Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:270

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
BK-20/00480
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:4194, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is opgericht in het kader van een juridische fusie tussen twee stichtingen die werkzaam waren op het gebied van gezondheids- en ouderenzorg en de anbi-status hadden. Zij heeft die activiteiten voortgezet en is aangemerkt als anbi. Nadien heeft belanghebbende in het kader van een herstructurering haar zorgactiviteiten overgedragen aan drie bv’s waarvan zij enig aandeelhouder is. De BV’s zijn de feitelijke zorgtaken gaan uitvoeren en belanghebbende houdt zich bezig met beleidsbepalen en taken op concernniveau.

In geschil is of de Inspecteur de anbi-status terecht heeft ingetrokken.

Het Hof oordeelt dat na de herstructurering de doelstelling van belanghebbende weliswaar het verlenen en bevorderen van een goede gezondheidszorg is, maar dat haar activiteiten niet langer primair en rechtstreeks het algemeen belang dienen en dat daarom de anbi-status terecht is ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-03-2021
V-N Vandaag 2021/563
FutD 2021-0767
NTFR 2021/898
V-N 2021/17.24.29
NLF 2021/0878 met annotatie van Anneloes van Maurik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00480

Uitspraak van 20 januari 2021

in het geding tussen:

Stichting [X] ,

gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] , […] en […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 maart 2020, nummer SGR 19/4228.

Procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 9 maart 2018 heeft de Inspecteur de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) van belanghebbende met terugwerkende kracht tot 30 april 2017 ingetrokken.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht van € 338 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Er is een griffierecht van € 131 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota naar het Hof toegezonden.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 december 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is bij notariële akte op 1 januari 2017 nieuw opgericht in het kader van een juridische fusie van twee verdwijnende stichtingen, te weten de Stichting [A] en de Stichting [B] . Belanghebbende was bij deze fusie de verkrijgende stichting. De bij de juridische fusie betrokken verdwijnende stichtingen waren door de Belastingdienst erkend als ANBI’s. Door de juridische fusie hielden zij van rechtswege op te bestaan. Belanghebbende heeft alle activiteiten die de verdwijnende stichtingen hebben verricht op het gebied van de gezondheidszorg en ouderenzorg voortgezet.

2.2.

Op verzoek van belanghebbende van 2 maart 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende bij beschikking van 4 mei 2017 met ingang van 1 januari 2017 aangemerkt als ANBI in de zin van artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

2.3.

Op 1 mei 2017 heeft belanghebbende in het kader van een herstructurering haar operationele activiteiten afgesplitst naar een drietal besloten vennootschappen, te weten [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] (de BV’s), waarvan belanghebbende tot op heden enig aandeelhouder is.

2.4.

Na afsplitsing van de operationele activiteiten zijn de activiteiten van belanghebbende uitsluitend gericht op het bepalen van het beleid van de BV’s en de uitvoering daarvan, alsmede het vervullen van taken op concernniveau zoals financieel- en personeelsmanagement, directievoering en overleg met zorgautoriteiten en andere spelers op de zorgmarkt, alsmede het beschikbaar stellen van het ziekenhuisgebouw inclusief alle apparatuur. De gezondheidszorg en ouderenzorg zelf worden vanuit de BV’s geleverd.

2.5.1.

De oprichting van belanghebbende is opgenomen in Hoofdstuk IV van de hiervoor in 2.1 vermelde Akte van fusie. De doelstelling van belanghebbende staat beschreven in artikel 2 van de in Hoofdstuk IV opgenomen statuten en luidt – voor zover van belang -:

“1. [Belanghebbende] is een zorgorganisatie met als hoofddoelstelling het bieden van zorg van goede kwaliteit aan cliënten, in het bijzonder in Zeeuws-Vlaanderen , die voldoet aan professionele standaarden en eigentijdse kwaliteits- en veiligheidseisen. De behoeftes, wensen, ervaringen en belangen van de cliënt staan centraal en zijn richtinggevend voor de te bieden zorg.

2. (…)

3. [Belanghebbende] heeft tot doel het algemeen belang te dienen door het dienen en bevorderen van goede gezondheids- en welzijnszorg, het (doen) verplegen, (doen) verzorgen en (doen) behandelen van personen die om enigerlei reden medische, verpleegkundige dan wel verzorgende bijstand behoeven in de ruimste zin.

