Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:274

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2021
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
200.262.603/01, 200.271.601/01 en 200.271.818/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:3723, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:10225, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

De hoofdregel in het alimentatierecht is dat een ieder in zijn eigen levensonderhoud dient te voorzien. De man heeft in het geheel niet aangetoond dat hij niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding overeengekomen. Partijen dienen dus een vermogensbeschrijving op te stellen waaruit volgt welk deel van het vermogen in de verrekening dient te worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.262.603/01 en 200.271.601/01 en 200.271.818/01

rekestnummers rechtbank : FA RK 17-6475 (echtscheiding) en FA RK 18-384 (afwikkeling)

zaaknummers rechtbank : C/09/538314 (echtscheiding) en C/09/546503 (afwikkeling)

beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2021

in de zaak met zaaknummer 200.262.603/01:

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.M.C. van der Sanden te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem.

In de zaak met zaaknummer 200.271.601/01:

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.H. Visser te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem.

In de zaak met zaaknummer 200.271.818/01:

inzake

[appellante] ,

wonende [woonplaats 2] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.H. Visser te Den Haag.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg in alle drie de zaken

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de deelbeschikkingen van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2018, 15 april 2019 (verbeterd in de hierna te noemen beschikking) en de eindbeschikking van 2 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen de bestreden beschikkingen.

De man heeft twee advocaten mr. M.M.C. van der Zanden inzake de partneralimentatie en mr. E.H. Visser inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.262.603/01 (partneralimentatie appel van de man):

2.1

De man is op 12 juli 2019 in hoger beroep gekomen van de deelbeschikking van 15 april 2019.

2.2

De vrouw heeft op 27 april 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 3 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 4 september 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 december 2020 met bijlagen, ingekomen op 3 december 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 7 december 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

In de zaak met zaaknummer 200.271.601/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden appel van de man):

2.4

De man is op 30 december 2019 in hoger beroep gekomen van de eindbeschikking van 2 oktober 2019.

2.5

De vrouw heeft op 13 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

2.6

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 28 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 25 februari 2020 met bijlagen, ingekomen op 3 maart 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 december 2020 met bijlagen, ingekomen op 3 december 2020;

In de zaak met zaaknummer 200.271.818/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden appel van de vrouw ):

2.7

De vrouw is op 6 januari 2020 in hoger beroep gekomen van de eindbeschikking van 2 oktober 2019.

2.8

De man heeft op 30 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

2.9

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een bericht van de zijde van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 12 en 14 februari 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 december 2020 met bijlagen, ingekomen op 3 december 2020.

2.10

De mondelinge behandeling in alle drie de zaken tezamen heeft op 18 december 2020 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaten mr. Van der Sanden en mr. Visser. Ook is mr. Eblé verschenen. De vrouw is met bericht van verhindering niet verschenen. Mr. Van der Sanden en mr. Eblé hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

In alle drie de zaken:

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op 29 juni 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden hielden kort gezegd in uitsluiting van iedereen gemeenschap goederen alsmede een finaal verrekenbeding bij echtscheiding.

4 De omvang van het geschil

In alle drie de zaken:

4.1

Bij de beschikking van 2 mei 2018 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, en is het verzoek van de man om een uitkering in zijn levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen aangehouden teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen om een verweerschrift in te dienen onder toezending van een recente jaaropgave en drie recente salarisspecificaties. Ook is het verzoek met betrekking tot de kosten van de huishouding die in 2017 zijn gemaakt, aangehouden teneinde de man in de gelegenheid te stellen om aan te geven welke kosten volgens hem te veel zijn betaald. Verder is aangehouden de behandeling van het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

4.2

Bij de bestreden deelbeschikking van 15 april 2019 is het verzoek van de man om ten laste van de vrouw (er staat: kinderalimentatie; het hof begrijpt:) partneralimentatie vast te stellen, afgewezen. Verder is de behandeling van het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden pro forma in afwachting van de beslissing in hoger beroep tegen het vonnis van 6 februari 2019 van de rechtbank Den Haag met zaak/rolnummer: C/09/543709 / HA ZA 17-1218 betreffende de vernietiging van de huwelijkse voorwaarden. Ook is bepaald dat de vrouw - wanneer bovengenoemd vonnis in kracht van gewijsde is en partijen op dat moment niet tot overeenstemming zijn gekomen over de nog voorliggende geschillen - nog alle bankafschriften van haar bank- en spaarrekeningen dient over te leggen, doorlopend genummerd, over de periode 21 februari 2017 tot en met 21 augustus 2017. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (schenkingen en afrekening bij echtscheiding alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren getrouwd) en de proceskosten is aangehouden.

