Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:2565

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2021
Datum publicatie
06-01-2022
Zaaknummer
200.298.102/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2021:7821, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen dringende reden voor ontslag op staande voet wegens diefstal van een armband. Correcte en volledige werking van het camerasysteem in de supermarkt niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.298.102/01

Zaaknummer rechtbank : 9086413 VZ VERZ 21-3493

beschikking van 21 december 2021

inzake

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: [werkneemster] ,

advocaat: mr. M. van Gastel te Hellevoetsluis,

tegen

Supermarkt [naam supermarkt] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: [de supermarkt] ,

advocaat: mr. D.C.J. Bogerd te Kampen.

1 Waar de zaak over gaat

[werkneemster] is door [de supermarkt] op staande voet ontslagen wegens diefstal van een armband. Het hof oordeelt, anders dan de kantonrechter, dat er geen dringende reden is voor het ontslag op staande voet omdat niet is komen vast te staan dat [werkneemster] de armband heeft gestolen.

2 Procesverloop

[werkneemster] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 29 juli 2021, onder aanvoering van zeven grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam (hierna: de kantonrechter) op 30 april 2021 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven. [werkneemster] heeft haar verzoek in hoger beroep gewijzigd. Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en:

- voor recht zal verklaren dat aan de opzegging van 18 februari 2021 geen dringende reden ten grondslag ligt en/of dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is,

- de tegenverzoeken van [de supermarkt] alsnog zal afwijzen,

- [de supermarkt] zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [werkneemster] ter uitvoering van de bestreden beschikking heeft voldaan,

- [de supermarkt] zal veroordelen tot betaling aan [werkneemster] van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, met wettelijke rente,

- [de supermarkt] zal veroordelen tot betaling aan [werkneemster] van een gehele of gedeeltelijke transitievergoeding, met wettelijke rente,

- [de supermarkt] zal veroordelen tot betaling aan [werkneemster] van een billijke vergoeding, met wettelijke rente,

een en ander met veroordeling van [de supermarkt] in de kosten van de procedure in beide instanties.

Op 24 september 2021 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van [de supermarkt] ingekomen, inhoudende het verzoek de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen met veroordeling van [werkneemster] in de proceskosten, inclusief nakosten, in hoger beroep.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 1 november 2021. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Bij die gelegenheid hebben partijen door hun hiervoor genoemde advocaten het woord gevoerd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

3 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.10, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Met grief 1 heeft [werkneemster] betwist dat zij om 17:43 uur naar huis is vertrokken zoals de kantonrechter in r.o. 2.3 van de bestreden beschikking heeft overwogen. Met deze grief zal hierna rekening worden gehouden. In hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.

3.1

[de supermarkt] exploiteert een Jumbo supermarkt in Hellevoetsluis.

3.2

[werkneemster] , geboren op 25 februari 1969, is op 22 augustus 2000 bij (de rechtsvoorgangster van) [de supermarkt] in dienst getreden in de functie van kassa- en servicebaliemedewerkster. Het salaris van [werkneemster] bedroeg laatstelijk € 1.295,56 bruto per 4 weken, exclusief een vakantietoeslag van 8% bij een 24-urige werkweek.

3.3

In de supermarkt wordt gebruik gemaakt van een beveiligingssysteem met camera’s. Eén camera is gericht op de servicebalie. De camera is voorzien van een sensor waardoor, kort gezegd, alleen opnames worden bewaard als door de camera bewegingen worden waargenomen.

3.4

Op dinsdag 9 februari 2021 was [werkneemster] samen met [collega 1] werkzaam achter de servicebalie. Om 17:20 uur heeft collega [collega 2] (hierna: [collega 2] ) aan [werkneemster] meegedeeld dat zij in de supermarkt een Buddha to Buddha-armband (hierna: de armband) had gevonden. [collega 2] heeft deze armband aan [werkneemster] afgegeven.

