Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:273

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
BK-20/00328
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:1028, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB. Is ten aanzien van de toename in het onderhavige jaar van de rekening-courantschuld van de belanghebbende aan diens BV sprake van een uitdeling? Inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende, mogelijkheid van dividenduitkeringen of vervreemding aandelen niet meerekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-03-2021
V-N Vandaag 2021/560
FutD 2021-0762
NTFR 2021/982 met annotatie van
VFP 2021/38
V-N 2021/23.4 met annotatie van Redactie
NLF 2021/0545 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00328

Uitspraak van 2 februari 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] en […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 januari 2020, nummer SGR 19/4181.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 134.092 (de navorderingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 577 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking inzake belastingrente).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.046. De beschikking inzake belastingrente heeft de Inspecteur dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak, met toestemming van

partijen, voor de verdere behandeling en beslissing verwezen naar de Rechtbank.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.575, de beschikking inzake belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.5.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting per e-mail een pleitnota naar het Hof gezonden.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 december 2020. Alleen de Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 16 oktober 2020 aan belanghebbende, op het adres [adres] te [woonplaats] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie, welke aan het dossier is toegevoegd, is vorenbedoelde brief op 17 oktober 2020 op het voormelde adres uitgereikt. De griffier heeft telefonisch van de gemachtigde vernomen dat deze ervan op de hoogte was dat de zitting op 8 december 2020 zou plaatsvinden, maar er om hem moverende redenen voor heeft gekozen de zitting niet bij te wonen. De zaak is gezamenlijk behandeld met de zaak met kenmerk BK-20/00327. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd, geldt als in beide zaken te zijn aangevoerd en overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [A] (de echtgenote). Belanghebbende en de echtgenote zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.

Belanghebbende bezit 90% van de aandelen in [B] B.V. (de BV). De echtgenote bezit 10% van de aandelen. De BV is op 30 maart 1992 opgericht en houdt zich bezig met het beheren van (pensioen)vermogen. De aandeelhouders zijn sinds 17 februari 2006 tevens de bestuurders van belanghebbende.

2.3.

De BV heeft belanghebbende in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 in totaal een bedrag van € 624.966 geleend voor de verbouwing van zijn eigen woning. Op 11 september 2006 heeft belanghebbende in verband hiermee een schuldbekentenis ten behoeve van de BV ondertekend. Het saldo van de lening bedraagt zowel op 31 december 2013 als op 31 december 2014 € 658.248. Op de eigen woning is een recht van hypotheek gevestigd in verband met een door de Rabobank aan belanghebbende verstrekte lening van € 500.000.

2.4.

De BV heeft een rekening-courantvordering op belanghebbende naar de volgende saldi op 31 december van elk jaar:

2010: € 325.049

2011: € 387.106

2012: € 452.108

2013: € 523.313

2014: € 637.292

2.5.

In de motivering van zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende zijn financiële privé-situatie per ultimo 2014 als volgt beschreven:

“ € €

Aandelenkapitaal [B] bv, intrinsieke waarde 1.238.563

Woonhuis [adres] [woonplaats] , WOZ-waarde 452.000

Grond 310 m2 [straatnaam] [woonplaats] , aankoopwaarde 45.830

Personenauto Saab 9-3 [kenteken] P.M.

Personenauto Range Rover [kenteken 2] P.M.

Interpolis spaarverzekering [nummer] P.M.

[bankrekening] 14.334

1.750.727

Rekening-courant [B] bv -637.292

Lening [B] bv -658.248

Hypotheek Rabobank [hypotheeknummer] -500.000

-1.795.540

Vermogen per 31 december 2014 exclusief stand belastingen -44.813

2.6.

In een rapport van 25 juli 2016 heeft [makelaar] de woning op de waardepeildatum 22 juli 2016 getaxeerd op € 995.000.

2.7.

Uit hoofde van de lening voor de eigen woning en de rekening-courantvordering tezamen heeft de BV per 31 december 2014 in totaal € 1.295.540 te vorderen van belanghebbende. Volgens de jaarrekening van de BV bedroegen haar gestorte aandelenkapitaal en winstreserve per 31 december 2014 € 23.157 respectievelijk € 1.215.406.