4.3

Bij de bestreden eindbeschikking van 2 oktober 2019 is geconcludeerd dat de vrouw geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 6 februari 2019 en is de beschikking van 15 april 2019 verbeterd in die zin dat in plaats van ‘kinderalimentatie’ moet worden gelezen ‘partneralimentatie’. Verder is de beschikking van 15 april 2019 voor het overige gehandhaafd. Ook is bepaald, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw € 31.170,75 aan de man dient te vergoeden in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

In de zaak met zaaknummer 200.262.603/01 (partneralimentatie):

4.4

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking van 15 april 2019 te vernietigen, het hof begrijpt, voorzover daarin het verzoek van de man om partneralimentatie vast te stellen is afgewezen, en opnieuw rechtdoende:

1. het verzoek van de man om een partneralimentatie vast te stellen van € 1.000,- per maand met ingang van 5 september 2017 alsnog toe te wijzen;

2. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep.

Bij voornoemd journaalbericht van 7 december 2020 heeft de man zijn verzoek genoemd onder 1. gewijzigd in die zin dat hij thans verzoekt om een partneralimentatie vast te stellen van € 1.000,- per maand met ingang van 5 september 2017 tot 2 oktober 2019, zijnde de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg heeft beslist over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

4.5

De vrouw verzoekt het hof de grieven van de man als ongegrond aan te merken en het verzoek om partneralimentatie af te wijzen.

In de zaak met zaaknummer 200.271.601/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden aan de zijde van de man):

4.6

De man verzoekt het hof om de bestreden beslissing van 2 oktober 2019 te vernietigen op de onderdelen zoals aangegeven onder grief I t/m V (schenking familie man, belastingaanslag 2017, schuld collegegeld, Poolse bankrekening en wettelijke rente) en:

A. te bepalen dat de door de familie van de man aan de man geschonken € 20.500,- buiten de verrekening dient te blijven, op grond waarvan dit bedrag uit de te verdelen gelden/gemeenschap aan de man dient te worden vergoed;

B. vast te stellen dat de belastingaanslag van 2017 voor ZVW van € 709,- op naam van de man bij helfte wordt gedragen en in mindering wordt gebracht op het te verdelen vermogen aan de zijde van de man dan wel:

subsidiair:

vast te stellen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de belastingschuld ZVW 2017 op de peildatum 18 augustus 2019 ter hoogte van € 443,13 en tevens te bepalen dat de vrouw aan de man op grond van zijn regresrecht te dier zake een bedrag van € 221,56 dient te voldoen;

C. te bepalen dat de schuld ter zake van het collegegeld voor de studie van de man ter hoogte van € 2006,-, welke open stond op de peildatum 18 augustus 2017, bij helfte wordt gedragen en in mindering wordt gebracht op het te verdelen vermogen aan de zijde van de man;

subsidiair:

vast te stellen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schuld ter zake van het collegegeld zoals deze openstond op 18 augustus 2017 en te bepalen dat de vrouw aan de man op grond van zijn regresrecht te dier zake een bedrag van € 1003,- moet voldoen;

D. te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de Poolse bankrekening bij PKO Bank Polski, die op de peildatum 18 augustus 2017 op naam de vrouw bestond, verbeurt, overeenkomstig artikel 3:194 Burgerlijk Wetboek (BW) het gehele bedrag op deze bankrekening aan de man toe komt, welk bedrag de vrouw aan de man verschuldigd zal zijn, vermeerderd met de wettelijke rente en:

te bepalen dat, voor zover een Poolse bankrekening bij PKO Bank Polski op naam van de vrouw, welke op de peildatum 18 augustus 2017 bestond, deze bankrekening wordt toegedeeld aan de man;

subsidiair verzoekt de man het hof om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de toestemming van de vrouw, om het saldo van de Poolse rekening bij PKO Bank Polski van

18 augustus 2017 op te mogen vragen.

