureaus te onderzoeken en evenmin een inhoudelijk argument te geven waarom deze bureaus niet passend zouden zijn. UWV acht het van belang dat bij werknemer vertrouwen moet zijn in een reintegratiebureau om een spoor2-traject succesvol te laten starten”. De inspanningen in spoor 2 zijn onvoldoende omdat er nog geen adequaat spoor 2 traject is gestart, aldus UWV.

- Teqoia heeft vervolgens alsnog ingestemd met het door [verzoeker] voorgedragen re-integratiebureau en de kosten daarvan betaald. UWV heeft vanwege dit feit de loonsanctie bekort, in die zin dat zij heeft beslist dat Teqoia het loon van [verzoeker] moest doorbetalen tot 2 december 2018.

2.10

Sinds 3 december 2018 is sprake van een zogenoemd slapend dienstverband tussen partijen. [verzoeker] geniet sinds laatstgenoemde datum een WIA-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. [verzoeker] heeft in maart 2019 aan Teqoia een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder betaling van onder meer de transitievergoeding. Teqoia stelde als voorwaarde aan een beëindigingsovereenkomst dat [verzoeker] aan haar finale kwijting zou verlenen. [verzoeker] was niet bereid een beëindigingsovereenkomst te sluiten tegen finale kwijting.

2.11

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (hierna het Tuchtcollege) heeft op 13 oktober 2020 een uitspraak gedaan naar aanleiding van een aantal klachten van [verzoeker] over bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] die door Teqoia was ingeschakeld omdat zij een ‘second opinion’ wenste over het advies van haar eigen bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] . [bedrijfsarts 2] had naar aanleiding van het huisbezoek aan [verzoeker] op 22 mei 2017 een rapportage opgesteld. Het Tuchtcollege heeft de volgende klachten gegrond verklaard:

  • -

    de bedrijfsarts is niet eerlijk geweest over de inhoud van zijn opdracht;

  • -

    de bedrijfsarts heeft [verzoeker] niet over zijn zienswijze geïnformeerd;

  • -

    de bedrijfsarts heeft niet gereageerd op een e-mail met klachten van 8 juni 2017;

  • -

    de bedrijfsarts heeft onvoldoende en ondeugdelijk onderzoek naar de re-integratiemogelijkheden van [verzoeker] gedaan;

  • -

    de bedrijfsarts heeft een voor [verzoeker] zeer pijnlijke en niet ter zake doende instructie voor de arbeidsdeskundige gegeven.

Het Tuchtcollege heeft verder geoordeeld dat de bedrijfsarts zich teveel heeft laten meeslepen door de advocaat van Teqioa, zonder een eigen afweging te maken. De bedrijfsarts heeft door zijn handelwijze in strijd gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van [verzoeker] behoorde te betrachten. Aan de bedrijfsarts is de maatregel van berisping opgelegd.

3.1

In eerste aanleg heeft [verzoeker] de kantonrechter verzocht, kort samengevat, de arbeidsovereenkomst te ontbinden ex art. 7:671c BW en Teqoia te veroordelen tot betaling van:

- € 81.000,- transitievergoeding;

- € 719.909,- billijke vergoeding;

- € 68.992,74 gederfd loon tijdens ziekte;

- € 14.334,14 advocaatkosten;

- € 4.389,60 kosten deskundige;

- € 14.734,81 vergoeding niet opgenomen vakantiedagen met € 1.178,78 vakantietoeslag;

- de wettelijke rente over bovenstaande bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

- de kosten van de procedure.

3.2

Voor zover in hoger beroep van belang, heeft de kantonrechter in de bestreden beschikking de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 februari 2020 en Teqoia veroordeeld tot betaling aan [verzoeker] van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding van € 81.000,- bruto wegens strijd met goed werkgeverschap en een bedrag van € 14.734,81 bruto voor niet opgenomen vakantiedagen, met wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 februari 2020. Verder heeft de kantonrechter bepaald dat partijen ieder de eigen kosten van de procedure dragen. Het standpunt van [verzoeker] dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Teqoia is door de kantonrechter niet gehonoreerd.

4.1

In het principaal hoger beroep verzoekt [verzoeker] alsnog om toewijzing van de billijke vergoeding van € 604.777,02 bruto, gemist salaris tijdens ziekte van € 68.992,74, kosten van de deskundige van € 4.389,60, advocaatkosten van € 14.334,14, wettelijke rente over alle bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid en veroordeling van Teqoia in de kosten van beide instanties. [verzoeker] heeft vijf grieven geformuleerd tegen de bestreden beschikking. Met de grieven I en II betoogt [verzoeker] dat Teqoia ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend. De overige grieven richten zich tegen de afwijzing van het gederfd loon tijdens ziekte (grief III), de vergoeding van de kosten van de deskundige (grief IV) en de advocaatkosten (grief V).