2.8.

In 2014 is de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV met € 113.979 opgelopen. Uit de jaarrekening van de BV blijkt het volgende verloop van de rekening-courant in 2014:

Privé-stortingen:

IB/PVV 2013 [belanghebbende] € 21.754

IB/PVV [de echtgenote] € 237

WZT 2014 € 586

WZT 2012 € 911

Middeling IB/PVV 2009-2010 [belanghebbende] € 663

Netto pensioenuitkering [belanghebbende] € 26.415

Netto pensioenuitkering [de echtgenote] € 9.174

Zakelijke kosten privé betaald € 7.579

€ 67.319

Privé-opnames:

Rente rekening-courant € 22.757

Buitengewone lasten € 4.149

Energie etc. € 2.265

Vaste lasten € 1.534

Rente hypotheek Rabobank € 12.250

Rente lening van de BV (eigen woning schuld) € 32.912

Naar privérekening € 47.763

Aankoop grond [woonplaats] € 45.830

Overige privé-opnames € 11.841

€ 181.298

2.9.

De Inspecteur heeft het in 2014 per saldo in rekening-courant bijgeboekte bedrag van € 113.979 aangemerkt als uitdeling en ter zake daarvan de navorderingsaanslag opgelegd. Hij heeft daarbij de uitdeling gebruteerd op basis van de volgende formule: (€ 113.979 / 85) * 100 = € 134.092. In de navorderingsaanslag is een bedrag van € 20.113 aan dividendbelasting verrekend. Bij zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de helft van deze bedragen toegerekend aan belanghebbende.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen:

Is sprake van een voordeel uit aanmerkelijk belang?

14. Indien een aandeelhouder voor persoonlijke doeleinden gelden uit de kas van de vennootschap opneemt, kan daarin een winstuitdeling zijn gelegen als het daarbij niet de bedoeling is geweest dat de aandeelhouder het opgenomen bedrag aan de vennootschap zal schuldig worden dan wel het reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de opgenomen gelden niet zouden kunnen worden terugbetaald of verrekend (HR 24 juni 1964, nr. 15 225, BNB 1964/196). Indien een vennootschap aan haar aandeelhouder een lening verstrekt waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, moet deze lening worden aangemerkt als een uitdeling. Het bedrag van de lening heeft dan immers het vermogen van de vennootschap definitief verlaten. Dit wordt niet anders indien het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering (vgl. HR 29 oktober 2004, nr. 40296, ECLI:NL:HR:2004:AR4761). Voor het in aanmerking nemen van een uitdeling, zal de inspecteur feiten (en omstandigheden) aannemelijk moeten maken waaruit volgt dat deze lening niet kan of zal worden afgelost en de vennootschap en aandeelhouder zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn (HR 20 maart 2015, nr. 13/05470, ECLI:NL:HR:2015:645).

15. [De Inspecteur] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat van de rekening- courantschuld € 113.979 niet kan worden terugbetaald gewezen op de vermogenspositie van de aandeelhouders gezamenlijk. Deze vermogenspositie heeft [de Inspecteur], zonder daarbij de waarde van de aandelen in B.V. te betrekken, berekend op € 740.377 negatief per

31 december 2014. [Belanghebbende] heeft hiertegen ingebracht dat de waarde van de aandelen (volgens [belanghebbende] € 1.238.563) moet worden meegerekend zodat geen sprake is van een negatieve vermogenspositie van hem. Deze opvatting volgt de rechtbank niet. Het gaat om de vraag of [belanghebbende] in 2014 door middel van de rekening-courant geld uit B.V. heeft opgenomen waarvan aannemelijk is dat niet kan en zal worden afgelost anders dan door over de winstreserves van B.V. te beschikken. Dit wordt niet anders als het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering (vgl. HR 29 oktober 2004, nr. 40.296, ECLI:NL:HR:2004:AR4761) of kan worden terugbetaald uit de opbrengst van de verkoop van aandelen (vgl. r.o. 4.14 van Hof Arnhem 3 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6154). [De Inspecteur] heeft voorts gewezen op de bruto-inkomsten uit vroegere dienstbetrekking van de aandeelhouders in het jaar 2014 van € 58.976 en op het feit dat die inkomsten al onvoldoende zijn om de rentelast aan de Rabobank van € 21.000 en de rentelast aan B.V. van € 55.669 te voldoen. Wat betreft de bewustheid wijst [de Inspecteur] erop dat B.V. op de hoogte was van de bestaande verplichtingen van [belanghebbende] en het privévermogen en -inkomen van [belanghebbende] en zijn echtgenote en dat de winstreserve van B.V. per 31 december 2014 € 1.215.406 bedroeg. Ook zijn er geen zekerheden gesteld of aflossingsverplichtingen overeengekomen.

