Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:353

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
200.283.414/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

De kantonrechter heeft het verzoek van de bewindvoerder (namens rechthebbende) om een extra beloning aan rechthebbende in rekening te mogen brengen afgewezen. Omdat rechthebbende zelf daartoe niet in staat is, verzoekt de bewindvoerder op de voet van artikel 1:443 BW de kantonrechter om hem te machtigen om in hoger beroep tegen voormelde afwijzing namens rechthebbende te mogen optreden.

De kantonrechter heeft het verzoek om bedoelde machtiging te verlenen afgewezen op grond van een afweging van het belang van de rechthebbende en het belang van de bewindvoerder. Het hof overweegt dat artikel 1:143 BW is bedoeld als een vorm van zekerheid voor de bewindvoerder dat hij niet achteraf door de rechthebbende wordt beschuldigd van een lichtvaardig besluit tot procederen. Het artikel maakt de bevoegdheid van de bewindvoerder om namens rechthebbende te procederen niet afhankelijk van het verkrijgen van die machtiging (of toestemming van de rechthebbende) (zie MvA, Kamerstukken II 1979/80, 15350, nr. 5, p. 23). De kantonrechter is volgens het hof met de belangenafweging van het belang van de bewindvoerder en het belang van de rechthebbende voorbij gegaan aan het uitgangspunt dat er in beginsel geen sprake is van een tegenstrijdig belang, nu de bewindvoerder wordt geacht het belang van de rechthebbende te behartigen. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter, door niet te beoordelen of er sprake is van een lichtvaardig besluit tot procederen, maar door te beoordelen of een hoger beroep al dan niet het belang van rechthebbende dient, een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd.

Niettemin verklaart het hof de bewindvoerder niet ontvankelijk in het hoger beroep, omdat al hoger beroep was ingesteld tegen de afwijzing door de kantonrechter van het verzoek om een extra beloning aan rechthebbende in rekening te mogen brengen, en daar inmiddels inhoudelijk uitspraak in is gedaan. Daarmee is het belang van de bewindvoerder dat aan hem een machtiging wordt verleend, en derhalve aan een uitspraak in deze procedure, komen te vervallen. Ook beschikt het hof niet over het inleidend verzoek van de bewindvoerder van 25 mei 2020, zodat het hof simpelweg niet in staat zou zijn om vorenbedoelde toets, te weten: of er sprake is van een lichtvaardig besluit tot procederen, uit te voeren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 443
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.283.414/01

rekestnummer rechtbank : VZ VERZ 20-9818

zaaknummer rechtbank : 8533310

beschikking van de meervoudige kamer van 3 maart 2021

inzake

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: rechthebbende),

vertegenwoordigd door [stichting voor bewindvoering] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder (hierna ook te noemen: de bewindvoerder),

gevestigd te [plaats] ,

advocaat: mr. W.H. Klein Meuleman te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam van 23 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De bewindvoerder is namens rechthebbende op 17 september 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

Bij het hof is voorts ingekomen het mailbericht van de advocaat van de bewindvoerder van 22 januari 2021 ingekomen op diezelfde datum.

2. 3 De mondelinge behandeling heeft op 26 januari 2021 plaatsgevonden. Verschenen is de advocaat van de bewindvoerder mr. W.H. Klein Meuleman.

Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen is rechthebbende noch de bewindvoerder ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2019 zijn alle goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende onder bewind gesteld wegens diens lichamelijke of geestelijke toestand. Daarbij is de [stichting voor bewindvoering] tot bewindvoerder benoemd.

3.2

Bij beschikking van 17 februari 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam een verzoek om een extra beloning in rekening te mogen brengen aan rechthebbende, afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder tot het verlenen van een machtiging om namens rechthebbende hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de kantonrechter van 17 februari 2020 en de kosten van die procedure ten laste van het vermogen van rechthebbende te mogen brengen, afgewezen.

