Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:2177

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2021
Datum publicatie
02-12-2021
Zaaknummer
200.284.100/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:6156, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet controller van de gemeente, ongepaste rol in het inkoop- en facturatieproces, integriteit, bureau Hoffmann

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1509
TAR 2022/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.284.100/01

Zaaknummer rechtbank : 8492339 RP VERZ 20-50271

beschikking van 16 november 2021

inzake

[werknemer] ,

wonende te Den Haag,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [werknemer] ,

advocaat: mr. M. Kokx te Eindhoven,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Den Haag,

gevestigd te Den Haag,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. R.A. Koster- Mulder te Den Haag.

Het geding

Met een verzoekschrift van 30 september 2020, bij het hof binnengekomen op 1 oktober 2020, is [werknemer] in hoger beroep gekomen van de door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, tussen partijen gewezen beschikking van 1 juli 2020. In het verzoekschrift (met producties) heeft [werknemer] zeven grieven aangevoerd. Bij verweerschrift in hoger beroep (met producties) van 9 maart 2021 heeft de gemeente de grieven bestreden. In dit verweerschrift is het in eerste aanleg gedane zelfstandig tegenverzoek gehandhaafd.

Bij akte van 4 mei 2021 (met producties) heeft [werknemer] zijn verzoeken gewijzigd. Bij brief van 17 mei 2021 heeft [werknemer] gevraagd om extra spreektijd en de producties 12 en 13 overgelegd. Bij v6-formulier ingekomen op 20 mei 2021 heeft [werknemer] een productie overgelegd. Bij brief van 28 mei 2021 zijn door [werknemer] de producties 15 tot en met 17 overgelegd.

Het hof heeft het verzoek om extra spreektijd afgewezen.

De mondelinge behandeling heeft – na diverse aanhoudingsverzoeken van [werknemer] – op
10 juni 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn toen bijgestaan door genoemde advocaten. Door de advocaat van [werknemer] is gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces verbaal gemaakt.

Uitspraak is nader bepaald op heden.


Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 [werknemer] is op 1 juni 2010 in dienst getreden bij de gemeente en was werkzaam in de functie van controller bij het Bedrijfsvoeringsexpertisecentrum (hierna: BEC). Vanuit het BEC werkte [werknemer] als controller ten behoeve van de Dienst Stadsbeheer (hierna: DSB), eerst voor het Veeg- en Straatbedrijf Den Haag (hierna: Haags Veegbedrijf) en sinds november 2018 voor de Handhavingsorganisatie.

1.2 Op 23 december 2019 ontving een medewerker van de Handhavingsorganisatie via het door de gemeente gebruikte administratieve systeem “Oracle” het verzoek van [werknemer] om een factuur van ZSN Advies & Beheer (hierna: ZSN) ter hoogte van € 72.585,48 goed te keuren. Omdat ZSN geen bekende leverancier was, zijn deze medewerkers van de gemeente verder in het administratieve systeem gaan zoeken. Deze medewerkers hebben vervolgens nog een aantal facturen aangetroffen van bedrijven, die zij als verdacht – want onbekend – hebben aangemerkt.

1.3 Daarop heeft de afdeling Internal Audit op 30 december 2019 een “quick scan” laten uitvoeren naar de specifieke facturatie in verband met het aanvragen van betalingen aan een viertal leveranciers in verband met mogelijke onregelmatigheden. In het rapport is het volgende vermeld, waarbij met “ Controller ” [werknemer] is bedoeld:

“Wij hebben de facturen (58) van de vier leveranciers gecontroleerd in Oracle, zie bijlage 2. Bij vier facturen is wel een bijlage als prestatieverklaring aanwezig, voor de rest niet. Bij nagenoeg alle facturen vervult de Controller een zichtbare en formeel niet passende rol, terwijl de functie van controller juist van grote betekenis is als adviseur aan het lijnmanagement. Ons valt op dat:

• 4 x urenverantwoording coaching door Controller zijn getekend m.b.t. het eigen coaching traject i.p.v. door budgethouder.

• 16 van de facturen zijn als laatste gefiatteerd door Controller i.p.v. de budgethouder.

• Op 22 facturen staat een handtekening van de Controller met “akkoord”.

• 17 x is door Controller verzocht aan anderen om goed te keuren ivm spoed, waarvan 6x aan medewerkers, die geen juist mandaat hebben.

• Bouw B.V. factureert hoge bedragen zonder uitgebreide specificatie.

• De omschrijvingen van de uitgevoerde werkzaamheden is regelmatig hoog over of vaag bij diverse facturen bij de vier leveranciers.

• Kosten worden vaak verantwoord op “algemeen” of onder diverse werkzaamheden.”

1.4 Naar aanleiding van deze quick scan heeft de gemeente op
8 januari 2020 besloten een integriteitsonderzoek naar [werknemer] te starten. Het onderzoek is uitgevoerd door Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann).

1.5 Bij brief van 9 januari 2020 heeft de gemeente aan [werknemer] bevestigd dat hij is geschorst op grond van art. 11.4 lid 1 sub b van de Cao Gemeenten. In deze brief staat dat de gemeente een “integriteitssignaal” heeft ontvangen waarin zijn naam is genoemd en dat daardoor het vermoeden is ontstaan dat “er wellicht sprake is van een integriteitsschending door u” en dat er daarom een integriteitsonderzoek zou worden gedaan naar zijn gedragingen. Verder is in deze brief vermeld:

“Uiteraard zal ik er voor zorgen dat het onderzoek voortvarend en zorgvuldig zal worden uitgevoerd en afgerond. Ik verwacht van u dat u zich gedurende het onderzoek beschikbaar houdt voor mogelijk

nader onderzoek. U heeft immers de plicht om openheid van zaken te geven teneinde twijfels die gerezen zijn omtrent uw integriteit weg te nemen. Dit betekent dat u zich beschikbaar dient te houden

voor gesprekken in het kader van deze zaak.
[…]

U zal op korte termijn worden uitgenodigd voor een afspraak in het kader van hoor-wederhoor, waarbij u zich kunt doen vergezellen door een vertrouwenspersoon of juridisch adviseur.

Indien het onderzoek is afgerond, zal ik mij beraden over het vervolg.”

1.6 Op 14 februari 2020 is [werknemer] gehoord door Hoffmann. Mevrouw
[medewerker Achmea rechtsbijstand] , medewerker van Achmea Rechtsbijstand, was toen voor [werknemer] bij het gesprek aanwezig.

1.7 Op 3 maart 2020 heeft Hoffmann een rapport uitgebracht, waarin op p. 6 en 7. onder meer het volgende is vermeld:

“Uit het onderzoek werd bekend dat de heer [werknemer] zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere integriteitsschendingen. De heer [werknemer] heeft een actieve rol gehad in het inkoop- en facturatieproces, terwijl dit geen onderdeel is van zijn werkzaamheden in de functie van financial controller en hij hiervoor ook geen mandaat heeft.

Daarnaast heeft de heer [werknemer] nieuwe leveranciers laten opvoeren, inkooporders aangemaakt, facturen in laten boeken en facturen gefiatteerd. Ook heeft hij doelbewust het proces versneld door boekingsaanwijzingsnummers op facturen te schrijven en meerdere malen, vanwege ‘spoed’, druk uitgeoefend op collega’s om facturen in te boeken en goed te keuren. Tevens is een e-mail aangetroffen waarin de heer [werknemer] een aankondiging heeft gedaan bij diverse collega’s, dat een aantal facturen nogmaals de workflow in gaan die eerder al zijn gecontroleerd en betaald met daarbij het verzoek om deze opnieuw goed te keuren. Uit onderzoek is gebleken dat de ingediende facturen die daarop volgden, geen correcties betroffen, maar nieuwe (vals) ingebrachte facturen.

