Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:2360

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
14-12-2021
Zaaknummer
BK-21/00200 tot en met BK-21/00202
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2021:1299, Niet ontvankelijk
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:1348
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep van belanghebbende is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-12-2021
V-N Vandaag 2021/3056
FutD 2021-3879
V-N 2022/7.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-21/00200 tot en met BK-21/00202

Uitspraak van 20 oktober 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: P. Dolleman)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 januari 2021, nummers SGR 19/7899, SGR 20/62 en SGR 20/195.

Procesverloop

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.434. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 626 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.176. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 514 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.461. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 289 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van driemaal € 47. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is € 134 aan griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 september 2021. Partijen zijn verschenen. De mondelinge behandeling van de onderhavige zaken heeft op hetzelfde moment plaatsgevonden als de mondelinge behandeling van de zaken van belanghebbendes echtgenote [A] , zaaknummers BK-21/00198 en BK-21/00199. Ter zitting heeft belanghebbende nadere stukken overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft, als een bezwaarschrift gericht tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014, een nieuwe aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend waarin hij een bedrag van € 22.088 als aftrekbare periodieke giften in aftrek heeft gebracht met de omschrijving “Ministerie van Financiën”. In de aangifte is de helft, € 11.044, toegerekend aan belanghebbende. De andere helft van het bedrag is toegerekend aan zijn echtgenote.

2.2.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 een bedrag van

€ 18.591 als periodieke giften in aftrek gebracht met de omschrijving “Ministerie van Financiën”. Dit bedrag is volledig toegerekend aan belanghebbende.

2.3.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 een bedrag van

€ 17.915 als periodieke giften in aftrek gebracht met de omschrijving “Ministerie van Financiën”. Van dit bedrag is € 11.415 toegerekend aan belanghebbende. Het resterende deel is toegerekend aan zijn echtgenote.

2.4.

De als periodieke giften opgevoerde bedragen bestaan uit de op het loon van belanghebbende en zijn echtgenote ingehouden en afgedragen loonheffing.

2.5.

Bij de uitspraken op bezwaar inzake belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2014 en de aanslagen voor de jaren 2016 en 2017 heeft de Inspecteur de giftenaftrek geweigerd.

2.6.1.

Een afschrift van de bestreden uitspraak van de Rechtbank is op

2 februari 2021 aan partijen verzonden. Het hogerberoepschrift is gedateerd 10 maart 2021 en blijkens een postkamerstempel op 6 april 2021 ter griffie van het Hof ontvangen.

2.6.2.

De envelop waarin het hoger beroepschrift is verzonden is niet gefrankeerd, bevat geen datumstempel van PostNL, maar wel een sticker ‘Herstel’ van PostNL waarop is aangekruist ‘Herstel aan geadresseerde’.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“7. Aftrekbare giften zijn op grond van artikel 6.32, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 (tekst van 2010 tot en met 2020) periodieke giften en andere giften.

8. Voordat beoordeeld kan worden of sprake is van een (aftrekbare) periodieke gift, dient eerst te worden beoordeeld of sprake is van een gift. Onder giften wordt ingevolge artikel 6.33, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 verstaan:

“(…) bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat;”

9. Vast staat dat de in aftrek gebrachte bedragen bestaan uit de (loon)belasting betaald door eiser en de fiscaal partner. Zoals volgt uit de uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:4410) en Gerechtshof Den Haag van 13 maart 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:550), berust het standpunt van eiser, dat de door hem gedane betalingen ter zake van de verschuldigde (loon)belasting aan te merken zijn als giften, op een onjuiste rechtsopvatting.[1] De rechtbank ziet geen aanleiding om van de bestaande jurisprudentie over dit onderwerp af te wijken. Eiser heeft ook geen andere, nieuwe gronden aangevoerd dan in de (hoger) beroepen waarover reeds uitspraak is gedaan. Dat hij het met die jurisprudentie niet eens is, maakt dat niet anders. Van een bevoordeling uit vrijgevigheid is geen sprake, nu het betalen van belasting geen vrijgevigheid betreft, maar een wettelijke verplichting is. Gelet op de wetgeschiedenis van de voorganger van artikel 6.33 van de Wet IB 2001 (artikel 47 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) is evenmin sprake van verplichte bijdragen. Uit deze wetsgeschiedenis blijkt immers dat de wetgever met de woorden ‘verplichte bijdragen’ niet uit de wet voortvloeiende belastingschulden op het oog had (zie Kamerstukken II 1989/90, 21335, nr. 3, blz. 2-3). De rechtbank is van oordeel dat voornoemde wetsgeschiedenis ook voor de huidige toepassing van artikel 6.33, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 haar geldigheid heeft behouden. Verweerder heeft dan ook terecht de giftenaftrek geweigerd.

10. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiser geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, moeten de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[1] Tegen de voornoemde uitspraken is beroep in cassatie ingesteld. Het beroep in cassatie tegen ECLI:NL:GHARL:2018:4410 is niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1930) en het beroep in cassatie tegen ECLI:NL:GHDHA:2019:550 is ongegrond verklaard (Hoge Raad 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1623).”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of het hoger beroep ontvankelijk is. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is in geschil of de op het loon van belanghebbende en zijn echtgenote ingehouden en afgedragen loonheffing voor het aan belanghebbende toegerekende deel als periodieke giften op zijn inkomen over het jaar 2014, onderscheidenlijk de jaren 2016 en 2017, in mindering dient te worden gebracht.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf

5.1.

Ter zitting heeft belanghebbende nadere stukken overgelegd aan de hand waarvan hij de legitimiteit van de Nederlandse Staat en daarmee de bevoegdheid van de raadsheren om recht te spreken in twijfel trekt. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing om de zetel van de regering gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 buiten het Rijk te vestigen een ongrondwettige daad is geweest die niet zonder gevolgen kan. Verder voert hij aan dat de Nederlandse Staat is ingeschreven als bedrijf.

5.2.

Het onder 5.1 vermelde, door belanghebbende gestelde brengt – zo begrijpt het Hof – naar de opvatting van belanghebbende mee dat de raadsheren van het Hof onbevoegd zijn om in belanghebbendes zaak recht te spreken. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met wat hij heeft aangevoerd – wat daar verder ook van zij – deze opvatting niet onderbouwd. Voorts vindt zij geen steun in het recht.

Ontvankelijkheid hoger beroep

5.3.

De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 6:24 Awb, zes weken. Ingevolge artikel 6:8, lid 1, Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die van de verzending van de uitspraak. Aangezien de uitspraak van de Rechtbank is verzonden op 2 februari 2021, is de termijn dus aangevangen op 3 februari 2021.

5.4.

Ingevolge artikel 6:9 Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb, is het hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, met dien verstande dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Dit brengt mee dat het hogerberoepschrift van belanghebbende tijdig is ingediend indien dit uiterlijk op 16 maart 2021 is ontvangen dan wel, indien het later is ontvangen, voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en uiterlijk op 23 maart 2021 is ontvangen. In het onderhavige geval is het hogerberoepschrift ontvangen op 6 april 2021 (zie 2.6.1).

5.5.

Belanghebbende noch zijn gemachtigde heeft aannemelijk gemaakt dat het hoger beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. De stelling van de gemachtigde dat het zijn gebruikelijke werkwijze is om een brief ter post te bezorgen op dezelfde datum als de dagtekening van het poststuk leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de door gemachtigde gestelde gebruikelijke werkwijze, wat daar verder ook van zij, niet uitsluit dat de gemachtigde in dit geval daarvan is afgeweken.

Dit klemt temeer omdat gemachtigde de envelop waarin het hogerberoepschrift is verzonden niet heeft gefrankeerd en de envelop evenmin is voorzien van een poststempel van PostNL met dagtekening (zie 2.6.2). Bovendien is het hoger beroepschrift later dan een week na afloop van de hogerberoepstermijn ontvangen (zie onder 5.4).

5.6.

De omstandigheid dat op de envelop een sticker ‘herstel aan geadresseerde’ is geplakt is evenmin voldoende om enkel op grond daarvan te oordelen dat de te late ontvangst van het hogerberoepschrift belanghebbende niet kan worden aangerekend. Ook overigens hebben belanghebbende en zijn gemachtigde geen feiten gesteld die, indien aannemelijk bevonden, de termijnoverschrijding verschoonbaar zouden kunnen maken, zodat niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 Awb.

Slotsom

5.7.

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, R.A. Bosman en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 20 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.