E. te bepalen dat over het bedrag dat de vrouw aan de man verschuldigd is ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden wettelijke rente is verschuldigd van 2% per jaar vanaf 18 augustus 2017.

4.7

De vrouw verzoekt het hof de door de man ingestelde vorderingen af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten in hoger beroep, althans compensatie van de kosten nu het een echtscheiding betreft.

In de zaak met zaaknummer 200.271.818/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden aan de zijde van de vrouw):

4.8

De vrouw verzoekt de beschikking van 2 oktober 2019 te vernietigen, het hof begrijpt, voorzover daarin is bepaald, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw € 31.170,75 aan de man dient te vergoeden in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, en, zelf rechtdoende, de rekenfouten te herstellen en het staatje bovenaan pagina 5 van de beschikking aan te passen en daarop een nieuwe beschikking te geven, waarin wordt bepaald dat de vrouw € 25.935,- dient te betalen aan de man en daarbij aan te geven dat de vrouw na betaling van het bedrag vastgesteld door de rechtbank € 5.000,- teveel, onverschuldigd, heeft betaald. En voorts te bepalen dat de vrouw terecht een spaarbedrag heeft afgescheiden en als verknocht aangemerkt ten behoeve van een woningaanpassing in verband met te verwachten, gedeeltelijk, invaliditeit.

4.9

De man verzoekt:

Ten aanzien van grief I: het verzoek van de vrouw af te wijzen en in plaats daarvan te bepalen dat de vrouw aan de man € 26.940,09 dient te vergoeden, behoudens hetgeen zij eventueel nog aanvullend verschuldigd zal zijn aan de man naar aanleiding van de grieven welke de man in zijn hoger beroep naar voren heeft gebracht;

Ten aanzien van grief II: het verzoek van de vrouw af te wijzen.

Ten aanzien van het verzoek om de man te veroordelen in de kosten van de procedure: dit

verzoek af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In de zaak met zaaknummer 200.262.603/01 (partneralimentatie):

Ontvankelijkheid

5.1

De vrouw stelt dat de man te laat, namelijk op 16 juli 2019, in hoger beroep is gekomen van de deelbeschikking van 15 april 2019. Echter, het hoger beroepschrift van de man tegen de deelbeschikking van 15 april 2019 is bij het hof ingekomen op 12 juli 2019, zodat het beroepschrift binnen de beroepstermijn van drie maanden bij het hof is ingekomen. Het hof zal de man dan ook ontvangen in dit hoger beroep.

Ingangsdatum

5.2

De man verzoekt om partneralimentatie vast te stellen met ingang van 5 september 2017 voor een periode tot 2 oktober 2019.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Gezien het bepaalde in artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) kan een verplichting tot betaling van partneralimentatie niet eerder aanvangen dan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de man een ingangsdatum te bepalen, gelegen vóór het moment van inschrijving, vindt dan ook geen steun in het recht en het hof zal dit verzoek van de man afwijzen.

5.4

Het hof zal hierna beoordelen of in de periode van 26 juni 2018 tot 2 oktober 2019 ten laste van de vrouw een bijdrage in het levensonderhoud van de man moet worden vastgesteld.

Behoeftigheid man

5.5

De man is van mening dat hij niet in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De man stelt daartoe, samengevat, als volgt. Volgens de man was de vrouw tijdens het huwelijk en daarvoor (tijdens hun voorhuwelijkse samenwoning) de kostwinner. De man studeerde en had geen inkomsten van betekenis. In 2015 bedroeg zijn verzamelinkomen € 3.766,- (producties 78 en 79 eerste aanleg). Op 1 januari 2016 is de man - in overleg met de vrouw - een eenmanszaak gestart: [naam] (productie 9). Daarnaast studeerde de man nog fulltime. Door de relatiebreuk in 2017 en zijn studie zijn de inkomsten uit zijn onderneming nagenoeg komen stil te liggen. Ondanks de pogingen van de man om zijn onderneming succesvol te maken, is de omzet in 2018 achtergebleven bij die van 2017, namelijk op € 13.322,-. Stopzetten van de onderneming was en is voor de man echter geen optie. Door de emotionele kant van de echtscheiding en de tijd die de procedures hebben gekost heeft de opbouw van het bedrijf vertraging opgelopen. Het bedrijf van de man zal hopelijk na vier of vijf jaar winstgevend zijn. Daarnaast is de vrouw na de relatiebreuk de relaties van de man lastig gaan vallen waardoor zij zich hebben teruggetrokken en heeft zij het gezamenlijke spaargeld verduisterd waardoor het voor de man niet mogelijk is investeringen te doen. Van hem kan onder de gegeven omstandigheden niet verwacht worden dat hij zijn droom en investering zomaar prijs geeft. Partijen stonden samen achter de beslissing om de onderneming naast de studie te starten. Het aangaan van een dienstverband door de man is sinds de oprichting van de onderneming tussen hen nooit ter sprake geweest. De man is derhalve behoeftig.

