Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:2549

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-12-2021
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
200.277.648/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Vaststelling schadevergoeding wegens overtreding mededingingsverbod van artikel 30 Wet op de kamers van koophandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.277.648/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/511690 / HA ZA 16-614

arrest van 28 december 2021

inzake

Easystart B.V.,

gevestigd te Woerden,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam,

tegen

Kamer van Koophandel,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de KvK,

advocaat: mr. W. Heemskerk te Den Haag.

1 De zaak in het kort

1.1.

In deze schadestaatprocedure vordert Easystart B.V. vergoeding van de schade die zij en Visionplanner B.V. stellen te hebben geleden als gevolg van de overtreding door de KvK van het mededingingsverbod van artikel 30 van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken (hierna te noemen: Wet KvK). Deze procedure volgt op een eerdere procedure waarin de rechter heeft vastgesteld dat de KvK dit mededingingsverbod vanaf 1 januari 1998 heeft overtreden door een eigen softwareprogramma aan te bieden waarmee ondernemingsplannen kunnen worden opgesteld (hierna ook te noemen: het KvK-ondernemingsplan), en de KvK heeft veroordeeld om aan Easystart B.V. en Visionplanner B.V. de schade te vergoeden die zij als gevolg van dit onrechtmatig handelen van de KvK hebben geleden. Easystart B.V. is het niet eens met de schadevergoeding van € 225.405,- die de rechtbank heeft toegewezen, en vordert in hoger beroep mede namens Visionplanner B.V. € 6.274.988,- aan schadevergoeding en € 142.350,24 aan buitengerechtelijke kosten. De KvK voert verweer en komt zelf in hoger beroep op tegen de schatting van het marktaandeel van Easystart B.V. en Visionplanner B.V. die de rechtbank bij de vaststelling van de schadevergoeding als uitgangspunt heeft genomen en de door de rechtbank toegewezen wettelijke rente.

1.2.

Het hof komt in dit arrest op onderdelen tot een ander oordeel dan de rechtbank en wijst een bedrag van € 482.547,- aan schadevergoeding en een bedrag van € 4.230,- aan buitengerechtelijke kosten toe, beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente.

2 Procesverloop

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het dossier van de procedure bij de rechtbank Den Haag, inclusief de bestreden vonnissen van 20 juni 2018 en 18 december 2019;

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 12 maart 2020;

  • -

    de memorie van grieven van Easystart B.V., met een bijlage;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de KvK;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel van Easystart B.V.

2.2.

Op 1 november 2021 heeft via een tweezijdige videoverbinding een zitting plaatsgevonden, waarbij de zaak is besproken. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Namens Easystart B.V. is het woord gevoerd door mr C. Hamm en mr. S.C. Louer, advocaten te Rotterdam. Namens de KvK is het woord gevoerd door haar advocaat en mr. M. Kalmoua en mr. M.B.C. Kloppenburg, advocaten te Den Haag.

3 Feitelijke achtergrond

3.1.

Tussen partijen staat onder meer het volgende vast.

3.2.

Easystart B.V. houdt zich onder meer bezig met de exploitatie van software en het leveren van automatiseringsdiensten. In eerste aanleg trad Easystart B.V. op samen met Visionplanner B.V. die zich onder meer bezig houdt met de ontwikkeling van software en het verkopen en ondersteunen van softwarepakketten. Easystart B.V. en Visionplanner B.V. hebben samen softwareproducten voor het opstellen van een ondernemingsplan ontwikkeld. Voorafgaand aan dit hoger beroep heeft Visionplanner B.V. haar vordering op de KvK overgedragen aan Easystart B.V. (De verkorte aanduiding Easystart zal hierna worden gebruikt zowel voor Easystart B.V. als voor Easystart B.V. en Visionplanner B.V. samen, waarbij uit de context moet blijken welke rechtspersoon of rechtspersonen daarmee worden bedoeld.)

3.3.

De volgende producten van Easystart zijn in het kader van deze procedure relevant:

  1. Product 1: EasyStart Pro/Visionplanner Starter: software waarmee startende ondernemers een ondernemingsplan kunnen opstellen;

  2. Product 2: EasyStart Analyse/Visionplanner Advisory: software voor dienstverleners voor de beoordeling en verwerking van een ondernemingsplan;

  3. Product 3: EasyPlan/Visieplan/Visionplanner Businessplan: software voor bestaande bedrijven voor het opstellen van een uitgebreid ondernemingsplan;

  4. Product 4: EasyPlan Analyse/Visieplan Pro/Visionplanner Advisory: software voor dienstverleners voor de beoordeling en verwerking van een uitgebreid ondernemingsplan;

  5. Dienst 1: EasyStart Analyse Cursus en EasyStart Analyse Onderhoud: training en consultancydiensten met betrekking tot Product 1 (volgens Easystart) of Product 2 (volgens de KvK);

  6. Dienst 2: EasyPlan Analyse Cursus en EasyPlan Analyse Onderhoud/Visionplan Businessplan Onderhoud: training en consultancydiensten met betrekking tot Producten 3 en 4.

3.4.

De Visionplanner-producten worden ook wel aangeduid met de afkorting Vp (Vp Starter, etc.). Voor al deze producten en diensten moest worden betaald. Easystart heeft Product 1 aanvankelijk aangeboden voor een prijs van € 69,-, die geleidelijk is gedaald tot € 15,-. Naast deze producten en diensten heeft Easystart een product aangeboden onder de naam Easystart Lite. Na een update is dit product Vp-Prestarter gaan heten. Dit product (hierna te noemen: Vp- Prestarter) is eind 2000 op de markt gebracht als een zogenaamde ‘teaser’ (digitale reclamefolder) voor Product 1, tegen een kleine vergoeding voor administratie- en verzendkosten. Later is dit product gratis aangeboden.

3.5.

