Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:2403

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2021
Datum publicatie
08-12-2021
Zaaknummer
200.293.826/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2021:5796, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het ontslag op staande voet wegens het elders aangaan van twee andere, (nagenoeg) voltijdse arbeidsovereenkomsten is rechtsgeldig. De gefixeerde schadevergoeding dient bruto-bruto te worden verrekend met de eindafrekening en niet bruto-netto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1552
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.293.826/01

Zaaknummer rechtbank : 8775181 VZ VERZ 20-17593

beschikking van 30 november 2021

inzake

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [werknemer] ,

advocaat: mr. R.A. Uhlenbusch te Utrecht,

tegen

Stichting Wooncompas,

gevestigd te Ridderkerk,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Wooncompas,

advocaat: mr. P.J. Huys te Rotterdam.

1 Waar de zaak over gaat

Wooncompas heeft [werknemer] op staande voet ontslagen wegens – kort gezegd – het aangaan van een (drie)dubbel dienstverband. De kernvraag is of het ontslag voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het hof komt evenals de kantonrechter tot het oordeel dat het ontslag rechtsgeldig is en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter. Verder oordeelt het hof dat de gefixeerde schadevergoeding die [werknemer] verschuldigd is door Wooncompas bruto-bruto dient te worden verrekend met de eindafrekening in plaats van bruto-netto.

2 Procesverloop

[werknemer] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 14 april 2021, onder aanvoering van negen grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) op 15 januari 2021 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: Wooncompas zal veroordelen tot (terug-)betaling aan [werknemer] van de schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW ad € 6.944,68 bruto, een billijke vergoeding ad € 8.920,34 bruto, een transitievergoeding ad € 4.460,17 bruto en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ad

€ 6.944,68 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen, en met afgifte van een bruto/netto specificatie op straffe van verbeurte van een dwangsom, en:

subsidiair: Wooncompas zal veroordelen tot (terug-)betaling aan [werknemer] van het onverschuldigd betaalde gedeelte van de schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW ad € 2.042,59 netto en

€ 1.854,05 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente over deze bedragen, en een transitievergoeding ad € 4.460,17 bruto, met afgifte van een bruto/netto specificatie op straffe van verbeurte van een dwangsom, zowel primair als subsidiair met veroordeling van Wooncompas in de kosten van de procedure.

Op 9 juli 2021 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van Wooncompas ingekomen, inhoudende het verzoek de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen met veroordeling van [werknemer] in de kosten, inclusief nakosten, van de procedure, naar het hof begrijpt: in hoger beroep.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2021. Bij die gelegenheid heeft [werknemer] door mr. A.T. Chinnoe, advocaat te Utrecht, en Wooncompas door mr. Huys het woord gevoerd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [werknemer] heeft nog een productie in het geding gebracht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Het hof heeft vervolgens bepaald dat heden uitspraak zal worden gedaan.

3 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Met grief 1 betoogt [werknemer] dat de kantonrechter onder 2.4 de feiten onjuist heeft weergegeven. Het hof zal rekening houden met wat [werknemer] in de toelichting op deze grief heeft aangevoerd. Omdat [werknemer] geen grief heeft aangevoerd tegen de overige door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn deze in hoger beroep niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

3.1

[werknemer] is op 1 november 2017 bij (de rechtsvoorganger van) Wooncompas in dienst getreden in de functie van [functienaam 1] , aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar die per 1 november 2018 is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten salaris van [werknemer] bedroeg

€ 4.560,52 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten, bij een 36-urige werkweek. Op de arbeidsovereenkomst was de Cao Woondiensten (hierna: de cao) van toepassing.

3.2

In art. 2.5 van de cao is een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen, dat als volgt luidt:

Nevenwerkzaamheden zijn werkzaamheden die een werknemer in loondienst voor anderen of voor eigen rekening verricht. Voor alle nevenwerkzaamheden moet een werknemer altijd vooraf schriftelijke toestemming vragen aan zijn werkgever.”

3.3

Op 1 juni 2019 is [werknemer] – naast zijn 36-urige dienstverband bij Wooncompas – voor de duur van een jaar in dienst getreden van Stichting Mooiland in de functie van [functienaam 2] voor 32 uur per week.

