Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:385

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
200.287.553/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP. Beëindiging zonder schone lei. Onjuiste toepassing artikel 350 lid 3 onder f Fw?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.287.553/01

Insolventienummer rechtbank : C/10/17/1034 R

arrest van 8 maart 2021

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.M. van der Linden te Leiden.

Het geding

Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 december 2017 is ten aanzien van [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2020 is aan [appellante] de schone lei onthouden. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellante] hoger beroep ingesteld bij een op 24 december 2020 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift (met producties). Het hof heeft naast het beroepschrift kennisgenomen van de volgende stukken:

- de processtukken van de eerste aanleg en stukken betreffende de strafrechtelijke procedure tegen [appellante] en de bestuursrechtelijke procedure inzake haar ontslag, toegestuurd door [appellante],

- de openbare verslagen en een reactie op het beroepschrift, toegestuurd door M.A.T. Noordzij, de bewindvoerder,

- een schriftelijke reactie op de boedelachterstand, van [appellante],

- een e-mail van de bewindvoerder van 1 december 2020 aan de advocaat van [appellante];

- een nadere aanvulling van gronden van het beroep bij de Centrale Raad van Beroep, toegestuurd door [appellante].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021, waarbij [appellante] en haar advocaat zijn verschenen, alsmede [naam], de gemachtigde van [appellante] in de bestuursrechtelijke procedures tegen het ontslagbesluit. Verder is verschenen de bewindvoerder, vergezeld door een kantoorgenoot.

De beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank als volgt geoordeeld.

1.1

[appellante] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Er wordt haar verweten dat zij onrechtmatig reiskosten heeft gedeclareerd en vergoedingen heeft ontvangen, die zij bovendien op de rekening van haar ouders liet binnenkomen om deze op die manier te onttrekken aan het loonbeslag dat de schuldeisers op haar salarisrekening hadden gelegd.

De feiten die aan deze verwijten ten grondslag liggen zijn opgenomen in het interne onderzoeksrapport op grond waarvan haar werkgever heeft besloten tot strafontslag. Het strafontslag is vervolgens twee keer getoetst, te weten in een interne bezwaarprocedure en door de rechtbank Midden-Nederland.

De in het rapport geformuleerde feiten en verwijten zijn door [appellante] onvoldoende weerlegd, aldus de rechtbank in de onderhavige zaak. [appellante] heeft bovendien een deel van de gedragingen erkend jegens haar voormalige werkgever, namelijk de ontvangst van drie keer een onregelmatigheidstoeslag van € 250,- in of rond 2017 en dat zij die bedragen heeft laten betalen op een bankrekening van haar ouders, waardoor die betalingen werden onttrokken aan het loonbeslag dat door een schuldeiser was gelegd.

Voornoemde gedragingen van [appellante] zijn onverenigbaar met het wezen en de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling en getuigen niet van een saneringsgezinde houding, wat op zichzelf reeds grond vormt om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder schone lei.

1.2

Als gevolg van die gedragingen is [appellante] haar (fulltime) baan en daarmee haar bron van inkomsten verloren. Als gevolg van het strafontslag is zij derhalve toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting om zich tot het uiterste in te spannen om haar dienstverband te behouden en zijn haar schuldeisers daardoor ernstig benadeeld.

1.3

Voorts is als gevolg van het ontslag een voorwaardelijke bovenmatige nieuwe schuld ontstaan omdat het voorschot aan WW-uitkering bij afwijzing van het hoger beroep wordt teruggevorderd.

1.4

De rechtbank is van oordeel dat deze feiten, die zich hoofdzakelijk hebben afgespeeld gedurende drie jaar voorafgaand aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling, aan toelating in de weg zouden hebben gestaan omdat [appellante] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden, omdat zij meer op haar schulden zou hebben afgelost dan via het loonbeslag is gerealiseerd.

In de procedure tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft [appellante] deze feiten voor de rechter verzwegen.

1.5

Daarnaast heeft [appellante] een boedelachterstand laten ontstaan van € 1.231,35. Dat die tekortkoming niet aan [appellante] te verwijten is, is niet aannemelijk geworden, nu er vele malen over de achterstand is gecorrespondeerd en steeds ruimte is geboden die in te lopen. Dat de boedelachterstand pas op het laatste moment naar beneden is bijgesteld doet daar niet aan af.