De KvK heeft ook een hulpmiddel voor het opstellen van een ondernemingsplan ontworpen (hierna te noemen: het KvK ondernemingsplan). Dit model-ondernemingsplan heeft de KvK in de periode 1996-2009 beschikbaar gesteld, vanaf 1996 tot april 2001 in een papieren vorm in combinatie met een diskette, die tegen kostprijs beschikbaar was. Vanaf april 2001 tot april 2007 heeft de KvK haar ondernemingsplan op CD-Rom aangeboden, op het laatst tegen een prijs van € 19,50. Vanaf februari 2007 tot 16 september 2009 was het KvK-ondernemingsplan online gratis beschikbaar.

3.6.

Easystart en de KvK hebben samengewerkt. Easystart bood Product 1 en Vp-Prestarter ook via de KvK als verkoopkanaal aan, en met goedvinden van de KvK adverteerde zij op haar eigen website met de mededeling dat haar product werd aanbevolen door de KvK. Omgekeerd refereerde de KvK op haar website aan de producten van Easystart.

3.7.

Bij brieven van 2 en 21 november 2006 heeft Easystart de KvK met een beroep op artikel 30 Wet KvK verzocht de verkoop van het KvK-ondernemingsplan te staken. Bij brief van 12 december 2007 heeft Easystart de KvK aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het handelen van de KvK. Vervolgens heeft Easystart de KvK gedagvaard.

3.8.

Bij vonnis van 16 september 2009 (ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7313) heeft de rechtbank Den Haag (i) voor recht verklaard dat de KvK vanaf 1 januari 1998 onrechtmatig heeft gehandeld jegens Easystart door een eigen softwareprogramma aan te bieden dat bedoeld is om een ondernemingsplan mee te schrijven en (ii) de KvK veroordeeld om aan Easystart de schade te vergoeden die Easystart als gevolg van het onrechtmatig handelen van de KvK heeft geleden, nader op te maken bij staat en vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 november 2006. Bij arrest van 16 oktober 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0309) heeft dit hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hiertegen door de KvK ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:156) verworpen.

3.9.

Na het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 september 2009 heeft de KvK het aanbod van het KvK-ondernemingsplan gestaakt.

4 Vordering in eerste aanleg en beslissing van de rechtbank

4.1.

In eerste aanleg heeft Easystart, na wijziging van eis, gevorderd de KvK, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van (i) een schadevergoeding van € 6.274.988,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 2 november 2006, (ii) een bedrag van € 142.350,24 ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dagvaarding en (iii) proceskosten. De KvK heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Easystart in de proceskosten.

4.2.

In het tussenvonnis van 20 juni 2018 heeft de rechtbank Easystart in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de vordering tot schadevergoeding, voor zover deze betrekking had op Product 1. In het eindvonnis van 18 december 2019 heeft de rechtbank de KvK veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 225.405,-. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank afgewezen. De proceskosten zijn door de rechtbank gecompenseerd. Het eindvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.3.

De overwegingen van de rechtbank in beide vonnissen kunnen als volgt worden samengevat:

- Het beroep van de KvK op rechtsverwerking is gegrond, voor zover het betreft de periode tot 2 november 2006. In deze periode hebben Easystart en de KvK nauw samengewerkt. Als gevolg daarvan is bij de KvK het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat Easystart er geen problemen mee had dat de KvK zich ook op de markt van het aanbieden van ondernemingsplannen begaf.

- Ten overvloede geldt dat de vordering tot schadevergoeding, voor zover het betreft de periode van 1 januari 1998 tot 12 december 2002, is verjaard. De verjaring is niet gestuit met de brief van Easystart van 2 november 2006, omdat deze brief geen voldoende duidelijke waarschuwing inhield aan de KvK dat zij na het verstrijken van de verjaringstermijn gegevens en bewijsmateriaal moest bewaren om zich tegen een mogelijke vordering van Easystart te kunnen verweren.

- Met (de toewijzing van) het beroep op rechtsverwerking, dan wel verjaring wordt geen afbreuk gedaan aan het in de hoofdzaak gegeven oordeel dat de KvK vanaf 1 januari 1998 onrechtmatig heeft gehandeld. Met dat oordeel staat dan ook niet vast dat de KvK de vanaf 1 januari 1998 geleden schade dient te vergoeden. Easystart kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de KvK het recht heeft verwerkt om een beroep op rechtsverwerking, dan wel verjaring te doen.

- Het aantal door de KvK verkochte ondernemingsplannen vormt de bovengrens van het aantal ondernemingsplannen dat Easystart zou hebben verkocht als de KvK niet in strijd met het mededingingsverbod van artikel 30 van de Wet KvK zou hebben gehandeld. De stelling van Easystart dat zij een marktaandeel zou hebben gehad van 25% als de KvK niet in strijd met dit verbod zou hebben gehandeld, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank schat het marktaandeel van Easystart in dat geval op 15%. Uitgaande van het aantal ondernemingsplannen dat de KvK gemiddeld genomen op jaarbasis heeft verkocht, zou Easystart in dat geval 10.362 extra exemplaren van Product 1 hebben kunnen verkopen (15% van de 69.081 plannen die de KvK gemiddeld genomen op jaarbasis in de periode van 2 november 2006 tot 16 september 2009 heeft verkocht). Uitgaande van een gemiddelde prijs van € 24,17 per ondernemingsplan komt dit neer op een omzet van € 250.449,54. De gederfde winst bedraagt dan € 225.405, uitgaande van een brutowinstmarge van 90%.

- Easystart heeft onvoldoende onderbouwd dat zij ook met betrekking tot de vervolgproducten en -diensten inkomsten heeft gederfd, en dat zij in de periode nadat de KvK is gestopt met het aanbieden van het KvK-ondernemingsplan nog schade heeft geleden als gevolg van een “na-ijleffect”.

- De kosten van de heer Joling, die in opdracht van Easystart een begroting heeft gemaakt van de gestelde schade, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de rapporten van Joling niet kunnen dienen als basis voor de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding. De interne kosten en de advocaatkosten worden geacht te zijn inbegrepen in de proceskostenveroordeling, omdat Easystart onvoldoende heeft onderbouwd dat het hier gaat om buitengerechtelijke kosten. De advocaatkosten ter zake van de door Easystart gevoerde Wob-procedure zijn inbegrepen in de bestuursrechtelijke proceskostenveroordeling.

