Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:343

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
200.264.625/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:5712
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest/bewijsopdracht. Geen aansprakelijkheid wegens niet in acht nemen van opzegtermijn bij gestelde duurovereenkomst. Appellant heeft op zichzelf terecht aangevoerd dat hij er groot belang bij had om voldoende ruim van tevoren afname-zekerheid te hebben. Daartegenover stond echter het belang van geïntimeerde om zich niet te binden zolang zij geen orders van haar eigen afnemer had. Het was aan partijen om binnen dit spanningsveld eventueel afspraken met elkaar te maken over termijnen. Bij gebreke daarvan geldt evenwel – in de gegeven omstandigheden – dat slechts van jaar tot jaar daadwerkelijk gesloten koop(optie)overeenkomsten partijen bonden (en eiser offertes gedurende de looptijd ervan), en ziet het hof geen ruimte voor het aannemen van aansprakelijkheid van geïntimeerde voor een (geschonden) opzegtermijn ter zake van de meerjarige handelsrelatie tussen partijen. De offerte voor 2014 is evenmin stilzwijgend aanvaard. Bewijsopdracht aan appellant dat deze offerte in telefoongesprekken in en na de zomer van 2013 mondeling is aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.264.625/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/552890 / HA ZA 18-523

arrest van 16 maart 2021

inzake

[appellant] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.N. Pracht te Alphen aan den Rijn,

tegen

[naam 2] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam B.V.],

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de curator,

[naam B.V.] hierna te noemen: [naam B.V.] ,

advocaat: mr. J. Thiele te Alphen aan den Rijn.

1 Het geding

1.1.

Bij exploot van 16 augustus 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag gewezen vonnis van 22 mei 2019 (hierna: het bestreden vonnis) tussen [appellant] en [naam 1] in zijn toenmalige hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam B.V.] . Bij memorie van grieven, met producties 1-7, heeft [appellant] elf grieven aangevoerd. Bij akte is vervolgens de curator [naam 1] q.q. opgevolgd als partij in de procedure. Bij memorie van antwoord, met producties 1-9, heeft de curator de grieven bestreden.

1.2.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd en hebben partijen op 17 november 2020 de zaak door hun advocaten doen bepleiten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Van de pleidooizitting is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte is arrest bepaald op heden.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

In deze zaak stelt [appellant] dat [naam B.V.] ten onrechte een hoeveelheid door [appellant] gekweekte planten of bomen (hierna: planten) niet heeft afgenomen. Volgens [appellant] is sprake van wanprestatie of althans onrechtmatig afgebroken onderhandelingen, en is [naam B.V.] daarom schadeplichtig. [naam B.V.] is gefailleerd en de curator (toen nog [naam 1] q.q.) heeft de vordering van [appellant] op de verificatievergadering betwist. In deze renvooiprocedure eist [appellant] erkenning van zijn aanspraak.

feiten

2.2.

De door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2. vastgestelde feiten zijn niet in geschil, behoudens de in 2.3 van dat vonnis vermelde duur van de samenwerking tussen [appellant] en [naam B.V.] . Hierop zal het hof hierna in 2.21 ingaan. Voor het overige zal het hof uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten (onder 2. van het bestreden vonnis). Kort gezegd gaat het om het volgende.

2.3.

[appellant] drijft een onderneming in het kweken van planten en specialiseert zich in de kweek van syringa’s en magnolia’s.

2.4.

[naam B.V.] dreef een onderneming in het verhandelen van kwekersplanten. Zij kocht planten van kwekers en verkocht die vervolgens door aan bouwmarkten. Haar grootste afnemers waren de in Duitsland gevestigde bedrijven [X] en [Y] (hierna gezamenlijk ook: [X+Y] ).

2.5.

[appellant] leverde jaarlijks op bestelling van [naam B.V.] magnolia’s en syringa’s.

2.6.

Op de overeenkomsten tussen [appellant] en [naam B.V.] waren de algemene inkoopvoorwaarden van [naam B.V.] (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Hierin

stonden onder meer de volgende bepalingen:

“Leverancier: iedere natuurlijke of rechtspersoon bij wie [naam B.V.] Producten bestelt en/of met wie [naam B.V.] in bespreking of onderhandeling is over het sluiten van een Overeenkomst;

Offerte: een aanbod van Leverancier tot het aangaan van een Overeenkomst met [naam B.V.] ;

Order: iedere opdracht van [naam B.V.] aan Leverancier tot levering van Producten, in welke vorm dan ook, waaronder een koopbrief met orderbevestiging;

Overeenkomst: iedere Overeenkomst die tussen [naam B.V.] en Leverancier tot stand komt naar aanleiding van een Offerte of Order, elke wijziging of aanvulling daarop, alsmede alle (rechts)handelingen ter voorbereiding en/of ter uitvoering van die Overeenkomst:

[…]

Artikel 2 Totstandkoming

2.1.

Alle Orders van [naam B.V.] zijn vrijblijvend en kunnen door [naam B.V.] vormvrij worden herroepen.