4.2

Teqoia heeft de grieven van [verzoeker] bestreden en heeft in het incidenteel hoger beroep eveneens vijf grieven geformuleerd. Grief I richt zich (voor zover hierboven onder 2. nog niet besproken) tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter omdat deze niet heeft vermeld dat [verzoeker] geen bezwaar heeft aangetekend tegen de beslissing van het UWV:

- tot toekenning van een WGA-uitkering met ingang van 3 december 2018 op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid;

- tot toekenning van de loonsanctie d.d. 27 juli 2018;

- tot bekorting van de loonsanctie d.d. 22 oktober 2018.

Het hof merkt in dit verband op dat de feitenvaststelling in een beschikking slechts een selectie vormt, naar keuze van de rechter, van de tussen partijen vaststaande feiten die voor de beoordeling van het geschil (het meest) relevant zijn, maar dat dit niet betekent dat de overige feiten die in de procedure door partijen zijn gesteld bij deze beoordeling buiten beschouwing worden gelaten. De grieven II tot en met IV richten zich tegen de toekenning van de vergoeding van € 81.000,- bruto. Met grief V betoogt Teqoia dat het verzoek van [verzoeker] tot vergoeding van gederfd loon tijdens ziekte geen vordering is als bedoeld in art. 7:686 lid 3 BW en daarom niet in de onderhavige verzoekschriftprocedure aan de orde kan worden gesteld.

[verzoeker] heeft op zijn beurt de incidentele grieven bestreden.

Ernstig verwijtbaar handelen?

5.1

De kern van de zaak ziet op de vraag of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door Teqoia. Als dat het geval is heeft [verzoeker] in beginsel aanspraak op een billijke vergoeding ex art. 7:671c aanhef en onder b BW en op toekenning van de transitievergoeding ingevolge art. 7:673 lid 1 aanhef en onder b 2˚ BW. Het hof stelt voorop dat voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever een hoge drempel geldt. Daarvoor is alleen aanleiding in uitzonderlijke situaties waarin evident is dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten (ECLI:NL:HR:2020:1501). Het hof is van oordeel dat deze hoge drempel in de gegeven omstandigheden is gehaald en dat Teqoia zich ernstig verwijtbaar jegens [verzoeker] heeft gedragen en dat dit heeft geleid heeft tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] . Daartoe is het volgende redengevend.

Beoordelingsgesprek van 17 oktober 2016

5.2

De arbeidsverhouding tussen partijen is na 20 augustus 2016 onder druk komen te staan doordat de inlening van [verzoeker] bij IV Oil & Gas tot een einde was gekomen en hij dagelijks op kantoor van Teqoia moest komen om daar zelf op zoek te gaan naar een nieuwe opdracht. Bij [verzoeker] groeide gaandeweg het ongenoegen over het feit dat hij zich daarbij onvoldoende gesteund voelde. Bij Teqoia ontstond ongeduld over het uitblijven van een passende opdracht voor [verzoeker] . Op 17 oktober 2016 heeft Teqoia – voor [verzoeker] onverwacht – een beoordelingsgesprek met hem gehouden waarbij het functioneren van [verzoeker] , gericht op zijn activiteiten op het gebied van het zoeken naar ander werk, als “onvoldoende” (een 1 op een schaal van 1 tot 5) is beoordeeld. Van dat gesprek is door [verzoeker] een opname gemaakt en hij heeft zowel deze geluidsopname als ook de transcriptie van het gesprek in het geding gebracht. De wijze waarop [verzoeker] door [regiodirecteur] tijdens dit gesprek is bejegend en de toonzetting tijdens dit gesprek is hard, onprofessioneel en niet passend bij het goed werkgeverschap dat van Teqoia verwacht had mogen worden. [verzoeker] vervulde op dat moment geen functie waar vooraf aan hem bekendgemaakte functievereisten voor golden. Verder had Teqoia moeten begrijpen dat het geven van het laagst mogelijke beoordelingscijfer aan [verzoeker] , vanwege onvoldoende functioneren “als werkzoekende”, terwijl [verzoeker] zich al langere tijd niet op zijn gemak voelde (hetgeen [regiodirecteur] ook bekend was), [verzoeker] zwaar zou treffen. Bovendien was het primair de verantwoordelijkheid van Teqoia als werkgever/detacheerder om een nieuwe opdracht voor [verzoeker] te vinden. Teqoia is immers een gespecialiseerd detacheringsbureau met professionele (account)managers die zicht hebben op (potentiële) opdrachtgevers en op de markt waarin zij opereert. Dergelijke kennis en vaardigheden heeft [verzoeker] niet en gelet op zijn functie als IT-specialist kan dat ook niet zonder meer van hem verwacht worden.

