Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:2648

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2021
Datum publicatie
24-03-2022
Zaaknummer
200.280.778/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgever niet aansprakelijk voor burn-out klachten werknemer. Te onbepaald verband tussen arbeidsomstandigheden en gezondheidsklachten voor toepassing omkeringsregel. Schending zorgplicht niet aannemelijk geworden. Hof bekrachtigt vonnis kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0365
PS-Updates.nl 2022-0250
Jurisprudentie HSE 2022/26
RAR 2022/88
RAV 2022/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.280.778/01

Zaaknummer rechtbank : 8030483/CV EXPL 19-39147

arrest van 7 december 2021

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.H. van der Vleuten te Utrecht,

tegen

SBM Schiedam B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: SBM,

advocaat: mr. Chr.H. van Dijk te Amsterdam.

Waar deze zaak over gaat

1. Werknemer is uitgevallen door ziekte. Hij wijt zijn burn-outklachten aan een te hoge werkdruk. Hij houdt zijn werkgever hiervoor aansprakelijk.

Het verloop van de procedure in hoger beroep

2. Bij exploot van 2 juli 2020 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 3 april 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:3000) en heeft daarin zeventien grieven tegen het vonnis aangevoerd. Bij memorie van antwoord, met producties, heeft SBM de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen op 10 september 2021 de zaak doen bepleiten door hun advocaten, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities. Voorafgaand aan de zitting heeft Van Wijngarden de producties D tot en met F aan het hof toegezonden. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden. Partijen hebben daarop gereageerd bij brieven van 6 en 8 oktober 2021. Deze reacties zijn aan het proces-verbaal gehecht. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

De feiten

3. De door de rechtbank in het vonnis van 3 april 2020 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan en daarnaast ook nog enkele feiten zelf vaststellen. Het gaat in deze zaak om het volgende:

3.1

SBM houdt zich bezig met de productie van installaties voor de productie en opslag van olie- en gasproducten en werkt wereldwijd.

3.2

[appellant], geboren op [geboortedatum], is met ingang van 1 november 2000 in dienst bij SBM getreden. Laatstelijk was hij werkzaam in de functie van Gas Consultant. [appellant] deed de technische ondersteuning van de afdeling marketing en sales voor de gasactiviteiten (het liquid natural gas-team, hierna: “het LNG-team”) van SBM. Omdat het LNG-team werd aangestuurd vanuit Monaco maar de engineering werkzaamheden in Schiedam werden verricht, heeft [appellant] tussen 2001 en 2008 vrijwel wekelijks gereisd tussen het kantoor in Schiedam en dat in Monaco. Daarnaast vloog hij, vooral in de periode tot 2007, regelmatig voor zijn werk, zowel binnen Europa als intercontinentaal.

3.3

In het functioneringsverslag van [appellant] over 2004 is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Finally, [appellant] [hof: [appellant] ] frequent travelling and impact this may have on personal life is recognised and thanked for. At same time this opens question whether current work structure is sustainable for [appellant].

(…)”

3.4

In het functioneringsverslag van [appellant] over 2006 is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

In addition, he has a wide interest and is open to pick-up general business development capabilities (such as finance, risk considerations, contracts), making him more and more versatile in his business skills. It is worth mentioning that [appellant] has undertaken a lot of travels and business visits to clients, partners, suppliers in a very professional way and without ever making a complaint.

The downside of [appellant]’s versatility is that workload has indeed become (too?) high and it is believed that focus on a particular subject is further required to both make use of developed skill set as well as to ensure results at foreseeable future. This is to be discussed and mutually agreed on short notice.

(…)”

3.5

In de periode van 2007 tot en met 2014 is [appellant] verschillende keren uitgevallen wegens lichamelijke en/of psychische klachten. De ziekteperioden die langer dan een maand hebben geduurd, zijn geweest:

19 februari 2007 – 2 april 2007

7 april 2008 – 1 december 2009

24 februari 2010 – 7 februari 2011

30 januari 2012 – 19 maart 2012

27 augustus 2012 – 1 oktober 2012

12 mei 2014 – 8 december 2014

3.6

Bij e-mail van 15 maart 2007 heeft [appellant] het volgende aan zijn leidinggevende bij SBM medegedeeld:

“(…)

Gelukkig gaat het met de luchtwegen en longen een stuk beter. Het hoesten begint nu behoorlijk af te nemen. Ik blijf nog wel enkele weken medicijnen slikken.

Met de psoriasis gaat het echter niet goed. Sinds mijn infecties de afgelopen weken is het veel heviger geworden, en volgens de huisarts beïnvloedt dat ook mijn fysieke gesteldheid omdat het ontstekingen zijn die toch extra energie vergen. Ik heb voor morgen een intake gesprek staan met de dermatoloog. (…)

Zelf heb ik het idee dat ik dicht tegen een burn-out aanzat, met een weerstand die tot het nulpunt gezakt was. Ik had de eerste weken van mijn ziekte ook helemaal geen behoefte om met het werk bezig te zijn. De maanden voor mijn ziekte had ik al weinig energie meer en ik voelde zelf dat mijn concentratie en werktempo hieronder leden. Ik wilde alleen maar rust. De laatste dagen krijg ik overal weer meer zin in (komt misschien ook door het mooie weer hier).