5.6

De vrouw kan zich vinden in de beschikking van de rechtbank. Zij betoogt, samengevat, dat zij er tijdens het huwelijk bij de man diverse malen op heeft aangedrongen om in dienstverband te gaan werken. De man weigerde dit en daarom is het huwelijk gestrand volgens de vrouw. De man had, omdat hij nauwelijks studeerde, ook tijdens zijn studie een inkomen van € 1.500,- per maand kunnen verwerven. Volgens de vrouw staat vast dat de onderneming van de man geen enkele waarde had en heeft en dat de man derhalve in de periode van 2013 tot 2020 een baan had kunnen zoeken. Ook medio 2017 had de man een betrekking kunnen aanvaarden. De vrouw legt ter onderbouwing van haar stelling dat de man, met zijn IT-opleiding een baan kan vinden, onder meer, vacatures en de CV van de man over.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Van behoeftigheid aan de zijde van de man is sprake indien de man zelf niet in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Dat wil zeggen: indien de man zelf daartoe de nodige middelen mist en die ook in redelijkheid niet kan verwerven. De hoofdregel in het alimentatierecht is dat een ieder in beginsel in zijn of haar eigen levensonderhoud dient te voorzien. Op degene die stelt dat hij of zij niet in zijn of haar eigen levensonderhoud kan voorzien rust de bewijslast om dit aan te tonen. Daarbij geldt dat op hem niet alleen de bewijslast rust dat hij niet in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, maar ook dat dat niet in redelijkheid van hem kan worden verwacht. Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat hij niet zelf in zijn eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien in de periode van datum inschrijving echtscheiding tot datum 1 oktober 2019. De man heeft weliswaar gesteld dat hij door de echtscheidingsprocedure ziek is geworden en (psychisch) niet in staat was om te werken, maar gezien de gemotiveerde betwisting van de vrouw had het op zijn weg gelegen om zijn stelling te onderbouwen met stukken. De door de man bij brief van 7 december 2020 overgelegde verklaring van zijn huisarts (productie 26) van 8 augustus 2019 en de brief van 6 december 2019 van de studieadviseur van de Universiteit Twente (productie 27) zijn onvoldoende om te beoordelen of de man al dan niet in staat is geweest om zelf in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Immers, uit de verklaring van de huisarts waarin staat dat de man sinds februari 2019 twee maandelijks de praktijkpsycholoog bezoekt, volgt naar het oordeel van het hof niet dat de man (volledig) arbeidsongeschikt was, en voor langere duur. Ook uit de brief van de studieadviseur komt niet naar voren dat de man niet in staat was om, naast de werkzaamheden die hij verrichte voor zijn onderneming, ook nog andere werkzaamheden te verrichten. De man heeft naar het oordeel van het hof derhalve onvoldoende aangetoond dat zijn fysieke of geestelijke toestand hem in de periode na uiteengaan van partijen zodanig was dat niet van hem kon worden gevergd dat hij actief en intensief zou zoeken naar een baan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting heeft het hof niet kunnen opmaken dat de man in de periode waar het hier om gaat, 26 juni 2018 tot 2 oktober 2019, heeft gesolliciteerd naar een betaalde baan. Het hof is van oordeel gelet op het hiervoor overwogene dat het op de weg van de man had gelegen om na de relatiebreuk op zoek te gaan naar een baan of werk te maken van zijn eigen onderneming. Naar het oordeel van het hof heeft de man zich volstrekt onvoldoende ingespannen om een eigen inkomen te verwerven. De rekening daarvan kan hij niet bij zijn ex-echtgenoot neerleggen. Voorts is het hof van oordeel dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de middelen waarvan hij in de genoemde periode heeft bestaan. De man heeft, desgevraagd door het hof, verklaard dat hij, naast de geringe inkomsten uit zijn onderneming, heeft geleefd van de door hem verkregen huur- en zorgtoeslag en dat hij heeft ingeteerd op zijn vermogen. Het had ook op de weg van de man gelegen om helderheid te scheppen inzake zijn vermogen en de inkomsten uit onderneming. De man heeft echter nagelaten stukken omtrent de toeslagen en over de hoogte van zijn vermogen over te leggen. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat hij de nodige middelen miste en dat hij die ook niet in redelijkheid kon verwerven. Het hof gaat er derhalve van uit dat de man in de betreffende periode in staat was om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Hij was derhalve niet behoeftig. Het hof zal dan ook zijn verzoek om partneralimentatie vast te stellen, afwijzen. Hetgeen de advocaat van de man ter zitting in haar pleitnota naar voren heeft gebracht over de afgesproken takenverdeling tussen partijen (pagina 2 bovenaan) die relevant zou zijn voor de beoordeling van de behoeftigheid, doet aan dit oordeel niet af nu dit een grondslag was voor het wetsvoorstel Wet herziening partneralimentatie, welke grondslag niet in het betreffende wetsvoorstel is opgenomen.