2.2.

Offertes en prijsopgaven door Leverancier zijn vast en bindend en kunnen voor of na de Order/Overeenkomst niet meer worden gewijzigd, tenzij zij betrekking hebben op een door Leverancier (eventueel tussentijds) te verlenen (extra) korting. Indien Offertes een beperkte geldigheidstermijn hebben, dient dit door Leverancier daarbij te zijn aangegeven.

2.3.

Offertes dienen de volgende informatie weer te geven: plantnaam [...], maat, potmaat, de kwaliteit, de leverperiode en de prijs [...]

2.4.

De schriftelijke bevestiging door [naam B.V.] aan Leverancier treedt in de plaats van eerdere, eventueel mondelinge afspraken. Indien naar de mening van Leverancier aanvullende of andersluidende afspraken zijn gemaakt, die niet in de Order zijn opgenomen, dient Leverancier hiervan onverwijld [...] schriftelijk melding te maken bij de afdeling Inkoop van [naam B.V.] .”

2.7.

Op 20 december 2011 heeft [appellant] aan [naam B.V.] een faxbericht gestuurd gericht aan [inkoper bij BV I] , inkoper bij [naam B.V.] (hierna: [inkoper bij BV I] ):

“Goedenavond [inkoper bij BV I] ,

Ik heb alle koopovereenkomsten getekend maar met een twijfel over de prijzen voor 2013. Wij moeten begin 2012, liefst eerste week, met jou en [Z] om de tafel gaan zitten om over de prijzen te praten. Met alle investeringen die ik ga doen: voor jullie moet daar iets tegenover staan. Graag een reactie

[...] [appellant] [ [appellant] , hof]”

Hieronder is de volgende opmerking handmatig bijgeschreven:

“Op 05-01-2012 is [inkoper bij BV I] [ [inkoper bij BV I] , hof] komen praten en afgesproken is dat we voor 2014 de prijzen serieus gaan bespreken en we gaan voor + € 0,20/€ 0,25 verhoging.”

2.8.

Op 27 november 2012 heeft [appellant] acht offerteaanvraagformulieren van [naam B.V.]

ingevuld en ondertekend teruggestuurd naar [naam B.V.] (hierna gezamenlijk ook: de offerte). Elk formulier bevat een door [appellant] ingevulde vervaltermijn (1 mei of 1 juni 2013) en is getiteld: “Offerte aanvraag Voorjaar 2014”.

2.9.

Op 2 mei 2013 heeft [appellant] een e-mailbericht gestuurd aan [naam B.V.] met daarin de

volgende tekst:

“Goedemorgen [inkoper bij BV I] ,

Is er al iets bekend over de lengte van de takken van de Magnolia en Syringa voor levering voorjaar 2014. Wij gaan over een paar weken toppen en dan is het belangrijk wat we gaan aanhouden. Graag zsm antwoord.

Met vriendelijke groeten,

[appellant] ”

2.10.

Hierop heeft [naam B.V.] diezelfde dag per e-mail geantwoord: “Blijft zoals AFP ©”. ‘AFP’ is een afkorting en staat voor Pflanzenanforderungsprofil, een standaardspecificatie voor dikte en lengte voor plantentakken.

2.11.

Op 10 mei 2013 heeft [appellant] aan [naam B.V.] nog een e-mailbericht gestuurd, met daarin

opmerkingen over de technische specificaties van de syringa’s en magnolia s.

2.12.

Op 14 juni 2013 heeft [naam B.V.] aan [appellant] het volgende e-mailbericht gestuurd:

“Hallo [appellant] ,

Graag deze morgen een volledige aanbieding Magnolia stam sturen aan mslingerland@plantenservice.nl

Groeten […]

[inkoper bij BV I] ”

2.13.

Diezelfde dag heeft [appellant] het volgende e-mailbericht aan [naam B.V.] gestuurd:

“Goedemorgen,

Aanbieding van Magnolia stam

-soorten soulangeana, susan, stellata

-60-70 cm stam hoogte

-21 per laag

-kroon 3-4 tak

-pot vp 4.5

-met klik etiket geleverd door [naam B.V.]

-€8.00 per stuk

-levering najaar 2013-voorjaar 2014”

2.14.

Op 11 juli 2013 is [X] in staat van faillissement verklaard. Vervolgens is op 26 juli 2013 [Y] in staat van faillissement verklaard. Bestellingen van [X] en [Y] bij [naam B.V.] bleven vanaf dat moment uit.

2.15.

Drie maanden later, op 17 oktober 2013, heeft [naam B.V.] haar leveranciers voorzien van de laatste informatie over [naam B.V.] en [Y] . Het e-mailbericht bevat een bijlage met de volgende tekst:

“Beste leverancier

Hierbij ontvangt u een update over de situatie [naam B.V.] en [Y]

We realiseren ons dat duidelijkheid over aantallen op zich laat wachten. De verwachting is dat over dit weekend bekend zal worden gemaakt hoe de overname van [Y] in hoofdlijnen uit zal vallen en dat ook het personeel van [X] en [Y] geïnformeerd gaat worden.

