Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:318

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
2200472119
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak meineed en valsheid in geschrift. Geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op het in strijd met de feitelijke toedracht afleggen van een onjuiste verklaring. Het enkele gegeven dat de weergave van de waarneming van de verbalisant in het proces-verbaal achteraf niet blijkt te stroken met de feitelijke toedracht, maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat reeds daarom de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Evenmin sprake van het oogmerk om die verklaring als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Veroordeling voor mishandeling van aangehouden verdachte. Art. 300 Sr. Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004721-19

Parketnummer: 09-837300-18

Datum uitspraak: 2 maart 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 september 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde. Voorts is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
Hij op 21 januari 2018 te Den Haag, in het geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder belofte en/of ede vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, schriftelijk, opzettelijk een valse verklaring en/of een verklaring ten dele in strijd met de waarheid heeft afgelegd, immers heeft hij, verdachte, in een door hem, verdachte, schriftelijk op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2018 opzettelijk (geheel of ten dele) in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - gerelateerd:

-Ik zag dat deze man, naar later bleek de aangehouden verdachte [verdachte 1], vervolgens op stond en vanaf de tafel direct in mijn richting liep. Ik zag dat de verdachte hierbij zijn rechterhand in zijn jas stak. Hierop heb ik de verdachte meerdere malen en met luide stem aangeroepen dat hij zijn handen moest laten zien en dat anders de diensthond ingezet zou worden. Ik zag dat de verdachte hier echter niet aan voldeed en stoïcijns op mij af bleef lopen,

en/of

-Voorts zag ik dat de rechterhand van de verdachte in of nabij een tasje zat wat de verdachte om zijn nek en onder zijn jas droeg,

en/of

-Ik zag dat de verdachte hierbij op zijn rug op de grond viel, maar zijn rechterhand nog steeds bij of in het tasje hield;


Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Hij op 21 januari 2018 te Den Haag, een proces-verbaal van bevindingen – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk in dat geschrift het volgende gerelateerd:

-Ik zag dat deze man, naar later bleek de aangehouden verdachte [verdachte 1], vervolgens op stond en vanaf de tafel direct in mijn richting liep. Ik zag dat de verdachte hierbij zijn rechterhand in zijn jas stak. Hierop heb ik de verdachte meerdere malen en met luide stem aangeroepen dat hij zijn handen moest laten zien en dat anders de diensthond ingezet zou worden. Ik zag dat de verdachte hier echter niet aan voldeed en stoïcijns op mij af bleef lopen,

en/of

-Voorts zag ik dat de rechterhand van de verdachte in of nabij een tasje zat wat de verdachte om zijn nek en onder zijn jas droeg,

en/of

-Ik zag dat de verdachte hierbij op zijn rug op de grond viel, maar zijn rechterhand nog steeds bij of in het tasje hield;

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.
hij op of omstreeks 21 januari 2018 te 's-Gravenhage [verdachte 1] heeft mishandeld door zijn voet op het been van die [verdachte 1] te zetten/plaatsen/drukken (terwijl die [verdachte 1] op dat been een bijtwond had).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte als bijkomende straf een geheel voorwaardelijke ontzetting uit zijn ambt als politieagent voor de duur van 5 jaren wordt opgelegd, met een proeftijd van 3 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair

Anders dan de advocaat-generaal en met de verdediging is het hof van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van meineed is naast de vaststelling dat de tenlastegelegde passages uit het proces-verbaal van bevindingen in strijd met de feitelijke toedracht en dus onjuist zijn, vereist dat wordt bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het afleggen van een onjuiste verklaring. Voor een bewezenverklaring van valsheid in geschrift is daarnaast vereist dat bij de verdachte het oogmerk bestond om die verklaring als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Van voormeld opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, of oogmerk is het hof niet gebleken.

Achteraf gezien blijkt de tekst uit het mede door de verdachte opgestelde proces-verbaal van bevindingen geen (geheel)juiste weergave van hetgeen blijkt uit een objectieve bron, te weten camerabeelden. Echter, het enkele gegeven dat de weergave van de waarneming van de verbalisant in het proces-verbaal achteraf niet blijkt te stroken met de feitelijke toedracht, maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat reeds daarom de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet.

Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het hof - als ook de advocaat-generaal en de verdediging – beschikt over camerabeelden die vanuit verschillende posities, boven ooghoogte in het café waar het proces-verbaal betrekking op heeft, zijn opgenomen en de mogelijkheid om deze beelden in alle rust meerdere malen, vertraagd en met aanpassing van helderheid, contrast en dergelijke af te spelen. Over deze mogelijkheid beschikte de verdachte ten tijde van het opstellen van het proces-verbaal van bevindingen niet. Hij kon enkel putten uit zijn herinnering, al dan niet onderhevig aan factoren die de juiste oproeping en weergave van die herinnering kunnen hebben beïnvloed. Bovendien is aannemelijk dat hetgeen op de camerabeelden te zien is, gegeven de verschillende posities van waaruit deze opnames zijn gemaakt, op dat moment niet in het geheel door de verdachte kon worden waargenomen.

De stelling van de advocaat-generaal dat de verdachte ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal, gelet op de mate waarin de in het proces-verbaal beschreven waarneming afwijkt van de achteraf vastgestelde feitelijke toedracht, niet “absoluut zeker is geweest” dat een en ander zo is gegaan zoals hij heeft geverbaliseerd, en, door hierover niet zijn onzekerheid in het proces-verbaal uit te spreken, reeds om die reden sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet, slaagt niet. Immers, de advocaat-generaal laat hierbij buiten beschouwing de mogelijkheid dat de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling was dat wat hij had waargenomen, al dan niet onderhevig aan hiervoor genoemde factoren, strookte met de feitelijke toedracht en hetgeen hij hierover in het desbetreffende proces-verbaal van bevindingen had geverbaliseerd. Voor het benoemen van onzekerheid omtrent de feitelijke toedracht is dan geen aanleiding.