Zodra ik weer aan het werk ben, moeten we wel praten over hoe we mijn werkdruk binnen hanteerbare proporties kunnen houden. De afgelopen jaren is het een ‘gekkenhuis’ geweest, met teveel gereis in verschillende tijdzones, en met een behoorlijk verstoorde werk-prive balans.

(…)”

In antwoord daarop heeft zijn leidinggevende diezelfde dag als volgt gereageerd:

“(…)

Ben het helemaal eens met je noot over gekkenhuis, en ik maakte me al zorgen over burn-out. Uiteraard moeten we een gulden middenweg zien te vinden voor een gezonde werk/leef balans.

Ik hoop inderdaad ook je snel weer spoedig te zien waarbij een goede and frisse vorm belangrijker is dan de snelheid.

(…)”

3.7

Naar aanleiding van de ziekmelding door [appellant] in april 2008 heeft de bedrijfsarts een probleemanalyse en advies opgesteld op 29 april 2008. Daarin is het volgende vermeld:

“(…)

Beperkingen en mogelijkheden

Betr heeft beperkingen in energie, concentratie, onthouden, verdelen van de aandacht en omgaan met stress.

Mogelijkheden: activiteiten zonder enige druk voor een beperkt aantal uur.

(…)

Prognose

op termijn goed.

(…)

Advies

Betr is onder behandeling van een psycholoog, de huisarts en de dermatoloog.

Er zijn op dit moment geen aanvullende interventies die het herstel kunnen bespoedigen.

Betr krijgt de ruimte van de leidinggevende om te werken aan zijn herstel.

(…)”

3.8

Gedurende de ziekteperiode van februari 2010 t/m februari 2011 heeft de bedrijfsarts de volgende prognose gesteld:

“Er zijn twijfels of dhr nog alle facetten van de eigen functie kan uitvoeren. Dit betreft met name de reizen naar het buitenland en werkzaamheden onder zware tijdsdruk.”

3.9

Met ingang van 1 oktober 2011 is de functie van [appellant] van Gas Consultant gewijzigd in die van Senior Department Manager.

3.10

In het functioneringsverslag van [appellant] over 2014 is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

CONCERNS [hof: commentaar van [appellant]]

(…)

The managerial tasks took the majority of my time, and I could give far too little attention to the technical support and use my expertise for the benefit of the FLNG developments in Schiedam.

Therefore during the period of sick leave, partly caused by the above situation, I decided not to continue as Department Manager, and I asked to be relieved from this responsibility. This request was granted by SBM, and effective from July 1st, my new job function was changed into Consultant Gas Technology. (…)

Planning of work is a continuing battle. First half of the year I had hardly time to engage in planned PTD work due to ongoing flow of ad-hoc activities taking priority. All the organization and personnel changes in the past couple of years have gradually reduced SBM’s ability to quickly respond to demands. Issues with systems, responsibilities, not knowing where to go for help, etc. Situation is slowly improving. Personally this has drained my motivation a lot, which together with the high workload, has probably contributed in part to my health problems.

(...)

Line Manager’s - Annual Summary [hof: commentaar van SBM]

(…)

It was courageous to admit that his Department Manager’s role was not fitting that well with his interest and capabilities, and his decision to switch to the Consultant role was worth supporting, since in that role he will be more valuable.

(…)”

3.11

Met ingang van 1 juli 2014 is [appellant] op eigen verzoek wederom de functie van Gas Consultant gaan uitoefenen.

3.12

Sinds 22 juni 2015 is [appellant] volledig arbeidsongeschikt.

3.13

Op 20 maart 2017 heeft QS Gezondheidsmanagement naar aanleiding van een belastbaarheidsonderzoek bij [appellant] onder meer het volgende gerapporteerd:

“(…)

Het betreft een chronische aandoening waar geen curatieve behandeling voor bestaat. Begeleiding kan ten hoogste stabiliserend zijn. De huidige beperkingen moeten als duurzaam worden gezien.

(…)”

3.14

Na daartoe op 4 december 2017 verlof te hebben gekregen van het UWV, heeft SBM de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd tegen 1 april 2018. In dat kader heeft [appellant] (uiteindelijk) een transitievergoeding van € 141.256,14 bruto ontvangen.

Het verloop van de procedure bij de kantonrechter

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang - gevorderd:

I. een verklaring voor recht dat SBM jegens [appellant] niet heeft gehandeld zoals van haar mag worden verwacht op grond van artikel 7:658 BW, althans artikel 7:611 BW, althans artikel 6:74 BW/6:162 BW, en dat SBM aansprakelijk is voor alle schade die [appellant] als gevolg daarvan heeft geleden en zal lijden;

II. SBM wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [appellant], nader op te maken bij staat, voor alle schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het jegens [appellant] schadeveroorzakend (niet) handelen (volgens de verklaring voor recht) door SBM;

III. SBM wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten.

4.2

Bij vonnis van 3 april 2020 (hierna ook: het bestreden vonnis) heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter heeft - kort gezegd - geoordeeld dat SBM niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van art. 7:658 BW en dat er daarom ook geen plaats is voor een op ‘gebruik en billijkheid’ dan wel op het goed werkgeverschap rustende verplichting om aan [appellant] schadevergoeding te betalen. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat SBM heeft voldaan aan haar zorgplicht zodat het beroep van [appellant] op de artikelen 6:74 BW, 6:162 BW en 6:98 BW eveneens wordt verworpen.