4.2

De bewindvoerder is het niet eens met deze beslissing en hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de bewindvoerder van 25 mei 2020 alsnog in te willigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De bewindvoerder voert in zijn verzoekschrift, zoals door zijn advocaat ter zitting aangevuld, het volgende aan. Door rechthebbende is op 8 mei 2020 hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de kantonrechter van 17 februari 2020, waarbij het verzoek om een extra beloning in rekening te mogen brengen aan rechthebbende door de kantonrechter was afgewezen. Dit hoger beroep is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.278.143/01. Het hof heeft in die procedure op 11 november 2020 een inhoudelijke beslissing gegeven. De bewindvoerder heeft op de voet van het bepaalde in artikel 1:443 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op 25 mei 2020 een verzoek ingediend bij de kantonrechter om hem te machtigen om in voormeld hoger beroep namens rechthebbende te mogen optreden nu rechthebbende daartoe zelf niet in staat is. De kantonrechter heeft bij het afwijzen van het verzoek van de bewindvoerder ten onrechte een onderscheid gemaakt tussen het belang van de bewindvoerdersorganisatie en het belang van rechthebbende. Dat onderscheid mag niet gemaakt worden nu de bewindvoerder er is om het belang van rechthebbende te behartigen. De kantonrechter heeft daarnaast niet gemotiveerd waarom het hoger beroep, waartoe de machtiging is aangevraagd, niet in het belang is van rechthebbende, ook niet nadat de kantonrechter bekend raakte met de inhoud van de beslissing op bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad voor Rechtsbijstand had in die beslissing laten weten dat rechthebbende wel een belang heeft bij het verlenen van de toevoeging nu – kort gezegd – de bewindvoerder een aantal (aanvullende) werkzaamheden heeft verricht die zien op de verblijfsrechtelijke situatie en het daaraan verbonden inkomen voor rechthebbende. De kantonrechter had in de bestreden beschikking op een dergelijke wijze het gerechtvaardigd belang van rechthebbende moeten beoordelen. De kantonrechter is bij verzoeken als deze in de positie van een bestuursorgaan gedrongen. Er is niet sprake van rechtspraak, maar van het daadwerkelijk geven van beslissingen op basis van (onzichtbaar) beleid. De beslissing van de kantonrechter is in strijd met het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en vertoont trekken van misbruik van bevoegdheid, omdat op deze wijze door de kantonrechter het instellen van een procedure tegen een andere beslissing van diezelfde kantonrechter niet wordt goedgekeurd. Hoewel er in het hoger beroep dat rechthebbende zelf, dus zonder zijn bewindvoerder, tegen de beschikking van 17 februari 2020 is ingesteld inhoudelijk al een uitspraak is gedaan, verzoekt rechthebbende in deze procedure alsnog een principiële uitspraak.

5.2

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:443 BW kan de bewindvoerder alvorens in rechte op te treden zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter. Deze bepaling is bedoeld als een vorm van zekerheid voor de bewindvoerder dat hij niet achteraf door de rechthebbende wordt beschuldigd van een lichtvaardig besluit tot procederen. Het artikel maakt de bevoegdheid van de bewindvoerder om namens rechthebbende te procederen niet afhankelijk van het verkrijgen van die machtiging (of toestemming van de rechthebbende) (zie MvA, Kamerstukken II 1979/80, 15350, nr. 5, p. 23). Dit leidt ertoe dat de vraag die door de kantonrechter bij het wel of niet verlenen van de verzochte machtiging moet worden beantwoord luidt of er sprake is van een lichtvaardig besluit van de bewindvoerder om namens rechthebbende een procedure te starten. Wanneer daar geen sprake van is, kan er een machtiging tot procederen aan de bewindvoerder worden verleend.

5.3

In onderhavige procedure heeft de bewindvoerder ervoor gekozen om, nu rechthebbende volgens de bewindvoerder zelf niet in staat is om de hiervoor bedoelde machtiging aan de bewindvoerder te verlenen, de kantonrechter te verzoeken deze machtiging te verlenen. Blijkens de overwegingen in de bestreden beschikking heeft de kantonrechter dit verzoek om een machtiging te verlenen afgewezen op grond van een afweging van het belang van de rechthebbende en het belang van de bewindvoerder. Daarmee is de kantonrechter voorbijgegaan aan het uitgangspunt dat er in beginsel geen sprake is van een tegenstrijdig belang nu de bewindvoerder wordt geacht het belang van de rechthebbende te behartigen. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter, door niet te beoordelen of er sprake is van een lichtvaardig besluit tot procederen, maar door te beoordelen of een hoger beroep al dan niet het belang van rechthebbende dient, daarmee in beginsel een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd.

5.4

Ongeacht het gebruik van dit onjuiste toetsingskader, dient de bewindvoerder naar het oordeel van het hof in zijn hoger beroep toch niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof legt hieraan het volgende ten grondslag. Blijkens de mededeling van de advocaat van de bewindvoerder ter zitting, is er in het hoger beroep dat rechthebbende zelf heeft aangespannen tegen de beschikking van 17 februari 2020, met zaaknummer 200.278.143/01, inmiddels inhoudelijk uitspraak is gedaan. Daarmee is het belang van de bewindvoerder dat aan hem een machtiging wordt verleend, en derhalve aan een uitspraak in deze procedure, komen te vervallen. Voorts ontbreekt in het aan het hof overgelegde procesdossier het inleidend verzoek van de bewindvoerder van 25 mei 2020. De advocaat van de bewindvoerder heeft, na vragen van het hof daarover, aangegeven dat de bewindvoerder dit verzoekschrift niet meer kon produceren en dat het procesdossier op dit punt incompleet zal blijven. Dit brengt mee dat, ook in het geval er wel sprake zou zijn van enig belang bij een uitspraak van het hof, het hof simpelweg niet in staat zou zijn om vorenbedoelde toets, te weten: of er sprake is van een lichtvaardig besluit tot procederen, uit te voeren. Op grond van vorenstaande zal het hof de bewindvoerder dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

5.5

Het vorenstaande leidt tot navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

verklaart de bewindvoerder niet-ontvankelijk in zijn tegen de beschikking van 23 juni 2020 ingestelde hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.M. Braun, J.A. van Kempen en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier en is op 3 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.