3.5

Op de camerabeelden van die dag is het volgende te zien. Nadat [werkneemster] de armband van [collega 2] had ontvangen, heeft zij haar bril opgezet en de armband op de servicebalie bekeken. Om 17:20:29 uur heeft [werkneemster] het deurtje van de linker kast onder de (kassa van de) servicebalie geopend en de armband daarin opgeborgen. Op de tweede plank van het kastje bevindt zich een mandje ten behoeve van “gevonden voorwerpen”. Partijen verschillen van mening of [werkneemster] de armband in dat mandje of daarnaast heeft gelegd. Om 17:24:28 uur heeft [werkneemster] opnieuw het kastdeurtje geopend. Zij bukte naar beneden naar de middelste plank en zij rommelde daar wat met haar hand in het kastje. Daarna heeft zij het kastdeurtje weer dichtgedaan. Vlak daarna heeft [werkneemster] om zich heen gekeken, en om 17:24:48 uur heeft zij wederom het kastdeurtje geopend, een voorwerp uit het kastje gepakt en in haar linker broekzak gestopt. Om 17:40:44 uur heeft [werkneemster] haar mobiele telefoon uit het kastje gepakt en in haar linker achterzak gedaan. Om 17:42 uur heeft zij haar oortjes in een ander kastje geheel links onder de servicebalie gelegd.

3.6

Om 17:43 uur heeft [werkneemster] haar werkplek verlaten en is zij boodschappen gaan doen in de supermarkt. Daarna is [werkneemster] naar huis vertrokken.

3.7

Op woensdag 10 februari en donderdag 11 februari 2021 heeft de klant die de armband is verloren bij [de supermarkt] gevraagd of de armband is gevonden. De klant heeft die donderdag ook foto’s van de armband laten zien. Op woensdagochtend 10 februari 2021 bleek dat de armband niet meer in het kastje onder de servicebalie lag.

3.8

[de supermarkt] heeft op zondag 14 februari 2021 bedrijfsrechercheur [bedrijfsrechercheur] (hierna: [bedrijfsrechercheur] ) ingeschakeld om onderzoek te doen naar de verdwenen armband. Op maandag

15 februari 2021 heeft [bedrijfsrechercheur] een gesprek gehad met [werkneemster] . Tijdens dat gesprek zijn ook camerabeelden bekeken. [bedrijfsrechercheur] heeft van dat gesprek een verslag opgesteld dat door [werkneemster] is ondertekend. In dat verslag is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:

“(…) U gaat met mij ook nog even naar de videobeelden kijken en ik zie precies wat u bedoelt. Ik zie mij ook iets in mijn zak stoppen, maar ik kan u niet verklaren wat dit is. Ik kan het mij niet herinneren, maar het is geen armband geweest. (…)”

Na het gesprek is [werkneemster] direct geschorst. Vervolgens heeft [bedrijfsrechercheur] een videoverslag gemaakt.

3.9

Tijdens een op donderdag 18 februari 2021 gehouden telefoongesprek is [werkneemster] door [de supermarkt] op staande voet ontslagen. Dat ontslag is bij brief van diezelfde dag aan [werkneemster] bevestigd. In deze brief is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:

“(…) Wat is er gebeurd: op 9 februari ontving je van je collega [collega 2] een ‘Buddha to Buddha armband’ die zij had gevonden. Jij hebt deze armband naast het gebruikelijke mandje voor de gevonden voorwerpen gelegd achter een deur onder de kassa van de Servicebalie. Dit deed je om 17.19 uur, om vervolgens rond 17.30 uur het kastje weer open te maken en iets weg te pakken uit dit kastje en in jouw linkerbroekzak te stoppen.

De volgende dag om 7.45 uur is de armband weg. Uit de videobeelden gericht op de Servicebalie volgt dat er niemand anders in het kastje is geweest, behalve drie medewerkers die er duidelijk niets uithalen of althans niet de armband. Kortom: het kan niet anders zijn dat jij de armband inderdaad hebt meegenomen. (…)

Gisteren heeft het onderzoeksbureau alle beelden nog een keer helemaal nagekeken en een videoverslag gemaakt. Daarna hebben we juridisch advies ingewonnen, in hoeverre sprake is van een dringende reden voor ontslag en daarvan is sprake.

Het moge duidelijk zijn dat deze diefstal van een kostbaar voorwerp van één van onze klanten absoluut onacceptabel is en ook voor iemand die zo lang in dienst is, ronduit schokkend te noemen is. (…)”.