De vordering van [appellant] en het verweer van SBM in hoger beroep

5.1

In hoger beroep vordert [appellant] - kort gezegd - alsnog toewijzing van zijn vordering, terugbetaling van het door hem betaalde bedrag van € 720,- aan proceskosten van de eerste aanleg met wettelijke rente, en veroordeling van SBM in de proceskosten in hoger beroep.

5.2

SBM concludeert tot afwijzing van de vordering van [appellant] en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

De beoordeling van het hoger beroep

Aansprakelijkheid werkgever voor psychisch letsel

6.1

Bij de beoordeling van deze grieven maakt het hof de overwegingen van de kantonrechter onder 5.1 en 5.2 van de kantonrechter - waar niet tegen gegriefd is - tot de zijne en neemt deze ook in dit arrest tot uitgangspunt. Ingevolge artikel 7:658 lid 1 BW rust op de werkgever de (zorg)plicht om het redelijkerwijs noodzakelijke te doen teneinde te voorkomen dat een werknemer schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Artikel 7:658 BW beoogt de werknemer bescherming te bieden tegen het oplopen van zowel fysiek letsel als psychisch letsel (HR 11 maart 2005, NJ 2010, 309, ABN AMRO/ Nieuwenhuys). Lid 2 van artikel 7:658 BW bepaalt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn in het eerste lid genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Hieruit volgt:

I. dat de werknemer moet stellen en bij betwisting bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, derhalve dat er sprake is van een causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade;

II. dat indien dit vast komt te staan, de werkgever vervolgens moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij heeft voldaan aan zijn verplichting om voor een veilige werkplek en gezonde arbeidsomstandigheden te zorgen, hij moet dus bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan;

III. dat wanneer de werkgever er niet in slaagt te bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, het causaal verband tussen zijn tekortkoming en de schade in beginsel gegeven is.

6.2

Bij gezondheidsschade die niet veroorzaakt is door een arbeidsongeval, zoals bij beroepsziekten, is niet altijd duidelijk of de oorzaak werkgerelateerd is. Om de werknemer tegemoet te komen in zijn stelplicht en bewijslast hanteert de Hoge Raad de arbeidsrechtelijke omkeringsregel:

a. de werknemer moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat hij bij het verrichten van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid;

b. daarnaast moet de werknemer stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door de blootstelling kunnen zijn veroorzaakt;

c. de werkgever is dan aansprakelijk, op grond van het vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

Er is evenwel een ondergrens voor het toepassen van de omkeringsregel, in die zin dat voor het toepassen van de omkeringsregel c.q. het vermoeden van causaal verband geen plaats is als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is (vgl. HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 SVB/Van de Wege en ECLI:NL:HR:2013:BZ1721 Lansink/Ritsma).

6.3

Het gaat in deze zaak om zogeheten burn-outklachten. Een burn-out is niet een vast gedefinieerd verschijnsel. Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] zo, dat er sprake was van zeer ernstige psychische klachten, opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Die klachten waren zo zwaar dat deze aan normaal functioneren in de weg stonden. Het hof stelt in dit verband voorop dat van belang is dat burn-out een multi-causale beroepsziekte is waarvan de oorzaak ook kan zijn gelegen in omstandigheden die in de privésfeer van de werknemer vallen, zoals diens persoonlijke aanleg of andere niet aan het werk gerelateerde omstandigheden. Het ligt dan op de weg van [appellant] om voldoende feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn werksituatie te stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat (dan wel: in hoeverre) zijn klachten door zijn werk en niet door iets anders zijn ontstaan (vergelijk: ECLI:NL:GHSGR:2007:BA0761). Anders gezegd: van belang is daarom in de eerste plaats dat feitelijk wordt onderbouwd dat de werknemer lijdt aan een burn-out en de werkomstandigheden zodanig waren dat daarin de oorzaak van de burn-out kan worden gevonden. Als de feitelijke onderbouwing gemotiveerd is betwist, dient in de tweede plaats bewijslevering op dit punt plaats te vinden. De stelplicht en bewijslast ter zake liggen bij [appellant]. Voor toepassing van de omkeringsregel, die overigens geen omkering van de bewijslast inhoudt, maar een bewijsvermoeden introduceert, ziet het hof geen grond. Bij psychische klachten als in deze zaak is het causaal verband met de gestelde en hierna te bespreken werkomstandigheden voor toepassing van deze regel te onzeker.

Standpunt [appellant]

6.4

heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij gedurende zijn dienstverband bij SBM structureel is blootgesteld aan overwerk en een te hoge werkdruk, zulks onder andere in strijd met de artikelen 4:1 en 5:7 van de Arbeidstijdenwet en artikel 3 lid 1 sub a Arbeidsomstandighedenwet. In de periode tot en met 2006 was sprake van een zeer hoog aantal overuren in combinatie met buitenlandse reizen. Daarna werd het reizen minder maar bleef het aantal overuren hoog. In 2011 heeft SBM hem gevraagd manager te worden. Er was sprake van een aanmerkelijke verzwaring van de werkbelasting en de door [appellant] ervaren werkdruk is wederom te hoog geworden. De te hoge werkdruk heeft geleid tot meerdere burn-outs, burn-outklachten, althans stressgerelateerde klachten, diverse lichamelijke klachten en periodes van ziekte gedurende de jaren dat hij in dienst was bij SBM. Dit heeft geleid tot de volledige arbeidsongeschiktheid van [appellant]. Hoewel voor SBM kenbaar was dat [appellant] een te hoge werkdruk ervoer, en daardoor lichamelijke klachten had, heeft SBM onvoldoende dan wel te laat actie ondernomen. Hierdoor bleven de lichamelijke klachten en burn-outs zich voordoen, hetgeen heeft geleid tot volledige arbeidsongeschiktheid van [appellant]. [appellant] beroept zich voor wat betreft het causaal verband tussen de handelwijze van SBM en de klachten op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. SBM is aansprakelijk voor de schade die [appellant] hierdoor heeft geleden en nog zal lijden.