Op basis van de huidige status van de onderhandelingen gaat [naam B.V.] voorjaar 2014 zo’n 120 a 130 [Y] filialen beleveren.

Om de continuïteit van [naam B.V.] te kunnen blijven waarborgen heeft [naam B.V.] besloten om een aantal maatregelen door te voeren. Zo zal [naam B.V.] fors op alle gebieden moeten bezuinigen. Verder kan [naam B.V.] zich niet onttrekken aan een reorganisatie met deels ook consequenties voor het personeelsbestand. Door natuurlijke afvloeiing en beëindigen c.q. niet verlengen van contracten voor bepaalde tijd en minder inzetten van ZZP’ers, kan het probleem worden

opgelost, maar voor een tiental personen betekent het helaas toch gedwongen ontslag.

Met de reorganisatie in combinatie met de nieuwe structuur waarbinnen [naam B.V.] , vanaf de doorstart [Y] , zal gaan opereren is de continuïteit gewaarborgd. De nieuwe structuur betreft een consortium waarbinnen zgn. Flora Holland kwekers via een coöperatieve vereniging, samen met een groep directe/overige kwekers die al of niet verzameld zijn in een coöperatieve vereniging, en [naam B.V.] de belevering van [Y] op zich zullen nemen. De eerste groep van 25 grotere kwekers heeft reeds toegezegd en de onderhandelingen met een tweede grotere groep om gezamenlijk krachten te bundelen zal spoedig beginnen. Het is de bedoeling om deze laatste categorie binnen enkele weken te kunnen binden aan het consortium. [naam B.V.] zal u benaderen voor verdere informatie. […]”

2.16.

Op 4 februari 2014 is [naam B.V.] in staat van faillissement verklaard met aanstelling van

[naam 1] tot curator. Per 1 januari 2020 is [naam 2] hem in die hoedanigheid opgevolgd.

vordering en vonnis eerste aanleg

2.17.

In eerste aanleg heeft [appellant] erkenning gevorderd van zijn vordering van € 227.250,-- met veroordeling van de curator in de proceskosten. Aan deze vordering heeft hij de stelling ten grondslag gelegd dat [naam B.V.] contractueel verplicht was tot afname van syringa’s en magnolia’s in 2014 voor een prijs van € 384.087,50, of althans onderhandelingen daarover onrechtmatig heeft afgebroken. Als gevolg van het feit dat [naam B.V.] de planten niet heeft afgenomen en betaald stelt [appellant] schade te hebben geleden door misgelopen omzet. [appellant] stelt een deel van de te leveren planten aan derden te hebben kunnen verkopen en daarmee zijn schade te hebben kunnen beperken tot € 227.750,--.

2.18.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.

vordering in het hoger beroep

2.19.

[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vordering, met veroordeling van de curator tot restitutie van wat [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hem (voormalig curator [naam 1] ) heeft voldaan, vermeerderd met rente, en met veroordeling van de curator in de kosten van beide instanties. De curator concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

beoordeling van de vordering in het hoger beroep

2.20.

Niet alleen op grond van onrechtmatige daad, maar ook op de door hem gestelde contractuele grondslag vordert [appellant] geen nakoming maar schadevergoeding. Het hof begrijpt uit deze stellingname dat [appellant] bedoeld heeft de door hem gestelde aanspraak op nakoming, om te zetten in een verbintenis tot betaling van schadevergoeding, dan wel de overeenkomst te ontbinden en aanspraak te maken op vergoeding van ontbindingsschade.

2.21.

Met grief 1 komt [appellant] op tegen de vaststelling van de rechtbank dat [appellant] en [naam B.V.] sinds 2005 een handelsrelatie hadden; volgens [appellant] bestond die handelsrelatie tenminste 15 jaar. De curator erkent het bestaan van de handelsrelatie sedert 10 december 2000. Wat het aanvangsmoment van de handelsrelatie betreft is de grief in zoverre gegrond en voor het overige, wegens onvoldoende onderbouwing, ongegrond. De ontwikkeling van de handelsrelatie in de periode tot aan het faillissement van [naam B.V.] , en de precieze inhoud daarvan, vormt het voorwerp van de overige grieven van [appellant] . Deze eerste grief heeft wat dit betreft geen zelfstandige betekenis.

2.22.

Met grief 2 komt [appellant] op tegen het niet-vaststellen door de rechtbank van een aantal volgens [appellant] onbetwiste feiten. Voor zover [appellant] deze feiten niet heeft aangevoerd ter adstructie van de grondslag van zijn vordering kan het hof hieraan voorbij- gaan. Voor het overige heeft de grief geen zelfstandige betekenis ten opzichte van de overige grieven van [appellant] , en behoeft deze daarom geen separate bespreking.

2.23.