5 Vordering in hoger beroep

5.1.

In hoger beroep vordert Easystart, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van de bestreden vonnissen en toewijzing van haar vordering in eerste aanleg, met veroordeling van de KvK in de proceskosten van beide instanties.

5.2.

De KvK voert verweer in het hoger beroep van Easystart (het principaal appel) en concludeert tot verwerping daarvan, met veroordeling van Easystart in de proceskosten in hoger beroep, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente. De KvK heeft zelf ook beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 18 december 2019 (het incidenteel appel). Daarin vordert de KvK, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad (i) vernietiging van het eindvonnis en afwijzing van de vordering van Easystart, voor zover deze is gebaseerd op een marktaandeel groter dan 1% althans 8%, dan wel een ander door het hof vast te stellen marktaandeel kleiner dan 15%, (ii) veroordeling van Easystart tot terugbetaling aan de KvK van het bedrag dat de KvK op grond van het eindvonnis onverschuldigd aan Easystart heeft betaald, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 30 december 2019, (iii) veroordeling van Easystart in de proceskosten in hoger beroep, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.

5.3.

Easystart voert verweer in het incidenteel appel en concludeert tot verwerping van het hoger beroep van de KvK en afwijzing van de vordering van de KvK, met veroordeling van de KvK in de proceskosten.

6 Beoordeling door het hof

Rechtsverwerking en verjaring van de vordering tot schadevergoeding

6.1.

Grieven I, II en III van Easystart zijn gericht tegen de beoordeling door de rechtbank van het beroep van de KvK op rechtsverwerking en verjaring van de vordering tot schadevergoeding. Easystart betoogt dat de rechter in een schadestaatprocedure gebonden is aan bindende eindbeslissingen van de rechter in de hoofdzaak, en dat de rechter in de hoofdzaak heeft beslist dat de KvK schadeplichtig is jegens Easystart vanaf 1 januari 1998. Verder stelt Easystart dat de rechtbank heeft miskend dat de KvK haar recht om zich op rechtsverwerking en verjaring te beroepen, zelf heeft verwerkt, door deze verweren voor het eerst bij conclusie van antwoord in de schadestaatprocedure aan te voeren (grief I). Ook stelt zij dat de samenwerking tussen Easystart en de KvK geen reden kan zijn om rechtsverwerking aan te nemen (grief II). Ten aanzien van de verjaring stelt zij dat het beroep van de KvK op verjaring tien jaar na de brief van Easystart van 2 november 2006 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment dat de onrechtmatige gedraging van de KvK is geëindigd, dan wel dat deze is gestuit met de brief van Easystart van 2 november 2006 (grief III).

6.2.

Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof het volgende voorop. Een schadestaatprocedure strekt ertoe de omvang van de te betalen schadevergoeding vast te stellen, nadat in de hoofdzaak is vastgesteld dat er een grondslag is voor aansprakelijkheid. Deze grondslag kan in de schadestaatprocedure niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Daarnaast kunnen beslissingen in de hoofdzaak die niet de grondslag van de aansprakelijkheid betreffen, bindende kracht hebben in de schadestaatprocedure overeenkomstig de leer van de bindende eindbeslissing. Van een bindende eindbeslissing is sprake als uitdrukkelijk en zonder voorbehoud over een bepaald punt is beslist. De rechter is in beginsel gebonden aan een bindende eindbeslissing, en mag daarop in een volgend vonnis in beginsel niet terugkomen. Bindende eindbeslissingen van de rechter in de hoofdzaak zijn dus in beginsel bindend voor de rechter in de schadestaatprocedure.

6.3.

In dit geval is in de hoofdzaak vastgesteld dat de KvK het mededingingsverbod van artikel 30 Wet KvK heeft overtreden door het KvK-ondernemingsplan aan te bieden. Deze vaststelling betreft de grondslag van de aansprakelijkheid en kan in deze schadestaatprocedure niet meer ter discussie worden gesteld. De vraag of Easystart vergoeding kan vorderen voor schade geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de KvK, heeft geen betrekking op de grondslag van de aansprakelijkheid. De KvK kan het mededingingsverbod van artikel 30 Wet KvK immers hebben overtreden zonder dat Easystart daardoor schade heeft geleden. Die vraag kan dus in de schadestaatprocedure aan de orde komen, behoudens voor zover de rechter in de hoofdzaak met betrekking tot die vraag een bindende eindbeslissing heeft genomen.

6.4.

De rechtbank heeft in de hoofdzaak geoordeeld dat de KvK vanaf 1 januari 1998 onrechtmatig heeft gehandeld jegens Easystart door het KvK-ondernemingsplan aan te bieden (onderstreping van het hof). Dat oordeel is door het hof bekrachtigd, en het cassatieberoep tegen het arrest van het hof is door de Hoge Raad verworpen. Daarmee heeft de rechter op dit punt in de hoofdzaak een bindende eindbeslissing genomen waar de rechter in de schadestaatprocedure zich in beginsel aan heeft te houden. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat aan deze bindende eindbeslissing afbreuk zou worden gedaan als de rechter in de schadestaatprocedure zou oordelen dat Easystart het recht heeft verwerkt om de KvK uit hoofde van deze onrechtmatige daad aan te spreken voor zover het betreft de periode van 1 januari 1998 tot 2 november 2006, vanwege het feit dat Easystart in die periode met de KvK heeft samengewerkt bij de vermarkting van haar producten. Dat zou immers impliceren dat de KvK in die periode niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Easystart. Het hof ziet in hetgeen de KvK in de schadestaatprocedure heeft aangevoerd, geen aanleiding om op deze bindende eindbeslissing terug te komen. In zoverre slaagt grief I van Easystart. Grief II van Easystart hoeft dan niet te worden besproken.