3.4

Op 4 oktober 2019 heeft [werknemer] zich bij Wooncompas arbeidsongeschikt gemeld als gevolg van een verkeersongeval.

3.5

[werknemer] heeft per 14 april 2020 een overeenkomst van opdracht gesloten met Stichting Wooninvest voor werkzaamheden gedurende acht uur per week. Vanaf 1 juni 2020 is hij met deze stichting een arbeidsovereenkomst aangegaan voor de functie van [functienaam 3] gedurende 36 uur per week, naast zijn 36-urige dienstverband met Wooncompas en zijn 32-urige dienstverband met Stichting Mooiland. .

3.6

Bij brief van 20 juli 2020 heeft Wooncompas [werknemer] op staande voet ontslagen. In de brief staat onder meer het volgende:

“(…) Wij hebben geconstateerd dat u er naast uw voltijddienstverband met ons nog twee andere dienstverbanden op nahoudt, althans tot voor kort op nahield, met respectievelijk Stichting Wooninvest (…) en Stichting Mooiland (…).

Op basis van de informatie die ons heeft bereikt, constateren wij dat:

a. u er sinds 1 juni 2019 twee dienstverbanden op nahoudt met ons en Stichting Mooiland (voor in totaal 68 uur per week en met vergelijkbare functies, waarvan de werkzaamheden (in beginsel) doordeweeks tijdens kantooruren (7.00-19.00 uur) worden verricht, hetgeen feitelijk onmogelijk is) en sinds 1 juni 2020 zelfs drie dienstverbanden op nahoudt (voor in totaal 104 uur per week en met vergelijkbare functies, waarvan de werkzaamheden (in beginsel) doordeweeks tijdens kantooruren (7.00-19.00 uur) moeten worden verricht, hetgeen feitelijk onmogelijk is), inclusief uw dienstverband met Stichting Wooninvest;

u zich sinds 4 oktober 2019 vanwege gestelde ziekte niet in staat acht om uw overeengekomen werkzaamheden voor ons te verrichten – u hebt de bedrijfsarts dienovereenkomstig ook consequent geïnformeerd (althans steeds in die waan gelaten) –, terwijl u (in de periode) vanaf 1 juni 2019 respectievelijk vanaf 14 april 2020 (althans 1 juni 2020) wel vergelijkbare werkzaamheden hebt verricht voor Stichting Mooiland en/of Stichting Wooninvest;

u het bestaan van deze twee andere dienstverbanden met voornoemde woningcorporaties en het feit dat u hieraan invulling gaf, c.q. hebt gegeven, voor ons hebt achtergehouden (en evenmin met onze bedrijfsarts hebt gedeeld, c.q. besproken), (…)

U zult begrijpen dat het vorenstaande voor ons onacceptabel is. Door uw gedragingen en handelwijze hebt u in strijd gehandeld met goed werknemerschap en hebt u ons vertrouwen in u volledig en op onherstelbare wijze geschaad.

Op grond van dit alles ontslaan wij u bij deze op staande voet. (…). Alle in deze brief genoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen ieder voor zich, maar ook in de onderlinge samenhang bezien, het door ons bij deze aan u verleende ontslag op staande voet. (…)”.

4 Procedure bij de kantonrechter

4.1

Wooncompas heeft in eerste aanleg verzocht om [werknemer] te veroordelen tot betaling van de na verrekening met de eindafrekening resterende vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en 3 sub a BW ad € 2.042,59, met wettelijke rente, en met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten, inclusief nakosten.

4.2

[werknemer] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding, een transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de wettelijke rente over deze vergoedingen en afgifte van (een) deugdelijke specificatie(s) op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van Wooncompas in de proceskosten, inclusief nakosten.