16. Met hetgeen [de Inspecteur] heeft aangevoerd, heeft hij aannemelijk gemaakt dat de toename van de rekening-courantvordering voor € 68.979 (€ 113.979 /-/ € 45.000) niet volledig kan of zal worden afgelost, omdat [belanghebbende] en zijn echtgenote niet over voldoende vermogen en inkomsten beschikten om uit andere middelen dan het aandelenbezit in B.V. de aflossing van dit gedeelte van de lening te voldoen. Een uitzondering geldt voor het bedrag van € 45.000 dat staat tegenover de grond. [Belanghebbende] heeft gesteld dat de grond ultimo 2014 nog in zijn bezit was zodat dit deel van de schuld gedekt was en dat bovendien de latere verkoopopbrengst daadwerkelijk is aangewend voor aflossing van de rekening courant. Voor dit bedrag acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het in 2014 definitief het vermogen van B.V. heeft verlaten. [De] stelling [van de Inspecteur] dat dan een uitdeling van € 45.000 ligt besloten in een ander deel van de rekening-courantvordering volgt de rechtbank niet. In geschil is immers enkel de toename van de rekening-courantvordering in 2014. De stelling van [belanghebbende] dat hij een lening bij een bank zou kunnen krijgen om de toename van de rekening-courantschuld (deels) terug te betalen, volgt de rechtbank ook niet. [Belanghebbende] heeft deze mogelijkheid immers niet benut zodat deze situatie zich hier niet voordoet.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] met hetgeen hij heeft aangevoerd ook aannemelijk gemaakt dat zowel [belanghebbende] als B.V. zich ervan bewust moeten zijn geweest dat (50% van) € 68.979 niet kon en zou worden afgelost en dat [belanghebbende] daardoor werd bevoordeeld. Dat [belanghebbende] in 2014 en eerdere jaren ook bedragen heeft teruggestort en dat een hoger rentepercentage gold dan op een andere vordering, maakt het oordeel niet anders nu B.V. en [belanghebbende] zich ervan bewust moeten zijn geweest dat [belanghebbende] (al jarenlang) per saldo een aanzienlijke schuld aan B.V. overhield.

18. [De Inspecteur] heeft gelet op de winstreserve van B.V. ook aannemelijk gemaakt dat de uitdeling wordt gedekt door aanwezige winst. Indien de pensioenverplichting zo hoog is als [belanghebbende] stelt dan nog blijft er een aanzienlijk bedrag aan winstreserves over (€ 789.204). [Belanghebbende] heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat de winstreserves, zoals hij stelt, met € 1.215.406 verminderd dienen te worden, omdat hij de bedragen waaruit de rekening-courantschuld vóór 2014 bestond al definitief aan het vermogen van B.V. had onttrokken en omdat de daadwerkelijke waarde van de vorderingen tot dat nominale bedrag een waarde van nihil hebben.

19. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal de door [de Inspecteur] vastgestelde correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang verminderen tot € 40.575 (50% van (€ 68.979 x 100/85).

Belastingrente

20. Niet in geschil is de belastingrente volgens de geldende wettelijke bepaling, artikel 30fc van de Awr, is berekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan de belastingrente verminderd dient te worden. Wel dient de belastingrente, gelet op hetgeen in 19 is overwogen, evenredig te worden verminderd.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank het door de Inspecteur in aanmerking genomen inkomen uit aanmerkelijk belang terecht heeft verminderd met een bedrag van € 45.000 ter zake van de grond in [woonplaats] .