6.5.

Het ligt anders ten aanzien van het verjaringsverweer. De beslissing dat de KvK vanaf 1 januari 1998 onrechtmatig heeft gehandeld jegens Easystart sluit niet uit dat het recht op schadevergoeding van Easystart kan zijn verjaard. Het beroep op verjaring kan dus in de schadestaatprocedure aan de orde komen. Het hof volgt Easystart niet in haar stelling dat het beroep van de KvK op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Easystart heeft er zelf voor gekozen de procedure in de hoofdzaak te beperken tot de vraag of de KvK onrechtmatig heeft gehandeld jegens Easystart en ten aanzien van de schade een verwijzing naar de schadestaatprocedure te vorderen. Het is vaste rechtspraak dat een verjaringsverweer in een schadestaatprocedure kan worden gevoerd. Daar diende Easystart dus rekening mee te houden.

6.6.

Het hof verwerpt de stelling van Easystart dat de verjaringstermijn pas in 2009 is gaan lopen omdat de KvK toen pas is gestopt met de verkoop van het KvK-ondernemingsplan. Bij een voortdurende onrechtmatige daad als de onderhavige ontstaat de verbintenis tot het vergoeden van de schade deel voor deel, vanaf de aanvang van de onrechtmatige daad totdat deze is gestopt (vgl. Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677). Er is dus al een verjaringstermijn gaan lopen in 1998. Easystart heeft in dit verband een beroep gedaan op artikel 6:193s BW, waarin een speciale verjaringstermijn is voorzien voor een vordering tot vergoeding van schade door een inbreuk op het mededingingsrecht. Dit artikel is echter alleen van toepassing op inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU en nationaal mededingingsrecht van een lidstaat van de Europese Unie dat parallel wordt toegepast aan artikel 101 of artikel 102 VWEU (vgl. artikel 6:193k BW). Artikel 30 Wet KvK behoort niet tot die categorie.

6.7.

Anders dan de rechtbank is het hof echter van oordeel dat de verjaring is gestuit met de brief van Easystart van 2 november 2006. In die brief stelt Easystart zich op het standpunt dat de KvK onrechtmatig handelt door het KvK-ondernemingsplan aan te bieden, en verzoekt zij de KvK de verkoop van het KvK-ondernemingsplan te staken en een schriftelijke opgave te verstrekken van het aantal verkochte KvK-ondernemingsplannen vanaf de introductie. Als slachtoffer van een onrechtmatige daad van de KvK kan Easystart een gebod vorderen om het onrechtmatig handelen te staken, en vergoeding vorderen van de schade die zij als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden. Het aantal verkochte KvK-ondernemingsplannen is niet van belang voor een vordering om het onrechtmatig handelen te staken. Het verzoek om een opgave daarvan kan dus alleen bedoeld zijn geweest ter voorbereiding van een mogelijke vordering tot schadevergoeding. Om vast te stellen hoeveel omzet Easystart is misgelopen als gevolg van de verkoop van het KvK-ondernemingsplan is immers van belang hoeveel exemplaren van dat plan de KvK heeft verkocht. Daarmee houdt dit verzoek een voldoende duidelijke waarschuwing in voor de KvK dat zij een mogelijke vordering tot schadevergoeding kan verwachten, zodat zij weet dat zij gegevens en bewijsmateriaal moet bewaren waarmee zij zich tegen een dergelijke vordering kan verweren. Easystart kan dus schadevergoeding vorderen met ingang van 2 november 2001. In zoverre slaagt grief III van Easystart.

Omvang van de schade

6.8.

Grieven IV tot en met XIII van Easystart en grief 1 van de KvK in het incidenteel appel hebben betrekking op de begroting van de door Easystart geleden schade. Bij de beoordeling van deze grieven geldt als uitgangspunt dat de schade geleden door Easystart als gevolg van het onrechtmatig handelen van de KvK moet worden vastgesteld door een vergelijking van de positie van Easystart in de werkelijke situatie, waarin de KvK het KvK-ondernemingsplan heeft aangeboden, enerzijds (hierna ook te noemen: de werkelijke situatie), met de positie van Easystart in het hypothetische scenario waarin de KvK het KvK-ondernemingsplan niet zou hebben aangeboden, anderzijds (hierna ook te noemen: het hypothetische scenario). Daarbij geldt dat de rechter bij de begroting van de omvang van de schade een ruime mate van vrijheid heeft. Op grond van artikel 6:97 BW begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is, en kan hij volstaan met een schatting als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.

Andere Producten en Diensten

6.9.

In de hoofdzaak is vastgesteld dat het KvK-ondernemingsplan, Product 1 en Vp-Prestarter gelijkwaardige producten zijn (vgl. rechtsoverwegingen 14 tot en met 20 van het arrest van het hof in de hoofdzaak). In de hoofdzaak is ook uitgemaakt dat het aanbieden van het KvK-ondernemingsplan tot schade voor Easystart kan hebben geleid, doordat ondernemers voor het KvK-ondernemingsplan hebben gekozen in plaats van een gelijkwaardig product van Easystart (vgl. rechtsoverweging 30 van het arrest van het hof in de hoofdzaak). De andere Producten en Diensten zijn in de hoofdzaak niet aan de orde gesteld, met uitzondering van Product 3 (EasyPlan/Visieplan/Visionplanner Businessplan). Ten aanzien van Product 3 heeft Easystart in de hoofdzaak gesteld dat het gelijkwaardig is aan het KvK-ondernemingsplan (vgl. randnummer 28 van de dagvaarding van Easystart in de hoofdzaak). Deze stelling is verworpen door de rechtbank in de hoofdzaak. Naar het oordeel van de rechtbank kon Product 3 dan ook bij de bepaling van de omvang van de schade buiten beschouwing blijven (vgl. rechtsoverweging 5.25 van het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak). Tegen dat oordeel is Easystart in het hoger beroep in de hoofdzaak niet opgekomen.

6.10.