5.3

Hier komt bij dat in deze procedure niet is gebleken dat Teqoia zich in de periode vanaf 20 augustus 2016 voldoende heeft ingespannen om een nieuwe passende opdracht voor [verzoeker] te verkrijgen. Teqoia heeft onvoldoende onderbouwd dat dergelijke inspanningen hebben plaatsgevonden. Ook het beoordelingsverslag maakt geen melding van dergelijke inspanningen door Teqoia, terwijl de computerlijst van Teqoia die als productie 10 aan het verweerschrift is gehecht daar onvoldoende inzicht in geeft en Teqoia de lijst desgevraagd ook ter zitting in eerste aanleg niet voldoende heeft kunnen toelichten. De functies van industrieel schoonmaker en brandwacht waren niet passend te noemen, gelet op functie van [verzoeker] binnen Teqoia als (gedetacheerde) IT-specialist. Als Teqoia niet tevreden was over de sollicitatie-inspanningen van [verzoeker] , lag het op haar weg om met hem om de tafel te gaan zitten en in goed overleg met hem afspraken te maken over het zoeken van werk en de ondersteuning door Teqoia daarbij. Dat heeft Teqoia nagelaten. In plaats daarvan heeft zij voor de harde aanpak van een slechte beoordeling van [verzoeker] in de rol van werkzoekende gekozen, in plaats van een beoordeling van de rol van gedetacheerde IT-specialist, welke rol [verzoeker] tot twee maanden daarvoor nog had vervuld, Teqoia heeft de verantwoordelijkheid voor een nieuwe opdracht bij [verzoeker] gelegd en [verzoeker] onder druk gezet door hem in het gesprek onder meer laten weten dat de aandeelhouders om financiële redenen geen ontslag wilden ( [regiodirecteur] : “Laten we even in één ding heel duidelijk zijn. Ontslaan kunnen we niet. Dat kan, we kunnen het wel, maar financieel gezien willen die aandeelhouders dat never nooit. Dus dat gaat niet gebeuren. Wat we ook uithalen met elkaar. Dus zolang jij hier zit, dan moeten we het met elkaar doen. Dus voor mij is het zaak en voor jou hoogstwaarschijnlijk ook, dat we heeeel snel een functie verzinnen”). Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat Teqoia een verwijt gemaakt kan worden vanwege de onterechte beoordeling die zij [verzoeker] heeft gegeven en de wijze waarop [verzoeker] tijdens dit gesprek is bejegend. Daarnaast kan Teqoia verweten worden dat zij geen gehoor heeft willen geven aan het verzoek om mediation van [verzoeker] , die bij e-mail van 20 oktober 2016 aan [regiodirecteur] schrijft dat er sprake is van een verstoorde relatie, dat hij kampt met slapeloosheid en stress en om mediation verzoekt. Na de reactie van [regiodirecteur] , waarin deze het verzoek van [verzoeker] om mediation afwees, heeft [verzoeker] zich ziek gemeld en hij is nadien niet meer beter geworden. [verzoeker] kampt sinds geruime tijd met ernstige psychische klachten, die na twee jaar ziekte ook hebben geleid tot toekenning van een volledige WIA-uitkering (80-100%).

Loonstop

5.4

Het hof is verder van oordeel dat Teqoia een ernstig verwijt gemaakt kan worden van haar opstelling jegens [verzoeker] tijdens zijn ziekte en ten aanzien van de re-integratie. Allereerst is van belang dat Teqoia tot vijf keer toe ten onrechte een loonstop heeft opgelegd.

De eerste loonstop van 14 december 2017 is doorgevoerd omdat Teqoia zich op het standpunt stelde dat [verzoeker] die dag in staat was om te komen werken. Uit de deskundigenverklaring van UWV van 13 februari 2017 volgde echter dat [verzoeker] zijn werk op 14 december 2016 niet kon doen.

De tweede loonstop van 27 juli 2017 is doorgevoerd omdat Teqoia een persoonlijk gesprek met [verzoeker] wilde aangaan. Omdat een nieuwe aanvraag voor een deskundigenverklaring werd geweigerd en Teqoia weigerde de loonstop op te heffen, heeft [verzoeker] zelfs een gerechtelijke procedure tot loondoorbetaling aanhangig moeten maken. De kortgedingrechter heeft Teqoia in het vonnis van 10 november 2017 in het ongelijk gesteld. Vervolgens heeft Teqoia niet onmiddellijk vrijwillig aan het vonnis voldaan en heeft [verzoeker] de deurwaarder moeten inschakelen om het vonnis te executeren.

De derde loonstop is doorgevoerd op 19 april 2018, toen [verzoeker] zich nog niet in staat achtte een kennismakingsgesprek aan te gaan met re-integratiebureau PDCA en eerst de deskundigenverklaring van UWV wilde afwachten. De deskundigenverklaring van het UWV van 4 mei 2018 bevestigde dat [verzoeker] pas vanaf 30 april 2018 geschikt werd geacht om te starten met geleidelijke activering en re-integratie, zodat ook deze loonstop ten onrechte is opgelegd.

De vierde en vijfde loonstop van respectievelijk 17 mei 2018 en 19 juni 2018 zijn doorgevoerd omdat [verzoeker] nog geen afspraak met PDCA had gemaakt respectievelijk daarna niet verder met PDCA wilde gaan. Uit het besluit van UWV van 27 juli 2019, in het kader van de WIA-aanvraag van [verzoeker] , volgt dat de re-integratie-inspanningen van Teqoia onvoldoende werden geacht omdat Teqoia bleef vasthouden aan haar eigen re-integratiebureau PDCA en heeft nagelaten de door [verzoeker] aangedragen re-integratiebureaus te onderzoeken, terwijl het UWV het van belang achtte dat [verzoeker] voldoende vertrouwen moet hebben in een re-integratiebureau om een spoor 2-traject succesvol te laten starten. Teqoia heeft ook geen legitieme reden gegeven waarom zij niet akkoord wenste te gaan met het door [verzoeker] voorgestelde re-integratiebedrijf.