Uit gesprekken met diverse medewerkers werd bekend dat zij volledig vertrouwden op het advies van de heer [werknemer] . Men vond het niet vreemd dat facturen op verzoek van de heer [werknemer] naar ‘andere geldpotjes’ moesten worden overgeheveld en facturen daardoor (opnieuw) moesten worden geaccordeerd, omdat men in de veronderstelling was dat daardoor budgetten beter beheerd werden.

De heer [werknemer] heeft tijdens het gesprek met onze medewerkers verklaard dat hij ‘mensen uit zijn netwerk’ heeft geholpen door hen in contact te brengen met de gemeente, zodat zij opdrachten konden uitvoeren voor de gemeente. De heer [werknemer] heeft toegegeven dat hij hier niet altijd zuiver in heeft gehandeld. De heer [werknemer] verklaarde zelf facturen te hebben gemaakt voor het bedrijf Tax Beheer en
Onderhoud B.V. Dit blijkt tevens uit het digitaal onderzoek […]. Op de zakelijke laptop van de heer [werknemer] werd namelijk een Word-document aangetroffen van een factuur van Tax Beheer en
Onderhoud B.V., waarvan de naam van de heer [werknemer] als‘creator’ staat vermeld. De heer [werknemer] heeft verklaard dat hij zelf voor meerdere bedrijven, in ieder geval voor Tax, ZSN en Bouw B.V. facturen heeft ingediend waarvan hij (achteraf) wist dat er geen prestatie tegenover stond.

De heer [werknemer] heeft tijdens het gesprek niet de waarheid verteld omtrent de factuur van ZSN die hij in december 2019 had gefiatteerd. Zo vertelde de heer [werknemer] dat hij de factuur van ZSN in december per ongeluk had goedgekeurd, terwijl onze medewerkers diverse e-mails hebben aangetroffen waaruit blijkt dat hij in januari 2020 nogmaals heeft geprobeerd om dezelfde factuur betaalbaar te stellen en navraag doet waarom de factuur nog niet betaald is […].

Ondanks de wetenschap dat er geen prestatie werd geleverd door diverse leveranciers, heeft de heer [werknemer] hier geen melding van gemaakt en is hij doorgegaan met het indienen van (valse) facturen. De heer [werknemer] heeft naar zijn zeggen fraude gepleegd, maar zegt zich daar eerder niet van bewust te zijn geweest.

[…]

In onderstaande tabel staan de bedrijven en facturen vermeld waarbij de heer [werknemer] een aandeel heeft gehad in het proces, bijvoorbeeld door een bedrijf als nieuwe leverancier te laten opvoeren, facturen in te laten boeken, facturen te fiatteren of collega’s daartoe de opdracht te geven. De heer [werknemer] was, hoewel hij hiertoe geen mandaat heeft, in de mogelijkheid om facturen goed te keuren, omdat facturen in Oracle aan hem werden overdragen, of omdat de zogeheten vakantieregel aanstond. Op die manier heeft de heer [werknemer] ook het mandaat om facturen goed te keuren overgedragen gekregen en kon hij derhalve facturen goedkeuren zodat deze vervolgens werden betaald. Ook was de heer [werknemer] de fiatteur op het moment dat hij een inkooporder/jaarorder had aangemaakt.

Het totale bedrag waarin de heer [werknemer] zoals hierboven beschreven bemoeienis had en dat is betaald door de gemeente aan de bedrijven bedraagt mogelijk € 1.778.362,22 (zie figuur 1). Dit is exclusief de factuur van ZSN die in december 2019 is onderschept ter waarde van
€ 72.585,48 die voor de medewerkers van de gemeente aanleiding gaf om nader onderzoek te doen en derhalve werd geannuleerd.”

1.8 Bij brief van 4 maart 2020 heeft de gemeente [werknemer] op staande voet ontslagen. De dringende reden is in die brief als volgt toegelicht:

“Feiten

U bent sinds 1 juni 2010 bij de gemeente Den Haag in dienst, laatstelijk werkzaam in de functie van Controller (S11). U werkt vanuit het bedrijfsvoeringsexpertisecentrum voor dienst Stadsbeheer, laatstelijk specifiek voor de Handhavingsorganisatie.

Op 23 december 2019 heeft een medewerker van de Handhavingsorganisatie via Oracle het verzoek gekregen om een factuur van ZSN Advies & Beheer goed te keuren. De betreffende medewerker

verving een collega door middel van de zogeheten vakantieregel die in Oracle was ingesteld. De medewerker deed navraag bij collega’s naar de betreffende leverancier. Het bedrijf op de factuur bleek hij collega’s niet bekend te zijn. Naar aanleiding hiervan zijn diverse medewerkers verder in het administratieve systeem gaan zoeken en hebben vervolgens nog een aantal bedrijven aangetroffen, die zij als verdacht hebben aangemerkt. De betreffende medewerker heeft een melding gedaan bij het

hoofd van de Handhavingsorganisatie.

Naar aanleiding hiervan heeft de businesspartner Control van dienst Stadsbeheer de afdeling Internal Audit verzocht een quick scan uit te voeren over de specifieke facturatie in relatie tot het aanvragen

van betalingen aan een viertal leveranciers en in verband met mogelijke onregelmatigheden. Uit deze quick scan bleek dat vanaf 2015 tot en met 2019 in totaal 58 facturen van voornoemde vier leveranciers voor een totaalbedrag van € 1.099.707,48 zijn betaald.

Uit de controle van de betaalde facturen vielen diverse onregelmatigheden op, waardoor onvoldoende aannemelijk kan worden gemaakt dat de prestaties ook daadwerkelijk zijn geleverd.

Daarnaast plaatste de afdeling Internal Audit haar vraagtekens bij het aantal declarabele uren, de juistheid van diverse facturen en de wijze waarop u uw rol als Controller heeft uitgevoerd.

Naar aanleiding van de quick scan van Internal Audit heeft de gemeente besloten een integriteitsonderzoek te starten. Het onderzoek is uitgevoerd door Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V.

Bij brief d.d. 9 januari 2020 bent u conform artikel 114 lid 1 sub b van de cao gemeenten met onmiddellijke ingang geschorst in afwachting van de uitkomst van het integriteitsonderzoek.

Bevindingen onderzoek

[…]

Dringende reden

Op grond van de eindrapportage concludeert de gemeente dat u onder valse voorwendselen er (mede) voor heeft zorggedragen dat op grote schaal frauduleuze facturen zijn gemaakt, ingediend en betaald

door de gemeente Den Haag, terwijl daarvoor geen (volledige) prestatie is geleverd. Tevens heeft u medewerkers verzocht (soms met spoed) facturen goed te keuren, terwijl sommigen daar niet toe

bevoegd waren. Ook heeft u zelf facturen gefiatteerd zonder geldig mandaat. U heeft stelselmatig in strijd gehandeld met de interne werkprocessen en de Gedragscode gemeente Den Haag.

Bovendien heeft u zelf (valse) facturen gemaakt en heeft u aan de financiële administratie verzocht om deze te betalen. Ook heeft u een template van deze facturen aan derden verstrekt, zodat zij zelf (valse)

facturen konden indienen. U heeft dit erkend in het gesprek op 14 februari 2020.

Mede door uw handelwijze is een bedrag in de orde van grootte van 1,7 mln. euro (onverschuldigd) aan bedrijven betaald. U heeft daarbij misbruik gemaakt van uw positie als Controller alsmede van het

vertrouwen dat de gemeente en haar medewerkers in u stelden.