Easystart vordert geen schadevergoeding in verband met een verminderde afzet van Vp-Prestarter. Dit product is aanvankelijk tegen een kleine kostenvergoeding en later gratis aangeboden. Een verminderde afzet van Vp-Prestarter kan dus niet tot minder inkomsten voor Easystart hebben geleid. Easystart maakt wel aanspraak op schadevergoeding voor zover het betreft de andere Producten en Diensten. Volgens Easystart bestaat een oorzakelijk verband tussen de verkoop van Product 1 en de verkoop van de andere Producten en Diensten, zodat een verminderde afzet van Product 1 als gevolg van het aanbod van het KvK-ondernemingsplan ook ten koste is gegaan van de afzet van deze andere Producten en Diensten. De rechtbank heeft de vordering van Easystart afgewezen voor zover deze betrekking heeft op schade ontstaan als gevolg van verminderde afzet van de andere Producten en Diensten. Daartegen komt Easystart op met grief IX. Het hof verwerpt deze grief. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het oorzakelijke verband tussen de verkoop van Product 1 en de verkoop van de andere Producten en Diensten onvoldoende aannemelijk is geworden. Daarvoor is het volgende redengevend.

6.11.

Uit de verkoopcijfers van Product 1 en Product 2 in tabel 6 van het rapport van Joling van 26 april 2016 valt niet af te leiden dat een correlatie bestond tussen de verkoop van beide producten. In de jaren 1997 tot en met 2000 daalt het aantal verkochte exemplaren van Product 2 van 247 naar 64, terwijl het aantal verkochte exemplaren van Product 1 in diezelfde periode eerst verdubbelt (van 6.334 in 1997 naar 13.181 in 1998), om vervolgens heel licht te dalen naar 11.878 in 2000. Als percentage van de het aantal verkochte exemplaren van Product 1 daalt het aantal verkochte exemplaren van Product 2 over de gehele periode 1996 tot en met 2000 van 29,3% naar 0,5%.

6.12.

De overweging van de rechtbank in de hoofdzaak dat Product 3 bij de bepaling van de omvang van de schade buiten beschouwing kon blijven, is gebaseerd op het oordeel van de rechtbank dat Product 3 niet gelijkwaardig is aan het KvK-ondernemingsplan. Het feit dat Product 3 niet gelijkwaardig is aan het KvK-ondernemingsplan sluit echter niet uit dat de verkoop van Product 3 kan zijn gedaald als gevolg van een daling van de verkoop van Product 1. In zoverre verwerpt het hof de stelling van de KvK dat reeds uit het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak volgt dat Product 3 in de schadestaatprocedure niet meer aan de orde kan worden gesteld. Easystart heeft echter onvoldoende gesteld om een oorzakelijk verband tussen de afzet van beide producten aan te nemen. Volgens Easystart bestond Product 3 uit software waarmee bestaande bedrijven, die de startfase voorbij zijn, een uitgebreid ondernemingsplan kunnen opstellen. Ook gebruikers van het KvK-ondernemingsplan waren dus, als ze de startfase voorbij waren, potentiële afnemers van Product 3, zodat niet valt in te zien hoe een verminderde afzet van Product 1 als gevolg van de verkoop van het KvK-ondernemingsplan ertoe kan hebben geleid dat ook minder exemplaren van Product 3 zijn verkocht.

6.13.

Met betrekking tot Product 4 heeft Easystart geen verkoopcijfers verstrekt. Aangezien Product 4 de opvolger was van Product 2, kan er van worden uitgegaan dat hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot Product 2, ook geldt voor Product 4.

6.14.

Wat betreft Dienst 1 heeft de KvK aangevoerd dat de benaming van deze dienst (EasyStart Analyse Cursus/EasyStart Analyse Onderhoud) erop duidt dat het hier ging om een dienst die meer verband hield met Product 2 (EasyStart Analyse/Visionplanner Advisory) dan met Product 1 (EasyStart Pro/Visionplanner Starter). Easystart heeft hier niets tegenin gebracht. Zij heeft slechts gesteld dat sprake is van een correlatie tussen de verkoop van Product 1 en de verkoop van Dienst 1 in de periode 1998-2000. Het enkele feit dat zowel de verkoop van Product 1 als de verkoop van Dienst 1 in deze periode is gedaald, toont echter niet aan dat er een oorzakelijk verband is tussen de verkoop van beide.

6.15.

Dienst 2 bestond uit training en consultancy voor Producten 3 en 4. Omdat niet aannemelijk is geworden dat de verminderde afzet van Product 1 heeft geleid tot een verminderde afzet van Producten 3 en 4, kan ook geen oorzakelijk verband worden aangenomen tussen de verminderde afzet van Product 1 en de verkoop van Dienst 2.

6.16.

De slotsom is dat mogelijke schade van Easystart als gevolg van het aanbod van het KvK-ondernemingsplan dus slechts gelegen kan zijn in een derving van de verkoop van Product 1.

Na-ijl effect

6.17.

Na het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak van 16 september 2009 is de KvK gestopt met het aanbieden van het KvK-ondernemingsplan. Easystart stelt dat zij ook na 16 september 2009 nog schade heeft geleden als gevolg van het aanbod van het KvK-ondernemingsplan vanwege een na-ijleffect. Die stelling is door de rechtbank verworpen. Daartegen komt Easystart op met grief X. Volgens Easystart hebben haar verkopen zich pas geleidelijk kunnen herstellen nadat de KvK het aanbod van het KvK-ondernemingsplan heeft gestaakt. Het hof verwerpt deze grief. Nadat de KvK was gestopt met het aanbieden van het KvK-ondernemingsplan, moesten de resterende aanbieders van ondernemingsplannen, waaronder Easystart, in de vrijgekomen vraag naar ondernemingsplannen voorzien. Ook de andere aanbieders van ondernemingsplannen waren getroffen door de onrechtmatige concurrentie van de KvK en moesten afnemers voor zich proberen te winnen die voordien het KvK-ondernemingsplan zouden hebben afgenomen. Easystart heeft op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt waarom zij als gevolg van het onrechtmatig handelen van de KvK in een nadeliger positie verkeerde dan die andere aanbieders. In die omstandigheden valt niet in te zien hoe Easystart nog schade kan hebben geleden in de vorm van een derving van de verkoop van Product 1 nadat de KvK was gestopt met het KvK-ondernemingsplan. Het gestelde na-ijleffect is dus niet onderbouwd, zodat grief X faalt.