4 Procedure bij de kantonrechter

4.1

[werkneemster] heeft in eerste aanleg verzocht, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, primair, om het ontslag op staande voet te vernietigen en [de supermarkt] te veroordelen tot doorbetaling van het salaris van [werkneemster] , te vermeerderen met de wettelijke verhoging, totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, en, subsidiair, om [de supermarkt] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [de supermarkt] tot betaling van

€ 405,70 aan buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure.

4.2

[de supermarkt] heeft bij voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzocht om [werkneemster] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ad € 2.065,49, met wettelijke rente, en onderzoeks- en juridische kosten en overige schadeposten tot een totaalbedrag van

€ 4.848,14, met wettelijke rente, een en ander met veroordeling van [werkneemster] in de proceskosten.

4.3

De kantonrechter heeft [werkneemster] veroordeeld om aan [de supermarkt] te voldoen een bedrag van € 2.065,49 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, [werkneemster] veroordeeld in de proceskosten en de overige verzoeken afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat zij ervan uitgaat dat [werkneemster] de armband heeft gestolen. Daardoor heeft [werkneemster] aan [de supermarkt] door opzet of schuld een dringende reden voor ontslag op staande voet gegeven. De in artikel 7:677 lid 3 sub a BW genoemde (gefixeerde) schadevergoeding die [de supermarkt] heeft gevorderd, wordt daarom toegewezen. De onderzoekskosten en overige schadeposten zijn eveneens verschuldigd tot een bedrag van € 2.062,59 (netto); dat is gelijk aan het bedrag dat op basis van de eindafrekening nog aan [werkneemster] toekomt en dat [de supermarkt] reeds heeft verrekend met deze kosten. Voor toewijzing van de overige verzoeken bestaat geen grond, aldus de kantonrechter.

4.4

Tegen deze beschikking en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [werkneemster] met haar grieven op.

5 Beoordeling

5.1

Met grief 1 heeft [werkneemster] gesteld dat zij, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, op dinsdag 9 februari 2021 niet direct na het einde van haar diensttijd is vertrokken. Het hof heeft hieraan hiervoor reeds aandacht besteed bij de weergave van de vaststaande feiten (onder 3.6).

5.2

Met de grieven 2 tot en met 7 betoogt [werkneemster] in de kern dat de kantonrechter ten onrechte ervan uitgegaan is dat zij de armband heeft gestolen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3

[werkneemster] heeft niet betwist dat diefstal van een dergelijke armband een dringende reden is die ontslag op staande voet rechtvaardigt. De bewijslast van de aanwezigheid van een dringende reden voor ontslag op staande voet rust op [de supermarkt] , als degene die de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden heeft beëindigd. De dringende reden moet worden geacht bewezen te zijn wanneer de rechter een redelijke mate van zekerheid heeft dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan. Als bewijs voor de betrokkenheid van [werkneemster] bij de diefstal van de armband heeft [de supermarkt] met name gewezen op de door haar overgelegde camerabeelden. De camerabeelden zijn van goede kwaliteit en voldoende duidelijk.

5.4

Vast staat dat [werkneemster] op 9 februari 2021 om 17:24:48 uur iets uit het kastje heeft gepakt, kort nadat zij de armband in het kastje had opgeborgen. Enige tijd later heeft zij haar telefoon uit het kastje gehaald. [de supermarkt] heeft onweersproken aangevoerd dat vervolgens om 19:26:44 uur een andere medewerkster een mandje met zegelboekjes uit het kastje heeft gehaald. Afgaande op de camerabeelden lijkt het erop dat niemand anders die avond iets uit het kastje heeft gepakt. De volgende ochtend om 7:52:55 uur heeft eerst [collega 2] kort in het mandje met gevonden voorwerpen gekeken, zonder er iets uit halen. Om 7:53 uur hebben [collega 2] en [collega 3] samen in het mandje gekeken en geconstateerd dat de armband is verdwenen. Anders dan [werkneemster] heeft gesuggereerd, heeft het hof op de camerabeelden niet kunnen waarnemen dat één van hen de armband op dat moment heeft weggenomen. Op basis van de camerabeelden lijkt de conclusie daarom in beginsel gerechtvaardigd dat [werkneemster] , en niet iemand anders, op 9 februari 2021 om 17:24:48 uur de armband uit het kastje heeft gepakt. Zij is immers de enige die, op de camerabeelden waarneembaar, een voorwerp uit het kastje heeft gepakt. [werkneemster] heeft dat tegenover [bedrijfsrechercheur] weliswaar ontkend maar kon in het gesprek met [bedrijfsrechercheur] niet verklaren wat zij dan wel op dat moment uit het kastje zou hebben gepakt. Ook in het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg heeft [werkneemster] hiervoor geen verklaring gegeven. Pas tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft [werkneemster] gesteld dat zij inmiddels een sterk vermoeden had dat zij toen haar kluissleuteltje heeft gepakt. [de supermarkt] heeft dat vervolgens gemotiveerd betwist en [werkneemster] heeft niet nader kunnen onderbouwen dat zij om 17:24:48 uur daadwerkelijk een kluissleuteltje heeft gepakt. Zij heeft evenmin onderbouwd waarom zij juist op dat moment, nog voordat zij haar mobiele telefoon heeft gepakt, dat sleuteltje heeft gepakt.