4.3

De kantonrechter heeft [werknemer] veroordeeld tot betaling van de door Wooncompas verzochte vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en 3 sub a BW ad € 2.042,59, met wettelijke rente, en hem veroordeeld in de proceskosten, inclusief nakosten. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat door de gedragingen van [werknemer] een dringende reden is ontstaan. Het recht op vrije arbeidskeuze weegt zwaar maar wordt begrensd door onder andere de Arbeidstijdenwet en verplichtingen die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek. Bovendien bevat de cao in artikel 2.5 een verplichting om nevenwerkzaamheden in ieder geval te melden. [werknemer] miskent met zijn standpunt onder andere het belang van recuperatie en het beginsel van goed werknemerschap. Hij had moeten begrijpen dat hij naast zijn bestaande dienstverband van 36 uur per week niet nog een dienstverband van 32 uur aan kon gaan, laat staan dat dit zonder overleg met Wooncompas kon. Daar komt nog bij dat [werknemer] vanaf 4 oktober 2019 arbeidsongeschikt was en zowel voor hem als voor Wooncompas de (re-integratie-) verplichtingen op grond van artikel 7:658a BW golden. Het onbesproken laten van de andere dienstverbanden bij de bedrijfsartsen kan hem zwaar worden aangerekend. Dat [werknemer] naar eigen zeggen altijd goed heeft gefunctioneerd en de enige ouder is die (financieel) voor zijn kinderen zorgt, leidt niet tot een ander oordeel. Wooncompas heeft na het ontdekken van de dringende reden voldoende voortvarend gehandeld en daarmee aan de eis van onverwijldheid voldaan. Wooncompas heeft uitgelegd welke signalen zij heeft ontvangen dat [werknemer] mogelijk meerdere werkgevers tegelijk had en hoe zij vervolgens heeft gehandeld. [werknemer] heeft deze geschetste gang van zaken en de daartoe ingebrachte stukken niet weersproken. Aan het ontstaan van de ontslaggrond heeft [werknemer] schuld. Daarom is [werknemer] de vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en 3 sub a BW verschuldigd. De berekening van de eindafrekening is door [werknemer] niet betwist zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Na verrekening met de eindafrekening resteert derhalve een door [werknemer] te betalen bedrag van € 2.042,59. Voor toekenning aan [werknemer] van één van de door hem verzochte vergoedingen is geen plaats, aldus de kantonrechter.

4.4

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [werknemer] met zijn grieven op. Wooncompas bestrijdt de grieven.

5 Beoordeling

5.1

Kort samengevat gaat het in deze zaak om:

a. de vraag of er een dringende reden was voor het ontslag op staande voet van [werknemer] ;

b. de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven;

c. de vraag of [werknemer] door opzet of schuld aan Wooncompas een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen.

Het hof zal de hierop betrekking hebbende grieven 2 tot en met 7 hierna gezamenlijk behandelen. Aan grief 1 is hiervoor onder 3.5 reeds aandacht besteed bij de vaststelling van de feiten en daarop zal hierna onder 5.3 nog kort worden ingegaan.

Dringende reden?

5.2

Het hof zal eerst beoordelen of er een dringende reden was voor het ontslag op staande voet. [werknemer] heeft erkend dat hij op 1 juni 2019 een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met Stichting Mooiland en dat hij er goed aan had gedaan om Wooncompas hiervan op de hoogte te stellen. Volgens [werknemer] heeft zijn functioneren echter niet te lijden gehad onder de werkzaamheden die hij gelijktijdig voor Stichting Mooiland verrichtte. Bij Stichting Mooiland heeft [werknemer] zich bovendien op 4 november 2019 ook ziek gemeld wegens de gevolgen van het verkeersongeval. Het verwijt dat hij bij Stichting Mooiland wel werkzaamheden verrichtte op het moment dat hij zich al had ziek gemeld bij Wooncompas is daarom volgens [werknemer] niet terecht. Per 14 april 2020 heeft [werknemer] als zelfstandige een opdracht aanvaard van Stichting Wooninvest. [werknemer] heeft deze werkzaamheden echter niet zelf uitgevoerd. Per 1 juni 2020 is hij vervolgens ingegaan op het aanbod van Stichting Wooninvest om aldaar in dienst te treden. [werknemer] stelt vanaf dat moment van plan te zijn geweest om van Wooncompas afscheid te nemen. Hij had dat willen doen in een gesprek met zijn leidinggevende dat in augustus 2020 zou plaatsvinden. Door het ontslag op staande voet is dat er niet meer van gekomen. [werknemer] heeft dus slechts twee dienstverbanden tegelijk gehad en dat feit rechtvaardigt geen ontslag op staande voet. [werknemer] heeft met zijn standpunt het belang van recuperatie en het beginsel van goed werknemerschap niet miskend. Voor zover [werknemer] gehouden was om de bedrijfsarts van Wooncompas in te lichten over de verschillende dienstverbanden kan het schenden van die verplichting niet leiden tot de conclusie dat er sprake was van een dringende reden die een ontslag op staande voet zou kunnen rechtvaardigen, aldus steeds [werknemer] .