Standpunt SBM

6.5

SBM heeft allereerst betwist dat er sprake is geweest van een of meer burn-outs dan wel andere door [appellant] gestelde klachten, nu medische stukken die dit objectief kunnen bevestigen, ontbreken. De patiëntenkaart die [appellant] eerst kort voor de zitting als productie F. in hoger beroep heeft overgelegd over de periode van 31 januari 2015 tot en met 5 januari 2016, bevestigt niet dat er sprake is geweest van een of meerdere burn-outs. De arbeidsomstandigheden van [appellant] bij SBM in de jaren voor zijn uitval in 2015 kunnen niet hebben geleid tot de schade van [appellant]. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel is niet van toepassing, nu het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald is. Zelfs al zou er wel een causaal verband zijn, dan geldt dat SBM subsidiair van mening is dat zij haar zorgplicht heeft nageleefd. Van een te hoge werkdruk is geen sprake geweest en in ieder geval heeft SBM in de jaren voorafgaand aan de uitval die tot de arbeidsongeschiktheid van [appellant] heeft geleid, gezorgd voor arbeidsomstandigheden waarbij nauwelijks overuren werden gewerkt, er weinig reizen werden gemaakt en weinig druk werd ondervonden. [appellant] – die een hoge positie had binnen SBM, klaagde niet over een hoge werkdruk, laat staan dat hij daardoor psychische klachten van ondervond. Het had op zijn weg gelegen om een en ander kenbaar te maken. Wanneer [appellant] aangaf dat hij iets niet kon, werd dat bovendien zonder problemen door SBM gehonoreerd. Het voorstel van SBM om minder te gaan werken, wees [appellant] van de hand. SBM had niet meer kunnen doen dan zij heeft gedaan. Een causaal verband tussen de omstandigheden tot en met 2008 en de klachten ná uitval in 2015 is bovendien onaannemelijk, aldus SBM. Het hof overweegt als volgt.

Uitval vanwege burn-out(s) en/of andere psychische of lichamelijke klachten

6.6

[appellant] heeft gesteld dat hij als gevolg van de belastende omstandigheden op het werk verschillende keren is uitgevallen vanwege een of meer burn-outs of door burn-outklachten, dan wel andere psychische en lichamelijke klachten en dat deze tot zijn (volledige) arbeidsongeschiktheid hebben geleid. Echter, een verklaring van een medisch deskundige die de burn-out(s) en de oorzaak daarvan heeft vastgesteld, ontbreekt. Verder ontbreekt een medische verklaring dat sprake is (geweest) van overige psychische of lichamelijke klachten die in de uitoefening van de werkzaamheden zijn ontstaan. Ook ontbreekt een medische verklaring en ook een rapport van een verzekeringsgeneeskundige dat de (huidige) arbeidsongeschiktheid van [appellant] haar oorzaak vindt in klachten die in de uitoefening van de werkzaamheden zijn ontstaan.

Ten slotte biedt ook de patiëntenkaart afkomstig van de huisarts van [appellant] over de periode van 23 januari 2005 tot en met 5 januari 2016 die [appellant] eerst kort voor de zitting in hoger beroep heeft overgelegd (productie F), daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Het hof overweegt op het punt van de patiëntenkaart als volgt.

De patiëntenkaart

6.7

Uit de overgelegde patiëntenkaart blijkt dat [appellant] te kampen heeft (gehad) met een veelvoud aan lichamelijke klachten. In de eerste periode van uitval (19 februari 2007 – 2 april 2007), is er sprake van astmatische bronchitis (25 januari 2007), zeer uitgebreide psoriasis (2 maart 2007) en een luchtweginfectie (13 maart 2007). De vermelding “spanningen door werk” (20 februari 2007) gevolgd door “Gaat beter met longen. Wel algehele malaise”, (13 maart 2007), kan niet zondermeer als uitval wegens burn-out of door het werk veroorzaakte spanningsklachten worden aangemerkt, temeer nu [appellant] kort daarna hersteld was en weer aan het werk is gegaan. In zijn e-mail van 15 maart 2017 (zie 3.7 hierboven) schrijft [appellant] dat het met de psoriasis niet goed gaat, dat de infecties de afgelopen weken heviger zijn geworden en dit volgens de huisarts zijn fysieke gesteldheid beïnvloedt (omdat de ontstekingen extra energie vergen). Dat [appellant] schrijft dat hij zelf het gevoel heeft dat hij tegen een burn-out aanzat, acht het hof bij gebreke van een verklaring van een (huis)arts een onvoldoende objectieve vaststelling om een causaal verband tussen de diverse (hier veelal lichamelijke) klachten en de werkomstandigheden aan te kunnen nemen. Als reactie op de e-mail van 15 maart 2017 laat SBM overigens weten dat een gulden middenweg gevonden moet worden voor een gezonde werk/leef-balans en dat een ‘goede en frisse vorm’ belangrijker is dan snelheid. Na 2 april 2007 is [appellant] hersteld en is hij weer aan het werk gegaan.