Met grieven 3 en 4 komt [appellant] op tegen de verwerping door de rechtbank van de primair voor zijn vordering aangevoerde grondslag: dat [naam B.V.] de tussen haar en [appellant] bestaande duurovereenkomst wegens niet-inachtneming van een redelijke opzegtermijn onrechtmatig (stilzwijgend) heeft beëindigd. [appellant] voert hiertoe samengevat het volgende aan:

  1. Tussen 2008 en 2013 is het aantal medewerkers van [appellant] gegroeid van vijf medewerkers naar zes vaste medewerkers.

  2. In 2012/2013 heeft [appellant] een omzet gerealiseerd van afgerond € 1,9 miljoen, waarvan € 0,57 miljoen bij [naam B.V.] ; structureel zorgde [naam B.V.] gedurende de samenwerking voor meer dan 30% van de omzet van [appellant] .

  3. Het wegvallen van deze omzet heeft [appellant] ertoe genoodzaakt het aantal medewerkers van zijn bedrijf terug te brengen van zes naar vier en een krediet af te sluiten voor € 475.000,-- om aan zijn verplichtingen te kunnen blijven voldoen.

  4. [naam B.V.] nam een exclusieve positie in in haar langdurige handelsrelatie met [appellant] , die zich niet door het aangaan van een andere relatie liet vervangen, terwijl [appellant] – naar [naam B.V.] wist – in opdracht van [naam B.V.] 4- en 5-jarige teelt aan het kweken was voor het voorjaar van 2014.

  5. [naam B.V.] had al direct vanaf de faillissementen van [X+Y] (in de zomer van 2013) de handelsrelatie met [appellant] kunnen opzeggen, maar zij heeft dit bewust nagelaten ten detrimente van [appellant] . Hierdoor kon zij enerzijds om nakoming vragen als zij niet failliet was gegaan, terwijl zij zich anderzijds kennelijk ongebonden achtte, zodat zij nu zij failliet is de betaling van enige schadevergoeding van de hand kan wijzen.

  6. Het faillissement van [naam B.V.] kent een surplus omdat haar bestuurders bedragen aan de boedel hebben moeten betalen vanwege onbehoorlijk bestuur en paulianeus handelen; het zou onbillijk en onaanvaardbaar zijn indien deze bestuurders uit het surplus nog weer bedragen zouden terugontvangen terwijl [appellant] met lege handen zou achterblijven.

2.24.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Ad a en b (structureel aandeel [naam B.V.] in de omzet van [appellant] ). De curator betwist de gestelde cijfers, in het bijzonder de gestelde [naam B.V.] -omzet, onderbouwd met een overzicht waaruit over het jaar 2013 een [naam B.V.] -omzet blijkt van € 224.103,-- en over de jaren 2011-2013 gemiddeld afgerond € 237.000,--. De curator wijst er ook op dat [appellant] in zijn conclusie van eis tot verificatie (8) nog het standpunt had ingenomen dat [appellant] in de periode 2010-2013 een omzet bij [naam B.V.] genereerde van gemiddeld € 232.910,--. Vanwege deze door [appellant] niet toegelichte tegenstrijdigheid kan niet worden uitgegaan van de nu door [appellant] gestelde cijfers; het [naam B.V.] -aandeel in de omzet van [appellant] lag kennelijk substantieel lager dan [appellant] in het hoger beroep stelt.

Ad c (financieel nadeel door wegvallen [naam B.V.] -omzet). [appellant] stelt niet dat de afvloeiing van personeel relevante kosten (ontslagvergoedingen of anderszins) met zich heeft gebracht. De curator betwist dat de kredietfaciliteit slechts diende om verliezen op te vangen en niet tevens als vervanging van andere financiering en/of voor nieuwe investeringen. [appellant] heeft hierop geen nadere concrete informatie verschaft over het doel en de besteding van het door hem verkregen krediet. Daarom kan niet worden aangenomen dat het bedrag van de kredietfaciliteit representatief is voor het financiële nadeel dat [appellant] door het wegvallen van [naam B.V.] als afnemer heeft geleden.

Ad d (exclusiviteit). De stelling van [appellant] dat hij, naar [naam B.V.] wist, in opdracht van [naam B.V.] 4- en 5-jarige teelt aan het kweken was voor het voorjaar van 2014 gaat uit van een concrete opdracht c.q. een overeenkomst tussen partijen die specifiek op levering in het voorjaar van 2014 was gericht, die de curator nu juist betwist. Deze kwestie komt hierna bij de bespreking van de grieven 5-10 aan de orde. In het kader van de beoordeling van grieven 3 en 4 kan niet zonder gegrondbevinding van een of meer van die andere grieven, van een dergelijke overeenkomst worden uitgegaan. Bij gegrondbevinding van (een of meer van) die andere grieven, gevolgd door toewijzing van de vordering, heeft [appellant] andersom geen belang bij beoordeling van zijn grieven 3 en 4. De vraag of tussen partijen specifiek voor levering in het voorjaar van 2014 een overeenkomst is gesloten, kan op deze plaats daarom blijven rusten.