Schadeplafond

6.18.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het aantal door de KvK verkochte exemplaren van het KvK-ondernemingsplan de absolute bovengrens vormt van de door Easystart gederfde verkopen van Product 1. Tegen dat oordeel richt grief IV van Easystart zich tevergeefs. Easystart heeft gesteld dat de KvK met haar aanbod de markt voor ondernemingsplannen heeft verstoord, en dat die markt en de vraag naar ondernemingsplannen er heel anders had uitgezien als deze marktverstoring was uitgebleven. Daarmee heeft zij echter niet aannemelijk gemaakt dat Easystart in het hypothetische scenario meer exemplaren van Product 1 had kunnen verkopen dan het aantal ondernemingsplannen dat de KvK in de werkelijke situatie heeft verkocht.

6.19.

Over de periode 2001-2006 is bekend hoeveel exemplaren van het KvK-ondernemingsplan door de KvK zijn verkocht. Vanaf 2007 is de KvK het KvK-ondernemingsplan gratis online gaan aanbieden. Met grief IV betoogt Easystart ook dat het aantal verkochte exemplaren van het KvK-ondernemingsplan in de periode 2001-2006 niet kan dienen als basis voor de berekening van de schade die Easystart heeft geleden in de periode 2007-2009 (van 1 januari 2007 tot 16 september 2009, toen de KvK is gestopt met het aanbieden van het KvK-ondernemingsplan). Ook in dat opzicht slaagt grief IV niet. Vanaf het moment dat de KvK het ondernemingsplan gratis online is gaan aanbieden, is de afzet ervan explosief gestegen, tot het tienvoudige van de verkopen in de periode daarvoor. Dat wijst erop dat het gratis aanbod van het KvK-ondernemingsplan een eigen vraag heeft gecreëerd, die niet representatief is voor het aantal betaalde ondernemingsplannen dat Easystart in het hypothetische scenario had kunnen verkopen. Bij gebreke van cijfers met betrekking tot het aantal verkochte exemplaren van het KvK-ondernemingsplan in de periode 2007-2009 acht het hof het redelijk om bij de begroting van de schade van Easystart in deze periode aan te knopen bij het aantal verkochte exemplaren van het KvK-ondernemingsplan in de periode 2001-2006. In de periode 2001-2006 heeft de KvK 135.225 exemplaren van het KvK-ondernemingsplan verkocht (vgl. bijlage 3 bij het rapport van Sman van 14 september 2016, productie 1 van de KvK bij conclusie van antwoord). Dat komt neer op een gemiddelde van 22.537 per jaar. Het aantal verkochte exemplaren per jaar vertoont geen grote schommelingen, zodat het hof het redelijk acht om dit gemiddelde als uitgangspunt te hanteren voor de periode 2007-2009. Het hof gaat er dus bij de begroting van de schade vanuit dat de KvK over de gehele periode van 2 november 2001 tot 16 september 2009 jaarlijks gemiddeld 22.537 exemplaren van het KvK-ondernemingsplan heeft verkocht.

Marktaandeel en begroting van de schade

6.20.

De rechtbank heeft overwogen dat het marktaandeel van Easystart niet kan worden bepaald aan de hand van het aantal starters in relatie tot de verkoopcijfers van Easystart. Tegen dat oordeel is grief V van Easystart gericht. Met grief VI bestrijdt Easystart het oordeel van de rechtbank dat als al een relatie valt aan te wijzen tussen het aantal starters en de verkoopcijfers van Easystart, de jaren 1998 en 1999 niet als referentiejaren kunnen worden gebruikt bij de vaststelling van die relatie. Grieven VII en XIII (de eerste grief XIII; Easystart B.V. heeft twee grieven XIII aangevoerd) van Easystart bestrijden het oordeel van de rechtbank dat Easystart onvoldoende heeft onderbouwd dat haar marktaandeel zonder het KvK-ondernemingsplan steeds 25% zou hebben bedragen. De tweede grief XIII van Easystart en grief 1 van de KvK in het incidenteel appel maken bezwaar tegen de schatting van de rechtbank dat het marktaandeel van Easystart zonder het KvK-ondernemingsplan op 15% zou zijn uitgekomen en tegen de begroting van de schade gebaseerd op die schatting. Volgens Easystart moet een marktaandeel van 25% worden aangehouden en volgens de KvK moet worden uitgegaan van een marktaandeel van Easystart van 1%, dan wel 8%. Het hof zal deze grieven hierna samen bespreken.

6.21.

Bij gebreke van andere bruikbare cijfers is het aantal starters de best mogelijke beschikbare indicatie van de omvang van de markt voor ondernemingsplannen. De KvK heeft aangevoerd dat een beperkt aantal starters een ondernemingsplan opstelt. Als dat juist is, dan leidt een bepaling van de omvang van de markt op basis van het aantal starters tot een overschatting. Daar staat echter tegenover dat volgens de KvK ook bestaande ondernemingen ondernemingsplannen opstellen. Bovendien zijn de marktaandelen van 1% en 8% die volgens de KvK moeten worden aangehouden ook berekend op basis van het aantal starters. De rechtbank heeft overwogen dat het marktaandeel van Easystart niet kan worden bepaald aan de hand van het aantal starters omdat geen rechtstreeks verband valt waar te nemen tussen de verkoopcijfers van de KvK en het aantal starters (rechtsoverweging 4.18 van het tussenvonnis). Een dergelijk verband is echter niet nodig om het aantal starters als uitgangspunt te nemen voor de marktomvang. Bij gebrek aan beter gaat het hof dus uit van een marktomvang berekend op basis van het aantal starters. In zoverre slaagt grief V van Easystart.

