Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:24

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
200.246.395/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:9126, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease, art. 1:88 BW, is de vordering tijdig gestuit? Samenloop met vordering uit onrechtmatig handelen van Dexia

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 2, p. 87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.246.395/01

Zaaknummer rechtbank : 6259166 \ CV EXPL 17-3918

arrest van 26 januari 2021

inzake

[appellante] , voor zichzelf als ook in hoedanigheid van nabestaande en erfgenaam van [naam],

wonende te Leiden,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, gemeente Lansingerland

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 6 september 2018 is [appellante] in hoger beroep gekomen tegen de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter Leiden van 28 februari 2018 en 25 juli 2018. [appellante] heeft bij memorie van grieven een aantal ongenummerde grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht en heeft producties overgelegd.

1.2

Bij memorie van antwoord heeft Dexia de grieven bestreden.

1.3

[appellante] heeft vervolgens een akte genomen, waarbij zij een productie heeft overgelegd. Hierop heeft Dexia gereageerd bij antwoordakte.

1.4

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Inleiding

2.1

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 28 februari 2018 onder het kopje “feiten” een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) De echtgenoot van [appellante] ( [naam] ) heeft met de rechtsvoorgangster van Dexia vier effectenleaseovereenkomsten gesloten, waarvan er in hoger beroep nog twee relevant zijn:

1. Op 2 oktober 1997 heeft hij een effectenleaseovereenkomst gesloten met contractnummer [nummer 1]. Deze overeenkomst is op 2 oktober 2007 geëindigd met een negatief resultaat van € 1.584,64.

2. Op 20 juni 2001 heeft hij een effectenleaseovereenkomst gesloten met contractnummer [nummer 2]. Deze overeenkomst is op 21 juni 2004 geëindigd met een negatief resultaat van € 11.932,20.

Deze overeenkomsten worden hierna ook aangeduid als ‘de Overeenkomsten’

Daarnaast heeft de echtgenoot van [appellante] in 1996 een effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 3] gesloten, en in 1997 een effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 4]. Laatstgenoemde overeenkomsten zijn in 2001, respectievelijk 2002 geëindigd met een positief resultaat.

( ii) Bij brief van 5 oktober 2005 heeft [appellante] Dexia het volgende bericht:

Betreft: Contracten [nummer 1] , [nummer 2] ten name van [naam]

Geachte dames en heren,

Mij is onlangs gebleken dat door mijn echtgenoot bovengenoemde contracten bij u zijn afgesloten.

Ik heb daarvoor geen toestemming verleend en ik vernietig hierbij de contracten op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW.

Ik verzoek u van het bovenstaande goede nota te nemen.

Hoogachtend,

[appellante] ”

  • -

    iii) Eveneens bij brief van 5 oktober 2005 is Dexia gesommeerd om binnen twee weken alle door de echtgenoot van [appellante] betaalde bedragen inzake de Overeenkomsten terug te betalen.

  • -

    iv) Dexia heeft de vernietiging niet geaccepteerd.

  • -

    v) Dexia heeft op enig moment het restant van de restschuld ter zake van de overeenkomst met nummer [nummer 2] gecedeerd aan Värde.

  • -

    vi) De echtgenoot van [appellante] is in 2009 overleden.

2.3

[appellante] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende vorderingen ingesteld:

 een verklaring voor recht dat de Overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd;

 veroordeling van Dexia om al hetgeen de echtgenoot van [appellante] krachtens de Overeenkomsten heeft betaald, aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

2.4

Dexia heeft betwist dat [appellante] de Overeenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd. Ter zake van de overeenkomst met nummer [nummer 2] heeft zij (subsidiair) aangevoerd dat een deel van de restschuld niet aan haar, maar aan Värde is betaald en dat [appellante] jegens Dexia geen aanspraak kan maken op de terugbetaling van de aan Värde betaalde bedragen.