Bewijsaanbod

5.8

Gezien het hof hiervoor heeft overwogen zal het hof het algemene bewijsaanbod van de man passeren.

In de zaak met zaaknummer 200.271.601/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden aan de zijde van de man):

Omvang van het te verrekenen vermogen

5.9

Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen zijn partijen getrouwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Iedere wettelijke gemeenschap van goederen is tussen partijen uitgesloten. Uit artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat bij het einde van het huwelijk door echtscheiding tussen de partijen dient te worden afgerekend als ware zij gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Door deze bepaling in de huwelijkse voorwaarden ontstaat echter geen goederenrechtelijke gemeenschap maar een pseudo-gemeenschap of wel een gemeenschap in verbintenisrechtelijke zin. Het hof wijst beide partijen erop dat nu er tussen partijen geen goederenrechtelijke gemeenschap bestaat er niet kan worden verdeeld maar dat er moet worden verrekend.

5.10

Uit de eerste grief van de man volgt dat hij van mening is dat een bedrag van € 20.500,- niet in de finale verrekening dient te worden betrokken. De man is van mening dat hij voormeld bedrag van zijn ouders geschonken heeft gekregen. Het hof begrijpt voorts uit zijn toelichting dat hij meent een vergoedingsrecht te hebben op de pseudo-gemeenschap, ter onderbouwing van zijn stelling verwijst hij naar het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 ECLI:2019:NL:2019:504. Tot slot begrijpt het hof uit de toelichting op de grief dat de man subsidiair van mening is dat het bedrag van € 14.167,25 niet in de verrekening moet worden betrokken. Laatstgenoemd bedrag stond op de peildatum op zijn rekening.

5.11

Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Door de vrouw wordt ontkend dat een bedrag van € 20.500,- aan de man zou zijn geschonken. Ook met betrekking tot het bedrag van € 14.167,25 is zij van mening dat de man niet heeft aangetoond dat dit bedrag uit schenkingen afkomstig is.