6.22.

Uit de verkoopcijfers van Product 1 gerelateerd aan het aantal starters blijkt het volgende (zie tabel 4 in het rapport van het rapport van Joling van 26 april 2016). Het marktaandeel van Easystart is na de lancering in 1996 gegroeid naar 26% in 1998. In 1999 had Easystart nog een marktaandeel van 24%. Vervolgens is een daling ingezet naar 1% in 2004. In de jaren daarna is het marktaandeel niet meer boven 2% uitgekomen. Op basis van deze cijfers acht het hof het niet realistisch om te veronderstellen dat in het hypothetische scenario het marktaandeel van Easystart op een niveau van 25% zou zijn gebleven. Bij gebreke van een aanwijzing voor het tegendeel gaat het hof ervan uit dat de verkoop van het KvK-ondernemingsplan ten koste is gegaan van de andere aanbieders naar rato van hun marktaandeel. Als wordt uitgegaan van een marktaandeel van Easystart van 25% zonder het KvK-ondernemingsplan, dan zou ¼ van de verkoop van het KvK-ondernemingsplan ten koste moeten zijn gegaan van Easystart. Dan kan het marktaandeel van Easystart als gevolg van het aanbod van het KvK-ondernemingsplan niet zijn gedaald van 25% naar 1 of 2%. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld. In 2005 waren er 80.000 starters. Easystart verkocht in dat jaar 969 exemplaren van Product 1, goed voor 1% marktaandeel. De KvK verkocht in dat jaar 20.207 exemplaren van het KvK-ondernemingsplan (zie bijlage 3 bij het rapport van Sman van 14 september 2016). Als Easystart daarvan 25% had verkocht, zou zij (969 + 5.052 =) 6.021 ondernemingsplannen hebben verkocht, en goed zijn geweest voor 7,5% marktaandeel; geen 25%. Er moeten dus ook andere factoren zijn geweest die tot de daling van het marktaandeel van Easystart hebben geleid. Hierop stuiten grieven VII en XIII van Easystart af. Grief VI is zonder belang. Ook als 1998 en 1999 als referentiejaren kunnen worden gebruikt, dan kan op basis daarvan niet worden geconcludeerd dat het marktaandeel van Easystart in de hypothetische situatie op een niveau van 25% zou zijn gebleven.

6.23.

De benadering van de KvK is evenmin houdbaar. De KvK gaat uit van de marktaandelen van Easystart in de werkelijke situatie, en berekent de verschuldigde schadevergoeding op basis van die marktaandelen. In dat geval zou Easystart niet worden gecompenseerd op basis van het marktaandeel dat zij als gevolg van het aanbod van het KvK-ondernemingsplan heeft verloren, maar op basis van het marktaandeel dat zij ondanks het aanbod van het KvK-ondernemingsplan heeft weten te behouden. Dat is natuurlijk niet juist. Grief 1 van de KvK in het incidenteel appel faalt dus eveneens.

6.24.

Het hof kan aan de hand van de standpunten van partijen en de door partijen verstrekte cijfers het effect van het aanbod van het KvK-ondernemingsplan op de verkoopcijfers van Product 1 niet nauwkeurig bepalen, en moet daarom een schatting maken. Zoals hiervoor overwogen, zou uitgaande van een marktaandeel van Easystart van 25% en van de veronderstelling dat de verkoop van het KvK-ondernemingsplan ten koste is gegaan van de andere aanbieders naar rato van hun marktaandeel, ¼ van de verkopen van het KvK-ondernemingsplan ten koste zijn gegaan van Easystart. Het hof schat dat andere factoren verantwoordelijk zijn voor de helft van de daling van het marktaandeel van Easystart en dus dat de verkoop van het KvK-ondernemingsplan voor ⅛ ten koste is gegaan van de verkoop van Product 1. Uitgaande van een gemiddeld aantal verkochte exemplaren van het KvK-ondernemingsplan van 22.537 per jaar in de periode 2001-2009 (vgl. onder 6.19 van dit arrest), zou Easystart dan in het hypothetische scenario op jaarbasis 12,5% van 22.537 = 2.817 exemplaren van Product 1 extra hebben verkocht. Dat komt neer op in totaal 22.183 exemplaren in de periode van 2 november 2001 tot 16 september 2009 (469 in 2001, 19.719 van 2002 tot en met 2008 en 1.995 in 2009).

6.25.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij de vaststelling van de schade kan worden uitgegaan van een gemiddelde prijs van € 24,17 voor Product 1, en van een brutowinstmarge van 90%. Op basis van deze cijfers en de hiervoor begrote derving van de verkoop van Product 1 kan de schade van Easystart worden begroot op 22.183 x 24,17 x 0,9 = € 482.547,-Dat is meer dan de schade begroot door de rechtbank. In zoverre slagen de grieven XIII van Easystart.

Wettelijke rente

6.26.

Met grief 2 in het incidenteel appel maakt de KvK bezwaar tegen de toewijzing van wettelijke rente door de rechtbank met ingang van 2 november 2006. Volgens de KvK kan de wettelijke rente niet eerder gaan lopen dan het moment waarop de schade is geleden. In beginsel gaat dus per gemiste verkoop een afzonderlijke rentetermijn lopen. Om praktische redenen stelt de KvK voor het midden van de schadeperiode te hanteren als ingangsdatum voor de wettelijke rente. Volgens Easystart is in de hoofdzaak een bindende eindbeslissing genomen dat de rente moet worden berekend vanaf 2 november 2006. Ook afgezien daarvan acht Easystart het juist om uit te gaan van 2 november 2006, omdat wettelijke rente ingaat vanaf de onrechtmatige daad en de onrechtmatige daad van de KvK op 2 november 2006 al gaande was.

6.27.

