Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:21

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
BK-20/00397
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:3205, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2013 giften aan een instelling opgevoerd als aftrekpost. De Inspecteur heeft de giften na door belanghebbende verstrekte giftkwitanties in aftrek toegestaan. De Inspecteur heeft de aftrek teruggenomen met een navorderingsaanslag en daarbij een vergrijpboete opgelegd. Uit strafrechtelijk onderzoek volgt dat op grote schaal giftkwitanties van de instelling werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. In hoger beroep is enkel nog in geschil of de vergrijpboete terecht is opgelegd. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte zich er van bewust is geweest dat de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was. De boete van 75% (50% + 25% strafverzwaring wegens het gebruikmaken van falsificaties) is passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-01-2021
NTFR 2021/936 met annotatie van mr. J.W. Bosman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00397

Uitspraak van 12 januari 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] , […] en […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 februari 2020, nummer SGR 19/4635.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.782. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 348 aan belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 1.873.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag en de beschikkingen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De beslissing van de Rechtbank luidt:

"De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen de boetebeschikking gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de boetebeschikking;

- vernietigt de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.572;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden."

1.4.

De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, geen verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 oktober 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 een bedrag van € 6.100 aan (contante) giften aan de [stichting] ( [stichting] ) aangegeven. Na aftrek van de drempel van € 577 resteerde een aftrekbare gift van € 5.523.

2.1.2.

De [stichting] stond in 2013 geregistreerd als Algemeen nut beogende instelling (ANBI).

2.2.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende verzocht om schriftelijke bewijsstukken van de in de aangifte opgenomen giften. Belanghebbende heeft in reactie op de vragenbrief vier kopieën van kwitanties van de [stichting] verstrekt. De kwitanties vermelden een donatie van € 3.500 met dagtekening 26 maart 2013, een donatie van € 1.250 met dagtekening 28 april 2013, een donatie van € 750 met dagtekening 26 juni 2013 en een donatie van € 600 met dagtekening 27 juli 2013.

2.2.2.

Belanghebbende heeft tevens een kopie van een e-mail van de Inspecteur aan de penningmeester van de [stichting] van 13 februari 2014 verstrekt. In de e-mail is – voor zover van belang – het volgende opgenomen.

"Geachte [penningmeester, Hof],

Uiteraard zijn de donaties die te goeder trouw zijn gedaan aftrekbaar. Ook bij intrekking van de ANBI-status met terugwerkende kracht. Mijn collega’s kunnen echter de per kas gedane donaties verifiëren met de kas-ontvangsten van [stichting] . De door mij verzamelde informatie is namelijk voor alle belastingmiddelen te raadplegen.

Zoals u wellicht bekend is, is alleen het tonen van een kwitantie niet altijd voldoende. Men zal ten alle tijden moeten aantonen dat de storting daadwerkelijk is gedaan.

Verificatiemiddelen zijn o.a. bankopnamen, inkomsten en derdencontroles (zoals bij [stichting] ).

Indien niet (voldoende) wordt aangetoond dat de donatie is gedaan, is mogelijk sprake van

ten onrechte in aftrek gebrachte giften, en kan zelfs in bezwaar- en beroepsfase omkering

bewijslast gelden.

Dit is gebaseerd op reguliere wet- en regelgeving.

U kunt uw donateurs mededelen dat alle tot en met 2013 daadwerkelijk gedane donaties aftrekbaar zijn in de inkomstenbelastingsfeer. Ik ga ervan uit dat ze de gedane giften op de hierboven genoemde wijze voldoende kunnen aantonen. U kunt immers niet weten wat uw donateurs in aftrek brengen, aangezien u slechts bekend kunt zijn met hetgeen door [stichting] daadwerkelijk is ontvangen en als zodanig in de (kas-)administratie is verwerkt. Voor deze ontvangsten zijn immers kwitanties uitgereikt.