1.6

Voor een verlenging, zoals voorgesteld door de bewindvoerder, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien omdat [appellante] niet alsnog de aan haar verweten onttrekkingen voorafgaand aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling, ongedaan zal kunnen maken.

De rechtbank heeft daarom aan [appellante] de schone lei onthouden.

2. De grieven en argumenten van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.

2.1

Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1203) voert [appellante] aan dat de rechtbank niet het daarin genoemde wettelijke stramien in acht heeft genomen door de weigering van de schone lei (mede) te baseren op art. 350 lid 3 onder f Fw, dat van toepassing is bij een tussentijdse beëindiging maar niet aan het einde van de schuldsaneringsregeling, waarbij de weg van art. 354 Fw gevolgd had moeten worden.

2.2

De rechtbank heeft volgens [appellante] voorts ten onrechte de beslissing gebaseerd op het strafontslag. Het ontslag is getoetst in een interne bezwaarprocedure en door de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd bij uitspraak van 30 juni 2020, maar [appellante] heeft tegen deze laatste beslissing hoger beroep aangetekend bij de Centrale Raad van Beroep. De uitspraak van 30 juni 2020 is nog niet onherroepelijk geworden en de rechtbank had dan ook in de onderhavige procedure behoedzaam met de overwegingen die aan die uitspraak ten grondslag lagen, moeten omgaan. Dat heeft de rechtbank ten onrechte niet gedaan. Bovendien is op de eindzitting uitvoerig gesproken over de boedelachterstand, maar is niet inhoudelijk ingegaan op de bestuursrechtelijke procedure. Dat het strafontslag een rol speelde bij de weigering van de schone lei, wekte dan ook verbazing bij [appellante].

2.3

Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] als gevolg van het strafontslag toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar inspanningsverplichting. Zij had een fulltime dienstverband en in het kader van de inspanningsverplichting diende zij zich in te spannen dit dienstverband te behouden.

De vermeende handelingen die volgens de rechtbank tot het ontslag hebben geleid, dateren echter van voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling en kunnen derhalve geen tekortkoming in de inspanningsverplichting opleveren, aldus [appellante].

2.4

Ook loopt de rechtbank vooruit op eventuele zaken door te oordelen dat een voorwaardelijke bovenmatige nieuwe schuld is ontstaan omdat het voorschot aan WW-uitkering bij afwijzing van het hoger beroep in de ontslagzaak zal worden teruggevorderd.

Er is op dit moment geen onvoorwaardelijke nieuwe schuld, aldus nog steeds [appellante].

2.5

De boedelachterstand van € 1.231,35 wordt door [appellante] betwist. Volgens haar is sprake van een voorstand. [appellante] is het steeds niet eens geweest met de hoogte van de boedelachterstand, die pas kort voor de eindzitting naar beneden is bijgesteld, en heeft de bewindvoerder daarvan ook steeds op de hoogte gesteld. Zo er al sprake is van een achterstand dient die tekortkoming niet aan haar te worden toegerekend, omdat de bewindvoerder niet tijdig de juiste boedelachterstand heeft berekend en aan haar heeft doorgegeven. Zekerheidshalve heeft [appellante] de boedelachterstand inmiddels voldaan.

3. Het standpunt van de bewindvoerder komt er kort gezegd op neer dat er geen nieuwe informatie is om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank in het bestreden vonnis. Door de bewindvoerder is onder meer het volgende naar voren gebracht.

De boedelachterstand is inmiddels inderdaad ingelopen. Zijn berekening van de hoogte van de afdrachtverplichting is wel juist geweest. Er hebben correcties plaatsgevonden omdat er bedragen per bank bij [appellante] binnenkwamen die later op haar loonstrook weer werden gecorrigeerd. Een en ander had gevolgen voor de hoogte van de boedelafdracht, die daarop bijgesteld diende te worden. Er is thans een kleine voorstand van € 30,57 in verband met zorgkosten die ten onrechte waren aangemerkt als zorgpremie. Dat bedrag zal worden terugbetaald aan [appellante].