Het hof rekent het Teqoia zwaar aan dat zij zo vaak, tot vijf keer toe, ten onrechte een loonstop heeft doorgevoerd. De loonstops hebben tot financiële onzekerheid en gedurende lange tijd tot extra stress bij [verzoeker] geleid. Aannemelijk is dat deze handelwijze van Teqoia er mede toe heeft geleid dat de arbeidsverhouding onherstelbaar verstoord is geraakt en de re-integratie van [verzoeker] niet is geslaagd. Dat Teqoia uiteindelijk heeft ingestemd met het door [verzoeker] voorgedragen re-integratiebureau – overigens pas nadat het UWV de loonsanctie in de vorm van verlenging van de loondoorbetalingsverplichting had opgelegd – en de kosten daarvan heeft betaald, heeft de verwijtbaarheid van dit alles niet ongedaan kunnen maken.

Inschakelen bedrijfsarts [bedrijfsarts 2]

5.5

Voorts valt Teqoia een verwijt te maken van het klachtwaardige optreden van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] . Uit de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 13 oktober 2020 blijkt dat de bedrijfsarts bij zijn huisbezoek jegens [verzoeker] niet eerlijk is geweest over de inhoud van zijn opdracht, [verzoeker] niet over zijn zienswijze heeft geïnformeerd en [verzoeker] niet in staat heeft gesteld om zijn correctie- en blokkeringsrecht uit te kunnen oefenen. Uit de uitspraak blijkt verder dat de bedrijfsarts zonder kennisneming van relevante medische informatie en zonder een deugdelijke anamnese geen advies had mogen uitbrengen over de mogelijkheden tot werkhervatting door [verzoeker] . Ook is het Tuchtcollege expliciet van oordeel dat de bedrijfsarts zich te veel heeft laten meeslepen door de advocaat van Teqoia zonder een eigen afweging te maken. Een en ander heeft geleid tot een berisping van de bedrijfsarts. De uitspraak van het Tuchtcollege bevestigt het beeld dat Teqoia bleef vasthouden aan haar standpunt dat [verzoeker] met Teqoia een gesprek moest aangaan en geen genoegen wilde nemen met het advies van haar vaste bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] , die [verzoeker] op dat moment niet in staat achtte een dergelijk gesprek te voeren en vreesde dat dit het herstel van [verzoeker] negatief zou beïnvloeden. De uitspraak bevestigt verder het beeld dat Teqoia daarom een andere bedrijfsarts heeft ingeschakeld met het doel - hoe dan ook - bevestiging van haar eigen standpunt te krijgen. Het verweer van Teqoia dat het hof de uitspraak van het Tuchtcollege in het kader van de ex tunc-toetsing niet mag meenemen in zijn beoordeling, wordt verworpen. De uitspraak ziet op gebeurtenissen – ter zake het optreden van de bedrijfsarts – die zich hebben voorgedaan vóór de datum van de ontbindingsbeschikking. Gelet op de herkansingsfunctie in hoger beroep, mag dit alles bij het oordeel van het hof mogen worden betrokken (vgl. Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1234). Teqoia is als werkgever gehouden zorg te dragen voor passende re-integratiemaatregelen en zij dient zich als goed werkgever jegens haar arbeidsongeschikte werknemers te gedragen. Indien zij zich daarbij bedient van een hulppersoon, zoals hier bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] , en deze zich jegens [verzoeker] schuldig maakt aan klachtwaardig handelen, valt dit Teqoia eveneens aan te rekenen. Dit klemt temeer nu uit de uitspraak van het Tuchtcollege blijkt dat [bedrijfsarts 2] zich te veel door de advocaat van Teqoia heeft laten meeslepen zonder daarbij een eigen afweging te maken.

Ernstig verwijtbaar handelen

5.6

Gelet op de voorgaande aan Teqoia te maken verwijten is het hof van oordeel dat Teqoia (evident) ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoeker] . Teqoia heeft van meet af aan op ramkoers gelegen met de onterechte negatieve beoordeling, het tot vijf keer toe doorvoeren van een onterechte loonstop en het inschakelen van een – klachtwaardig handelend – bedrijfsarts teneinde te proberen alsnog haar eigen gelijk te behalen toen zij het niet eens was met haar eigen bedrijfsarts. Dit gedrag is van een zodanige aard en omvang dat dit hoe dan ook, onafhankelijk van de persoon van [verzoeker] en zijn gevoeligheid voor het ontwikkelen van psychische klachten als gevolg van conflictsituaties op het werk, tot een ernstige en onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding zou hebben geleid. Het hof is van oordeel dat van Teqoia, gelet op haar zorgplicht als goed werkgever, in de gegeven omstandigheden mocht worden verlangd dat zij zich jegens [verzoeker] aanzienlijk zorgvuldiger had opgesteld.