Het vorenstaande is des te erger nu voornoemd bedrag gemeenschapsgeld betreft. Het publiek moet er op kunnen vertrouwen dat de gemeente een integere en fatsoenlijke organisatie is en dat

gemeenschapsgeld deugdelijk wordt besteed. U heeft er (mede) voor zorggedragen dat een aanzienlijk bedrag van dit gemeenschapsgeld aan bedrijven is betaald, terwijl daarvoor geen of onvoldoende (aantoonbare) prestatie is geleverd. U heeft het imago van de gemeente Den Haag ernstig beschadigd.

Daarbij geldt als verzwarende factor dat u de functie verricht van Controller . U heeft een adviserende rol richting het management en u dient er voor zorg te dragen dat wet- en regelgeving wordt nageleefd.

In uw hoedanigheid als Controller hebben medewerkers en leidinggevenden vertrouwd op uw advies. Een ambtenaar dient altijd van onbesproken gedrag te zijn. In de functie van Controller geldt dit

temeer, nu deze functie bij uitstek een vertrouwensfunctie is, waarvoor integer gedrag de kern van de functie betreft. Op het gebied van integriteit en betrouwbaarheid dient u boven alle twijfel verheven te

zijn. Door uw handelwijze heeft u deze ambtelijke integriteit onherstelbaar geschonden. Wij vinden uw handelwijze onaanvaardbaar.

Met voornoemde handelingen hebt u grovelijk de plichten veronachtzaamd die de arbeidsovereenkomst met de gemeente u oplegt en u heeft daarmee niet als goed werknemer dan wel goed ambtenaar gehandeld.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden vormen de dringende reden tot het ontslag op staande voet, die elk voor zich, maar ook tezamen grond vormen voor de onmiddellijke beëindiging van uw arbeidsovereenkomst met ingang van heden. De gemeente verleent u door middel van deze brief per direct ontslag op staande voet. Daarbij heeft de gemeente uw persoonlijke omstandigheden afgewogen tegen de aard en ernst van de zaak alsmede de omvang daarvan.

Wij hebben u in het gesprek te kennen gegeven dat uw handelwijze in onze visie een dringende reden vormt die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Wij hebben met u besproken dat uw handelwijze,

zoals hiervoor weergegeven, voor de gemeente Den Haag onacceptabel is.[…]”

1.9

In eerste aanleg heeft [werknemer] primair verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen en de gemeente te veroordelen hem tot het werk toe te laten en het loon c.a. door te betalen, en subsidiair aan hem ten laste van de gemeente een billijke vergoeding toe te kennen en de gemeente te veroordelen tot het betalen van (a) een schadevergoeding vanwege onregelmatige opzegging en (b) een transitievergoeding. Verder verzocht [werknemer] de gemeente te veroordelen tot het betalen van een bedrag dat zij in het kader van de eindafrekening heeft ingehouden. Tot slot verzocht [werknemer] de gemeente in de proceskosten te veroordelen.

1.10

De gemeente heeft de vorderingen van [werknemer] bestreden en een zelfstandig voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan. Daarnaast heeft de gemeente verzocht vast te stellen dat [werknemer] is gehouden de vergoeding van art. 7:677 lid 2 BW te betalen. Het daarmee gemoeide bedrag had de gemeente verrekend bij de eindafrekening. De gemeente heeft verzocht [werknemer] in de proceskosten te veroordelen.

1.11

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van [werknemer] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Aan het voorwaardelijke verzoek van de gemeente is de kantonrechter niet toegekomen omdat is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was.

2. In hoger beroep verzoekt [werknemer] – na wijziging van zijn verzoek – samengevat het volgende:

- primair: (1) de arbeidsovereenkomst te herstellen, (2) de gemeente te veroordelen [werknemer] tot het werk toe te laten en (3) aan hem loon c.a. te betalen vanaf 4 maart 2020 dan wel vanaf een andere datum van herstel van de arbeidsovereenkomst, en (4) daarbij te bepalen dat de onderbreking van de herstelde arbeidsovereenkomst voor de aanspraken op “arbeidsrechtelijke regelingen” geen nadelige gevolgen heeft;

- subsidiair, voor het geval het hof niet besluit tot herstel van de arbeidsovereenkomst: de gemeente te veroordelen tot het betalen van (1) een transitievergoeding, (2) een gefixeerde schadevergoeding, (3) het bij de eindafrekening ingehouden bedrag en (4) een billijke vergoeding;

- en zowel primair als subsidiair: de gemeente te veroordelen (1) aan [werknemer] bruto/netto- specificaties te verstrekken van de bedragen tot betaling waarvan de gemeente in hoger beroep wordt veroordeeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom, (2) de proceskosten van beide instanties te betalen, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.

3. Het hof begrijpt de wijziging van het verzoek zo dat nog steeds ook wordt verzocht de bestreden beschikking te vernietigen.

4. De gemeente heeft verzocht de verzoeken van [werknemer] af te wijzen en haar voorwaardelijke verzoek uit de eerste aanleg gehandhaafd, met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten van beide instanties. Bij gelegenheid van de mondeling behandeling in hoger beroep heeft de gemeente gezegd bezwaar te hebben tegen de wijziging van het verzoek, maar dit niet toegelicht. Het hof gaat aan dit bezwaar voorbij omdat niet duidelijk is geworden waarom [werknemer] zijn verzoek niet zou mogen wijzigen zoals door hem is gedaan.

5. [werknemer] betoogt met de grieven dat er geen dringende reden was om hem op staande voet te ontslaan. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Waar nodig zal daarbij op de afzonderlijke grieven worden ingegaan.

6. Het hof stelt voorop dat het gaat om de dringende reden, zoals deze is weergegeven in de ontslagbrief van 4 maart 2020, zoals hiervoor geciteerd in r.o. 1.8. Daarin is een opsomming gegeven van de bevindingen uit de quick scan van Internal Audit en het onderzoek van Bureau Hoffmann. Het processuele debat in deze procedure spitst zich toe op deze bevindingen.

Het rapport van Hoffmann

7. Met grief 4 betoogt [werknemer] dat de weergave van het gesprek met hem in het rapport van Hoffmann niet juist is en niet gebruikt dient te worden. [werknemer] stelt over het verslag in de processtukken (in de kern) het volgende.

7.1.

[werknemer] is door Hoffmann intimiderend, agressief en beschuldigend benaderd.

7.2.

Er zijn hem woorden in de mond gelegd.

7.3.

[werknemer] was door deze bejegening zenuwachtig.

7.4.

Het verslag is geen objectieve en juiste weergave van wat besproken is. De gestelde vragen staan niet in het verslag. Er is geen geluidsopname van het gesprek. Zijn antwoorden zijn verdraaid en uit de context in het verslag weergegeven. Er was geen onafhankelijk persoon om het verslag te notuleren.

7.5.

[werknemer] is op dreigende toon gezegd dat hij niet kon vertrekken als hij het verslag niet zou ondertekenen. Op advies van zijn juriste heeft hij het verslag onder protest getekend.

7.6.

Aan [werknemer] is onvoldoende gelegenheid gegeven om op het verslag te reageren. [werknemer] was destijds mentaal en fysiek niet in staat het verslag te lezen. Daarom tekende hij het verslag voor gezien en niet voor gelezen. [werknemer] wilde op een later tijdstip het verslag rustig nalezen en er dan op reageren. Dat recht had hij op grond van het onderzoeksprotocol van de gemeente.

7.7.

[werknemer] weet 100% zeker dat zijn juriste niet het hele verslag heeft gelezen.

8. Grief 4 faalt op dit punt. Het hof ziet geen grond om het door Hoffmanns opgestelde gespreksverslag buiten beschouwing te laten. Het hof neemt tot uitgangspunt dat [werknemer] op 14 februari 2020 heeft verklaard zoals dat in het gespreksverslag is vastgelegd. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.