5.5

Beoordeeld dient vervolgens te worden of het camerasysteem betrouwbaar is en of in deze zaak op de beelden daarvan mag worden afgegaan. [werkneemster] heeft dat gemotiveerd betwist. Zij heeft erop gewezen dat de overgelegde camerabeelden niet aaneensluitend zijn. Ook reageert het systeem niet altijd op beweging. Het is daarom volgens haar niet uit te sluiten dat de camera niet heeft waargenomen dat een derde de armband heeft weggenomen.

5.6

[de supermarkt] heeft een schriftelijke verklaring van [naam 1] van Stanley Security Nederland B.V., de leverancier van het camerasysteem van [de supermarkt] , van 1 oktober 2021 overgelegd. In deze verklaring wordt uitleg gegeven over de werking van het camerasysteem. [naam 1] concludeert: “Door de in de recorder ingebouwde veiligheden kan iedere vorm van sabotage worden uitgesloten. De missende beelden kunnen onmogelijk tussen de 2 fragmenten zijn uitgeknipt. Het ontbreken van beelden is alleen te verklaren uit het feit dat op dat moment geen registratie heeft plaatsgevonden omdat op basis van de instellingen van de camera niet aan de criteria voor detectie is voldaan. De veiliggestelde beelden zijn volgens ons, in overeenstemming met eerdergenoemde voorwaarden als authentiek te bestempelen. (…) Tijdens de evaluatie van de technische staat van de recorder zijn door ons geen onregelmatigheden aangetroffen.”. Ook heeft [de supermarkt] een schriftelijke verklaring overgelegd van [naam 2] , technisch deskundige camerasystemen bij […] Beveiliging B.V. van 13 oktober 2021. In deze verklaring wordt, samengevat en voor zover van belang, gesteld dat het systeem waarneemt dat iemand achter de servicebalie komt en de beelden daarvan opslaat. Het feit dat op sommige tijdstippen geen videomateriaal beschikbaar is, kan worden verklaard doordat er op die momenten geen beweging te detecteren was achter de servicebalie. [naam 2] concludeert dat het niet mogelijk is dat iemand achter de servicebalie is geweest op de momenten dat er geen videomateriaal beschikbaar is.

5.7

Het hof leidt uit deze verklaringen af dat het camerasysteem is ingesteld om uitsluitend op te nemen in geval van beweging in beeld, althans uitsluitend beeldmateriaal op te slaan in geval van beweging. Het systeem bewaart in het werkgeheugen tijdelijk de beelden van alle aangesloten camera’s. Steeds zijn/blijven de laatst beschikbare beelden gedurende vijf seconden voorafgaand aan een “trigger” (een beweging of een fel knipperende lamp) beschikbaar. Ook blijven de beelden bewaard die zijn gemaakt gedurende tien seconden na registratie van een trigger. De camera die gericht is op de servicebalie zal primair beweging achter de servicebalie detecteren, dat wil zeggen op en rond de werkplek van [werkneemster] . Volgens [naam 1] ontbreken geen beelden van activiteiten achter de servicebalie. Activiteiten vóór de servicebalie worden mogelijk, mede als gevolg van het coronascherm vóór de servicebalie, door deze camera niet waargenomen en gefilmd (maar wel door een andere camera, de camera “overzicht kassapunt”).