5.7

Teqoia was bovendien op de hoogte van de eerdere langdurige uitval van [verzoeker] van circa een jaar in de periode 2009-2010 en zij wist ook dat [verzoeker] destijds kampte met psychische klachten. In zijn beroepschrift heeft [verzoeker] in dit verband onder meer gewezen op zijn bericht aan [regiodirecteur] van 14 februari 2011, waarin hij schreef: “Zoals je weet ben ik ernstig ziek geweest. Ik ben als gevolg van de verstoorde werkrelatie en de houding die jullie tegen mij hebben aangenomen, nadat ik geprotesteerd heb tegen mijn ontslag in een depressie geraakt, terwijl ik nog nooit eerder in mijn leven met psychische klachten te kampen heb gehad.” Voorts heeft [verzoeker] erop gewezen dat hij in de procedure bij de kantonrechter in Rotterdam in 2011 naar voren heeft gebracht dat in november 2010 een casemanager was aangesteld die serieus werk van de re-integratie leek te maken en, bijna een jaar na dato, begeleiding door een psycholoog aanbod. Ook heeft [verzoeker] onweersproken gesteld dat hij daar destijds naar voren heeft gebracht dat hij zich direct nadat hij ziek was geworden zelf ook onder behandeling van een psycholoog had gesteld en zich “na het pijnlijke re-integratietraject” ook onder behandeling van een psychiater had gesteld. Dat Teqoia hiervan op de hoogte was heeft zij niet weersproken, zij stelt slechts dat zij niet bekend was met de diagnoses en de persoonlijkheidsstructuur en dat dit ook niet mag omdat dit medisch geheim is. Het hof is van oordeel dat Teqoia gelet op het voorgaande wel degelijk wist althans had behoren te begrijpen dat [verzoeker] gevoelig was voor het ontwikkelen van psychische klachten als gevolg van conflictsituaties op het werk. Uit hoofde van goed werkgeverschap mocht van Teqoia worden verlangd dat zij zorgvuldiger met de belangen van [verzoeker] was omgegaan, in plaats van tijdens zijn arbeidsongeschiktheid steeds weer het conflict met [verzoeker] te zoeken (door onder andere het opleggen van vijf onterechte loonstops en het inschakelen van een klachtwaardig handelend bedrijfsarts toen zij het niet eens was met het oordeel van haar eigen bedrijfsarts etc, in plaats van [verzoeker] met rust te laten toen dat door haar eigen bedrijfsarts werd geadviseerd en haar weigering medewerking te verlenen aan de door [verzoeker] gevraagde mediation en het door [verzoeker] voorgestelde re-integratiebureau).

5.8

Het betoog van Teqoia dat het UWV-oordeel inzake het opleggen van de loonsanctie van 27 juli 2018 en het beperken van de loonsanctie van 22 oktober 2018 tot drie maanden tot een ander oordeel over de ernstige verwijtbaarheid zou moeten leiden, wordt verworpen. Het toetsingskader van het UWV bij de WIA-aanvraag ter beantwoording van de vraag of de werkgever voldaan heeft aan de op hem rustende re-integratieverplichtingen, is een andere dan het beoordelingskader dat in het kader van de Wwz moet worden gehanteerd bij de vraag of de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (vgl. de conclusie van AG De Bock voor de zogenaamde Cicero-beschikking van de Hoge Raad: ECLI:NL:PHR:2019:772 rov 5.37 en 5.38). Bovendien is het oordeel van het hof niet beperkt tot de door het UWV getoetste re-integratie-inspanningen van Teqoia maar heeft dit eveneens betrekking op alle voornoemde gedragingen van Teqoia die ertoe hebben geleid dat de arbeidsverhouding onherstelbaar verstoord is geraakt. Dat [verzoeker] zijn re-integratieverplichtingen onvoldoende zou zijn nagekomen is weliswaar door Teqoia gesteld, maar niet voldoende, bijvoorbeeld in de vorm van een deskundigenverklaring van UWV, onderbouwd. Deze stelling wordt eveneens verworpen. Dit alles betekent dat de grieven I en II van [verzoeker] slagen en de incidentele grief I van Teqoia faalt.