8.1.

[werknemer] is bij brief van 9 januari 2020 geschorst vanwege een mogelijke en concrete integriteitsschending waarbij hem is meegedeeld dat daar onderzoek naar zou worden gedaan en dat hij zich in dat onderzoek kon laten bijstaan door een juridisch adviseur. Het hof ziet niet in waarom het onderzoeksprotocol van de gemeente er aan in de weg staat de gemeente daar onderzoek naar doet.

8.2.

Voor [werknemer] moet uit de brief van 9 januari 2020 duidelijk zijn geweest dat dit onderzoek zich zou toespitsen op voor hem als persoon mogelijk belastende feiten op het gebied van de integriteit. Er mag worden aangenomen dat deze ernstige strekking van het onderzoek ook daadwerkelijk voor [werknemer] duidelijk was omdat hij zich bij het onderzoek juridisch heeft laten bijstaan door
[medewerker Achmea rechtsbijstand] van Achmea Rechtsbijstand.

8.3.

Voor zover [werknemer] bedoelt te betogen dat [medewerker Achmea rechtsbijstand] hem tijdens het gesprek van 14 februari 2020 niet adequaat heeft bijgestaan en dat dit voor Hoffmann en/of de gemeente kenbaar had moeten zijn, is dat onvoldoende onderbouwd.

8.4.

[medewerker Achmea rechtsbijstand] heeft kennelijk geen aanleiding gezien om vanwege de bejegening van [werknemer] , de duur van de onderbrekingen van het gesprek, de wijze van vraagstelling, de mogelijkheden te reageren of het punt van ondertekening, in te grijpen of anderszins protest aan te tekenen. Op dit punt is van belang dat Hoffmann een kladversie van het gespreksverslag aan [medewerker Achmea rechtsbijstand] heeft verstrekt, dat zij deze versie op diverse plekken heeft voorzien van handgeschreven commentaar en dat dit commentaar door Hoffmann in de uiteindelijke versie is verwerkt. Het hof verwerpt dan ook de bezwaren van [werknemer] op deze punten.

8.5.

Dat [werknemer] achteraf spijt heeft van zijn uitlatingen maakt niet dat deze uitlatingen niet zijn gedaan.

9. Met grief 4 betoogt [werknemer] verder dat er ook andere redenen zijn dan zijn bejegening om aan de bevindingen van Hoffmann voorbij te gaan. Ook in dit opzicht faalt grief 4. Deze andere redenen gaan namelijk niet op en het hof overweegt daarover als volgt.

9.1.

Het betoog van [werknemer] dat het onderzoek van Hoffmann een oneigenlijk doel had, namelijk dat het was gericht om bewijs te verkrijgen voor al vooraf getrokken conclusies en dus onbetrouwbaar is – althans zo begrijpt het hof wat [werknemer] aanvoert – is onvoldoende onderbouwd.

9.2.

Of het onderzoeksprotocol van de gemeente voorziet in het bieden van gelegenheid aan [werknemer] om zijn zienswijze te geven op het verslag kan in het midden blijven en is niet relevant voor de beoordeling van de feitelijke bevindingen van Hoffmann. Evenmin is relevant dat bij het geven van ontslag niet met [werknemer] is gesproken over het rapport. Immers, [werknemer] heeft nadien en in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep de mogelijkheid gekregen en benut om alsnog zijn zienswijze aan de rechter te geven. [werknemer] is door deze gang van zaken niet onredelijk in zijn verdedigingsbelangen geschaad.

9.3.

Dat er sprake is van een zodanige inbreuk op de privacy van [werknemer] die er aan in de weg staat dat het hof het rapport van Hoffmann in de beoordeling betrekt, is onvoldoende onderbouwd.

9.4.

[werknemer] voert aan dat hij in strijd met het onderzoeksprotocol niet aanwezig is geweest bij “het onderzoek van zijn werkomgeving”. Het hof gaat hieraan voorbij, ook als in strijd zou zijn gehandeld met genoemd protocol, omdat niet is onderbouwd welke relevantie dit heeft voor de beoordeling van de feitelijke bevindingen van Hoffmann.

10. Het hof zal vervolgens beoordelen of er sprake is van een dringende reden.

Dringende reden?

11. Als gezegd gaat het om de dringende reden, zoals deze is weergegeven in de ontslagbrief van 4 maart 2020, gebaseerd op de bevindingen uit de quick scan van Internal Audit en het onderzoek van Hoffmann. Niet al deze bevindingen dienen bij betwisting te worden aangetoond. In de ontslagbrief is vermeld dat deze bevindingen “elk voor zich, maar ook tezamen grond vormen” – dat wil zeggen: een dringende reden zijn – voor het ontslag op staande voet. Niet is aangevoerd dat [werknemer] de ontslagbrief anders heeft begrepen.

11. Naar het oordeel van het hof is sprake van een dringende reden. De dringende reden betreft de hierna te bespreken actieve en ongepaste rol die [werknemer] in het inkoop- en facturatieproces heeft gespeeld. Het hof beperkt zich tot de beoordeling van twee gevallen, die het hof elk afzonderlijk als een dringende reden aanmerkt. Een oordeel over de andere gevallen in het rapport van Hoffmann hoeft daarom niet te worden gegeven. Overigens en strikt terzijde: in die andere gevallen is de handelwijze van [werknemer] in hoge mate vergelijkbaar.

11. De bevindingen op p. 6 en 7 van het rapport Hoffmann (zie r.o. 1.7) worden bevestigd door de onderzoeksresultaten van dit bureau en verder door de proceshouding van [werknemer] in dit geding. Bij de verwijzingen naar het rapport Hoffmann zal worden volstaan met het noemen van de pagina en/of het nummer van de paragraaf.

11. Het hof beoordeelt de gang van zaken met betrekking tot facturen van (a) Tax Beheer & Onderhoud BV (hierna: Tax) en (b) het in r.o. 1.2 genoemde ZSN.

Voorgeschreven proces

15. Binnen BSD is een proces voorgeschreven voor de behandeling van facturen. Deze is als volgt (p. 9 tot en met 11)

15.1.

Bij BSD wordt meestal met bedrijven gewerkt die – na een aanbesteding of een vergelijkbare procedure (vaak op basis van een raamcontract) – een opdracht van DSB/de gemeente krijgen. De projectleider en/of de afdeling Inkoop maakt bij opdrachtverlening een “inkooporder” aan en het desbetreffende bedrijf/ de opdrachtnemer krijgt een “inkoopnummer”. Dit inkoopnummer dient de leverancier/opdrachtnemer te vermelden op de factuur.

15.2.

Door het inkoopnummer wordt de factuur in Oracle automatisch aan de inkooporder en dus het bedrijf/de leverancier gekoppeld.

15.3.

Indien een factuur bij de gemeente binnenkomt, is dat vrijwel altijd per post. De factuur is gericht aan de afdeling “Crediteuren”. Op deze afdeling wordt de factuur gescand en onder vermelding van het inkoopnummer in Oracle geplaatst.

15.4.

De factuur komt normaal gesproken via de workflow voor goedkeuring terecht bij de projectleider/budgethouder. De projectleider kan de factuur dan vervolgens goedkeuren. Als de werkzaamheden (naar behoren) zijn verricht, voegt de projectleider de “prestatieverklaring” toe in Oracle.

15.5.

Tijdens de afwezigheid wegens vakantie van de projectleider/budgethouder kan in Oracle een “vakantieregel” worden ingesteld. Dit betekent dat een collega van de projectleider/budgethouder de factuur goedkeurt en daarvoor dus ook (tijdelijk) mandaat heeft. Normaal gaat dat naar iemand met eenzelfde of hoger financieel mandaat.