Deze grief van de KvK slaagt. De aanspraak op wettelijke rente van Easystart is gebaseerd op de vertraging in de vergoeding van de schade geleden door Easystart als gevolg van de onrechtmatige daad van de KvK. De schade geleden door Easystart bestaat uit gederfde verkopen en is dus geleden in delen, telkens wanneer een verkoop is gederfd. Wettelijke rente is niet eerder verschuldigd dan het moment waarop de schade is geleden. Anders dan Easystart beweert, volgt uit het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak niet dat vanaf 2 november 2006 wettelijke rente moet worden betaald over de volledige schade; ook voor schade geleden na 2 november 2006.

6.28.

Omdat het onwerkbaar is om de wettelijke rente voor iedere gederfde verkoop afzonderlijk te berekenen, zal het hof de wettelijke rente laten ingaan op twee tijdstippen. Op 2 november 2006 zal het hof de wettelijke rente laten ingaan over de schade die volgens de begroting van het hof op die datum was geleden. Dat is een bedrag van € 306.391,- (2.817 x 5 x 24,17 × 0,9). Over het restant van de te betalen schadevergoeding (€ 176.156,-) zal het hof de wettelijke rente laten ingaan op 9 april 2008 (het midden van de periode van 2 november 2006 tot 16 september 2009). Het hof acht dat een redelijk compromis omdat de schadebegroting van het hof is gebaseerd op de veronderstelling dat de schade gelijkmatig is opgetreden over de schadeperiode.

Kosten van de deskundige, interne kosten en advocaatkosten

6.29.

Grieven XI en XII van Easystart zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten van Joling en de gevorderde interne kosten en advocaatkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

6.30.

Grief XI slaagt gedeeltelijk. De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de kosten van Joling ten bedrage van € 55.000,- afgewezen omdat de rapporten van Joling niet als basis kunnen dienen ter bepaling van de omvang van de schadevergoeding. Het hof heeft echter wel bepaalde onderdelen van de rapporten van Joling gebruikt. De begroting van de schade is mede gebaseerd op de aantallen starters, verkoopcijfers van Product 1, gemiddelde verkoopprijs en de brutowinstmarge vastgesteld door Joling. Het hof acht het redelijk dat de kosten van Joling worden vergoed overeenkomstig de verhouding tussen de door het hof begrote schade en de schade begroot door Joling. Die verhouding is 482.547: 6.274.988 = 1:13. Op die basis komt 1/13e deel van de kosten van Joling voor vergoeding in aanmerking. Dat is een bedrag van € 4.230,-.

6.31.

Daarentegen faalt grief XII. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde interne kosten en advocaatkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat Easystart onvoldoende heeft onderbouwd dat de kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd niet zijn gemaakt ter voorbereiding van processtukken en instructie van de zaak, waarvoor de proceskostenveroordeling al een vergoeding vormt. Uit de specificatie van de interne kosten (productie 14 bij dagvaarding in eerste aanleg) blijkt dat de desbetreffende werkzaamheden overwegend betrekking hebben op de instructie van de zaak. Van de advocaatkosten heeft een deel betrekking op instructie van en overleg met Joling, maar ook kosten voor instructie van en overleg met Joling kunnen zijn gemaakt ter voorbereiding van processtukken en instructie van de zaak. Aan de hand van de specificatie laat zich dat niet goed beoordelen. Daarbij komt dat de rapporten van Joling slechts van geringe betekenis zijn geweest voor de bepaling van de omvang van de schadevergoeding. Dat de door Easystart gemaakte kosten hoger zijn dan de proceskostenveroordeling die op grond van het liquidatietarief kan worden toegekend, is een gevolg van het feit dat het liquidatietarief bij tijdsintensieve zaken in het algemeen niet kostendekkend is. Dat is geen reden om anders over deze vorderingen te oordelen.

Proceskostenveroordeling in eerste aanleg en hoger beroep

6.32.

Grief XIV van Easystart is gericht tegen de proceskostenveroordeling. Deze grief slaagt niet. De overweging van de rechtbank dat partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is juist en rechtvaardigt compensatie van de proceskosten. Weliswaar heeft de rechtbank de KvK veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, maar het door de rechtbank toegewezen bedrag vormde slechts een klein deel van hetgeen Easystart heeft gevorderd. Dat is ook in het principaal appel het geval, zodat het hof de proceskosten in het principaal appel eveneens zal compenseren. Het hof zal hetzelfde doen in het incidenteel appel, omdat ook daar partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld.

Conclusie

6.33.

Op grond van het voorgaande zal het hof de KvK veroordelen tot betaling aan Easystart (die de vordering van Visionplanner heeft overgenomen) van (i) een bedrag van € 482.547,- als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over € 306.391,- vanaf 2 november 2006 en met de wettelijke rente over € 176.156,- vanaf 9 april 2008, en (ii) een bedrag van € 4.230,- als vergoeding voor de kosten van de deskundige, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2016 (de dag van de dagvaarding in eerste aanleg). Omwille van de duidelijkheid zal het hof de vonnissen van de rechtbank vernietigen en een nieuwe veroordeling uitspreken voor genoemde bedragen. Het hof passeert het bewijsaanbod van Easystart. Voor zover het bewijsaanbod is gespecificeerd, ziet het op het bewijs van cijfers die Easystart aan haar schadeberekening ten grondslag heeft gelegd en die, indien bewezen, niet kunnen afdoen aan hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.

7 Beslissing

Het hof:

In het principaal en het incidenteel appel

- vernietigt de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2018 en 18 december 2019, en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt de KvK tot betaling aan Easystart B.V. van (i) een bedrag van € 482.547,-, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW over een bedrag van € 306.391,- vanaf 2 november 2006 tot de dag van betaling en over een bedrag van € 176.156,- vanaf 9 april 2008 tot de dag van betaling, en (ii) een bedrag van € 4.230,-, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf 20 mei 2016 tot de dag van betaling;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, H.J.M. Burg en A.G.J. van Wassenaer van Catwijck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 december 2021 in aanwezigheid van de griffier.