5.8

Met [werkneemster] is het hof van oordeel dat de overgelegde toelichtingen op de werking van het camerasysteem fouten in het systeem en in bijvoorbeeld de software niet uitsluiten. Bovendien werkt het camerasysteem volgens de toelichtingen niet absoluut, in de zin dat iedere beweging of andere trigger wordt vastgelegd en bewaard, maar worden slechts de beelden die voldoen aan de ingevoerde instellingen ofwel de bewegingsdrempel bewaard. Dat volgens de leverancier tijdens de evaluatie - uitgevoerd circa zeven maanden na 9 februari 2021 - van de technische staat van de recorder geen onregelmatigheden zijn aangetroffen, neemt niet weg dat een deugdelijk onderzoeksrapport, van een onafhankelijke derde, waaruit blijkt dat het camerasysteem foutloos werkte ten tijde van de vermissing van de armband, ontbreekt.

5.9

Het voorgaande betekent dan ook dat er, ondanks hetgeen zichtbaar is op het beschikbare beeldmateriaal en ondanks de verklaring van [werkneemster] over het kluissleuteltje (vergelijk hiervoor r.o. 5.4), naar het oordeel van het hof onvoldoende zekerheid is dat de armband op

9 februari 2021 door [werkneemster] is ontvreemd en dat geen andere medewerker of derde in de gelegenheid is geweest om de armband weg te nemen. [de supermarkt] heeft over de werking van het camerasysteem geen concrete feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, bij bewezenverklaring, tot een andere beoordeling kunnen leiden dan hierboven gegeven. Aan haar (algemene) bewijsaanbod komt daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dat aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd.

5.10

De kantonrechter heeft het primaire verzoek van [werkneemster] om het ontslag op staande voet te vernietigen ten onrechte afgewezen omdat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt. Daarom treffen de grieven 2 tot en met 7 doel. [werkneemster] verzoekt in hoger beroep niet om herstel van de arbeidsovereenkomst maar alleen om toekenning van een billijke vergoeding van € 101.053,44 bruto dan wel een door het hof te bepalen bedrag. Om die reden zal het hof op grond van artikel 7:683 lid 3 BW aan [werkneemster] een billijke vergoeding toekennen.

5.11

Het hof zal de hoogte van die vergoeding bepalen met inachtneming van de door de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) - niet-limitatief - geformuleerde gezichtspunten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia), r.o. 3.3.2). Het hof stelt voorop dat het in het onderhavige geval gaat om de billijke vergoeding als alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst, op de voet van artikel 7:683 lid 3 BW. Dit betekent dat aansluiting gezocht dient te worden bij de financiële gevolgen die het herstel met zich zou hebben gebracht (de “waarde” van het dienstverband). Het hof overweegt in dit verband dat aangenomen moet worden dat [werkneemster] na herstel van de arbeidsovereenkomst in ieder geval nog twee jaar in dienst zou zijn gebleven van [de supermarkt] . Uitgaande van het salaris van [werkneemster] , dat laatstelijk volgens haar eigen opgave, uitgaande van € 1.295,50 bruto per vier weken, € 1.403,52 bruto per maand bedroeg, en rekening houdend met 8% vakantiebijslag daarover bedraagt het inkomensverlies van [werkneemster] over een periode van twee jaar in totaal € 36.380,- bruto. Anders dan namens [de supermarkt] is bepleit, ziet het hof geen aanleiding om hierbij rekening te houden met een eventueel recht van [werkneemster] op een WW-uitkering over deze periode. Het staat thans niet vast dat [werkneemster] in aanmerking zal komen voor een WW-uitkering over deze periode. Bovendien zou verrekening van een eventuele WW-uitkering tot gevolg hebben dat [werkneemster] haar inmiddels opgebouwde, aanzienlijke WW-rechten als gevolg van het onterecht gegeven ontslag op staande voet zonder compensatie verliest en opnieuw moet opbouwen, wat het hof onbillijk acht. Evenmin ziet het hof aanleiding om rekening te houden met de inkomsten die [werkneemster] mogelijk - [de supermarkt] heeft daar niets concreets over gesteld - in deze periode heeft uit de vennootschap onder firma [naam VOF] , omdat [werkneemster] al sinds 1 januari 2016 vennoot is van deze vennootschap naast haar arbeidsovereenkomst met [de supermarkt] . Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding zal het hof verder wel rekening houden met de duur van de arbeidsovereenkomst (ruim twintig jaar), de leeftijd van [werkneemster] (thans 52 jaar) en met de in het nadeel van [de supermarkt] uitvallende factoren risicosfeer en verwijtbaarheid. Dat geen dringende reden voor het ontslag op staande voet kan worden vastgesteld, ligt geheel in de risicosfeer van [de supermarkt] en van het onterechte ontslag op staande voet kan [de supermarkt] een ernstig verwijt worden gemaakt. Het hof weegt ook mee dat [werkneemster] gelet op de aard van de dringende reden die [de supermarkt] ten onrechte aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, vermoedelijk beperkte mogelijkheden heeft om een vergelijkbare baan te verkrijgen bij een supermarkt of in de detailhandel in haar woonomgeving. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de billijke vergoeding te bepalen op een bedrag van € 50.000,- bruto. Ook de verzochte wettelijke rente over dit bedrag, waartegen [de supermarkt] geen verweer heeft gevoerd, zal worden toegewezen.