Ik heb u overigens ook reeds medegedeeld dat de administratieve (kas)verwerking bij [stichting] tekortkomingen heeft. Dit is reeds enkele keren met u besproken en mijn bevindingen en standpunten kunt u teruglezen in mijn verslag van onderzoek ANBI. Dit verslag, dat naast de brief met intrekking geldt als extra motivering van intrekking en als informatie om in de toekomst mogelijk wel te kunnen voldoen aan de aan een ANBI gestelde voorwaarden, ontvangt u binnenkort."

2.3.

De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2013 met dagtekening 23 oktober 2014 vastgesteld conform de aangifte naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.259.

2.4.1.

De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van de [stichting] . Daaruit bleek ten aanzien van het jaar 2012 dat belastingplichtigen gezamenlijk voor ten minste een bedrag van € 3.000.000 aan giften aan de [stichting] in aftrek hadden gebracht terwijl in de jaarstukken van de [stichting] voor dat jaar een bedrag van € 591.210 aan ontvangen giften was verantwoord. Voorts bleek dat de [stichting] in het jaar 2012 meer kwitanties (in totaal 2.500) had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord (531) en dat de [stichting] in de jaarstukken voor 2013 een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in aangiften IB/PVV van diverse belastingplichtigen in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] was aangegeven. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 17 mei 2016.

2.4.2.

Omdat de administratie van de [stichting] ernstige gebreken vertoonde is de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.

2.4.3.

In januari 2015 is de FIOD gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ). Uit die onderzoeken bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften.

2.5.1.

Voormelde bevindingen (2.4.1 en 2.4.3) zijn aanleiding geweest voor de FIOD om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV ( [FIOD-onderzoek 3] ).

2.5.2.

De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn door de FIOD opgenomen in een proces-verbaal, met dossiernummer 57425. De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De resultaten van het onderzoek zijn op 23 april 2018 ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/kantoor Den Haag. Het (geanonimiseerde) proces-verbaal met bijlagen is door de Inspecteur verstrekt op een CD-rom (het FIOD-rapport).

2.5.3.

Belanghebbende is in voormeld onderzoek niet als verdachte aangemerkt noch is hij als getuige gehoord.

2.6.

In het FIOD-rapport zijn proces-verbalen van verhoor van verdachten opgenomen uit de strafrechtelijke onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] . De verdachten hebben onder andere verklaringen afgelegd over de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.6.1.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 1] (blz. 2040 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"[…] is belastingadviseur en hij werkt samen met de [stichting] met betrekking tot het kopen van kwitanties. Hij koopt de kwitanties in voor 10% en verkoopt ze voor 12 tot 15% aan zijn klanten zodat zij dit kunnen aftrekken van de belasting."

2.6.2.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 2] (blz. 2140 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"Ik ga u alles vertellen in 2011, 2012 en 2013 heb ik kwitanties gekocht bij [stichting] . Dit was niet voor 10% maar voor 15% of zelfs 20% procent weet ik niet meer zeker. Het zijn allemaal oplichters van die stichtingen. Ze stoppen alles in de eigen zak en melden niets aan de Belastingdienst. In 2011 heb ik geld betaald aan [de bestuurder/directeur] van de [stichting] . In 2012 en 2013 heb ik geld betaald aan [de penningmeester] van de [stichting] . De door mij overgelegde kwitanties over het jaar 2013 van de [stichting] heb ik van die [penningmeester] gekregen. Dit geld heb ik op de [adres] in [woonplaats] betaald. De kwitanties heeft [de penningmeester] mij op het adres aan de [adres] waar de [stichting] is gevestigd gegeven."

2.6.3.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 3] (blz. 1900 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, voor zover van belang:

"Opmerking verbalisanten: Uit onderzoek is naar voren gekomen dat uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn ingediend vanaf het IP-adres van de [stichting] .

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

"Omdat ik slecht Nederlands spreek, ben ik door diverse mensen geadviseerd om naar de [stichting] te gaan. Ik ging naar de [stichting] om mijn aangiften in te laten vullen.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2011 op uw naam bij de Belastingdienst ingevuld en ingediend?