5.3

Het hof kan zich geheel en al verenigen met de overwegingen van de kantonrechter, hiervoor in 4.3 weergegeven, die hebben geleid tot het oordeel dat door de gedragingen van [werknemer] een dringende reden voor ontslag op staande voet is ontstaan en maakt deze overwegingen tot de zijne. Hetgeen [werknemer] in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt geen nieuw licht op de zaak. Het hof acht evident dat het naast elkaar verrichten van twee of meer (vrijwel) volledige functies gevolgen kan hebben voor (de inzetbaarheid van) de betrokken werknemer en de kwaliteit van het werk, zodat een werkgever er groot belang bij heeft dat een werknemer daar niet, en zeker niet zonder toestemming van de werkgever toe overgaat. Het behoeft geen nadere toelichting dat van [werknemer] als goed werknemer en op grond van de toepasselijke cao verwacht had mogen worden dat hij zijn wens om in dienst te treden van dan wel werkzaamheden te verrichten voor Stichting Mooiland en Stichting Wooninvest spontaan, volledig en tijdig aan Wooncompas had gemeld en daarvoor toestemming had gevraagd conform artikel 2.5 van de cao. Of [werknemer] zijn werkzaamheden als zelfstandige bij Stichting Wooninvest al dan niet persoonlijk heeft uitgevoerd, kan daarbij in het midden blijven, zodat grief 1 faalt. [werknemer] had bovendien bij de bedrijfsarts van Wooncompas open kaart behoren te spelen over zijn andere arbeidsovereenkomst(en) en nevenactiviteiten teneinde de bedrijfsarts in staat te stellen om zich een juist beeld te vormen van zijn belastbaarheid ten behoeve van zijn re-integratieproces. Het hof stelt hierbij vast dat uit zijn eigen stellingen en door hem zelf overgelegde producties volgt dat [werknemer] nog gedurende een maand na zijn ziekmelding bij Wooncompas op 4 oktober 2019 heeft doorgewerkt bij Stichting Mooiland. Met grief 3, waarin [werknemer] betoogt dat het niet informeren van de bedrijfsarts over zijn verschillende dienstverbanden niet kan leiden tot een dringende reden voor ontslag op staande voet, miskent [werknemer] dat hij om meerdere redenen op staande voet ontslagen is en dat in de ontslagbrief ook duidelijk is vermeld dat de genoemde redenen ook ieder voor zich een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Deze grief faalt. De door [werknemer] aangevoerde persoonlijke omstandigheden en de ernstige (financiële) gevolgen van het ontslag op staande voet leggen onvoldoende gewicht in de schaal om te komen tot het oordeel dat er geen sprake is van een rechtsgeldige dringende reden voor ontslag op staande voet. De grieven 2 en 4 falen eveneens.

Onverwijld gegeven?

5.4

Dan is de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. [werknemer] heeft in hoger beroep aangevoerd dat Wooncompas onvoldoende voortvarend heeft gehandeld omdat zij reeds op 3 juli 2020 wist dat hij meer dan één arbeidsovereenkomst had. Pas op 17 juli 2020 heeft zij [werknemer] geconfronteerd met haar vermoedens - waarop [werknemer] direct heeft gereageerd - waarna zij hem pas op 20 juli 2020 ontslag op staande voet heeft gegeven, aldus [werknemer] .

5.5

Het hof kan zich geheel en al verenigen met de overwegingen van de kantonrechter, hiervoor onder 4.3 weergegeven, die hebben geleid tot het oordeel dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en maakt deze overwegingen tot de zijne. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Wooncompas op 3 juli 2020 een e-mail van de Stichting Pensioenfonds voor de Woningcorporaties (SPW) heeft ontvangen waaruit bleek dat volgens de administratie van SPW ook twee andere werkgevers een dienstverband met [werknemer] bij SPW hadden gemeld. Wooncompas heeft onweersproken gesteld dat zij aanvankelijk in de veronderstelling verkeerde dat er sprake was van een misverstand en geen aanleiding had om te denken dat [werknemer] te kwader trouw was en drie (nagenoeg) fulltime dienstverbanden tegelijkertijd had. Het verloop van de gebeurtenissen daarna tot aan het ontslag op staande voet is - zoals Wooncompas onweersproken heeft gesteld - als volgt geweest. Op 7 juli 2020 is de e-mail van SPW doorgestuurd naar de HR-afdeling. Diezelfde dag is meer informatie opgevraagd bij SPW. Op