2.6

In reconventie heeft Dexia – na vermindering van eis bij conclusie van dupliek – de volgende vorderingen ingesteld:

 een verklaring voor recht dat de overeenkomsten met de nummers [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 3] rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet aan vernietiging blootstaan;

 een verklaring voor recht dat de echtgenoot van [appellante] met betrekking tot de overeenkomsten met de nummers [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 3] niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last;

 een verklaring voor recht dat ter zake van de overeenkomsten met de nummers [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 3] geen sprake is geweest van onrechtmatige advisering, waarvan Dexia wist of behoorde te weten;

 veroordeling van [appellante] tot betaling van € 93,69 ter zake van effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 6] , met wettelijke rente;

 een verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [appellante] .

2.7

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis overwogen dat de bevoegdheid van [appellante] om de overeenkomst met nummer [nummer 2] te vernietigen – gelet op de stuitende werking van de collectieve actie van de Stichting Eegalease – op 5 oktober 2005 (de datum van de buitengerechtelijke vernietiging) nog niet was verjaard. De gevorderde verklaring voor recht ter zake van deze overeenkomst is dus toewijsbaar. De betalingsvordering ter zake van deze overeenkomst acht de kantonrechter echter niet toewijsbaar. Daartoe overweegt de kantonrechter dat tussen partijen vaststaat vast dat de vordering tot betaling van de restschuld is gecedeerd aan Värde en dat er vervolgens een bedrag van € 10.551,67 aan Värde is betaald. Als gevolg van de vernietiging van de overeenkomst heeft [appellante] recht op terugbetaling van al hetgeen aan Dexia is betaald, maar daaronder valt niet het bedrag dat na de cessie aan Värde is betaald.

2.8

Ter zake van de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomst met nummer [nummer 6] heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat de betalingen aan Dexia vanaf de en/of rekening het vermoeden rechtvaardigen dat [appellante] vóór of op 13 maart 2000 (drie jaar voor het starten van de collectieve actie) kennis heeft gekregen van het bestaan van deze overeenkomst. Dat zou betekenen dat de bevoegdheid om deze effectenleaseovereenkomst te vernietigen op 5 oktober 2005 reeds was verjaard. [appellante] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

2.9

[appellante] heeft zichzelf als getuige laten horen.

2.10

In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] , met enkel haar eigen getuigenverklaring, er niet in is geslaagd het tegenbewijs te leveren. Het beroep van Dexia op verjaring ter zake van de overeenkomst met nummer [nummer 6] slaagt dus. De kantonrechter heeft daarop alle vorderingen van [appellante] afgewezen en de reconventionele vorderingen van Dexia toegewezen.

2.11

In hoger beroep heeft [appellante] geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen, behoudens het oordeel van de kantonrechter dat de overeenkomst met nummer [nummer 2] tijdig is vernietigd. In hoger beroep vordert [appellante] :

 een verklaring voor recht dat de Overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd op grond van art. 1:88 en art. 1:89 BW, met veroordeling van Dexia om aan [appellante] te voldoen al hetgeen aan haar (Dexia) is betaald onder de Overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente;

 een verklaring voor recht dat Dexia door het schenden van haar zorgplichten onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] en haar echtgenoot en dat zij aansprakelijk is voor de schade;

 veroordeling van Dexia om aan [appellante] twee-derde deel van de schade aan restschuld(en) te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, vanaf de dag der betalingen door [appellante] en/of haar echtgenoot aan Värde ter zake van de overeenkomst met nummer [nummer 2] ;

 veroordeling van Dexia in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten.

2.12

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen.

3 Beoordeling

De effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 2]

3.1

[appellante] heeft als eerste grief aangevoerd dat de kantonrechter is vergeten de door [appellante] gevorderde verklaring voor recht ter zake van de overeenkomst met nummer [nummer 2] toe te wijzen, zoals hij in het tussenvonnis had aangekondigd. Nu vast staat dat deze overeenkomst rechtsgeldig door [appellante] is vernietigd, had de kantonrechter bovendien de desbetreffende terugbetalingsvordering moeten toewijzen, aldus [appellante] , in ieder geval voor zover het betalingen van de echtgenoot van [appellante] aan Dexia betreft.