15.6.

Als controller was [werknemer] niet bevoegd om facturen in het systeem in te voeren, goed te keuren of uit te laten betalen. [werknemer] had slechts een adviserende rol. Hij zat niet “in de business” en kan in de meeste gevallen niet beoordelen of er een bepaalde prestatie is geleverd en een factuur dus betaalbaar moet worden gesteld.

16. Dat dit de voorgeschreven gang van zaken is heeft [werknemer] niet gemotiveerd weersproken. Wel heeft [werknemer] betoogd dat er in de praktijk bewust niet steeds precies volgens deze regels is gehandeld. Hierna zal worden toegelicht dat dit betoog voor de beoordeling van de dringende reden niet relevant is.

a. Tax

17. Het hof gaat er van uit dat [werknemer] een factuur van van Tax in omloop heeft gebracht die door hem zelf is gemaakt. Dit oordeel is gegrond op het volgende.

17.1.

Op de zakelijke laptop van [werknemer] is een van de facturen van Tax als Word-bestand en als pdf-bestand aangetroffen (p. 15 en bijlage 4). Dit Word-bestand is afkomstig van een mobiele gegevensdrager Lexar, naar mag worden aangenomen een USB-stick. Uit de megadata van het Word-bestand blijkt dat deze factuur door [werknemer] is gemaakt.

17.2.

[werknemer] heeft dit betwist.

17.3.

Hoffmann heeft vervolgens een nader rapport op dit punt gemaakt en daarin uitgelegd dat het vermelden van [werknemer] in deze metadata als “creator/author” van dit bestand volgt dat hij de maker daarvan is (productie 22 bij verweerschrift in eerste aanleg).

17.4.

Ter zitting in hoger beroep heeft [werknemer] volhard in zijn betwisting met de opmerking dat hij iemand uit zijn kennissenkring heeft gesproken en dat deze persoon zegt dat deze conclusie niet klopt. Het hof verwerpt deze betwisting omdat deze onvoldoende opweegt tegen het nadere rapport van Hoffmann, waarvan mag worden aangenomen dat dit door een ict-deskundige is opgemaakt.

17.5.

Daar komt bij dat [werknemer] bij Hoffman heeft verklaard (p. 9/12) dat hij deze factuur zelf heeft gemaakt, als volgt:

“U vraagt hoe het nu zit met de factuur van Tax die op mijn laptop is aangetroffen. Dat is zo’n voorbeeld waarbij ik niet zuiver heb gehandeld. Wat ik daarmee bedoel? Ik denk dat mij gevraagd is om de factuur te maken voor Tax.[…]

Ik heb eigenlijk zelf meerdere facturen gemaakt voor Tax Beheer. Daarvan heb ik de datum wel aangepast. Daar heb ik niet zuiver in gehandeld. Ik had als doel om iemand te helpen. Hoeveel facturen ik heb gemaakt voor Tax? Ik weet het niet. Het zijn er meerdere. Ik heb ze niet allemaal gemaakt. Ik heb het template op een gegeven moment gedeeld met de Turkse persoon. Ik heb die Turkse man via [naam 6] ontmoet. Ik heb het template aan de Turkse man gegeven. Ik heb hem via mijn netwerk ontmoet. Ik heb het template gedeeld. Ik had hem op een USB stick gezet. Ik weet niet of dat dezelfde removable stick is, als dezelfde die u bent tegengekomen tijdens uw onderzoek. Ik heb de eerste factuur gemaakt voor Tax. U noemt het fraude. Ja, dat klopt. Ik besefte mij dat niet. Ik heb het template van de factuur gedeeld zodat Tax zelf facturen kon indienen.”

18. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [werknemer] ten aanzien van dit punt gezegd dat hij ‘een bewijsaanbod’ deed. Het hof gaat hieraan voorbij omdat niet concreet is gemaakt wat dit bewijsaanbod inhoudt en waarom dit relevant voor het oordeel van het hof is.

18. [werknemer] heeft bij e-mail van 28 mei 2019 in pdf-vorm een factuur van Tax aan de crediteurenadministratie gestuurd (p. 15). Pas toen is deze factuur bij de crediteurenadministratie aangekomen. Dit wijkt af van de voorgeschreven en gebruikelijke gang van zaken. Daarover heeft de heer [hoofd afdeling] , hoofd afdeling Controle en leidinggevende van [werknemer] , bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard, als volgt.

19.1.

Leveranciers dienen hun facturen rechtstreeks aan de centrale crediteurenadministratie van de gemeente te sturen om betaling daarvan te verkrijgen. Er is geen reden te bedenken waarom een factuur eerst bij een controller terechtkomt.

19.2.

Er komen wel facturen bij de controller terecht, maar die zijn hem dan gescand toegezonden door de centrale crediteurenadministratie. Dit was ook zo ten tijde van de gevallen die door Hoffmann zijn geconstateerd.

20. Deze verklaring van [hoofd afdeling] is door [werknemer] niet gemotiveerd weersproken.

20. [werknemer] heeft ook, desgevraagd ter zitting in hoger beroep, geen goede verklaring kunnen geven voor het feit dat de factuur van Tax door hem in het proces is gebracht. In het gesprek met Hoffmann (p. 8) is [werknemer] daarover ook zo vaag dat het hof daaraan voorbij gaat. [werknemer] heeft toen verklaard:

“Hoe ik aan facturen kom? Die komt dan uit een la van een manager. Waarom ik die facturen dan krijg? Dat is het proces. U zegt dat het niet juiste proces is. Dat klopt, maar zo ging het. We hebben al vaak aangegeven dat dit niet de bedoeling is. Als controller werk ik aan oplossingen, dus als een manager mij iets vraagt dan doe ik dat. Als er een factuur in een la is blijven liggen, dan vroeg de manager aan mij of ik dat wil oplossen.”

22. De verwijzing naar een ‘la van een manager’ is niet geloofwaardig, omdat het hof er als gezegd van uitgaat dat [werknemer] de betreffende factuur zelf heeft gemaakt.

22. Met betrekking tot de factuur van Tax heeft [werknemer] erkend dat er geen prestatie voor is geleverd. Op dit punt is van belang wat [werknemer] over zijn bekendheid met Tax heeft verklaard. Dit is vaag en – naar mate de vraagstelling van Hoffmann preciezer werd – ook ontwijkend. Zo heeft [werknemer] aan Hoffmann verklaard (p. 9/12):

“Ik heb mensen vanuit mijn netwerk geholpen om binnen de gemeente te komen, zodat ze opdrachten kregen. Zij vroegen of ik mensen kende binnen de gemeente zodat zij in contact konden komen om

opdrachten te krijgen.

Dat is ook zo gegaan bij Tax zoals u vraagt. Dat was een Turkse meneer. Ik weet zijn naam niet meer. Dat was ook zo bij [naam 1] . Hij vroeg mij of ik hem wilde helpen. Ik heb gezegd dat ik zou kijken

wat ik kon doen. Als je eenmaal binnen bent, dan moesten ze verder zelf regelen hoe ze opdrachten konden krijgen. U vraagt met wie ik de Turkse meneer bij de gemeente in contact heb gebracht. Naar verschillende managers. Wie? Ik weet het niet specifiek. Ik denk dat ik het heb gevraagd aan [naam 2] . Ik heb er voor gezorgd dat ze binnen de gemeente binnenkwamen.