7 en 8 juli 2020 heeft HR - in verband met de vrees dat sprake was van identiteitsfraude - overleg gehad met de directeur van Wooncompas en de leidinggevende van [werknemer] . Op 9 juli 2020 bleek dat SPW geen nadere mededelingen wilde en kon doen over de (namen van de) andere werkgevers die dienstverbanden met [werknemer] hadden aangeleverd. Daarna is binnen Wooncompas besloten tot nader onderzoek. Er zou nog eenmaal bij SPW worden aangedrongen op nadere informatie en ook zou HR een extern bureau inschakelen. Op 15 juli 2020 kreeg Wooncompas informatie van Wooninvest waaruit bleek dat [werknemer] aldaar werkzaam was. Vervolgens heeft Wooncompas op 16 juli 2020 contact opgenomen met haar bedrijfsarts en haar gemachtigde en is [werknemer] per brief van 17 juli 2020 om opheldering gevraagd. De reactie daarop van [werknemer] van diezelfde datum – waaruit Wooncompas bleek dat hij nog een derde dienstverband had naast Wooninvest – heeft aanleiding gegeven tot het geven van ontslag op staande voet op 20 juli 2020. Op deze manier heeft Wooncompas gedurende de periode die volgde op de melding van SPW op 3 juli 2020 tot het ontslag op staande voet voldoende voortvarend opgetreden. Grief 5 faalt.

De vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en 3 sub a BW

5.6

Gezien het vorenstaande heeft [werknemer] schuld aan het ontstaan van de gronden voor het ontslag en is hij de door Wooncompas verzochte vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en 3 sub a BW (hierna: de gefixeerde schadevergoeding) verschuldigd. Dat het niet zijn bedoeling zou zijn geweest om Wooncompas met zijn gedragingen op enigerlei wijze te schaden, wat daarvan zij, doet daar niet aan af. Grief 6 slaagt daarom niet.

5.7

Wat betreft de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding heeft het volgende te gelden. Partijen zijn het erover eens dat het bedrag van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren € 6.944,68 bruto bedraagt. Dit bedrag is [werknemer] daarom aan Wooncompas verschuldigd. Wooncompas beroept zich echter op verrekening met het bedrag dat zij uit hoofde van de eindafrekening nog verschuldigd is aan [werknemer] en de kantonrechter heeft dit gehonoreerd. De berekening van de eindafrekening tot een bedrag van € 8.798,73 bruto (€ 4.902,09 netto) is door [werknemer] in hoger beroep niet meer (gemotiveerd) betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Wooncompas is bevoegd tot verrekening van de eindafrekening van [werknemer] met de gefixeerde schadevergoeding.

5.8

[werknemer] klaagt met grief 7 dat Wooncompas ten onrechte de gefixeerde schadevergoeding heeft verrekend met het netto bedrag van de eindafrekening. Hij stelt dat voor de verrekening uitgegaan dient te worden van het bruto bedrag van de eindafrekening. Deze grief slaagt. Er is in de situatie waarin de werknemer de gefixeerde schadevergoeding aan de werkgever verschuldigd is sprake van zogenaamd negatief loon in de zin van art. 10 van de Wet op de loonbelasting. De gefixeerde schadevergoeding heeft een dusdanig verband met de dienstbetrekking dat deze als daaruit ‘genoten’ moet worden beschouwd. Hetgeen Wooncompas uit hoofde van de eindafrekening aan [werknemer] verschuldigd is, is eveneens loon. Nu sprake is van gelijktijdige verrekening van de gefixeerde schadevergoeding met de eindafrekening, dient dit bruto-bruto te worden verrekend. Wooncompas dient een en ander vervolgens te verwerken in haar loonadministratie. Over het saldo na verrekening van € 1.854,05 bruto dat Wooncompas nog aan [werknemer] dient te betalen, moet Wooncompas dan nog loonheffing inhouden en afdragen (en het netto equivalent aan [werknemer] uitbetalen).