Met de door [appellant] gestelde exclusieve positie van [naam B.V.] in haar langdurige handelsrelatie met [appellant] , doelt [appellant] blijkens de door hem bij pleidooi gegeven toelichting klaarblijkelijk op de exclusieve positie die [appellant] zelf innam in zijn langdurige handelsrelatie met [naam B.V.] . Volgens [appellant] kweekte hij een uniek product, dat [naam B.V.] elders niet (in die kwaliteit) kon verkrijgen. Voor de beoordeling van de vraag onder welke voorwaarden het een afnemer vrijstaat om een (langdurige) handelsrelatie met zijn leverancier te beëindigen is naar het oordeel van het hof echter niet zozeer van belang of de leverancier voor een bepaald product of bepaalde producten eventueel exclusief leverancier is van de afnemer, maar hoogstens welk aandeel de afnemer inneemt in het totaal van de leveranties van de leverancier. Dit laatste is hiervoor sub b reeds besproken.

Ad e (aan het lijntje houden). Tussen partijen is niet in debat dat na de faillissementen van [X+Y] gedurende langere tijd sprake is geweest van (onderhandelingen over) een doorstart van de bedrijfsactiviteiten van [X+Y] en in dat kader ook van (onderhandelingen over) continuering, op enigerlei wijze, van de leveranties door [naam B.V.] . In die context bestond kennelijk steeds de mogelijkheid dat ook bestaande leveranciers van [naam B.V.] hierbij weer betrokken zouden worden, getuige ook de brief van [naam B.V.] van 17 oktober 2013 (hiervoor, 2.15). De vraag die in het kader van de grieven 5-9 voorligt is of [naam B.V.] in deze periode een overeenkomst met [appellant] heeft gesloten voor leveranties in het voorjaar van 2014. Mocht deze vraag bevestigend worden beantwoord, dan slagen de desbetreffende grieven en heeft [appellant] geen belang bij zijn grieven 3 en 4 (vlg. hiervoor, sub c). Was een dergelijke overeenkomst echter niet gesloten, dan kon [naam B.V.] [appellant] ook niet om nakoming daarvan vragen – anders dan [appellant] stelt. Voor zover [appellant] hierover in onzekerheid verkeerde, was het in de eerste plaats zijn eigen verantwoordelijkheid om hierover duidelijkheid te verkrijgen en op grond daarvan zijn eigen beslissingen te nemen.

Ad f (surplus in faillissement). De mogelijkheid dat er bij afwijzing van de vordering van [appellant] een surplus in het faillissement van [naam B.V.] zal zijn en dat in dat geval eventueel een deel daarvan zal worden uitgekeerd aan een of meer bestuurders, kan niet bijdragen aan toewijzing van de vordering van [appellant] .

2.25.

Tegenover de hiervoor besproken, door [appellant] genoemde omstandigheden, staat de door de curator genoemde omstandigheid dat [X+Y] in de desbetreffende periode de belangrijkste afnemer van [naam B.V.] was, en dat [naam B.V.] zonder orders van (de doorstartende ondernemingen van) [X+Y] hoegenaamd niets aankon met planten van [appellant] . Al deze omstandigheden tegen elkaar afwegend is het hof van oordeel dat [naam B.V.] tegenover [appellant] niet gehouden was om voor het eventueel afzien van acceptatie van de offerte van [appellant] , een (opzeg)termijn in acht te nemen. In het bijzonder weegt hierbij mee dat niet alleen [appellant] zich in bepaalde mate in een afhankelijke positie van [naam B.V.] bevond, maar [naam B.V.] op haar beurt zo niet totaal dan wel in zeer vergaande mate afhankelijk was van [X+Y] (of, vanaf zomer 2013, een doorstart daarvan). De stelling van [appellant] dat hij van dit laatste niet op de hoogte was weegt hiertegen onvoldoende op. [appellant] stelt op zijn beurt niet dat [naam B.V.] wél op de hoogte was van haar aandeel in de omzet van [appellant] , c.q. de concrete afhankelijkheidspositie van [appellant] ten opzichte van haar. [appellant] voert verder niet aan dat hij er niet van op de hoogte was voor wie de door hem geoffreerde leveringen zouden zijn bestemd (op de offerte-aanvraagformulieren voorjaar 2014 stond [Y] / [X] in elk geval vermeld), en evenmin dat hij niet op de hoogte was gesteld van de faillissementen van [X+Y] en de daaruit voortvloeiende onzekerheden voor [naam B.V.] als tussenhandelaar. In elk geval bleek die onzekerheid genoegzaam uit de brief van [naam B.V.] van 17 oktober 2013.

2.26.