6.8

Bij de tweede periode van uitval (van 7 april 2008 tot 1 december 2009) vermeldt de patiëntenkaart op 11 april 2008 dat er sprake is van een luchtweginfectie en staat vermeld: “4 weken geleden hoesten/keelpijn. Heeft rust gehouden. Surmenage met reizen buitenland”. Hieruit blijkt niet zondermeer dat er sprake is van werkgerelateerde burn-out of spanningsklachten en evenmin dat de lichamelijke klachten door het werk veroorzaakt zijn. De bedrijfsarts vermeldt in de opgestelde probleemanalyse en advies van 29 april 2008 dat er beperkingen zijn in energie, concentratie, onthouden, verdelen van de aandacht en omgaan met stress. De prognose op termijn wordt door de bedrijfsarts goed geacht en gelet op de

behandeling die [appellant] ondergaat van een psycholoog, de huisarts en de dermatoloog zijn geen aanvullende interventies die het herstel kunnen bespoedigen. Niet blijkt uit de probleemanalyse dat er sprake is van klachten die door het werk worden veroorzaakt. Wel blijkt (uit de patiëntenkaart) dat [appellant] last heeft en last houdt van psoriasis en hoesten, dat hij door zijn rug is gegaan en zijn enkel heeft gezwikt (7 september 2009).

6.9

Bij de derde ziekteperiode (van februari 2010 t/m februari 2011) blijkt volgens de patiëntenkaart wederom van luchtweginfecties (22 april 2010 en 9 juni 2010), astmatische bronchitis (1 december 2010) en veelvuldig last van psoriasis. Gedurende deze langere periode van uitval blijkt uit de patiëntenkaart in het geheel niet van (werkgerelateerde) spanningsklachten. Gedurende deze ziekteperiode heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat er twijfels zijn of [appellant] nog alle facetten van de eigen functie kan uitvoeren, met name de reizen naar het buitenland en werkzaamheden onder zware tijdsdruk. Daaruit blijkt evenwel niet dat er sprake is van klachten die door het werk zijn veroorzaakt.

6.10

Bij zijn uitval in de vierde periode (30 januari 2012 – 19 maart 2012) heeft [appellant] blijkens de patiëntenkaart aangegeven dat er sprake is van een ernstige opleving van de psoriasis en veel stress en dat deze waarschijnlijk werkgerelateerd is. De huisarts vermeldt geen burn-out, wel een recidiverende depressie. Daarna, zo staat op de patiëntenkaart vermeld, gaat het al spoedig beter met slapen, is [appellant] “minder gejaagd” en is hij rond 16 maart 2012 weer vrijwel volledig aan het werk. Bij de uitval in de periode 27 augustus 2012 – 1 oktober 2012 is er geen vermelding van depressieve klachten, wel van fysieke klachten zoals psoriasis, pijnklachten in de nek en Herpes Zoster (gordelroos).

6.11

De patiëntenkaart in de periode 12 mei 2014 – 8 december 2014 vermeldt op 20 mei 2014: “burn out? Loopt vast op zijn werk. Laatste jaren grote reorganisatie van hogere management, velen ontslagen. Meer prestatiegericht werken. Is zelf hoofd van een afdeling. Overvraagd, steeds klussen tussendoor. In verleden burnout gehad, merkt dezelfde symptomen, slaapt slecht, wordt dan vroeg wakker en slaapt niet In. concentratiestn. continue arousal gevoel. heeft zich ziek gemeld. Jaren psychotherapie gehad, omschrijft zichzelf als iemand met autistiforme trekjes, die gebaat is bij structuur. Angstig en vermijdend van karakter”. De huisarts vermeldt op de patiëntenkaart dat er sprake is van een recidiverende depressie. [appellant] gaat vervolgens – in overleg met de bedrijfsarts - weer aan het werk gaat en gaat het gesprek aan over een andere functie die hij ook gaat vervullen en waar hij zich op verheugt. De vraag van [appellant] of er sprake is van een burn-out (“burnout?”), wordt hier niet bevestigend beantwoord door de huisarts of medisch specialist en ook anderszins blijkt niet dat de depressie door het werk is veroorzaakt. Met ingang van 1 juli 2014 is [appellant] op eigen verzoek wederom de functie van Gas Consultant gaan uitoefenen en begin december 2014 is [appellant] weer hersteld.

6.12

Bij de laatste uitval op 22 juni 2015 is er blijkens de patiëntenkaart weer sprake van een recidiverende depressie en meldt [appellant] zich ziek op het werk op advies van de huisarts. [appellant] meldt kennelijk dat in de laatste week van de vakantie, voor het hervatten van werk, sprake is van opbouw van spanning. Evenwel blijkt niet dat de klachten veroorzaakt worden door het werk. Althans, de vermelding “ervaart veel boosheid, slaapt slecht, ligt veel wakker te peinzen, mogelijk heeft de boosheid te maken met het vooruitzicht weer te moeten werken, maar de boosheid is niet gericht tegen het bedrijf, het is breder, kan het niet goed omschrijven” (1 december 2015), duidt daar onvoldoende op. De huisarts vermeldt geen burn-out maar wel een recidiverende depressie, kennelijk gebaseerd op de diagnose van klinisch psycholoog J.E. Mayenburg (9 november 2015).