Causaal verband

5.9

[verzoeker] heeft gesteld dat sprake is van een causaal verband tussen het arbeidsconflict/de handelwijze van Teqoia en zijn langdurige uitval als gevolg van psychische klachten en heeft dat onderbouwd met het advies van bedrijfsarts Van Schie van 12 januari 2018 (prod. 25 verzoekschrift), waaruit blijkt dat er sprake is van een ziektebeeld dat samenhangt met de ernstig verstoorde arbeidsverhouding en het rapport van psychiater dr. H.J.C. [naam psychiater] (hierna: dr. [naam psychiater] ) d.d. 29 mei 2019, waaruit blijkt dat [verzoeker] lijdt aan een (recidiverende) depressieve stoornis die zich heeft ontwikkeld als gevolg van chronische conflicten in de werksituatie en waarbij het depressieve beeld gekenmerkt wordt door een preoccupatie met de werksituatie. Teqoia heeft het causaal verband betwist en erop gewezen dat volgens bedrijfsarts Wieringa de oorzaak eerder ligt in de persoonlijkheidsstructuur van [verzoeker] , zijn angstklachten en vermijdingsgedrag, waardoor de werkgebonden problemen zouden blijven voortbestaan (brieven d.d. 11 oktober 2019 en 25 oktober 2019). Het hof leest de brieven zo dat bedrijfsarts Wieringa het eens is met de door dr. [naam psychiater] gestelde diagnostiek maar dat hij heeft willen opmerken dat de persoonlijkheidskenmerken van [verzoeker] een onderhoudende rol hebben gespeeld in het oplossen van problemen. Het hof is van oordeel dat dit onvoldoende afbreuk doet aan het gestelde causaal verband, in de zin van een conditio sine qua non verband, tussen de handelwijze van Teqoia en de psychische stoornis en ontwikkelde ernstige psychische klachten van [verzoeker] . Teqoia heeft ter zake ook geen feiten aangevoerd of ten bewijze aangeboden die tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hof gaat daarom uit van een causaal verband tussen het arbeidsconflict/ het handelen van Teqoia en de langdurige uitval van [verzoeker] / de psychische klachten.

Transitievergoeding

5.10

Het oordeel dat Teqoia ernstig verwijtbaar heeft gehandeld leidt ertoe dat [verzoeker] alsnog recht heeft op toekenning van de transitievergoeding van € 81.000,- bruto. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking een in hoogte gelijk bedrag op een andere grondslag (uit hoofde van goed werkgeverschap ex art. 7:611 BW) toegekend. Daarom zal het hof de beschikking op dit punt vernietigen en alsnog het bedrag ten titel van transitievergoeding toekennen. Teqoia heeft dit bedrag al aan [verzoeker] betaald, zodat Teqoia dit bedrag vanzelfsprekend niet nogmaals hoeft te betalen. Nu de vergoeding ex art. 7:611 BW van de baan is, en in zoverre grief II van Teqoia (formeel juridisch) slaagt, heeft Teqoia geen belang meer bij de verdere behandeling van haar incidentele grieven II tot en met IV.

Billijke vergoeding

5.11

Het ernstig verwijtbaar handelen van Teqoia rechtvaardigt eveneens de toekenning van een billijke vergoeding aan [verzoeker] . Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle), HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia) en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)) volgt dat het er bij de begroting van de billijke vergoeding, kort gezegd, om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De rechter kan daarbij rekening houden met de gevolgen van het ontslag voor zover die zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt. De Hoge Raad heeft in dat verband een niet-limitatieve lijst van gezichtspunten geformuleerd die van belang kunnen zijn bij de begroting van de billijke vergoeding. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter.

5.12

[verzoeker] heeft de omvang van de door hem verzochte billijke vergoeding van € 604.777,02 bruto onder meer onderbouwd met een berekening van zijn inkomensachteruitgang tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd (per 12 februari 2030), waarbij ervan wordt uitgegaan dat hij ten minste een inkomen zal behouden op het niveau van de WIA-uitkering die hij geniet. Teqoia heeft daarentegen betoogd dat de arbeidsovereenkomst naar alle waarschijnlijkheid hoe dan ook niet langer dan 6-12 maanden zou hebben geduurd alvorens Teqoia deze zou hebben beëindigd tegen betaling van een ontslagvergoeding.