[appellant] heeft verder niet concreet gesteld dat hij aan het lijntje is gehouden gedurende een periode dat voor [naam B.V.] duidelijk was of moest zijn dat zij niet van [appellant] zou afnemen. De omstandigheid dat het in de jaren vóór 2014 steeds “goed” was gegaan in de zin dat [naam B.V.] steeds planten had besteld en afgenomen, had [appellant] op zichzelf geen rechten verschaft voor de toekomst. [appellant] heeft op zichzelf terecht aangevoerd dat hij er groot belang bij had om voldoende ruim van tevoren afname-zekerheid te hebben. Daartegenover stond echter het belang van [naam B.V.] om zich niet te binden zolang zij geen orders van [X+Y] had. Het was aan partijen om binnen dit spanningsveld eventueel afspraken met elkaar te maken over termijnen. Bij gebreke daarvan geldt evenwel – in de gegeven omstandigheden – dat slechts van jaar tot jaar daadwerkelijk gesloten koop(optie)overeenkomsten partijen bonden (en [appellant] offertes gedurende de looptijd ervan), en ziet het hof geen ruimte voor het aannemen van aansprakelijkheid van [naam B.V.] voor een (geschonden) opzegtermijn ter zake van haar meerjarige handelsrelatie met [appellant] .

2.27.

Grieven 5-9 komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat [naam B.V.] de offerte van [appellant] niet mondeling heeft aanvaard. [appellant] voert met deze grieven op zichzelf terecht aan dat tussen partijen een bindende koopovereenkomst tot stand kon komen zonder gefixeerde aantallen, maar slechts met vermelding van minima (tot afname waarvan [naam B.V.] dan gehouden zou zijn) en maxima (tot levering waarvan [appellant] , in geval van afroep, verplicht zou zijn), zodat voor het oordeel dat geen overeenkomst tot stand is gekomen niet zonder meer dragend kan zijn dat (nog) geen concrete (gefixeerde) aantallen werden besteld. Het andersluidende oordeel in het bestreden vonnis (4.14-17) is in zoverre onjuist. De grief van [appellant] dat de rechtbank in het bestreden vonnis een overweging uit het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AA9771) onvolledig heeft weergegeven of geparafraseerd – en daarmee onjuist heeft toegepast – kan gegeven dit oordeel van het hof verder onbesproken blijven, wat er verder ook van zij.

2.28.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank in 4.10-11 van het bestreden vonnis dat een overeenkomst tussen partijen ook mondeling tot stand kon komen. De algemene voorwaarden (hiervoor, 2.6) stonden daaraan niet in de weg. Het hof verwerpt het betoog van de curator in zijn conclusie van antwoord, 29, dat een overeenkomst tussen partijen pas tot stand kon komen door een gegeven “order”. Dit vloeit niet voort uit de algemene voorwaarden; bij de definitie van Overeenkomst staat nota bene met zoveel woorden dat deze tot stand kan komen naar aanleiding van een Offerte of een Order. De stellingen van [appellant] houden in dat [naam B.V.] zijn offerte (Offerte) mondeling heeft geaccepteerd, en dat daarmee een overeenkomst (Overeenkomst) tot stand is gekomen. De systematiek van de algemene voorwaarden staat hieraan op zichzelf niet in de weg.

2.29.

De enkele omstandigheid dat [naam B.V.] haar order-, offerte-acceptatie- en contracteringsproces had gestroomlijnd en administratief had geprofessionaliseerd, en in de jaren tot aan de in deze zaak relevante periode meer schriftelijk was gaan vastleggen, en ook voor het voorjaar van 2013 een schriftelijke koopovereenkomst met [appellant] had gesloten, sluit op zichzelf niet noodzakelijk uit dat [naam B.V.] de offerte van [appellant] in dit geval mondeling kan hebben geaccepteerd, of althans uitlatingen kan hebben gedaan en/of gedragingen kan hebben vertoond die [appellant] eventueel in die zin kon begrijpen. Dat het binnen [naam B.V.] de bedoeling was om pas in te kopen voor zover er orders waren van (de doorstartende ondernemingen van) [X+Y] , zoals de curator stelt, en dat die orders er volgens de curator voor het voorjaar van 2014 nooit zijn gekomen, maakt het voorgaande niet anders, omdat [appellant] met deze bedoeling niet concreet bekend was of hoefde te zijn, en evenmin met de door de curator gestelde omstandigheid dat op het moment dat volgens [appellant] zijn offerte (laatstelijk) werd aanvaard, dergelijke orders van de doorstartende ondernemingen van [X+Y] er nog niet waren.

2.30.

De curator heeft zich op het standpunt gesteld (conclusie van antwoord, 37) dat [inkoper bij BV I] (slechts) binnen de procedures bij [naam B.V.] bevoegd was overeenkomsten aan te gaan en dat onderdeel van die procedures was dat pas mocht worden ingekocht na ontvangst van een order van [X+Y] . Voor zover de curator met deze stellingname bedoelt dat in het onderhavige geval – bij gebreke van orders van (de doorstartende ondernemingen van) [X+Y] – [inkoper bij BV I] niet bevoegd was om namens [naam B.V.] de offerte van [appellant] te aanvaarden en dat (reeds) om die reden geen overeenkomst tot stand kan zijn gekomen, gaat het hof aan deze stellingname voorbij. Uit de stellingen van [appellant] vloeit voort dat hij [inkoper bij BV I] , steeds zijn contactpersoon bij [naam B.V.] , bevoegd mocht achten om namens [naam B.V.] de offerte te accepteren. Uit de stukken van het geding blijkt dat [inkoper bij BV I] ook degene was die de koopovereenkomst voor het voorjaar van 2013 namens [naam B.V.] had getekend en met zijn persoonlijk stempel had gestempeld, en met wie [appellant] ook nadien weer zijn contacten onderhield. Tegen deze achtergrond heeft de curator onvoldoende onderbouwd dat [inkoper bij BV I] niet bevoegd was, of althans dat [appellant] hem niet bevoegd mocht achten.