3.2

Dexia conformeert zich wat betreft deze grief aan het oordeel van het hof.

3.3

De grief is terecht voorgesteld. De kantonrechter is klaarblijkelijk vergeten in het dictum van het eindvonnis op te nemen dat de overeenkomst met nummer [nummer 2] rechtsgeldig is vernietigd. Daaruit vloeit voort dat ook de vordering tot terugbetaling door Dexia van al hetgeen de echtgenoot van [appellante] krachtens deze overeenkomst aan Dexia heeft betaald, toewijsbaar is.

3.4

Als gevolg van de vernietiging van de onderhavige effectenleaseovereenkomst zijn over en weer verbintenissen uit onverschuldigde betaling ontstaan. [appellante] heeft jegens Dexia recht op terugbetaling van het bedrag dat zij aan Dexia heeft betaald en Dexia heeft recht op terugbetaling van wat zij op grond van de overeenkomst heeft voldaan. Echter, in dit geval heeft Dexia een gedeelte van de restschuld, ten bedrage van € 10.551,67, aan Värde gecedeerd en [appellante] (of haar echtgenoot) heeft dat bedrag aan Värde voldaan. Het desbetreffende bedrag kan [appellante] dus op grond van onverschuldigde betaling van Värde terug vorderen. De omstandigheid dat Värde (naar [appellante] stelt) in liquidatie is, betekent niet dat zij op grond van art. 6:203 BW terugbetaling van dit bedrag van Dexia kan vorderen.

3.5

De tweede grief van [appellante] ziet alleen op de aan Värde betaalde restschuld. [appellante] is het oneens met de beslissing van de kantonrechter dat er geen rechtsgrond bestaat om dit – als gevolg van de vernietiging van de overeenkomst onverschuldigd – aan Värde betaalde bedrag van Dexia te vorderen. [appellante] heeft bij memorie van grieven aangevoerd dat Dexia kan worden veroordeeld tot het vergoeden van dit bedrag als schade vanwege het schenden van de zorgplicht. Dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geacht wordt nooit te hebben bestaan, wil niet zeggen dat Dexia zich feitelijk nimmer onrechtmatig gedroeg (door haar zorgplichten te schenden), aldus [appellante] .

3.6

In nr. 13 van de memorie van antwoord heeft Dexia aangevoerd dat als gevolg van de overdracht van de vordering ter zake van de restschuld aan Värde het geldelijk belang niet meer bij Dexia ligt, zodat [appellante] jegens Dexia geen aanspraak kan maken op terugbetaling van die restschuld. De vordering van [appellante] ziet volgens Dexia niet op onrechtmatige daad, maar op art. 1:88 jo. art. 1:89 BW, aldus Dexia.

3.7

Naar het oordeel van het hof ziet Dexia eraan voorbij dat [appellante] in hoger beroep ook heeft aangevoerd dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door haar zorgplicht te schenden en dat zij daartoe twee vorderingen heeft ingesteld: een verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatig handelen van Dexia en een vordering tot vergoeding van de schade bestaande uit (2/3 van) de aan Värde betaalde restschuld. Uit nr. 21 van de memorie van antwoord volgt dat het voor Dexia duidelijk is geweest dat [appellante] met het oog op de door haar gestelde schending van de zorgplicht in hoger beroep haar vordering heeft gewijzigd. Dat zij die eiswijziging niet heeft aangekondigd op een wijze zoals ingevolge 2.13 van het Landelijk Procesreglement hoven is vereist, doet daar niet aan af.