5.9

Wooncompas is over het bedrag van € 1.854,05 bruto tevens de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente daarover berekend vanaf 14 april 2021 verschuldigd. Voor matiging van de wettelijke verhoging tot nihil, zoals Wooncompas heeft bepleit, ziet het hof geen aanleiding. Het hof ziet in de omstandigheden in deze zaak wel aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 20%.

5.10

Uit het vorenstaande volgt dat [werknemer] door de eerder door de kantonrechter bepaalde verrekening van de door hem verschuldigde gefixeerde schadevergoeding met het netto bedrag van de eindafrekening een bedrag van € 2.042,59 (netto) onverschuldigd aan Wooncompas heeft betaald. Wooncompas zal worden veroordeeld om dit bedrag aan [werknemer] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover berekend vanaf 20 juli 2020. Er bestaat geen grond voor toewijzing van de ook over dit bedrag verzochte wettelijke verhoging aangezien het hier geen niet (tijdig) voldoen van in geld vastgesteld loon in de zin van artikel 7:625 BW betreft.

De billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging

5.11

Met grief 8 klaagt [werknemer] dat de kantonrechter de door hem verzochte vergoedingen heeft afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, is ook het hof van oordeel dat er een dringende reden voor ontslag op staande voet is, veroorzaakt door de gedragingen van [werknemer] . Ook is het hof van oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [werknemer] , gelet op de ernst van zijn gedragingen. Voor toekenning van (één van) de door [werknemer] verzochte vergoedingen bestaat daarom geen grond. [werknemer] heeft zich nog beroepen op artikel 7:673 lid 8 BW op grond waarvan een transitievergoeding geheel of gedeeltelijk kan worden toegekend indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarvan is in de gegeven omstandigheden geen sprake; [werknemer] heeft hiertoe onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen. Deze grief slaagt niet.

Slotsom

5.12

Gezien het vorenstaande slaagt grief 7 en falen de overige grieven. De bestreden beschikking zal daarom gedeeltelijk worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd. Wooncompas zal worden veroordeeld om € 1.854,05 bruto met wettelijke verhoging en wettelijke rente en € 2.042,59 netto met wettelijke rente aan [werknemer] te voldoen. Aangezien Wooncompas geen zelfstandig verweer heeft gevoerd tegen de verzochte afgifte van een bruto/netto specificatie op straffe van een dwangsom, zal het hof dit verzoek van [werknemer] toewijzen. Het hof ziet aanleiding om de verzochte dwangsom te beperken tot € 100,- per dag of deel daarvan dat Wooncompas vanaf dertig dagen na betekening van deze beschikking in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.500,-. De door [werknemer] in hoger beroep ingestelde verzoeken zullen voor het overige worden afgewezen. Aangezien [werknemer] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, is [werknemer] door de kantonrechter op goede gronden in de proceskosten veroordeeld zodat grief 9, die gericht is tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, evenmin slaagt. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat deze ofwel niet terzake dienend zijn, ofwel onvoldoende concreet. [werknemer] zal als in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 15 januari 2021 voor zover [werknemer] is veroordeeld tot betaling aan Wooncompas van een bedrag van € 2.042,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2020 tot de dag van algehele voldoening;

en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Wooncompas tot betaling aan [werknemer] van het netto equivalent van een bedrag van € 1.854,05 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 20% en met de wettelijke rente vanaf 14 april 2021 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Wooncompas tot betaling aan [werknemer] van een bedrag van € 2.042,59 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2020 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Wooncompas tot afgifte van een bruto-/netto-specificatie van de hiervoor genoemde betalingen aan [werknemer] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag of deel daarvan dat Wooncompas vanaf dertig dagen na betekening van deze beschikking in gebreke blijft de specificatie te verstrekken, tot een maximum van € 2.500,-;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

veroordeelt [werknemer] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Wooncompas begroot op € 2.106,- aan verschotten en € 2.228,- voor salaris en op

€ 163,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,- ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Frikkee, F.J. Verbeek en A.J. Swelheim en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2021 in aanwezigheid van de griffier.