4.2.

De Inspecteur bepleit een ontkennende beantwoording van die vraag en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.3.

Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

De relatieve bevoegdheid van de Rechtbank

5.1.

Belanghebbende woont in [woonplaats] (gemeente [C] ). Deze gemeente behoort tot het rechtsgebied van het ressort 's-Hertogenbosch. Daaruit volgt dat de Rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd was van het onderhavige geschil in eerste aanleg kennis te nemen (artikel 8:7, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8, lid 9, letter a, van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak en de artikelen 17, letter b, en 10 van de Wet op de rechterlijke indeling). De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft, met toestemming van partijen, de zaak ter behandeling en beslissing verwezen naar de Rechtbank.

5.2.

Artikel 8:117 Awb geeft het Hof in hoger beroep de bevoegdheid om, indien de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken. Aangezien partijen toestemming hebben gegeven voor de behandeling en beslissing van de zaak door de Rechtbank zal het Hof – de voorkeur van partijen volgend – de onbevoegdheid van de Rechtbank voor gedekt verklaren en de uitspraak van de Rechtbank aanmerken als bevoegdelijk gedaan.

De winstuitdeling

5.3.

Tussen partijen is in hoger beroep niet langer in geschil dat zich een uitdeling van winst heeft voorgedaan ter zake van het positieve saldo dat de BV in 2014 heeft bijgeschreven op haar rekening-courantvordering op belanghebbende. Partijen strijden alleen nog over het bedrag van de uitdeling.

5.4.1.

Bij de behandeling van het geschilpunt stelt het Hof, evenals de Rechtbank, het volgende voorop. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1964, ECLI:NL:HR:1964:AX7622, BNB 1964/196, volgt dat indien een aandeelhouder voor persoonlijke doeleinden gelden uit de kas van zijn vennootschap opneemt, daarin een winstuitdeling is gelegen indien en in zoverre hetzij daarbij niet de bedoeling heeft voorgezeten dat hij het opgenomen bedrag aan de vennootschap zal schuldig worden, hetzij reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de opgenomen gelden niet zouden kunnen worden terugbetaald. Een zodanige uitdeling vormt een opbrengst van aandelen als bedoeld in artikel 3, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de dividendbelasting 1965. In het arrest van de Hoge Raad van 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4761, BNB 2005/64, is geoordeeld dat indien een vennootschap aan haar aandeelhouder een lening verstrekt waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, deze lening moet worden aangemerkt als een onttrekking. Het bedrag van de lening heeft dan immers het vermogen van de vennootschap definitief verlaten. Dit wordt niet anders indien het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering.

5.4.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft hetzelfde te gelden voor de mogelijkheid van verrekening met een toekomstige vervreemdingsopbrengst ter zake van de aandelen in de vennootschap, nog daargelaten of in het onderhavige geval aan de aandelen enige waarde toekomt. Een andersluidende opvatting zou niet verenigbaar zijn met het eerdergenoemde arrest van 29 oktober 2004, omdat – bezien vanuit de aandeelhouder – de vervreemding van aandelen evenzeer als de uitkering van een dividend ertoe leidt dat het vermogen van de vennootschap te gelde wordt gemaakt.

5.5.

In hoger beroep strijden partijen uitsluitend nog over de vraag voor welk bedrag ter zake van de toename van rekening-courantschuld in 2014 van (de helft van) € 113.979 sprake is van een uitdeling. Naar het oordeel van het Hof dient daarbij, gelet op de hiervóór aangehaalde jurisprudentie, te worden beoordeeld in hoeverre ten aanzien van de door belanghebbende in 2014 opgenomen gelden ten tijde van de bijschrijvingen op de rekening-courantlening duidelijk was dat deze door hem niet of niet ten volle zouden kunnen worden terugbetaald. Anders dan waarvan de Rechtbank in r.o. 16 van haar uitspraak is uitgegaan, is daarbij de gehele vermogenspositie van belanghebbende en de echtgenote van belang en dus ook de totale schuld van belanghebbende aan de BV.