5.12

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 10 lid 8 van de huwelijke voorwaarden worden niet in de verrekening betrokken schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man moet bewijzen dat het saldo op zijn rekening ten tijde van de peildatum afkomstig is uit schenkingen of erfrechtelijke verkrijging. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet bewezen dat het bedrag van € 14.167,25 afkomstig is van schenkingen. Niet betwist is dat naast de schenkingen op de rekening van de man ook andere stortingen zijn gedaan en dat daarmee betalingen zijn verricht. Het hof kan derhalve op basis van de door de man verstrekte gegevens niet vaststellen uit welke bronnen het saldo van € 14.167,25 is ontstaan. Als de man de schenkingen buiten de verrekening had willen houden had het op zijn weg gelegen om een deugdelijke administratie te hanteren. De man had de schenking bijvoorbeeld op een aparte bankrekening kunnen storten en die bankrekening alleen voor schenkingen kunnen bestemmen. Door dit niet te doen en door niet een deugdelijke administratie bij te houden van het verloop van de bedragen die aan hem zijn geschonken, is niet meer te traceren welk bedrag nog afkomstig is van schenkingen. Dit dient voor rekening en risico van de man te komen. Het beroep van de man op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 gaat niet op aangezien in deze geen goederenrechtelijke gemeenschap tussen partijen bestaat. Er kan derhalve geen vergoedingsrecht ontstaan op de pseudo-gemeenschap nu de gelden in het vermogen van de man zijn gevloeid. Bij een finaal verrekenbeding, waarin is bepaald dat van de finale verrekening een aantal zaken is uitgezonderd, geldt als uitgangspunt dat het op de peildatum aanwezige vermogen voor verrekening in aanmerking komt en dat het op de weg ligt van de partij die stelt dat een bepaald goed niet tot het te verrekenen vermogen gerekend moet worden, om zijn stelling aannemelijk te maken. Dit volgt ook uit de bewijsregel van art 1:136 lid 2 BW. De man is hierin niet geslaagd.

5.13

De man is van mening dat hij niet heeft verzocht, zoals de rechtbank overweegt, om schulden te verdelen. Hij heeft verzocht te bepalen dat de verwachte Belastingaanslag IB/ZVW tot 18 augustus 2017 ieder voor de helft moet worden gedragen en in mindering wordt gebracht op het te verdelen vermogen, dit laatste conform artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden. Subsidiair beroept de man zich er op dat hij de aanslag ZVW 2017 heeft voldaan. Omgerekend naar 18 augustus 2017 bedroeg de openstaande belastingschuld ZVW 2017 op naam van de man € 443,15 (709:12 maanden x 7.5 maanden= € 443,15). Nu de man de schuld heeft afgelost, heeft hij voor de helft van het bedrag van € 443,13, te weten een bedrag van € 221,56 een regresrecht op de vrouw.

5.14

De vrouw kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank hieromtrent. Als € 221,- moet worden gecorrigeerd, dan moet dat maar, aldus de vrouw.

5.15

Het hof overweegt als volgt. Nu de vrouw het bedrag van € 221,56 heeft erkend als een schuld die in de verrekening moet worden betrokken, wordt hiermee bij de afwikkeling van het finaal verrekenbeding rekening gehouden.

5.16

De man is van mening dat de rechtbank het verzoek van de man te bepalen dat de schuld van het collegegeld voor de studie van de man ter hoogte van € 2.006,- welke open stond op de peildatum 18 augustus 2017, bij helfte wordt gedragen en in mindering wordt gebracht op het te verdelen vermogen ten onrechte heeft afgewezen. Ter zitting bij het hof heeft de man verklaard dat hij heeft bedoeld te verzoeken om de studieschuld in de verrekening te betrekken.

5.17

De vrouw ontkent dat zij de helft van dit bedrag moet dragen. In de huwelijkse voorwaarden staat dat de studieschuld van de man niet bij de gezamenlijke schulden behoort.

5.18

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man op de peildatum een schuld heeft uit hoofde van collegegeld. Een redelijke uitleg van de huwelijkse voorwaarden brengt met zich mee dat de studieschuld die is ontstaan nà de datum van het huwelijk, wel in de verrekening moet worden betrokken.

Poolse bankrekening PKO Bank Polski

5.19

Het hof begrijp uit de vierde grief van de man dat in de finale verrekening dient te worden betrokken de bankrekening van de vrouw bij PKO Bank Polski.

5.20

Uit het verweerschrift van de vrouw volgt dat zij geen bankrekening heeft bij de door de man genoemde Poolse Bank.

5.21

Het hof is van oordeel dat het gezien het feit dat de vrouw het bestaan van de Poolse bankrekening ontkent, het op de weg van de man had gelegen om met verificatoire bescheiden te onderbouwen dat de betreffende Poolse bankrekening wel degelijk bestaat. De enkele verwijzing door de man naar de mailwisseling via G-mail tussen partijen (journaalbericht van 28 januari 2020 van de man, productie 29 (brief van 22 augustus 2019, productie 98) is daartoe volstrekt onvoldoende. De vierde grief van de man faalt derhalve.