3.8

Wat betreft de door [appellante] gevorderde verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld, geldt het volgende. Uit vaste rechtspraak volgt dat aanbieders van effectenleaseproducten in de precontractuele fase jegens particuliere beleggers met wie een overeenkomst tot effectenlease wordt aangegaan, een bijzondere zorgplicht hebben die ertoe strekt particuliere wederpartijen te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Meer concreet rust op aanbieders van effectenleaseproducten de verplichting om de particuliere belegger in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico dat bij beëindiging van de overeenkomst een restschuld kan bestaan. Verder rust op de aanbieders de verplichting om voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van de particuliere belegger teneinde na te gaan of deze naar redelijke verwachting de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen zou kunnen dragen. Indien dat niet het geval is dient de aanbieder de belegger te adviseren van het sluiten van de overeenkomst af te zien. Naar het hof begrijpt, doelt [appellante] met haar betoog dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld, op deze bijzondere zorgplicht. In nr. 116 van de conclusie van antwoord heeft Dexia te kennen gegeven dat zij ervan uitgaat dat de echtgenoot van [appellante] voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten niet is gewaarschuwd voor het risico dat deze overeenkomsten in een restschuld zouden kunnen resulteren. In verband met het voorafgaande acht het hof de gevorderde verklaring voor recht dat (kort gezegd) Dexia haar zorgplicht jegens de echtgenoot van [appellante] heeft verzaakt dan ook toewijsbaar. Voor het overige geldt dat [appellante] in haar memorie van grieven niet (althans niet voldoende duidelijk) naar voren gebracht of, en zo ja waarom, Dexia anderszins onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens haar of haar echtgenoot.

3.9

Wat betreft de gevorderde schadevergoeding geldt het volgende. Aan de toewijzing van deze vordering staat in dit geval in de weg dat – naar de kantonrechter reeds heeft geoordeeld – de effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd, waardoor er vorderingen uit onverschuldigde betaling zijn ontstaan. Het hof neemt tot uitgangspunt dat in beginsel moet worden aangenomen dat na uitvoering van de ongedaanmakingsverplichtingen over en weer geen sprake meer is van schade aan de zijde van [appellante] als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia in de precontractuele fase. Bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit beginsel rechtvaardigen (bijvoorbeeld opgetreden schade die uit zijn aard niet kan worden goedgemaakt door de ongedaanmakingsverplichtingen) zijn door [appellante] niet gesteld. De enkele omstandigheid dat Värde (volgens [appellante] ) niet (meer) kan voldoen aan haar ongedaanmakingsverplichtingen omdat Värde inmiddels in liquidatie is, is daartoe niet voldoende. De vordering uit hoofde van onrechtmatige daad is dan ook niet toewijsbaar.

De effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 1]

3.10

De derde grief van [appellante] ziet op effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 1] . [appellante] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat [appellante] het vereiste tegenbewijs niet heeft geleverd. Zij voert aan dat zij pas na 13 maart 2000 bekend raakte met het bestaan van de overeenkomst, zodat de vernietigingsbevoegdheid op 13 maart 2003 (de datum waarop de verjaring als gevolg van het instellen van de Eega-leaseprocedure werd gestuit) nog niet was verjaard en zij de overeenkomst bij brief van 5 oktober 2005 rechtsgeldig kon vernietigen.

3.11

Omdat haar echtgenoot is overleden heeft [appellante] in eerste aanleg alleen zichzelf als getuige laten horen. Dat zou op zichzelf voldoende moeten zijn, omdat de bewijskrachtbeperking van art. 164 lid 2 Rv niet geldt voor het leveren van tegenbewijs. Zij is van mening dat haar getuigenverklaring in principe genoeg moet zijn, maar biedt in hoger beroep aan ook haar kinderen (die ten tijde van het sluiten van de effectenleaseovereenkomst nog thuis woonden) als getuigen te laten horen.