5.13

Een belangrijk gezichtspunt bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding is de ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Ter bepaling hiervan dient het hof een schatting te maken van de vermoedelijke duur van de arbeidsovereenkomst indien deze niet als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van Teqoia zou zijn geëindigd door ontbinding door de kantonrechter met ingang van 1 februari 2020. Anders gezegd: hoe lang zou de arbeidsovereenkomst naar verwachting hebben geduurd indien Teqoia zich voorafgaand aan de ziekmelding door [verzoeker] medio oktober 2016 als goed werkgever serieus had ingespannen voor een nieuwe detacheringsopdracht voor [verzoeker] en na zijn ziekmelding zich in voldoende mate had ingespannen voor het bewerkstelligen van zijn re-integratie? Het hof verwerpt de stelling van Teqoia dat de arbeidsovereenkomst dan nog hooguit 6-12 maanden zou hebben geduurd. Teqoia heeft zelf tegen [verzoeker] gezegd tijdens het ‘beoordelingsgesprek’ op 17 oktober 2016 dat het zaak was om heel snel een (detacherings)functie voor hem te vinden aangezien de aandeelhouders hem niet wilden ontslaan vanwege de ontslagkosten (zie ook het citaat in r.o. 5.3). Het hof heeft hiervoor onder 5.2 en 5.3 overwogen dat Teqoia zich niet substantieel heeft ingespannen om een nieuwe passende opdracht voor [verzoeker] te verkrijgen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat [verzoeker] onbemiddelbaar was voor een nieuwe detachering. Het hof acht wel aannemelijk dat het vinden van een detachering waarbij Teqoia [verzoeker] rendabel zou kunnen wegzetten niet heel eenvoudig was gelet op de hoogte van zijn salaris, arbeidsverleden, leeftijd en geringe opleiding (alleen een mavo-diploma). Ook de eigen stellingen van [verzoeker] wijzen erop dat hij gelet op voornoemde omstandigheden geen goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt heeft. Het hof schat in dat [verzoeker] bij serieuze inspanning van Teqoia na maximaal (nog) een half jaar zoeken nog ten minste éénmaal gedetacheerd had kunnen worden door Teqoia bij een opdrachtgever voor een periode van circa vijf jaar, een detacheringsperiode die niet ongebruikelijk is gelet op de lengte van detacheringen van [verzoeker] in het verleden. Het hof acht eveneens aannemelijk dat het voor Teqoia in toenemende mate moeilijk zou zijn geweest om [verzoeker] na ommekomst van voornoemde detachering wederom rendabel te detacheren gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en in het bijzonder ook de leeftijd van [verzoeker] , die dan weer vijf jaar ouder zou zijn. Het hof acht het daarom te onzeker of Teqoia [verzoeker] na ommekomst van die detacheringsperiode nog een keer rendabel zou (hebben) kunnen detacheren. Wel mag aangenomen worden dat daartoe - na het einde van voornoemde detacheringsperiode - nog een serieuze poging van enkele maanden zou zijn ondernomen voordat het dienstverband wegens het ontbreken van voorhanden werk, bijvoorbeeld op de h-grond, tot een einde zou zijn gekomen. Het hof gaat dan ook uit van een hypothetische duur van de arbeidsovereenkomst van zes jaar te rekenen vanaf medio oktober 2016, aangezien de arbeidsverhouding vanaf dat moment is ontspoord en het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten sindsdien heeft plaatsgevonden.

5.14

Dat [verzoeker] tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd niet meer zal kunnen herstellen en geen inkomsten uit arbeid meer zou kunnen verwerven heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd. Aan [verzoeker] is een WGA-uitkering en geen IVA-uitkering toegekend, hetgeen de mogelijkheid van herstel openhoudt. Ook de medische stukken waaronder de rapportage door Dr. [naam psychiater] wijzen erop dat wanneer het arbeidsconflict met Teqoia zal zijn beslecht, en de preoccupatie met de werksituatie vermindert, er voor [verzoeker] ruimte en gelegenheid zal zijn om op termijn te herstellen. Het hof zal bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding dan ook uitgaan van het geschatte inkomensverlies van [verzoeker] over een periode van zes jaar.

5.15

Bij de becijfering van het inkomensverlies van [verzoeker] over de geschatte periode van zes jaar gaat het hof uit van de berekening van [verzoeker] , die gebaseerd is op een bruto maandsalaris van € 7.732,13 waarop een bedrag van € 3.218,87 per maand vanwege de WIA-uitkering in mindering strekt, berekend op € 68.992,74 (1e en 2e jaar) + € 108.318,27 (3e en 4e jaar) + € 108.318,27 (5e en 6e jaar) = € 285.629,28. Deze berekening is door Teqoia cijfermatig niet betwist en bovendien lag dit maandsalaris ook ten grondslag aan de berekening van de destijds door Teqoia aan [verzoeker] aangeboden transitievergoeding. Het hof gaat ervan uit dat, zoals hiervoor overwogen, [verzoeker] op termijn in staat zou moeten zijn om een inkomen te verwerven dat, gelet op zijn opleiding en ervaring, hoger ligt dan de WIA-uitkering, maar niet gelijk zal zijn aan zijn laatst verdiende salaris bij Teqoia, ermee rekening houdend dat [verzoeker] mogelijk qua salariëring (te) duur was voor de beschikbare opdrachten en genoegen moet nemen met een lager salaris dan bij Teqoia. Het hof past daarom alle goede en kwade kansen afwegend een correctie toe op het te verwachten inkomensverlies en gaat uit van een inkomensverlies van € 230.000,- Het hof acht geen termen aanwezig om het bedrag van € 81.000,- ter zake van de transitievergoeding hierop in mindering te brengen. Dit bedrag zou Teqoia immers ook verschuldigd zijn bij een hypothetische ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een later moment wegens het ontbreken van voorhanden werk, als hiervoor beschreven.