6.13

Ingevolge het voorgaande is aannemelijk geworden dat [appellant] gedurende zijn dienstverband met SBM te kampen heeft gehad met veel lichamelijke klachten waaronder (chronische) psoriasis, astmatische bronchitis, luchtweginfecties en gordelroos. Ook was er sprake van spanningen en psychische klachten, waaronder een recidiverende depressie. Onvoldoende is echter komen vast te staan dat [appellant] een of meer burn-outs heeft gehad. Het hof kan [appellant] dan ook niet volgen in zijn stelling dat de burn-outs en de lichamelijke klachten hebben geleid tot zijn volledige arbeidsongeschiktheid. De oorzaak van de volledige arbeidsongeschiktheid van [appellant], na zijn uitval in juni 2015, is volledig ongewis bij gebreke van een rapportage van de verzekeringsdeskundige van het UWV (inzake de WIA-beoordeling) en het ontbreken van enige medische informatie uit de patiëntenkaart van na 5 januari 2016. Het lekenrapport van QS Gezondheidsmanagement van 20 maart 2017 concludeert dat [appellant] lijdt aan een chronische aandoening waar geen curatieve behandeling voor bestaat (prod. 11 CvA). Dit duidt niet op burn-outs en lichamelijke klachten ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden.

6.14

Gelet op het voorgaande acht het hof het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald. Dat geldt ook ten aanzien van de werkdruk en het overwerk tot en met 2008. In deze periode heeft [appellant], in ieder geval tot en met 2006 veel gereisd. Dat heeft onbetwist geleid heeft tot de (registratie van) een aanzienlijk aantal reis/overuren. Na 2006 heeft [appellant] nog maar beperkt voor zijn werk gereisd en is het aantal overuren verminderd. Na begin 2008 was er nauwelijks meer sprake van overuren. Dat er sprake is van een causaal verband tussen de werkdruk en het hoge aantal overuren in die periode tot begin 2008 en de klachten van [appellant] na zijn uitval in 2015, heeft [appellant] ook in hoger beroep niet verder onderbouwd.

6.15

[appellant] heeft verder gesteld dat hij ook na 2008 nog is blootgesteld aan te hoge werkdruk en overuren, in het bijzonder nadat hij in 2011 op verzoek van SBM manager is geworden. In de nieuwe functie was sprake van een aanmerkelijke verzwaring van de belasting, aldus [appellant]. SBM heeft op haar beurt betwist dat er sprake was van een verzwaring van de belasting; er rapporteerden slechts twee medewerkers en een student aan [appellant]. Het hof acht ook hier het verband tussen de gezondheidsschade die [appellant] claimt en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald. Uit de beoordeling over 2014 volgt dat [appellant] praktisch al zijn tijd aan managementtaken besteedde en hij daardoor (naar zijn mening) veel te weinig tijd besteedde aan de technische ondersteuning. Dit rechtvaardigt evenwel niet zonder meer de conclusie dat zijn werkbelasting aanmerkelijk werd verzwaard. De verzwaring van de werkbelasting blijkt niet uit een opgave van door [appellant] gemaakte overuren in die periode, althans de opgave van 37 uur op jaarbasis in 2011 die SBM heeft overgelegd, kan niet als een dergelijke verzwaring worden aangemerkt. Verder was het aantal reizen beperkt tot maximaal 6 korte trips op jaarbasis en betrof dit korte vluchten binnen Europa. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] op vragen van het hof bevestigd dat de heer De Boom dezelfde (management)functie vervulde, maar niet is uitgevallen. Dit wijst er eerder op dat [appellant], die zichzelf als technische man ziet, de managementfunctie persoonlijk als een verzwaring van de werkbelasting heeft ervaren. Dit betekent echter niet zondermeer dat er feitelijk sprake was van een zwaardere functie, in de zin dat [appellant] aan een zwaardere werkbelasting werd blootgesteld. SBM heeft na de ziekmelding van [appellant] per 12 mei 2014 onverwijld ingestemd met zijn verzoek om per 1 juli 2014 weer de functie van Gas Consultant uit te gaan oefenen. Tegen de achtergrond dat [appellant] in deze periode blijkens zijn patiëntenkaart gediagnosticeerd is met een recidiverend depressie, de vraag of sprake is van een burn-out niet bevestigend wordt beantwoord, en ook van de uitval van [appellant] na 2015 niet is komen vast te staan dat sprake is van een burn-out, acht het hof ook hier het verband tussen de arbeidsomstandigheden en de geclaimde gezondheidsschade te onbepaald.