4. [Belanghebbende] vormt een groep van zorg- en zorggerelateerde organisaties met die rechtspersonen en de andere instellingen die nu bij [belanghebbende] zijn aangesloten of later zich bij [belanghebbende] nog zullen aansluiten en waarover [belanghebbende] het bestuur uitoefent met als perspectief het realiseren van een optimaal resultaat van de groep. [Belanghebbende] geldt daarbij als de centrale zorgorganisatie onder wiens leiding de werkzaamheden van de andere rechtspersonen plaatsvinden.

5. [Belanghebbende] beoogt niet het maken van winst.”

2.5.2.

De verwezenlijking van de hiervoor in artikel 2 van de statuten beschreven doelstelling luidt volgens artikel 3 van de statuten, als volgt:

“[Belanghebbende] tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

a. het oprichten en exploiteren van instellingen op het gebied van de gezondheidszorg, daaronder begrepen een of meer ziekenhuizen (ieder ziekenhuis hierna aan te duiden als: Ziekenhuis), ambulancediensten, verloskundig samenwerkingsverband en instellingen op het gebied van de intra-, semi- en extramurale zorg, alle met bijbehorende voorzieningen en dienstverlening, op zo gedecentraliseerd mogelijke wijze binnen het werkgebied;

b. het centraal stellen van de cliënten en patiënten van de instelling en van hun gerechtvaardigde wensen en behoeften bij de zorgverlening onder andere door het scheppen van een gunstig behandelings-, verzorgings-, leef- en begeleidingsklimaat;

c. het (doen) verlenen en bevorderen van curatieve medisch-specialistische en aanverwante of aanvullende zorg, alsmede dienstverlening aan, cliënten en patiënten;

d. het (doen) verplegen, (doen) verzorgen en (doen) behandelen van personen die om enigerlei reden medische, verpleegkundige en/of verloskundige, dan wel verzorgende bijstand behoeven in de ruimste zin, in het bijzonder voor de inwoners van Zeeuws-Vlaanderen;

e. het (doen) leveren van eerstelijns zorg, daaronder onder meer begrepen eerstelijns verloskundige zorg en extramurale/eerstelijns dieetadvisering;

f. het creëren van mogelijkheden voor- en het meewerken aan de opleiding tot arts en verschillende medische specialismen, alsmede van verpleegkundig personeel en andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg;

g. het (doen) bevorderen van het overleg en de samenwerking tussen [belanghebbende] en haar dochtermaatschappijen enerzijds en andere instellingen en (medische) professionals anderzijds op het terrein van de- (gezondheids)zorg en de maatschappelijke dienstverlening;

h. het oprichten van of participeren in andere organisaties, die onder meer ten doel hebben het leveren van goederen en diensten ten behoeve van de gezondheidszorg;

i. het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een andere instelling voor het onder diens toezicht en leiding verrichten van arbeid;

j. het zo doeltreffend en doelmatig mogelijk (doen) aanwenden van voor de zorgverlening beschikbare middelen, en daarmee voldoen aan de gangbare normering voor resultaatgerichtheid en doelmatigheid;

k. het voldoen aan eigentijdse kwaliteitseisen van de geleverde zorg;

l. het voeren van een actief beleid voor de dialoog met de meest relevante belanghebbenden;

m. het deelnemen in, het op andere wijze een belang nemen in, het voeren van beheer over andere (zorg)ondernemingen, van welke aard ook, en voorts het financieren van derden, het op enigerlei wijze stellen van zekerheid of het zich verbinden voor verplichtingen van derden;

n. het afleggen van verantwoording over de in dit artikel omschreven doelrealisatie; en

o. het zorgen voor een actief en transparant beleid binnen [belanghebbende] en de daarmee verbonden organisaties en instellingen voor de omgang met medezeggenschapsorganen, waarbij de doelen van de medezeggenschap en de dialoog centraal staan en het beleid tot stand komt na overleg met de betreffende belanghebbenden en alle overige activiteiten die voor het doel bevorderlijk of nuttig kunnen zijn, alles in de ruimste zin van het woord.(…)”

Oordeel van de Rechtbank

3.1.