Voor wat betreft de aanwezigheid van een mogelijk motief voor het opnemen van een met de feitelijke toedracht strijdige verklaring in het proces-verbaal van bevindingen, te weten het verdoezelen van gemaakte fouten, biedt het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting naar het oordeel van het hof aanwijzingen die in de richting van een dergelijk motief bij de verdachte wijzen. Ook daarin kan derhalve geen – begin van – opzet worden gevonden.

Het voorgaande leidt voorts tot het oordeel dat bij de verdachte geen oogmerk bestond om zijn verklaring als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat zowel de tenlastegelegde meineed als ook de valsheid in geschrift niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Gevoerd verweer

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – kort en zakelijk weergegeven – overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onbetrouwbaar zijn, nu zij op essentiële onderdelen aantoonbaar onjuist zijn. Deze verklaringen kunnen dan ook niet voor het bewijs worden gebruikt.

Het hof overweegt, in lijn met de rechtbank, als volgt.

Weliswaar zijn de verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] pas in oktober 2018 – aldus negen maanden na het incident – afgelegd, maar de getuigen hebben een plausibele verklaring gegeven voor het feit dat zij hier pas in een later stadium over hebben verklaard.

Deze verklaring luidt dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] collega’s zijn van verdachte. [verbalisant 1] heeft verklaard, dat hij het rapport over het voorval later heeft opgesteld, omdat hij eerst stress had, omdat hij in deze zaak ook als verdachte van meineed was aangemerkt en dat hij er dubbel in staat, omdat hij verdachte als zijn collega niet wil verlinken of in een slecht daglicht wil stellen, maar de kwestie toch ook niet kan laten voorbijgaan.

Het hof acht de verklaringen van de getuigen op essentiële onderdelen voldoende betrouwbaar om tot bewijs te kunnen dienen. De verklaringen zijn in de kern gedetailleerd en eensluidend. Dat de getuigen hun verklaringen in juni 2019 bij de rechter-commissaris enigszins hebben genuanceerd en gepreciseerd doet niet af aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Ook het gegeven dat [verdachte 1] zich niet kan herinneren dat de verdachte met zijn voet op zijn been heeft gedrukt maakt dat niet anders, nu [verdachte 1] zich – blijkens zijn op 19 november 2018 afgelegde verklaring (pagina 35 van het politiedossier) – niets meer kan herinneren van wat er zich op de binnenplaats bij het politiebureau heeft afgespeeld. Voorts overweegt het hof dat uit het dossier volgt dat verbalisant [verbalisant 3] niet voortdurend op de binnenplaats aanwezig is geweest, wat de mogelijkheid open laat dat het tenlastegelegde zich heeft afgespeeld nadat hij de binnenplaats had verlaten. Ten aanzien van verbalisant [verbalisant 4] overweegt het hof dat hij heeft verklaard dat hij met [verbalisant 3] (naar het hof begrijpt: verbalisant [verbalisant 3]) achter een bus een sigaret heeft gerookt, en daarna naar binnen is gegaan, waardoor ook hij zich niet (steeds) in de nabijheid van [verdachte 1] heeft bevonden en aldus – mede gelet op het feit dat er sprake was van constante bewegingen van personen en voertuigen op de binnenplaats en [verdachte 1] al geruime tijd erg luidruchtig was – niets anders heeft gehoord dan hoe [verdachte 1] de hele tijd aan het schreeuwen was.

Het verweer wordt verworpen en de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zullen voor het bewijs worden gebezigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij op of omstreeks 21 januari 2018 te 's-Gravenhage [verdachte 1] heeft mishandeld door zijn voet op het been van die [verdachte 1] te zetten/plaatsen/drukken (terwijl die [verdachte 1] op aan dat been een bijtwond had).

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [verdachte 1]. De verdachte was ten tijde van het feit werkzaam als politieagent. Nadat [verdachte 1] kort daarvoor tijdens zijn aanhouding en na de inzet van een politiehond een vleeswond aan zijn onderbeen had bekomen, en op de binnenplaats van het politiebureau zeer luidruchtig aanhoudend zijn ongenoegen hierover uitte, heeft de verdachte kortdurend met zijn geschoeide voet op het been van [verdachte 1] gedrukt. Door aldus te handelen heeft de verdachte als politieman aan een gewonde en aangehouden man, pijn toegebracht. In strafverzwarende zin weegt het hof mee dat de verdachte in zijn hoedanigheid als politieagent terughoudend dient te zijn met het toepassen van geweld, hij de gelegenheid had om zich aan [verdachte 1] uitlatingen te onttrekken door weg te lopen en van enige noodzaak van dit handelen aldus niet is gebleken.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [verdachte 1]

In het onderhavige strafproces heeft [verdachte 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.605,00, bestaande uit € 605,00 materiële en € 5.000,00 immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, in die zin dat de benadeelde partij gelet op de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij – mede gelet op de mededeling van de advocate van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep dat de vordering slechts ziet op de inzet van de politiehond ten gevolge van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde - niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [verdachte 1]

Verklaart de benadeelde partij [verdachte 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk,

mr. O.E.M. Leinarts en mr. M.C. Bruining, in bijzijn van de griffier mr. N. van Burgsteden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 maart 2021.

mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.