De gedragingen van [appellante] die te maken hebben met het onttrekken van gelden aan het loonbeslag dateren weliswaar van vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar [appellante] heeft die gedragingen in vervolgprocedures ná toelating tot de regeling erkend. Die gedragingen, die niet getuigen van een saneringsgezinde houding, hadden door [appellante] bij de toelatingszitting gemeld dienen te worden.

4. Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft [appellante] in 2017 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. In het arrest van 12 december 2017 is onder meer geoordeeld dat niet gebleken is van een situatie waarin kan worden aangenomen dat in de afgelopen vijf jaar van [appellante] kon worden gevergd dat zij méér op haar schuld zou afbetalen dan zij via het loonbeslag heeft gedaan (zie onder 5.2).

Thans is komen vast te staan dat [appellante] in de periode dat er loonbeslag onder haar werkgever lag, bedragen op de bankrekening van haar ouders heeft laten overmaken en die zo buiten het bereik van het loonbeslag heeft gehouden. Blijkens het Besluit strafontslag van 18 juli 2019 heeft [appellante] in de periode 2015-2017 iedere maand reisdeclaraties ingediend (p. 2). Ook heeft [appellante] bedragen onregelmatigheidstoeslag (ORT) ontvangen. In het Besluit strafontslag is onder Uitbetaling vergoedingen (p. 5 en 6) onder meer het volgende vermeld:

“De gedeclareerde reiskosten werden volgens uw verklaring van 24 augustus 2017 overgemaakt op een rekeningnummer dat te naam is gesteld van uw ouders. De reden die u hiervoor gaf was dat op uw salarisrekening (sinds 2009) loonbeslag lag.”

[…]

“U heeft verklaard dat u de reiskostenvergoeding en ORT vergoeding op rekening van uw ouders liet overmaken omdat u reiskosten maakte die betaald moesten worden. Ik stel vast dat u bewust de ontvangen ORT vergoeding, die loon vormt, buiten het loonbeslag heeft gehouden dat op uw salarisrekening lag.”

Ter zitting heeft [appellante] bevestigd dat zij bedragen voor reiskosten en ORT-vergoeding heeft laten overmaken naar een rekening op naam van haar ouders. [appellante] heeft verklaard dat het bij de vergoedingen voor reiskosten maandelijks ging om ongeveer € 1.500 in de periode van begin 2015 tot medio 2016. Noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft [appellante] gemotiveerd de juistheid bestreden van de vermelding in het Besluit strafontslag dat zij voor het laten overmaken naar de rekening van haar ouders als reden had gegeven dat op haar salarisrekening loonbeslag lag. De enkele vermelding (op p. 6 van het beroepschrift) dat de rechtbank Midden-Nederland hierover in de uitspraak van 30 juni 2020 niet rept, is in dit verband niet voldoende.

Uit het voorgaande volgt dat [appellante] bij de toelatingszitting geen open kaart heeft gespeeld en informatie heeft verzwegen over het door haar onttrekken van gelden aan het loonbeslag. Van deze informatie wist zij dan wel had zij redelijkerwijs kunnen weten dat die in het kader van de beoordeling van haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van belang was en in de weg zou hebben gestaan aan toelating tot de schuldsaneringsregeling. Deze schending van de informatieplicht bij de toelating is onverenigbaar met het wezen en de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling en getuigt niet van een saneringsgezinde houding van [appellante]. Alle omstandigheden in aanmerking nemende, kan niet worden gezegd dat het gaat om een tekortkoming die vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan, buiten beschouwing kan worden gelaten. De tekortkoming is dermate ernstig dat die reeds voldoende aanleiding vormt om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder schone lei. De omstandigheid dat de verzwegen feiten ook aanleiding hadden kunnen vormen voor een tussentijdse beëindiging op de voet van art. 350 lid 3 onder e of f Fw, staat hieraan niet in de weg. Omstandigheden die grond opleveren voor tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 lid 3 onder e Fw kunnen op grond van art. 358a lid 1 Fw zelfs na beëindiging van de schuldsaneringsregeling nog aanleiding geven tot het ontnemen van de schone lei.

5. Hetgeen meer of anders is aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen nadere bespreking. De conclusie is dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2020.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, M.J. van Cleef-Metsaars en A.J. Swelheim, en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 8 maart 2021.