3.12

Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft – terecht – niet betwist dat Dexia op de door de kantonrechter in het tussenvonnis geformuleerde gronden voorshands is geslaagd in het bewijs dat [appellante] voor of op 13 maart 2000 kennis heeft gekregen van het bestaan van de overeenkomst. Het hof is echter – anders dan de kantonrechter – van oordeel dat [appellante] met haar getuigenverklaring het geleverde bewijs heeft ontzenuwd. Daarbij betrekt het hof dat, anders dan Dexia lijkt te veronderstellen, de door [appellante] afgelegde getuigenverklaring volle bewijskracht heeft. De in art. 164 lid 2 Rv opgenomen beperking ter zake van partijgetuigen is immers alleen van toepassing op de partij die de bewijslast draagt en het bewijsrisico heeft.

3.13

De getuigenverklaring van [appellante] komt erop neer dat haar echtgenoot altijd de financiën verzorgde en dat zij daarover niet veel spraken. Ook verzorgde haar echtgenoot de belastingaangiftes. [appellante] heeft deze aangiftes nooit onder ogen gehad. [appellante] wist niet dat haar echtgenoot op 2 oktober 1997 een effectenleaseovereenkomst had gesloten en zij kwam er pas achteraf achter dat de betalingen daarvoor hebben plaatsgevonden vanaf de gezamenlijke en/of-rekening. Als er bankafschriften per post binnenkwamen, maakte zij deze open, maar keek zij de afschriften niet in. Zij legde de afschriften klaar voor haar echtgenoot. [appellante] verklaart verder dat zij met haar echtgenoot wel financiële aankopen besprak, zoals de aankoop van een auto, maar van de aankoop van de onderhavige effectenleaseovereenkomst heeft hij haar niet op de hoogte gebracht. Pas achteraf is haar gebleken dat haar echtgenoot vier effectenleaseovereenkomsten had gesloten. Toen de overeenkomst met nummer [nummer 3] op 20 juni 2001 tot uitbetaling kwam met een positief resultaat van € 6.253,78, vertelde hij [appellante] dat er geld was vrijgekomen en dat hij benaderd was om de helft daarvan direct opnieuw te investeren. Hij zei toen dat er nog meer overeenkomsten waren, maar [appellante] maakte zich daarover niet ongerust vanwege het positieve resultaat van de overeenkomst met nummer [nummer 3] . [appellante] heeft verklaard dat dat de eerste keer was dat zij kennis nam van de door haar echtgenoot afgesloten overeenkomsten.

3.14

Dexia heeft weliswaar aangevoerd dat de getuigenverklaring van [appellante] geheel op zichzelf staat en dat enig aanvullend bewijs ontbreekt, maar heeft niet gemotiveerd toegelicht waarom de getuigenverklaring ongeloofwaardig zou zijn. Het hof houdt die verklaring dan ook voor waar. Uit die verklaring volgt niet alleen dat [appellante] lange tijd geen wetenschap van (het sluiten van) de effectenleaseovereenkomsten had omdat zij zich niet met de financiën bemoeide, maar ook dat [appellante] pas omstreeks 20 juni 2001 bekend raakte met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten. Zij heeft gedetailleerd verklaard waarom haar echtgenoot haar rond die datum op de hoogte heeft gesteld van de overeenkomsten. Die verklaring komt het hof aannemelijk voor, te meer nu vast staat dat de overeenkomst met nummer [nummer 3] op 20 juni 2001 tot uitkering is gekomen en de echtgenoot van [appellante] daags daarop een nieuwe overeenkomst heeft gesloten. Hetgeen Dexia daartegenover heeft gesteld – namelijk dat betalingen plaatsvonden van een en/of-rekening, dat [appellante] en haar echtgenoot gezamenlijk belastingaangifte deden en dat de overeenkomst daarom bekend moet zijn geweest bij [appellante] – acht het hof, tegenover de gedetailleerde verklaring van [appellante] onvoldoende. Dexia heeft het benodigde bewijs dus niet geleverd.