De Rechtbank heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

9. Artikel 5b Awr luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Een algemeen nut beogende instelling is:

a. een instelling — niet zijnde een vennootschap met in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven — die:

1° uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt;

2° haar gegevens op elektronische wijze via internet openbaar maakt;

3° voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;

(…)

5° door de inspecteur als zodanig is aangemerkt;

(…)

3. Als algemeen nut in de zin van dit artikel wordt beschouwd:

a. welzijn;

(…)

e. gezondheidszorg;

f. jeugd- en ouderenzorg;

(…)

l. een combinatie van de bovengenoemde doelen, alsmede

m. het financieel of op andere wijze ondersteunen van een algemeen nut beogende instelling.
(…)
7. Een instelling als bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als zodanig aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling niet langer uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een algemeen nut beogend karakter heeft, niet meer voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden dan wel niet meer is gevestigd als aangegeven in het eerste lid. (…)

(…)

10. Voor de toepassing van het vierde en het zesde tot en met achtste lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.”

10. Artikel 1a van de UR Awr luidt, voor zover hier van belang als volgt:

“1. Een instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling indien en zolang:

a. (…);

b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient;

c. (…);

f. de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden ter verwezenlijking van haar doelstelling, de wijze van werving van inkomsten, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan;

g. (…);

j. de instelling via internet op elektronische wijze informatie met betrekking tot haar functioneren, openbaar maakt.

(…).

5. Onder algemeen nuttige activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: alle activiteiten die erop zijn gericht om de doelstelling van een algemeen nut beogende instelling te verwezenlijken of te bevorderen. Activiteiten zijn geen algemeen nuttige activiteiten indien de instelling het geheel van die activiteiten tegen commerciële tarieven verricht.

(…)

7. De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bestaat ten minste uit:

a. de naam van de instelling;

b. het nummer, bedoeld in artikel 12, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, van de instelling, dan wel ingeval de instelling buiten Nederland is gevestigd, het voor deze regeling door de Nederlandse Belastingdienst verstrekte fiscale identificatienummer;

c. het post- of bezoekadres, dan wel het telefoonnummer, dan wel het e-mailadres van de instelling;

d. de doelstelling volgens de regelgeving van de instelling;

e. de hoofdlijnen van het actuele beleidsplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, van de instelling;

f. de bestuurssamenstelling, het beloningsbeleid van de instelling en de namen van de bestuurders, met uitzondering van:

(…)

g. een actueel verslag van de uitgeoefende activiteit of activiteiten van de instelling;

h. de balans en de staat van baten en lasten, met toelichting, van de instelling dan wel, indien het instellingen betreft die niet actief geld of goederen werven onder derden en die het aan hen ter beschikking staande vermogen of de opbrengsten daarvan uitsluitend of nagenoeg uitsluitend besteden ten behoeve van hun doelstelling (zuivere vermogensfondsen) of indien het kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd betreft, de staat van baten en lasten en een overzicht van de voorgenomen bestedingen, met toelichting..”

11. In de Memorie van Toelichting van de Geefwet (MvT, Kamerstukken II, 2011/12, 33006, nr. 3, p. 21) is met betrekking tot artikel 5b van de Awr onder andere het volgende opgemerkt:

“(…) In het voorgestelde artikel 5b van de AWR wordt uitwerking gegeven aan de definitie van de ANBI. De teksten zijn grotendeels ontleend aan artikel 6.33 van de Wet IB 2001, waarin thans nog de definitie van de ANBI is opgenomen. Dit geldt ook voor de bepalingen over de wijze waarop instellingen als ANBI kunnen worden aangemerkt of in welke gevallen die status hen kan worden ontnomen. In het eerste lid van genoemd artikel 5b is ter verduidelijking en met het oog op een betere uitvoering een aantal wijzigingen aangebracht ten opzichte van de overeenkomstige tekst uit artikel 6.33 van de Wet IB 2001. De eerste wijziging is de vervanging van het te definiëren begrip instellingen door de term algemeen nut beogende instellingen. Dat is immers het begrip dat gedefinieerd moet worden in deze definitiebepaling. Gehandhaafd is de voorwaarde dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut moet beogen. De wijzigingen strekken voor het overige ertoe een verbetering en verduidelijking te geven met betrekking tot de invulling van het begrip algemeen nut beogende instelling. Dat betreft ten eerste de zekerstelling van de eis dat ANBI’s moeten voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. (…)”