[…]

U vraagt wat Tax voor werkzaamheden binnen de gemeente heeft gedaan. Dat weet ik niet.[…]

U vraagt wat Tax Beheer & Onderhoud doet. Iets in de openbare ruimte. In belijning en techniek. Ik weet niet wat de naam is van de Turkse man die mij heeft gevraagd of ik opdrachten binnen de gemeente

kon regelen. U noemt de naam [naam 3] . Ik weet het niet. U vraagt wanneer hij bij mij kwam. Dat weet ik niet exact.

Ik noem het een verkeerde manier van handelen zoals ik net verteld heb.[…]

U vraagt hoe het nu zit met de factuur van Tax die op mijn laptop is aangetroffen. Dat is zo’n voorbeeld waarbij ik niet zuiver heb gehandeld. Wat ik daarmee bedoel? Ik denk dat mij gevraagd is om de factuur

te maken voor Tax.[…]

In welke gevallen er geen prestatie is geleverd? Ik denk van Tax. Dat weet ik wel. Ik weet dat Tax meerdere facturen heeft ingediend waarvoor geen prestatie is geleverd. Ik weet niet precies hoeveel.

Meer dan 1.

Ik heb eigenlijk zelf meerdere facturen gemaakt voor Tax Beheer. Daarvan heb ik de datum wel aangepast. Daar heb ik niet zuiver in gehandeld. Ik had als doel om iemand te helpen. Hoeveel facturen ik heb gemaakt voor Tax? Ik weet het niet. Het zijn er meerdere. Ik heb ze niet allemaal gemaakt. Ik heb het template op een gegeven moment gedeeld met de Turkse persoon. Ik heb die Turkse man via [naam 6]

ontmoet. Ik heb het template aan de Turkse man gegeven. Ik heb hem via mijn netwerk ontmoet. Ik heb het template gedeeld. Ik had hem op een USB stick gezet. Ik weet niet of dat dezelfde removable stick

is, als dezelfde die u bent tegengekomen tijdens uw onderzoek. Ik heb de eerste factuur gemaakt voor Tax. U noemt het fraude. Ja, dat klopt. Ik besefte mij dat niet. Ik heb het template van de factuur gedeeld

zodat Tax zelf facturen kon indienen, U vraagt of Tax een keer iets wél heeft uitgevoerd voor de gemeente. Volgens mij hebben ze wel een keer belijning gedaan voor parkeren.”

24. In de hiervoor bedoeld e-mail van 28 mei 2019 waarmee [werknemer] de factuur heeft gestuurd aan de centrale crediteurenadministratie, en wel aan mevrouw [teammanager] , teammanager Crediteuren Inkoopadministratie, is door hem aangedrongen op spoedige afhandeling. Deze e-mail luidt als volgt (bijlage 4):

“Hoi [teammanager] ,

Er zijn een aantal facturen blijven liggen bij een medewerker.

Gezien wij richting maandafsluiting gaan wil ik vragen of deze facturen vandaag nog verwerkt kunnen worden en in de werklijst van [manager] geplaatst kunnen worden voor verdere afhandeling.

[manager] is hiervan al op de hoogte. Om de kosten op de juiste plek te alloceren is de boekingsaanwijzing vermeld op de facturen.

Kan jij mij een sein geven als dit zo ver is en dank je wel.

Ik stuur het naar jou vanwege de snelheid en omdat wij al zo laat zijn.”

25. Door zo te handelen heeft [werknemer] een zelf gemaakte factuur van Tax, wetende dat daar geen tegenprestatie tegenover stond, in het inkoop- en facturatieproces gebracht en geprobeerd druk uit te oefenen vanwege het “blijven liggen bij een medewerker”, wat onwaar was, en door te zeggen dat er haast was vanwege de “maandafsluiting” en “omdat wij al zo laat zijn” en vervolgens aangedrongen op “snelheid” met betalen.

25. Hier speelt verder een rol dat [werknemer] dit bewust getimed/georganiseerd moet hebben. Voor de betaling was nodig dat de factuur goedgekeurd werd door iemand die daarvoor gemandateerd was. Degene die moet kunnen beoordelen of er door Tax was gepresteerd of niet, was de projectleider contractenbeheer [projectleider] . Deze was op
28 mei 2019 met ziekteverlof. Dat had tot gevolg dat in Oracle, waarin de processen lopen, een “vakantieregel” was ingesteld, die inhoudt dat iemand anders de betaling kon goedkeuren. Door deze regel heeft projectondersteuner mevrouw [projectondersteuner] de factuur “doorgezet” naar de manager [manager] (p. 16) met de opmerking dat de factuur al door [werknemer] was goedgekeurd vanwege een correctie (die op de factuur door [werknemer] met de hand was bijgeschreven). [manager] , die dus niet inhoudsdeskundig was ten aanzien van het presteren van Tax (p. 11) heeft de factuur toen vervolgens in vertrouwen goedgekeurd.

ZSN

27. De handelwijze van [werknemer] ten aanzien van ZSN laat hetzelfde beeld zien.

27. ZSN was bij de projectleiders geen bekende leverancier van de gemeente. In Oracle is een e-mailbericht aangetroffen van 3 april 2015 afkomstig van [werknemer] gericht aan de [naam 4] met het verzoek om ZSN als nieuwe leverancier op te voeren. Voor deze leverancier werden vijf inkooporders aangemaakt door [werknemer] .(p. 31).

27. [werknemer] heeft op 28 november 2019 een factuur van ZSN naar zijn zakelijke
e-mailadres gestuurd en in circulatie gebracht bij de crediteurenadministratie (p. 30 en 31). Ook hiervoor heeft [werknemer] geen goede verklaring gegeven.

27. Deze factuur van ZSN voor een bedrag van € 72.585,48 was aanleiding voor het onderzoek dat tot het ontslag van [werknemer] heeft geleid. Deze factuur is gemaakt door een kennis van [werknemer] , de heer [naam 1] , en bewerkt door [werknemer] zelf (p. 34/36). Dit blijkt uit het volgende.

30.1

In de ochtend van 23 december 2019 heeft [werknemer] de factuur naar zichzelf gemaild. De pdf-factuur vermeldt de heer [naam 1] als “creator”, wat inhoudt dat hij deze factuur heeft gemaakt.

30.2

[werknemer] kent de heer [naam 1] privé. Daarover heeft [werknemer] eerst ontwijkend verklaard, maar later heeft hij schoorvoetend toegegeven dat hij [naam 1] privé kende. Zo heeft [werknemer] verklaard:

“U toont mij een factuur van ZSN Advies & Beheer met datum 31-10-2019 van € 72.585,48. U vraagt of ik het bedrijf ZSN Advies & Beheer ken. Nu u hem zo noemt, ik ken de naam.[…]

Ik ben gaan bellen. Ik ben gaan kijken naar de factuur en zag een telefoonnummer staan. Ik heb het 06-nummer gebeld. Ik kreeg [naam 1] aan de telefoon. Zijn achternaam? Volgens mij [naam 1] . Toen heb ik gebeld. Hij ging navraag doen en zou mij terugbellen. Hij belde mij terug. Hij zei dat de factuur onterecht was, omdat ze voor deze factuur al een creditfactuur gestuurd hebben.[…]

ZSN Advies & Beheer ken ik van naam zoals ik eerder heb gezegd, maar ik weet niet wat ze precies doen. U vraagt of ik eerder contact heb gehad met [naam 1] . Ik heb wel eerder contact met [naam 1] . Waarover? Over facturen. Wat voor facturen? Van ZSN Advies & Beheer. Als de manager mij vroeg of ik wilde controleren of de factuur klopt, dan belde ik [naam 1] . Ik bel wel vaker met leveranciers.