3.15

Dit brengt mee dat – nu er op 20 maart 2003 stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden – de bevoegdheid tot vernietiging van effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 1] op 5 oktober 2005 nog niet was verjaard. De door [appellante] ingestelde vorderingen ter zake van deze effectenleaseovereenkomst zijn dus toewijsbaar.

Devolutieve verweren van Dexia

3.16

Dexia heeft ook nog aangevoerd dat [appellante] misbruik van recht maakt door enkel vernietiging van de verlieslatende effectenleaseovereenkomsten te vorderen. Ook heeft zij een beroep gedaan op art. 6:278 BW. Dit verweer faalt op grond van HR 28 maart 2008, ECLI:NL:2008:BC2837, NJ 2009/578. Voor overeenkomstige toepassing van art. 6:278 BW is geen aanleiding.

Slotsom

3.17

Het hof zal het bestreden eindvonnis vernietigen.

3.18

De door [appellante] gevorderde verklaring voor recht dat de Overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd op grond van art. 1:88 en art. 1:89 BW is toewijsbaar. Verder zal Dexia worden veroordeeld om aan [appellante] te voldoen al hetgeen aan Dexia is betaald onder deze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente. Anders dan [appellante] heeft gevorderd zal het hof geen wettelijke rente vanaf de dag van elk van de betalingen aan Dexia toewijzen. Daarvoor bestaat geen aanleiding, nu [appellante] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat Dexia te kwader trouw was. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 19 oktober 2005 (twee weken na de sommatiebrief van 5 oktober 2005).

3.19

Voor de vorderingen in reconventie heeft het vorenstaande de volgende consequentie. De door Dexia gevorderde verklaringen voor recht zijn enkel toewijsbaar voor zover het de overeenkomsten met de nummers [nummer 3] en [nummer 4] betreft. Dexia’s vordering tot betaling van € 93,69 heeft betrekking op de overeenkomst met nummer [nummer 6] en zal dus worden afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [appellante] is geclausuleerd toewijsbaar, zoals hieronder in het dictum zal worden vermeld.

3.20

De door de kantonrechter uitgesproken proceskostenveroordeling ten laste van [appellante] kan bij deze stand van zaken evenmin in stand blijven. In conventie is Dexia de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij de kosten van [appellante] dient te dragen. In reconventie zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

3.21

In hoger beroep zal Dexia als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 25 juli 2018 en opnieuw recht doende:

in conventie

  • -

    verklaart voor recht dat [appellante] de Overeenkomsten (met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] ) rechtsgeldig heeft vernietigd op grond van art. 1:88 en art. 1:89 BW;

  • -

    veroordeelt Dexia om aan [appellante] te voldoen al hetgeen aan Dexia is betaald onder deze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2005;

  • -

    verklaart voor recht dat Dexia door het schenden van haar zorgplicht onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam] , zoals nader omschreven in rov. 3.8;

in reconventie

- verklaart voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten met de nummers [nummer 3] en [nummer 5] :

  1. rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en dat deze effectenleaseovereenkomsten niet blootstaan aan vernietiging door [appellante] ;

  2. dat [naam] met betrekking tot deze effectenleaseovereenkomsten niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last;

  3. dat met betrekking tot deze effectenleaseovereenkomsten geen sprake is geweest van onrechtmatige advisering, waarvan Dexia wist of behoorde te weten.

- verklaart voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [appellante] zodra Dexia aan de hierboven vermelde veroordelingen heeft voldaan.

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot aan deze uitspraak bepaald op € 175,31 aan verschotten en € 1.629,- voor salaris van de advocaat;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot aan deze uitspraak bepaald op € 416,01 aan verschotten, € 1.074,- voor salaris van de advocaat en € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest wat betreft de betalings- en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M.J. van der Ven en M.C.M. van Dijk en is ondertekend en uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, ter openbare terechtzitting van 26 januari 2021 in aanwezigheid van de griffier.