5.16

Het verweer dat Teqoia niet aansprakelijk is voor het inkomensverlies in verband met de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] in de derde en volgende ziektejaren wordt verworpen. Op grond van hetgeen hiervoor onder 5.9 is overwogen ten aanzien van de ernstige verwijtbaarheid en de relatie tussen de handelwijze van Teqoia en (het voortduren van) de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] en zijn psychische klachten, concludeert het hof dat gelet op het slecht werkgeverschap van Teqoia en de schending van de zorgplicht die zij jegens [verzoeker] heeft, Teqoia aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als gevolg daarvan lijdt, daartoe inbegrepen de (immateriële) schade. Het hof houdt bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding rekening met een immateriële schadecomponent van € 25.000,-. Uit het eerdergenoemde rapport van psychiater [naam psychiater] blijkt dat bij [verzoeker] sprake is van geestelijk sletsel, en dat dit ontstaan is als gevolg van het (ernstig verwijtbaar) handelen van Teqoia. Dat er een andere oorzaak zou zijn van de ernstige psychische klachten van [verzoeker] , heeft Teqoia onvoldoende onderbouwd. De pensioenschade die [verzoeker] op € 45.000,- begroot, acht het hof onvoldoende onderbouwd nu - zoals ook ter zitting in hoger beroep zijdens [verzoeker] is bevestigd - de pensioenopbouw thans premievrij doorloopt op grond van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] . Al het voorgaande afwegende, en daarbij ook de hoge mate van verwijtbaarheid aan de zijde van Teqoia, waarbij de billijke vergoeding tevens een middel is om Teqoia te wijzen op de noodzaak haar gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen, bepaalt het hof de billijke vergoeding op € 270.000,- bruto.

Gederfd loon

5.17

Het inkomensverlies van € 68.992,74 dat [verzoeker] vordert (ten titel van gederfd loon gedurende het eerste en tweede ziektejaar) heeft het hof betrokken bij de berekening van het inkomensverlies in het kader van de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding en zal daarom niet nogmaals separaat worden toegewezen. Overigens merkt het hof op dat indien het ervoor moet worden gehouden dat dit inkomensverlies ook in een geval als dit niet toewijsbaar zou zijn als onderdeel van de billijke vergoeding, dit wel op de voet van art. 7:611 BW verschuldigd zou zijn. Grief III van [verzoeker] faalt en grief V van Teqoia hoeft daarom geen behandeling meer.

Kosten deskundige

5.18

De kosten van de psychiatrische rapportage van dr. [naam psychiater] en zijn aanvullende reactie d.d. 19 oktober 2019 zijn gemaakt ter vaststelling van het causaal verband tussen het handelen van Teqoia en de door [verzoeker] gestelde arbeidsongeschiktheid en (immateriële) schade. De kosten kwalificeren daarom als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:96b lid 2 sub b. BW. Het hof is verder van oordeel dat deze kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Grief IV van [verzoeker] slaagt dan ook en de gevraagde vergoeding van € 4.389,60 zal worden toegewezen.

Kosten advocaat (30 december 2016 tot 1 mei 2019 ad € 14.334,14)

5.19

Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld en het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten door Teqoia gedurende een lange periode acht het hof het redelijk dat [verzoeker] kosten heeft gemaakt voor juridische bijstand door een advocaat tijdens die periode, anders dan voor de onderhavige procedure. Deze kosten kwalificeren als buitengerechtelijk incassokosten in de zin van art. 6:96 lid 2 BW en kunnen eveneens de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. Teqoia heeft zich ernstig verwijtbaar gedragen ten opzichte van [verzoeker] en de advocaat van [verzoeker] heeft zich veel moeite getroost om een en ander te redresseren. Dit heeft aanzienlijke kosten met zich meegebracht. Het verzoek tot vergoeding van de kosten ad € 14.334,14 inclusief btw wordt toegewezen. Grief V van [verzoeker] slaagt.

Wettelijke rente

5.20

De wettelijke rente zal worden toegewezen als hierna te melden.

Samenvatting ten aanzien van de grieven

5.21

Het voorgaande betekent dat de grieven van [verzoeker] slagen, met uitzondering van grief III. Alleen de incidentele grief II van Teqoia slaagt om formeel juridische redenen maar faalt voor het overige omdat deze slechts leidt tot een verbetering van gronden. De overige incidentele grieven van Teqoia falen, dan wel heeft zij geen belang bij (verdere) behandeling ervan, omdat zij niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

Proceskosten

5.22

Teqoia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in het principaal en incidenteel hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

In het principaal en incidenteel hoger beroep

- vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de kantonrechter Den Haag van 24 december 2019, met uitzondering van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2020 en de veroordeling van Teqoia om aan [verzoeker] te betalen € 14.734,81 bruto aan vergoeding over niet opgenomen vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

en in zoverre opnieuw rechtdoende

- veroordeelt Teqoia tot betaling van:

( i) € 270.000,- bruto billijke vergoeding;

(ii) € 81.000,- bruto transitievergoeding;

(iii) € 4.389,60 kosten deskundige;

(iv) € 14.334,14 kosten advocaat;

( v) de wettelijke rente over (i) tot en met (iv) vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Teqoia in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [verzoeker] tot op 24 december 2019 begroot op € 81,- aan verschotten en € 961,- aan salaris advocaat;

- bekrachtigt de beschikking voor het overige;

  • -

    veroordeelt Teqoia in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 332,- aan verschotten en € 8.128,- aan salaris advocaat in het principaal beroep en € 4.064,- in het incidenteel beroep;

  • -

    verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.D. Ruizeveld, C.J. Frikkee en A.R. Houweling en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2021 in aanwezigheid van de griffier.