Antwoord gehoorde:

"Ik ben eerlijk, maar toen ik daar kwam waren het elke keer andere mensen. Er waren allemaal kleine hokjes en daar werd het ingevuld. Ik ben daar gewoon naartoe gegaan, maar ik ken daar helemaal niemand. Ik kan dus niet zeggen wie dat voor mij ingevuld heeft. Op de dag dat ik mijn aangifte liet invullen, kreeg ik de twee kwitanties die ik u zojuist heb overhandigd. De data op de kwitanties hebben zij van de [stichting] erop gezet. Ik heb in ieder geval niet op die data betaald. Ik heb in één keer € 300 of zo betaald. Ik weet niet meer precies hoeveel ik heb betaald maar ik dacht iets van 12 of 15% van € 2.500. Ik heb mijn DigiD code en wachtwoord aan de medewerker van de [stichting] gegeven en die heeft vervolgens mijn aangifte ingediend. Dat ging elk jaar zo."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2012 staat in het onderdeel 'giften' een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

"Daarvoor geldt hetzelfde als het jaar 2011. Ik denk dat ik daar ook ongeveer € 300 voor betaald heb."

(…)

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2012 staan de data 10-03-2012 en 15‑11‑2012. Uw aangifte inkomstenbelasting 2012 is gedaan op 9 maart 2013.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2013 staat in het onderdeel ‘giften’ een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Ook hier heb ik maar € 300 of € 350 voor betaald."

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2013 staan de data 23-02-2013 en 24‑05‑2013. Uw aangifte inkomstenbelasting 2013 is gedaan op 26 februari 2014.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

2.7.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "aangetroffen belastingaangiften en correspondentie op de PC van de [stichting] " (blz. 930 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Resumé

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, te weten dat:

(…)

 […] zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 voor € 50 in heeft laten vullen door/bij de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] een gift is opgenomen van € 3.000;

 […] € 300, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is ingediend;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] die bij de Belastingdienst is ingediend, is verzonden vanaf één van de computers van de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] een gift is opgenomen van €1.000;

 […] € 100, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De kwitantie op naam van […] met nummer [xxx] gelet op de verklaring van [de penningmeester] vermoedelijk valselijk is opgemaakt;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is gedaan;

(…)"

2.8.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "onderzoek in administratie [stichting] " (blz. 747 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"In verband met dit onderzoek heeft op 13 december 2016 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de [stichting] , waarbij diverse administratie in beslag is genomen. Ik heb verhuisdoos 1 met boekingsnummer C.22.02.01 van object C van totaal 21 dozen nader onderzocht.

(…)

Resumé

 De [stichting] neemt niet alle door hun afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties naar aanleiding van contante stortingen op in het kasboek van de [stichting] .

 Meerdere malen wordt slechts het bedrag of een gedeelte van het bedrag wat vermeld staat op 1 donatieformulier of op het bewijs van donatie opgenomen in het kasboek van de [stichting] ;

 Uit onderstaande tabel is op te maken dat ongeveer 22% procent van de afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties verantwoord is in het kasboek van de [stichting] ;

 (…)"

2.9.

Het FIOD-rapport bevat een op 16 april 2015 bij de FIOD binnengekomen anonieme melding, met nummer 35.04946 (blz. 4180) met de volgende mededeling:

"Belastingfraude door […]. Het gaat om giften/donaties aan de [stichting] te [woonplaats] . De ontvangstbewijzen die ontvangen zijn van de [stichting] zijn meermalen vervalst en gebruikt voor meerdere personen om belastingteruggaaf aan te vrahen (lees: vragen, hof) (alsof zij deze giften/bedragen ook hebben betaald)"

2.10.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "Vergelijking opbrengst donaties Stichting [stichting] " (blz. 469 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Ontvangst Excelbestand en kwitanties [stichting]

(…)

De Belastingdienst heeft, onder andere over het jaar 2014, diverse kwitanties op naam van de Stichting [stichting] en een Excelbestand aan de FIOD ter beschikking gesteld.

(…)

Uit onderzoek in het Excelbestand is naar voren gekomen dat er op naam van de [stichting] in de periode 1 januari 2014 tot en met 6 januari 2014 in totaal 232 kwitanties zijn uitgeschreven, die een gezamenlijke waarde van € 564.820 vertegenwoordigen.