Rente

5.22

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op het verzoek van de man van 22 augustus (het hof begrijpt:) 2019 om te bepalen dat het bedrag dat de vrouw aan de man verschuldigd is ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente van 2% vanaf 18 augustus 2017. Tevens stelt de man zich op het standpunt dat dit besluit van de rechtbank ten onrechte niet dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

5.23

De vrouw stelt dat het vaste jurisprudentie is dat de rente pas gaat lopen nadat de verdeling is uitgesproken. De vrouw heeft het in de beschikking opgenomen bedrag direct betaald, is derhalve niet in verzuim of in gebreke en is dus geen rente verschuldigd.

5.24

Het hof overweegt als volgt. In artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden zijn de partijen een finaal verrekenbeding overeengekomen. Bij ontbinding van het huwelijk dient er binnen acht maanden een vermogensbeschrijving te worden opgesteld. Voorts staat in art 10 lid 6 dat de uitkering plaats vindt in geld binnen één jaar na ontbinding van het huwelijk, tenzij partijen anders overeenkomen of de eisen van redelijkheid of billijkheid anders meebrengen. Het hof acht het in de onderhavige zaak redelijk en billijk dat eerst bij de datum indiening appelschrift rente verschuldigd is aangezien de man eerst bij appel aanspraak maakt op rente over het verschuldigde bedrag.

In de zaak met zaaknummer 200.271.818/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden aan de zijde van de vrouw):

Ontvankelijkheid

5.25

De bestreden beschikking is door de rechtbank op 2 oktober 2019 afgegeven. Het beroepschrift van de vrouw is ingekomen ter griffie van het hof op 6 januari 2020. Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de vrouw tijdig in hoger beroep is gekomen en ontvankelijk is in haar hoger beroep.

5.26

De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gesteld dat hij tijdig in hoger beroep is gekomen en daarin ontvankelijk is omdat hij het hoger beroep op 24 december 2019 aan het hof per e-mail heeft doen toekomen. Het hof heeft de advocaat van de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen één week na de mondelinge behandeling op 18 december 2020 (zijnde in verband met de kerstdagen uiterlijk op 28 december 2020), de betreffende e-mail waaruit blijkt dat het beroepschrift van de vrouw op 24 december 2019 bij het hof is ingediend, te overleggen. Tot op heden is van de advocaat van de vrouw niets ontvangen.

5.27

Het hof overweegt als volgt. Tegen de beschikking van 2 oktober 2019 had binnen drie maanden vanaf de dag van de uitspraak hoger beroep moeten worden ingesteld (artikel 358 lid 2 en 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het beroepschrift is ter griffie van dit hof ingekomen op 6 januari 2020, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn. De vrouw is in verband met de overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de beschikking van 2 oktober 2019. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

5.28

Nu de advocaat van de man ter zitting heeft verklaard dat indien de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, het verweerschrift dat door de man is ingediend als niet geschreven dient te worden beschouwd, zal het hof niet ingaan op dit verweer van de man.

In de zaken met zaaknummers 200.262.603/01 en 200.271.601/01

Proceskosten

Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren, zowel in eerste aanleg als in appel.

6 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.262.603/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 april 2019 (verbeterd bij beschikking van 2 oktober 2019) voor zover daarin het verzoek van de man om een uitkering in zijn levensonderhoud (partneralimentatie) vast te stellen is afgewezen;

in de zaak met zaaknummer 200.271.601/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2019 voor zover daarin is bepaald, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw € 31.170,75 aan de man dient te vergoeden in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw (€ 31.170,75 + € 221,56 + € 1.003,- =) € 32.395,31 aan de man dient te vergoeden in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen de wettelijke rente over voornoemde verrekenvordering met ingang van 30 december 2019 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaken met zaaknummers 200.262.603/01 en 200.271.601/01

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.271.818/01:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, A.N. Labohm en L.A.G.M. van der Geld, bijgestaan door de griffier, en is op 17 februari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.