12. In de Memorie van Toelichting van de Geefwet (MvT, Kamerstukken II, 2011/12, 33006, nr. 3, p. 25 is met betrekking tot artikel 5b, derde lid, onder e, van de Awr het volgende opgemerkt:

“Instellingen die zich met de gezondheidszorg bezighouden en zorgtaken verrichten, zullen doorgaans kwalificeren. (…). Instellingen die louter voorzien in de huisvesting van zieken, ouderen of anderszins zorgbehoevenden kwalificeren echter niet als ANBI. Hun feitelijke werkzaamheid is de exploitatie van onroerend goed en dat is geen algemeen nut.”

13. In de Memorie van Antwoord bij de wijziging van de Successiewet en enige andere belastingwetten (MvA, Kamerstukken I, 2009/10, 31 930, nr. D, p. 15-16) is met betrekking tot het doel en de activiteiten van een ANBI onder andere het volgende vermeld:

“(…) Een ANBI richt haar activiteiten naar buiten toe, ten behoeve van derden of van doelen die (ver) buiten de directe eigen levenssfeer liggen. De activiteiten van een ANBI moeten ook primair en rechtstreeks het algemeen belang dienen. Niet voldoende is dat van de ANBI-activiteiten indirect een gunstige werking uitgaat op de maatschappij als geheel, zoals bij de SBBI. (…)”

ANBI

14. Uit artikel 2 van de statuten volgt weliswaar dat de doelstelling van [belanghebbende] is gericht op het verlenen en bevorderen van een goede gezondheidszorg, maar dat is niet voldoende om als ANBI te kunnen worden aangemerkt. Gelet op de jurisprudentie (vergelijk onder andere HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2668) en de parlementaire geschiedenis dienen daarvoor ook de activiteiten van [belanghebbende] primair en rechtstreeks het algemeen nut te dienen. Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteiten van [belanghebbende] na de herstructurering enkel bestaan uit beleidstaken dan wel taken op concernniveau en dat de daadwerkelijke zorg wordt verleend vanuit de BV’s. Dat de activiteiten van [belanghebbende] voor het kunnen functioneren van de BV’s wellicht onontbeerlijk zijn, maakt niet dat die activiteiten transformeren naar activiteiten op het vlak van gezondheidszorg. Aldus is geen sprake van het door [belanghebbende] rechtstreeks dienen van het algemeen nut als bedoeld in artikel 5b, derde lid, onder e en f, van de Awr.

15. Voor de door [belanghebbende] bepleite doorkijkbenadering of groepsbenadering ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in de wettelijke regeling noch in de parlementaire geschiedenis daarvan. Dat [belanghebbende] wellicht een fiscale eenheid zou kunnen vormen met de BV’s is voor de beoordeling of [belanghebbende] voldoet aan de voorwaarden voor de ANBI-status niet relevant.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt het primaire standpunt van [belanghebbende] niet. De stelling van [de Inspecteur] dat [belanghebbende] niet beschikt over een actueel beleidsplan behoeft daarom geen behandeling.”

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht de ANBI-status van belanghebbende heeft ingetrokken. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende na afsplitsing van haar operationele activiteiten naar de BV’s, nog kwalificeert als ANBI. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de intrekkingsbeschikking van de ANBI-status.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.1.

Artikel 8:77 Awb is een bepaling van openbare orde die de rechter ambtshalve moet toetsen. Op grond van het eerste lid, onderdeel d, van deze bepaling vermeldt een schriftelijke uitspraak de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld.

5.1.2.

De uitspraak van de Rechtbank dient aldus de namen van alle rechters die deel uitmaken van de meervoudige kamer te vermelden, teneinde te voldoen aan voormelde wettelijke eis.

5.1.3.

Aangezien in de uitspraak van de Rechtbank waartegen belanghebbende het onderhavige hoger beroep heeft ingesteld de namen van de rechters die de zaak hebben behandeld ontbreken, is niet aan voormelde eis voldaan. Dit heeft in beginsel tot gevolg dat de uitspraak moet worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen naar de Rechtbank. Partijen hebben echter ter zitting ermee ingestemd dat de zaak niet zal worden teruggewezen en dat een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep zal plaatsvinden.