Vergelijking donaties 2014 met voorliggende Jaren

Ik heb het aantal boekingen, dat over de jaren 2008 tot en met 2013 in de periode 1 januari tot en met 6 januari in de administratie van de Stichting [stichting] is gedaan, vergeleken met het aantal kwitanties, dat in dezelfde periode in 2014 is uitgeschreven.

Ik zag daarbij dat het aantal boekingen in de administratie over de jaren 2008 tot en met 2013 sterk afwijkt van het aantal kwitanties, dat in 2014 is uitgeschreven. Zie onderstaande tabel.

Jaar

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Data van de boekingen

1, 4 en 5 januari

5 en 6 januari

2, 3 en 5 januari

1, 3,4 en 5 januari

4 en 6 januari

1 t/m 6 januari

Aantal boekingen

7

5

3

13

6

0

232

Bedrag boekingen

€ 9.300

€ 5.450

€ 3.450

€ 13.900

€ 5.250

€ 0

€ 564.820"

2.11.1.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn diverse telefoons in beslag genomen. Het FIOD-rapport (blz. 34) vermeldt hierover, onder meer:

"In diverse telefoons die bij de doorzoeking van de woning van [de penningmeester] in beslag werden genomen zijn tekstberichten aangetroffen waarin wordt gesproken over het aankopen van kwitanties en het percentage wat daarvoor moet worden betaald. Ook zijn er berichten aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat anderen de kwitanties namens belastingplichtigen aankopen."

2.11.2.

Het FIOD-rapport bevat (de vertaling van) de tekstberichten die op de in beslag genomen telefoons zijn gevonden. Het FIOD-rapport bevat onder meer een vertaling van de volgende sms-berichten (blz. 4259, 4261 en 4262):

"*

Folder

Party

Time

(…)

(…)

Message

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

32

Inbox

From

[…]

20-3-2014

21:34:43(…)

Read

Hallo […] Je zou een bon opstellen voor […]. Ik heb de datums genoteerd van de gelden die ik van de bank heb opgenomen. Zou je het na vrijdag kunnen regelen als ik morgen even langskom?

7500 opname op 11.10.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 29.09.2013

2000 opname op 18.12.2013

1000 opname op 17.06.2013

1000 opname op 16.07.2013

1000 opname op 25.07.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 02.10.2013

(…)

33

Sent

To

[...]

20-3-2014

21:35:48 (…)

Sent

Hallo broer, is goed. Ik heb het gereed. Zou je mij je adres en het totaalbedrag van wat je wilt willen doorgeven?

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

54

Inbox

From

[...]

4-7-2014

22:26:10 (…)

Read

Hallo meneer

24-03-2013 800 euro

23-04-2013 1000 euro

10-06-2013 700 euro

(…)

55

Sent

To

[...]

4-7-2014

22.:27:19

Sent

Hallo hoca, Dankjewel. U kunt het morgenavond op komen halen. Gegroet

(…)"

2.12.

Het FIOD-rapport bevat een "TCI proces-verbaal" van het Team Criminele Inlichtingen (blz. 504 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, onder meer:

"Bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD is in de maand maart 2016 via één informant de navolgende Informatie binnengekomen:

'De leiding van de [ [stichting] ] is op de hoogte van de belastingfraude door middel van de verkoop van valse giftenkwitanties op haar naam. Vals opgemaakte stukken worden ondertekend en gestempeld door […]. Nu de [stichting] geen ANBI meer is, worden andere stichtingen gebruikt voor deze fraude"

2.13.1.

Het FIOD-rapport bevat een handgeschreven kasadministratie, aangeduid als DOC‑480 (blz. 3614 e.v.). Dit kasboek bevat de contante inkomsten en uitgaven van de [stichting] in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Het FIOD-rapport bevat voorts een overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties voor het jaar 2013, aangeduid als DOC-433 (blz. 3399 e.v.).

2.13.2.