5.6.

Bij deze beoordeling moet de (waarde van de) door belanghebbende verworven grond in de beschouwing worden betrokken, omdat deze van invloed is op de mate waarin hij in staat kan worden geacht zijn schulden aan de BV af te lossen. Naar het oordeel van het Hof speelt de grond daarbij evenwel geen andere rol dan de overige vermogensbestanddelen van belanghebbende. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat, hoewel een bedrag van € 45.830 is verstrekt ter financiering van de grondaankoop in [woonplaats] , in dit verband geen hypotheekrecht is gevestigd of anderszins zekerheid is gesteld met betrekking tot die grond. De zojuist bedoelde beoordeling moet daarom plaatsvinden aan de hand van de overigens door de BV aan belanghebbende verstrekte gelden en de volledige vermogenspositie van belanghebbende en de echtgenote ten tijde van de bijschrijvingen. Belanghebbende betoogt in zoverre terecht dat het erom gaat of belanghebbende tezamen met de echtgenote in het desbetreffende jaar over voldoende aflossingscapaciteit beschikte.

5.7.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:645, BNB 2015/141, volgt dat de stelplicht en de bewijslast op dit punt rusten op de Inspecteur. De Inspecteur heeft in dit verband gesteld (verweerschrift in eerste aanleg) dat de maximale betalingscapaciteit van belanghebbende en de echtgenote per ultimo 2014 € 1.055.163 bedroeg (woonhuis € 995.000, grond € 45.830 en bankrekening € 14.334), terwijl de leningen van de BV en de Rabobank in totaal € 1.795.540 beliepen (rekening-courant € 637.292, eigenwoninglening € 658.248 en banklening € 500.000).

5.8.

Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Niet in geschil is dat de schulden van belanghebbende en de echtgenote aan het begin van het jaar 2014 in totaal € 1.681.561 bedroegen (rekening-courant € 523.313, eigenwoninglening € 658.248 en banklening € 500.000). Tegenover deze schuldpositie stonden bezittingen (exclusief de waarde van de aandelen in de BV) ter waarde van € 995.000 (woonhuis). Ultimo 2014 waren de bezittingen toegenomen met € 60.164 (grond € 45.830, bankrekening € 14.334) en de schulden toegenomen met € 113.979 (toename rekening-courantschuld), zodat de aflossingscapaciteit in de loop van het jaar verder is afgenomen. Op grond van de bezittingen en schulden was de aflossingscapaciteit van belanghebbende en de echtgenote ten tijde van de bijschrijvingen op de rekening-courantlening dus ontoereikend om het bedrag van € 113.979 te kunnen aflossen. Belanghebbende betoogt op zichzelf terecht dat ook rekening moet worden gehouden met zijn netto besteedbaar inkomen. Belanghebbende becijfert de invloed daarvan op zijn aflossingscapaciteit op ruim € 80.000. Zelfs indien dat gehele bedrag wordt opgeteld bij (uitsluitend) de bezittingen van belanghebbende en de echtgenote, resulteert dit geenszins in een toereikende aflossingscapaciteit. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat hij door zekerheidstelling nog aanvullende financiering zou kunnen aantrekken, omdat de bezittingen waarop zekerheid zou kunnen worden gevestigd, al zijn meegenomen in de berekening van de aflossingscapaciteit. Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad zal het Hof, zoals hiervóór is overwogen, evenmin rekening houden met de mogelijkheid de schuld te verrekenen met een toekomstige dividenduitkering door de BV of met een opbrengst van een eventuele vervreemding van de aandelen in de BV. Dit alles brengt het Hof tot het oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de bijschrijvingen in 2014 op de rekening-courantlening van in totaal € 113.979 duidelijk was dat die bedragen niet aan de BV zouden kunnen worden terugbetaald. Dat bedrag heeft het vermogen van de BV dus definitief verlaten. De helft van dit bedrag moet worden aangemerkt als een winstuitdeling aan belanghebbende.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:

­ verklaart het hoger beroep gegrond;

­ vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en

­ bevestigt de uitspraak op bezwaar.

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 2 februari 2021 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. Peters.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl .

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.