5.2.1.

Om te bepalen of een instelling aangemerkt wordt als een algemeen nut beogende instelling, moeten de werkzaamheden van de instelling (i) rechtstreeks erop gericht zijn enig algemeen belang te dienen en (ii) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend erop gericht zijn enig algemeen belang te dienen (90% of meer) .

5.2.2.

Hierin ligt de eis besloten dat een instelling haar werkzaamheden richt op het dienen van voldoende concreet bepaalde doelen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend tot het algemeen nut kunnen worden gerekend. Anders kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de werkzaamheden van de instelling erop gericht zijn om enig algemeen belang te dienen (vlg. Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:695).

5.3.

Belanghebbende stelt dat zij met haar werkzaamheden primair en rechtstreeks het algemeen belang dient en dat deze werkzaamheden voorts uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gericht zijn op het dienen van enig algemeen belang. De Inspecteur betwist het voorgaande. De Inspecteur stelt primair dat de werkzaamheden van belanghebbende niet rechtstreeks het algemeen belang dienen. Indien aannemelijk is dat de werkzaamheden van belanghebbende wel rechtstreeks het algemeen belang dienen, stelt de Inspecteur subsidiair dat deze werkzaamheden niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gericht zijn op het dienen van enig algemeen belang.

5.4.1.

Gelet op de vaste jurisprudentie (vergelijk onder andere HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2668, BNB 2017/48) en de parlementaire geschiedenis van de Geefwet ((MvT, Kamerstukken II, 2011/12, 33006, nr. 3, p. 21 en p. 25) en de wijziging van de Successiewet en enige andere belastingwetten (MvA, Kamerstukken I, 2009/10, 31 930, nr. D, p. 15-16), moeten, om als ANBI te kunnen worden aangemerkt, de activiteiten van belanghebbende primair en rechtstreeks het algemeen nut dienen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zij met haar onder r.o. 2.4. genoemde beheerswerkzaamheden het algemeen belang primair en rechtstreeks dient. Hoewel de artikelen 2 en 3 van de statuten vermelden dat belanghebbende het bevorderen van de gezondheidszorg als primaire doelstelling heeft, moet zij deze werkzaamheden feitelijk zelf verrichten. Na de juridische afsplitsing van haar operationele activiteiten aan de BV’s, is niet zij degene die de werkzaamheden voor de gezondheidszorg feitelijk verricht, maar de BV’s. Datzelfde heeft te gelden voor de aan de BV’s in het kader van de afsplitsing toebedeelde werkzaamheden die zien op de levering van ouderenzorg.

5.4.2.

De wet voorziet niet in de mogelijkheid om de aan de BV’s in het kader van de afsplitsing toebedeelde werkzaamheden die tezamen het algemeen belang primair en rechtstreeks zouden dienen indien deze door belanghebbende werden verricht, samen met de beheerswerkzaamheden van belanghebbende, als geheel in aanmerking te nemen voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende als ANBI kan worden aangemerkt. De door belanghebbende voorgestane “doorkijkbenadering” is binnen het wettelijke kader van artikel 5b, derde lid, onderdeel e en f, van de AWR aldus niet mogelijk.

5.4.3.

Nu niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende met haar werkzaamheden het algemeen belang primair en rechtstreeks dient, kan zij reeds hierom niet als ANBI worden aangemerkt. De in overweging 1.1 genoemde beschikking is terecht genomen.

Slotsom

5.5.

Het hoger beroep is, gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1.1 tot en met 5.1.3, gegrond.

Proceskosten en griffierecht

Vanwege de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank zijn er termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, welke het Hof op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vaststelt op € 534 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 534 x 0,5). In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank slechts wordt vernietigd omdat de namen van de rechters ontbreken, vindt het Hof aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 Bpb – te hanteren van 0,5 (licht). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 131 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 534; en

- gelast de Inspecteur het door belanghebbende voor het Hof betaalde griffierecht van € 131 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, I. Obbink-Reijngoud en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De beslissing is op 20 januari 2021 in het openbaar uitgesproken. Wegens ontstentenis van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door T.A. de Hek.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.