6.16

De conclusie van het voorgaande is dat het verband tussen de arbeidsomstandigheden en de door [appellant] geclaimde gezondheidsschade te onbepaald is en de ondergrens voor het toepassen van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel (zie hierboven onder 6.2) niet wordt gehaald. Uit de overgelegde medische gegevens is onvoldoende duidelijk geworden wat de diagnose, aard en ernst van in het bijzonder de psychische klachten was, wat het niet goed mogelijk maakt om uitspraken te doen over de waarschijnlijke oorzaken daarvan. Het lag op de weg van [appellant] om die duidelijkheid over diagnose, aard en ernst van de medische klachten te verschaffen. Dat heeft hij niet gedaan. [appellant] komt daarom geen beroep toe op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Verder is de conclusie [appellant] het causaal verband tussen de handelwijze van SBM en de schade die hij als gevolg van zijn klachten stelt te lijden, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit betekent dat de grieven 1, 2, 8 en 10 falen.

Zorgplicht

6.17

Het hof is verder van oordeel dat zelfs indien wel sprake is van een causaal verband tussen de handelwijze van SBM en de schade van [appellant], SBM haar zorgplicht in de zin van art. 7:658 BW lid 2 niet heeft geschonden. Daartoe is het volgende redengevend.

6.18

Voor de beantwoording van de vraag of de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden, geldt dat het risico op burn-out of psychische schade voor de werkgever kenbaar had behoren te zijn nu dit psychisch letsel immers geldt als multifactorieel en sterk individueel bepaald. Naar het oordeel van het hof was dit risico voor SBM niet op andere wijze kenbaar. Daartoe is door [appellant] onvoldoende aangevoerd. Er mocht van [appellant] verwacht worden dat hij aan SBM kenbaar zou maken dat hij dreigde ziek te worden of dat hij daartoe een verhoogd risico liep. Dat geldt ook wanneer er sprake is van een bedrijfscultuur waarin, zoals [appellant] stelt, veel uren worden gewerkt. [appellant] had immers een hoge (expert)functie binnen SBM, verrichtte in grote mate op autonome wijze zijn werkzaamheden en kreeg daarvoor een hoge beloning (ruim € 138.000,- bruto per jaar vanaf 2016 en vanaf 2008 ook aandelen/restricted stock options). Dat hij altijd aan een leidinggevende moest rapporteren of dat vanuit de afdeling Sales afspraken gemaakt werden voor zijn aanwezigheid bij en zijn reizen naar klanten (in het buitenland) maakt dat niet anders. Evenmin heeft [appellant] in concreto onderbouwd dat en waarom hij zijn gezondheidsbezwaren tegen een te hoge werkdruk dan wel tegen de planning van de reizen niet aan SBM kenbaar heeft kunnen maken. Evenmin heeft [appellant] voldoende onderbouwd dat hij door toedoen van SBM geen gebruik kon maken van de mogelijkheid om de compensatie voor overuren in tijd te genieten. Dat hij de enige medewerker was die gespecialiseerd was op het gebied van vloeibare gas-technologie, acht het hof onvoldoende tegenover de gemotiveerde betwisting door SBM die heeft gesteld dat het werk ook rond het nemen van vrije dagen georganiseerd kon worden. Daartegen overstaat staat dat SMB er terecht op heeft gewezen dat toen [appellant] niet langer wilde reizen voor het werk, SBM hier gehoor aan heeft gegeven. Ook heeft SBM onverwijld ingestemd met het verzoek van [appellant] om zijn managementfunctie op te geven en zijn oude functie van Gas Consultant weer op te pakken.

6.19

Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] op de vraag van het hof of hij wel eens duidelijk heeft geroepen: “ik ben overspannen en dat komt door het werk” geantwoord dat hij dat niet zo duidelijk heeft geroepen en dat dat ook niet bij zijn karakter past. [appellant] heeft echter aangevoerd dat hij wel degelijk signalen heeft gegeven waaruit blijkt dat de werkdruk hem te veel werd. Zeker in combinatie met de vele overuren die hij moest maken, boven de maxima van de Arbeidstijdenwet en de Richtlijn, en zijn veelvuldig uitvallen vanaf 2007 wegens burn-out, was het voor SBM kenbaar dat zij in het kader van haar zorgplicht maatregelen moest treffen, aldus [appellant]. Het hof overweegt dat uit het functioneringsverslag van 2004 - dat [appellant] in dit verband aanhaalt -, blijkt dat het vele reizen en de impact daarvan op het privéleven van [appellant] aan de orde is gesteld. Niet is gebleken dat [appellant] SBM toen kenbaar heeft gemaakt dat hem dit te veel werd en SBM dit heeft genegeerd. In 2007 is [appellant] uitgevallen en heeft de bedrijfsarts na telefonisch contact met [appellant] aan SBM geschreven dat [appellant] met lichamelijke klachten was uitgevallen (prod. 1 conclusie van antwoord). In zijn e-mail van 15 maart 2007 heeft [appellant] aangegeven dat hij wilde praten over de balans tussen werk en privé, gelet op het vele reizen in verschillende tijdzones. Daarop heeft zijn leidinggevende gereageerd: “Uiteraard moeten we een gulden middenweg zien te vinden voor een gezonde werk/leef balans” en “Ik hoop inderdaad ook je snel weer spoedig te zien waarbij een goede and frisse vorm belangrijker is dan de snelheid”. Feit is dat [appellant] nadien beduidend minder overuren en nog maar weinig reizen heeft gemaakt en SBM hiermee aan zijn wens om minder te werken en minder (ver) te vliegen tegemoet is gekomen. Indien dat niet voldoende was, had het op de weg van [appellant] gelegen om dit aan SBM kenbaar te maken.