2.31.

[appellant] voert diverse omstandigheden aan op grond waarvan volgens hem moet worden vastgesteld dat zijn offerte mondeling is aanvaard:

  1. Vooruitlopend op het terugsturen van de offerte is er overleg geweest over in het voorjaar van 2014 te hanteren prijzen.

  2. [naam B.V.] heeft de offerte niet van de hand gewezen, en zonder protest behouden.

  3. De bestaande praktijk was dat indien een offerte niet werd geaccepteerd, hierover overleg plaatsvond. Dit overleg heeft ten aanzien van de offerte van 27 november 2012 niet plaatsgevonden.

  4. [naam B.V.] is [appellant] blijven bezoeken, en heeft met hem steeds overleg gevoerd over de planten die [appellant] in het kader van de offerte van 27 november 2012 kweekte en die [naam B.V.] in het voorjaar van 2014 zou afnemen.

  5. De offerte was geldig tot 1 mei 2013, omdat [appellant] daarna zeker moest weten of de planten op de door [naam B.V.] gewenste maatvoering geknipt moesten worden.

  6. De offerte is niet verlengd omdat deze reeds was geaccepteerd.

  7. Na het verstrijken van de offertetermijn is [naam B.V.] zich actief blijven bemoeien met de wijze waarop de planten moesten worden gekweekt.

  8. Met de brief van [naam B.V.] van 17 oktober 2013 (hiervoor, 2.15) is [appellant] aangeschreven als leverancier. [appellant] kon op dat moment alleen maar leverancier zijn als er sprake was van een lopend contract ten aanzien van levering in 2014.

  9. Na de faillissementen van [X+Y] is er telefonisch contact geweest met [inkoper bij BV I] over het al dan niet laten doorgaan van de levering conform de offerte. [naam B.V.] ( [inkoper bij BV I] ) heeft toen verklaard dat de levering 2014 zou doorgaan.

2.32.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Ad a (overleg over prijzen voorjaar 2014). De curator erkent dat er op 5 januari 2012 overleg is geweest over prijzen voor het voorjaar van 2014. Hieruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat [naam B.V.] de offerte – die nota bene van daarna dateerde – heeft geaccepteerd. In de offerte heeft [appellant] in elk geval op een aantal onderdelen de door [naam B.V.] vooraf ingevulde prijzen doorgehaald en vervangen door andere (hogere).

Ad b en c (offerte zonder protest behouden; bestaande praktijk). De curator betwist dat naar aanleiding van de offerte geen overleg heeft plaatsgevonden. Maar zelfs als naar aanleiding van deze offerte geen overleg heeft plaatsgevonden, terwijl dat in het verleden in geval van bezwaren wel zo was, kon [appellant] daaraan nog steeds niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de offerte was aanvaard.

Ad d (bezoeken en overleg). Zijn stelling dat [naam B.V.] hem (na de offerte) is blijven bezoeken heeft [appellant] , tegenover de betwisting van de curator, onvoldoende onderbouwd. Blijkens de hiervoor in 2.11-13 aangehaalde correspondentie heeft in mei-juni 2013 nog (enig) schriftelijk overleg plaatsgevonden, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat toen reeds een overeenkomst tot stand was gekomen. De enige actie die [naam B.V.] in die correspondentie uitvoerde was (juist slechts) het uitvragen van (een specificatie op) een “aanbieding”.

Ad e (reden offertetermijn). Het uitblijven van een reactie binnen de offertetermijn kon [appellant] nog steeds niet het gerechtvaardigd vertrouwen geven dat de offerte was aanvaard. Voor zover het na afloop van de offertetermijn voor [appellant] van belang was om te weten of [naam B.V.] zou afnemen, lag het in de eerste plaats op zijn eigen weg om daarnaar navraag te doen en daarover duidelijkheid te verkrijgen.

Ad f en g (actieve bemoeienis [naam B.V.] met kweek; acceptatie offerte). Volgens [appellant] moet uit de e-mailwisseling van 2 mei 2013 (hiervoor, 2.9-10) worden afgeleid dat [naam B.V.] de offerte voordien reeds mondeling had geaccepteerd. [appellant] licht dit niet nader toe, hoe dat dan concreet is gegaan, zodat het hof aan deze stelling voorbijgaat. De desbetreffende e-mailcorrespondentie zelf impliceert evenmin acceptatie van de offerte: [appellant] licht onvoldoende toe dat de enkele mededeling van [naam B.V.] “Blijft zoals AFP” door hem slechts kon worden begrepen als acceptatie van de offerte of anderszins als betrekking hebbend op door [naam B.V.] van hem aangekochte planten, in plaats van eenvoudig bevestiging van de eerder alleen maar door [naam B.V.] uitgevraagde specificatie (als reactie op het voorstel van andere specificaties door [appellant] ).