[…]

U zegt dat ik [naam 1] wel ken. Ja, dat klopt. Niet heel goed. Ik ken hem privé ja. Ik zit bij goede doelen en Rotary en zo. Ik weet niet of [naam 1] eigenaar is van ZSN Advies & Beheer. Alleen dat hij eraan verbonden is.[…]

U vraagt of ik [naam 1] al kende toen ik coaching ging volgen. Hij was niet de coach. Hij was wel verbonden aan Interpoint [hof: een andere onderneming die door Hoffmann is onderzocht] Ik kende [naam 1] alleen vanuit mijn netwerk. […]

Ik heb mensen vanuit mijn netwerk geholpen om binnen de gemeente komen, zodat ze opdrachten kregen. Zij vroegen of ik mensen kende binnen de gemeente zodat zij in contact konden komen om

opdrachten te krijgen. […] Dat was ook zo bij [naam 1] . Hij vroeg mij of ik hem wilde helpen. Ik heb gezegd dat ik zou kijken wat ik kon doen. Als je eenmaal binnen bent, dan moesten ze verder zelf regelen hoe ze opdrachten konden krijgen. […]

U zegt dat ik eerder heb gezegd dat ik niet weet wat ZSN Advies & Beheer doet. Hoe ik dan weten met wie ik [naam 1] in contact moest brengen? ZSN doet advies. Wat voor een advies? Advies op

HR-gebied en processen.”

31. Er is meer opmerkelijk aan deze factuur. Zo is de factuur op 23 december 2019 gemaakt, maar gedateerd op een eerdere datum, namelijk 31 oktober 2019. Op 23 december 2019 heeft [werknemer] deze factuur gescand, voorzien van de handgeschreven tekst “i.v.m. juiste kostenallocatie en correctie” en een “boekingsaanwijzingsnummer”. De tekst is ondertekend door [werknemer] . Door een factuur direct aan een boekingsaanwijzingsnummer te koppelen komt een factuur rechtstreeks in de workflow in Oracle van de verantwoordelijk manager (budgethouder) en wordt de factuur dus niet beoordeeld door iemand die inhoudelijk op de hoogte is, zoals een taakdirecteur of projectleider (p. 11, 2e bullit van onderen).

31. [werknemer] heeft deze factuur op 23 december 2019 in omloop gebracht en gemanipuleerd om deze betaald te krijgen. Dat blijkt uit het volgende.

32.1

Om 12.07 uur stuurde [werknemer] een e-mail aan [manager] en het hoofd van de afdeling Handhaving [naam 5] , met de mededeling dat er “weer wat correcties en juiste kosten allocatie facturen” en “Heeft geen invloed op budget, gaat om dat het zuiver is. Verzoek deze facturen goed te keuren.” Op hetzelfde tijdstip stuurde [werknemer] ook een e-mail naar mevrouw [teammanager] , teammanager Crediteuren Inkoopadministratie, met daarbij deze factuur met het verzoek om deze factuur vandaag nog in te boeken, waarop zij reageerde met “Komt goed”.

32.2

Om 12.50 uur liet mevrouw [teammanager] weten dat de factuur in de werklijst stond van mevrouw [adjunct manager] , adjunct manager afdeling Uitvoeringsbeleid en Projecten, als vervanger van de heer [manager] . Vervolgens stuurde [werknemer] een minuut later een e-mail aan mevrouw [adjunct manager] met het verzoek om de correctiefactuur vandaag nog goed te keuren.

32.3

Om 13.50 uur heeft mevrouw [adjunct manager] een e-mail gestuurd aan [werknemer] , met de heer [projectleider] , de heer [manager] en de heer [naam 5] in de cc. In de e-mail staat:

“Ik heb zoals beloofd de factuur naar jou teruggezet omdat [contractmanager] dit bedrijf niet kent. [...] Het bedrijf heeft geen website, lijkt gevestigd op een woonadres in [plaatsnaam] , en heeft een enorm vage omschrijving van het bestaansrecht [...] [contractmanager] en ik vinden het eigenlijk nogal verdacht! We zien ook dat ze sinds 2015 facturen sturen en dat ze soms ook zonder inkooporder maar direct met een boekingsaanwijzing worden betaald.”

32.4

Om 14.45 uur heeft [werknemer] aan mevrouw [adjunct manager] laten weten dat hij contact op zal nemen met de leverancier.

32.5

Volgens de e-mail van mevrouw [adjunct manager] heeft zij de factuur “zoals beloofd” teruggezet in de werklijst van [werknemer] . Als gevolg daarvan was hij technisch in staat de factuur goed te keuren. Deze mail sluit niet goed aan op wat [werknemer] over het in de werklijst zetten heeft gezegd, namelijk:

“Ik ben benaderd door mijn collega [adjunct manager] [hof: mevrouw [adjunct manager] ]. Zij had deze factuur in haar werklijst. Ze belde mij en vroeg naar de factuur. Volgens mij was de factuur bij [adjunct manager] terecht gekomen, omdat [manager] [hof: [manager] ] afwezig was. Ze had vragen over de factuur.

De contractbeheerder kende de factuur niet. [contractmanager] is de contractmanager, zoals u vraagt. Ik heb gezegd dat we gaan kijken wat er aan de hand is. Ik heb gezegd dat ze hem in de werklijst moest houden en ik zou het uitzoeken. Ze heeft de factuur toch geparkeerd in mijn werklijst.”

32.6

[werknemer] heeft voorts als volgt verklaard over wat er verder zou zijn gebeurd:

“Ik ben gaan bellen. Ik ben gaan kijken naar de factuur en zag een telefoonnummer staan. Ik heb het 06-nummer gebeld. Ik kreeg [naam 1] aan de telefoon. Zijn achternaam? Volgens mij [naam 1] . Toen heb ik gebeld. Hij ging navraag doen en zou mij terugbellen. Hij belde mij terug. Hij zei dat de factuur onterecht was, omdat ze voor deze factuur al een creditfactuur gestuurd hebben. In november al zei hij. Ik zei: oké, dan weet ik genoeg.[…] Toen heb ik een e-mailbericht gestuurd naar [adjunct manager] om aan te geven dat ik de leverancier had gesproken en hij had aangegeven dat de factuur onterecht was en dat er al een creditfactuur voor was gestuurd. Voor mij was het klaar. U vraagt of ik heb gecontroleerd of er een creditfactuur was. Ik heb de creditfactuur niet in

het systeem kunnen vinden. Ik heb [naam 1] toen teruggebeld en gezegd dat ik geen creditfactuur had. Ik heb toen een creditfactuurnummer gekregen. Ik heb niet gevraagd waarom de factuur fout was Hij zei alleen dat de factuur foutief was. Aan de hand van het creditfactuurnummer kon ik de creditfactuur alsnog niet vinden. Toen heb ik hem weer teruggebeld en vroeg ik of hij de creditfactuur nog een keer wilde opsturen. Als het goed is, is die factuur naar de afdeling crediteuren gestuurd.”

32.7

Deze verklaring van [werknemer] sluit niet goed aan op wat uit de stukken blijkt. Op 24 december 2019 om 14.59 uur en 15.09 uur heeft [werknemer] een creditfactuur van ZSN naar zijn eigen zakelijke e-mailadres gestuurd. De naam van de heer [naam 1] staat als “creator” van de creditfactuur vermeld en “content created” is 24 december 2019. Dat is opmerkelijk aangezien de datum op de creditfactuur 5 november 2019 is.