5.12

De beschikking zal worden vernietigd voor zover aan dit hoger beroep onderworpen. Het hof zal voor recht verklaren dat aan de opzegging van 18 februari 2021 geen dringende reden ten grondslag ligt en dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Het hof zal de zelfstandige verzoeken van [de supermarkt] inzake de gefixeerde schadeloosstelling, onderzoekskosten en overige schadeposten alsnog afwijzen en [de supermarkt] veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 3.070,43 dat [werkneemster] ter uitvoering van de bestreden beschikking heeft voldaan, zoals [de supermarkt] in haar memorie van antwoord onweersproken heeft aangevoerd, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, waartegen [de supermarkt] geen verweer heeft gevoerd. [de supermarkt] zal worden veroordeeld tot betaling aan [werkneemster] van € 5.614,08 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging als bedoeld in artikel 7:672 lid 11 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, waartegen [de supermarkt] ook geen verweer heeft gevoerd.

5.13

[de supermarkt] zal ook worden veroordeeld tot betaling aan [werkneemster] van een transitievergoeding. [de supermarkt] heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen de hoogte van het door [werkneemster] in dit verband verzochte bedrag van € 10.583,72 bruto en aan de hand van een door haar overgelegde berekening onweersproken aangevoerd dat de transitievergoeding berekend per 1 juli 2021 een bedrag van € 10.540,23 bruto bedraagt. Laatstgenoemd bedrag zal derhalve aan transitievergoeding worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, waartegen [de supermarkt] geen verweer heeft gevoerd.

5.14

Tevens zal [de supermarkt] worden veroordeeld tot betaling aan [werkneemster] van een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto zoals hiervoor in 5.11 overwogen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, waartegen [de supermarkt] evenmin verweer heeft gevoerd.

5.15

[de supermarkt] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van de procedure in beide instanties.

6 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 april 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat aan de opzegging van 18 februari 2021 geen dringende reden ten grondslag ligt en dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is;

- wijst de zelfstandige verzoeken van [de supermarkt] inzake de gefixeerde schadeloosstelling, onderzoekskosten en overige schadeposten alsnog af;

- veroordeelt [de supermarkt] tot terugbetaling van een bedrag van € 3.070,43 dat [werkneemster] ter uitvoering van de bestreden beschikking heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf heden tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [de supermarkt] tot betaling aan [werkneemster] van € 5.614,08 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2021 tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [de supermarkt] tot betaling aan [werkneemster] van € 10.540,23 bruto aan transitievergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2021 tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [de supermarkt] tot betaling aan [werkneemster] van € 50.000,- bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [de supermarkt] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [werkneemster] tot op 30 april 2021 begroot op € 85,- aan verschotten en op € 996,- aan salaris gemachtigde;

- bekrachtigt de beschikking voor het overige;

- veroordeelt [de supermarkt] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [werkneemster] tot op heden begroot op € 338,- aan verschotten en € 2.228,- aan salaris advocaat;

- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.J. Verbeek, M.T. Nijhuis en A.J.P. Schild en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2021 in aanwezigheid van de griffier.