Ad h (brief 17 oktober 2013). De brief van [naam B.V.] van 17 oktober 2013 gaf een update over de onderhandelingen inzake (de doorstart van) [Y] , het aantal filialen dat [naam B.V.] in het voorjaar van 2014 verwachtte te gaan beleveren, in verband hiermee bezuinigingen en inkrimping van het personeelsbestand van [naam B.V.] , een nieuwe structuur waarin [naam B.V.] verwachtte met anderen [Y] te zullen gaan beleveren, en onderhandelingen met kwekers die daarover gaande waren. Tegen die achtergrond heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat hij de aanhef van deze brief zo mocht begrijpen dat hij niet zozeer werd aangeschreven als lid van het bestand van handelsrelaties van [naam B.V.] die [naam B.V.] destijds pleegden te beleveren en/of ooit hebben beleverd, maar dat hij hierin bevestiging mocht lezen dat zijn offerte voor het voorjaar van 2014 concreet was of werd aanvaard.

Ook in onderlinge samenhang bezien geven de hiervoor besproken omstandigheden a-h geen grondslag voor het aannemen van een mondelinge aanvaarding van de offerte door [naam B.V.] .

Ad i (telefonische contacten met [inkoper bij BV I] ). Indien [inkoper bij BV I] inderdaad in en na de zomer van 2013 desgevraagd aan [appellant] heeft bevestigd dat de planten behouden moesten blijven en dat de levering 2014 zou doorgaan, zoals [appellant] stelt, zou dat eventueel – afhankelijk van wat verder werd besproken en hoe, en de verdere context van de besprekingen – de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de offerte van [appellant] mondeling is geaccepteerd. De curator betwist dat mondelinge aanvaarding heeft plaatsgevonden. Bij deze stand van zaken ziet het hof aanleiding om [appellant] bewijs op te dragen van zijn stelling dat in telefoongesprekken met [inkoper bij BV I] vanaf de zomer van 2013 mondelinge aanvaarding van de offerte heeft plaatsgevonden.

2.33.

Met grief 10 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [naam B.V.] de offerte van [appellant] niet stilzwijgend heeft aanvaard. Aan de door hem gestelde stilzwijgende aanvaarding legt [appellant] geen andere dan de hiervoor in 2.32 sub a-h besproken omstandigheden ten grondslag. Dit betekent dat deze grief faalt.

2.34.

Met grief 11 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [naam B.V.] niet tegenover [appellant] aansprakelijk is vanwege onrechtmatig afgebroken onderhandelingen. Voor zover [appellant] zijn andersluidende stelling baseert op slechts de door hem aangevoerde omstandigheden van vóór de zomer van 2013, is zijn beroep op schadeplichtigheid van [naam B.V.] ongegrond – dit vloeit voort uit het hiervoor overwogene. De stellingen van [appellant] sluiten intussen niet uit dat [inkoper bij BV I] zich in zijn telefoongesprekken met [appellant] op zodanige wijze heeft uitgelaten dat, indien deze uitlatingen niet reeds een aanvaarding van de offerte inhielden, deze toch zodanig waren dat [appellant] hieraan het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat enigerlei overeenkomst uit de onderhandelingen zou voortvloeien, dan wel dat [naam B.V.] zich niet meer uit de onderhandelingen mocht terugtrekken zonder betaling van schadevergoeding aan [appellant] . De aan [appellant] te geven bewijsopdracht zal daarom ook hierop zien.

2.35.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3 Beslissing

Het hof:

  • -

    draagt [appellant] bewijs op van zijn stelling dat in telefoongesprekken tussen [appellant] en [inkoper bij BV I] vanaf de zomer van 2013, [inkoper bij BV I] de offerte mondeling namens [naam B.V.] heeft aanvaard dan wel zich zodanig heeft uitgelaten dat [appellant] aan die uitlatingen het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat enigerlei overeenkomst met [naam B.V.] uit de onderhandelingen zou voortvloeien, dan wel dat [naam B.V.] zich niet meer uit de onderhandelingen mocht terugtrekken zonder betaling van schadevergoeding aan [appellant] ;

  • -

    bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.W. Frieling op dinsdag 18 mei 2021 van 09:00 uur tot uiterlijk 13:00 uur;

  • -

    bepaalt dat [appellant] de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen uiterlijk zeven dagen voorafgaand aan de zitting aan de raadsheer-commissaris en aan de curator dient op te geven;

  • -

    bepaalt dat, indien één van de partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden mei tot en met september 2021, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

  • -

    verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, R.S. van Coevorden en A.J. Swelheim en is ondertekend en ter openbare terechtzitting van 16 maart 2021 uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.