32.8

[werknemer] heeft de oorspronkelijke factuur toch goedgekeurd. Daarover heeft hij als volgt verklaard:

“De factuur stond inderdaad nog in mijn workflow geparkeerd, zoals u vraagt. Die staat er nog steeds in, want ik heb niets met die factuur gedaan. Samen met 20 of 30 andere facturen. [adjunct manager] vond het wel

een raar verhaal, maar vond het wel goed allemaal geloof ik. Deze factuur heb ik in mijn veronderstelling weer overgedragen aan [adjunct manager] , maar wat bleek, daar kwam ik later achter, ik heb op goedkeuren gedrukt. Ik heb mijn werklijst opgeruimd aan het einde van jaar. Ik had een fout gemaakt en deze factuur per ongeluk goedgekeurd. U vraagt hoe ik erachter kwam dat ik de factuur geaccordeerd had, daar kwam ik achter omdat ik mijn werk had gecontroleerd. Ik heb ook een mail gestuurd dat ik een fout had gemaakt. Ik heb aangegeven dat het verrekend moest worden met de creditfactuur.”

32.9

Deze verklaring van [werknemer] – met name op het punt van het per ongeluk goedkeuren – is naar het oordeel van het hof onjuist. Zo heeft [werknemer] op 2 januari 2020 juist nog aangedrongen op betaling, met een e-mail van 16.14 uur aan mevrouw [senior medewerker] , senior medewerker transactieverwerking, met de volgende inhoud:

“Ik ben gebeld en Factuur 20190412 blijkt nog niet betaald te zijn. Waarom? De factuur is correct en de opdracht dat het uitgevoerd en gefactureerd wordt door de onderaannemer ook. Ik heb dit al eerder uitgezocht vandaar dat ik als controller ook aangaf dat het correct is. Kan ervoor gezorgd worden dat dit betaald wordt zodat dit ook in 2019 afgehandeld is.”

32.10

Om 16.32 uur heeft mevrouw [senior medewerker] de e-mail doorgestuurd aan mevrouw [teammanager] , waarna [werknemer] zelf ook nog een e-mail naar mevrouw [teammanager] stuurde met de tekst: “Kan onderstaand afgehandeld worden”.

32.11

Op 3 januari 2020 om 06.41 uur reageerde mevrouw [teammanager] aan [werknemer] dat hij contact op moest nemen met de heer [hoofd planning] , Hoofd Planning & Business Control. Kennelijk om problemen te voorkomen heeft [werknemer] om 10.25 uur een e-mail gestuurd aan mevrouw [senior medewerker] , en mevrouw [teammanager] in de cc, waarin hij schreef:

“Om verwarring vanuit mijn kant te voorkomen omdat het in onderstaand mail niet helder is geformuleerd dient de betaling wel plaats te vinden tegen de creditfactuur 20190425CR datum 05/11/2019.”

32.12

Hierna liet mevrouw [teammanager] aan [werknemer] weten dat de factuur niet betaald zou worden en deed zij nogmaals de mededeling dat hij contact op moest nemen met de heer [hoofd planning] , wat niet is gebeurd.

33. Van belang voor de betekenis van de handelwijze van [werknemer] is wat [naam 1] heeft verklaard over de samenwerking met [werknemer] . De gemeente heeft tegen [naam 1] een procedure aangespannen over betalingen aan een andere onderneming, te weten Interpoint. Deze onderneming heeft Hoffmann ook betrokken in het onderzoek naar [werknemer] en is tot gelijksoortige bevindingen gekomen als hier ten aanzien van Tax en ZSN. Dat onderzoek is verder niet relevant. Wel is relevant wat [naam 1] in genoemde procedure bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd, waaronder:

“5. Kort daarop ontving [naam 1] ongevraagd van [werknemer] , een door [werknemer] gefabriceerde factuur op naam van Interpoint. Met het opstellen van de factuur heeft Interpoint geen enkele bemoeienis gehad. Vervolgens volgde betaling van die factuur door de Gemeente. [werknemer] liet weten dat hij 65% van het factuurbedrag wilde hebben. Interpoint heeft de verschuldigde btw over de gehele factuur aan de belastingdienst afgedragen. Van het restant is 65% aan [werknemer] voldaan. Kort daarna volgde nog een factuur. Vanaf het begin had [naam 1] geen goed gevoel bij deze facturen. Nadat twee op de voren geschetste wijze door [werknemer] aangeleverde facturen door de Gemeente waren betaald, heeft [naam 1] aan [werknemer] laten weten dat hij ermee wilde stoppen. Kort daarop werd [naam 1] door [werknemer] bedreigd. [werknemer] zou niet alleen het bedrijf van [naam 1] kapot maken maar ook zijn gezin.”

34. Deze verklaring van [naam 1] is door [werknemer] onvoldoende gemotiveerd weersproken.

34. Volledigheidshalve, maar strikt terzijde – het is voor de beoordeling van de dringende reden niet (mede) beslissend – zal het hof nog ingaan op het feit dat [werknemer] beschikte over een bedrag van € 120.000,-- aan contant geld. Dat is voor een persoon met het salaris van [werknemer] een zeer aanzienlijk bedrag, zeker om als contant geld aan te houden. Het vermoeden is gerechtvaardigd dat er een verband is met de handelwijze van [werknemer] , bijvoorbeeld ten aanzien van de in het geding zijnde facturen van onder meer Tax en ZSN in die zin dat de door de gemeente ten onrechte betaalde bedragen in ieder geval ten dele aan [werknemer] ten goede zijn gekomen. Het had op de weg van [werknemer] gelegen hierover duidelijkheid te geven. Dat heeft [werknemer] niet gedaan omdat het geld naar zijn zeggen spaargeld is en een privé-zaak betreft. Dit laatste is zo vaag en algemeen dat dit het hof niet overtuigt.

34. Naar het oordeel van het hof is de handelswijze van [werknemer] inzake Tax en ZSN elk op zichzelf beschouwd, maar ook in samenhang, een dringende reden in de zin van de ontslagbrief. [werknemer] heeft een ongepaste rol gespeeld in het inkoop- en facturatieproces en daarmee de gemeente, die heeft betaald voor niet geleverde diensten, ernstig benadeeld. Op de andere in het rapport Hoffmann besproken gevallen hoeft dus verder niet in te worden gegaan.

34. Wat [werknemer] verder met de grieven betoogt doet aan het bestaan van een dringende reden niet af, omdat het andere kwesties betreft dan die de gemeente aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. Wat [werknemer] aanvoert gaat erover hoe er in de alledaagse praktijk werd omgegaan met facturen, in het bijzonder in Oracle en over de voorgeschreven procedures, om tot betaling van deze facturen te komen. [werknemer] bespreekt deze onderwerpen afzonderlijk en op zichzelf beschouwd, maar miskent dat het in deze zaak gaat om zijn feitelijke rol ten aanzien van het tot betaling komen van concrete gevallen van valse facturen van onder meer Tax en ZSN. Het gaat er dus niet om of er in de praktijk steeds volgens de regels wordt gewerkt. De gefragmenteerde voorstelling van zaken door [werknemer] over deze onderwerpen leidt af van de kern van de zaak en is niet relevant voor het bestaan van de dringende reden. Het hof passeert daarom het daarop gerichte bewijsaanbod.

34. Uit het voorgaande volgt dat het hof niet toekomt aan het voorwaardelijke verzoek van de gemeente, omdat de voorwaarde daarvoor niet is vervuld.

34. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. Bij deze uitkomst past dat [werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep wordt veroordeeld. De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals verzocht.


Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de tussen partijen op 1 juni 2020 gewezen beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag;

  • -

    veroordeelt [werknemer] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 772,-- aan griffierecht en € 2.228,-- aan salaris advocaat (2 punten, tarief II);

  • -

    wijst de bij wijze van eiswijziging in hoger beroep voor het eerst gedane verzoeken van [werknemer] af;

  • -

    verklaart deze beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, A.M.A. Verscheure en
B. Barentsen en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 november 2021 in aanwezigheid van de griffier.