6.20

Ten aanzien van het beroep van [appellant] op de Arbeidsomstandighedenwet, Arbeidstijdenwet en Richtlijn 2003/88/EG (hierna: de Richtlijn) overweegt het hof dat zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat het aantal overuren van [appellant] voor zijn uitval in 2008 het maximum aantal van de Arbeidstijdenwet en/of de Richtlijn zou hebben overschreden, nog altijd van [appellant] – gelet op zijn hoge functie binnen SBM – verwacht mocht worden dat hij de door hem ervaren te hoge werkbelasting in samenhang met zijn psychische kwetsbaarheid of psychische problemen aan SBM kenbaar zou maken. SBM zou dan daarop tijdig en adequaat maatregelen hebben kunnen treffen. Niet aannemelijk is geworden dat [appellant] dat in voldoende mate heeft gedaan. Na de uitval in 2008 is van overuren nog maar zeer beperkt sprake geweest. Ook erkent [appellant] dat hem na de uitval in 2008 veel ruimte is geboden om te herstellen.

6.21

[appellant] verwijt SBM in het bijzonder dat zij hem nadien, per 1 oktober 2011, de functie van manager (Senior Department Manager) heeft aangeboden, waarmee sprake was van een werkverzwaring die [appellant] niet meer te boven is gekomen. Dat verwijt acht het hof niet terecht. Gelet op de hoge positie van [appellant] bij SBM, zoals hiervoor uiteengezet onder 6.18, mocht ook hier van hem verwacht worden dat hij de functie zou weigeren indien hij deze niet wilde of kenbaar zou maken dat hij vreesde dat hij hierdoor (opnieuw) ziek zou worden. Dat [appellant] de indruk had gekregen dat hij de functie niet kon weigeren dan wel dat hij bang was om in het kader van een op handen zijnde reorganisatie te worden ontslagen, maakt dat hier niet anders. Bovendien is niet met feiten onderbouwd of anderszins aannemelijk geworden dat deze indruk of angst reëel was of aan SMB te wijten zou zijn. Toen [appellant] zich per 12 mei 2014 had ziekgemeld, heeft SBM bovendien onverwijld - per 1 juli 2014 - ermee ingestemd dat hij de managementfunctie zou neerleggen en zijn oude functie van Gas Consultant weer zou oppakken. Eind 2014 heeft SBM, toen [appellant] aangaf dat hij meer tijd voor herstel nodig had, ermee ingestemd dat [appellant] part time zou gaan werken, waarvan een dagdeel thuis. [appellant] heeft niet betwist dat zijn leidinggevende hem in het najaar van 2014 heeft geadviseerd aanmerkelijk minder te gaan werken, maar dat hij dit heeft afgewezen. Dit duidt er naar het oordeel van het hof op dat SBM [appellant] graag voor haar bedrijf wilde behouden en haar er veel aan gelegen was [appellant] tegemoet te komen in de wensen die hij ten aanzien van het werk had. Daarmee is niet gebleken van een reële angst bij [appellant] voor een afwijzende reactie van of ontslag door SBM. Zoals het hof al hiervoor onder 6.15 heeft overwogen is verder niet aannemelijk geworden dat er feitelijk sprake van was dat [appellant] in de managementfunctie aan een te zware werkbelasting werd blootgesteld. Evenmin is aannemelijk geworden dat dit voor SBM – voorafgaand aan de ziekmelding van [appellant] en zijn verzoek om een andere functie - kenbaar had moeten zijn. Dat in dat verband een derde is gevraagd te solliciteren heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep gesteld maar is door SBM betwist. Dat [appellant] in het kader van de door hem ervaren werkdruk om het aanzoeken van een vervanger heeft verzocht, is hiermee niet aannemelijk geworden.

6.22

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat SBM, daar waar [appellant] kenbaar maakte dat de werkdruk hem te veel werd, de juiste maatregelen heeft getroffen en hem volop ruimte en gelegenheid heeft geboden voor herstel, re-integratie in eigen tempo en openstond voor part time werken. SBM heeft aldus aan haar zorgplicht jegens [appellant] voldaan. Dat SBM geen specifiek preventief beleid tegen burn-out heeft, leidt niet tot een andere conclusie. Daartoe is door [appellant] onvoldoende aangevoerd.

6.23

Dit betekent dat de grieven 3, 9, 11, 12, 15, 16 en 17 falen. Bij een aparte behandeling van de grieven 4 tot en met 7 heeft [appellant] geen belang meer, nu dit gelet op het voorgaande niet tot een andere beslissing kan leiden. Het hof constateert dat niet gegriefd is tegen de overwegingen van de kantonrechter dat nu geen sprake is van schending van de zorgplicht ex art. 7:658 lid 1 BW, de vorderingen gebaseerd op art. 7:611 BW, 6:74 BW en 6:98 BW eveneens moeten worden afgewezen. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter daarom bekrachtigen.

6.24

Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd. Het bewijsaanbod ziet niet op stellingen die – indien bewezen – tot een ander oordeel kunnen leiden.

6.25

[appellant] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 3 april 2020;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van SBM tot op heden begroot op € 760,- aan verschotten en € 2.228,- aan salaris advocaat en op € 163,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    wijs af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, R.S. van Coevorden en B. Barentsen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2021 in aanwezigheid van de griffier.