De penningmeester heeft over voormelde administratie en voormeld overzicht onder meer verklaard:

a. FIOD-rapport, blz. 1518-1526:

"Ik had zelf een administratie ontwikkeld in excel. Pas toen wij een ANBI controle kregen zijn wij de administratie gaan ontwikkelen. In 2012 als er dan iemand kwam voor een of meerdere kwitanties dan werd deze door mij uitgeschreven en schriftelijk geboekt in een doorschrijf kasboek. Ik boekte dan het bedrag dat wij daadwerkelijk ontvingen. Dus voor een kwitantie van € 1.000 boekte ik een ontvangst van € 100. (…) Later werd door mij het daadwerkelijke bedrag op de kwitantie geboekt. Ik maakte hiervoor een excel bestand aan dat op de computer stond van de [stichting] in dit bestand zette ik het bedrag van de kwitantie, zodat ik kon bijhouden wat er gebeurd was voor als de mensen kwamen voor onder andere donatieverklaringen. (…)"

b. FIOD-rapport, blz. 1535:

"Opmerking verbalisanten:

Wij tonen u een Excel bestand welke is gerelateerd aan donatiekwitanties die door de [stichting] aan derden zijn verstrekt. In het Excel bestand zijn de kwitantienummers, datum van afgifte, naam donateur en het gedoneerde bedrag opgenomen. (Het Excelbestand wordt onder DOC-511 opgenomen in het dossier)

Vraag verbalisanten: Kunt u aan de hand van dit overzicht aangeven of de geldbedragen vermeld op de bijbehorende kwitanties, in combinatie met de vermelde persoonsnamen, daadwerkelijk zijn gedoneerd aan de [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

"Van de lijsten die u mij nu laat zien met de namen en bedragen kan ik zeggen, dat niemand hierop deze lijst dat bedragen echt daadwerkelijk aan de [stichting] betaald heeft zij hebben van deze bedragen slechts 10% of 12% betaald zoals ik eerder heb verklaard. Ik heb al eerder gezegd dat er slechts een handjevol mensen is die daadwerkelijk het volledige bedrag heeft betaald maar dat betreffen bedragen van maximaal 300 of 400 euro. Als er in het kasboek kleine bedragen opgenomen zijn en daar staan soms geen kwitanties tegenover, dan is dat omdat deze mensen dit ook niet in aftrek wilden nemen bij de belastingdienst."

c. FIOD-rapport, blz. 1557:

"Vraag verbalisanten: Op 6 januari 2014 is de ANBI status van de [stichting] ingetrokken. Er zijn meerdere kwitanties aangetroffen die zijn voorzien van een datum gelegen in de periode 1 tot en met 6 januari 2014. Zijn al deze kwitanties valselijk opgemaakt?

Antwoord gehoorde:

"Niet allemaal, er zijn ook donaties die echt zijn gedaan. Ik kan mij nu niet herinneren wie dat zijn geweest. Ik heb het dan over de kwitanties vanaf 2012 die onder de € 500 zijn, alles wat daarboven is, is vals. Dit geld voor alle kwitanties die u heeft aangetroffen. Jullie kunnen uit de kasboeken uitvissen welke bedragen echt zijn gedoneerd. Dat boek klopt namelijk wel."

2.13.3.

Het FIOD-rapport vermeldt onder meer nog het volgende over de administratie bij de [stichting] (blz. 33):

"Naast de vermoedelijk achteraf opgestelde donatieoverzichten zijn over de periode

(…) december 2013 tot en met december 2016 handgeschreven kasboeken bijgehouden. Het vermoeden bestaat dat in dat kasboek de juiste bedragen zijn vermeld. De gegevens van dit kasboek zijn ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek in een Excel-bestand verwerkt en digitaal bij het dossier gevoegd. In deze kasboeken staan inkomsten en uitgaven vermeld.

(…) Bij onderzoek van de inkomsten die zijn vermeld in de kasboeken is vastgesteld dat over de periode december 2013 tot en met december 2016 totaal 1.192 mutaties zijn opgenomen met de omschrijving 'donatie'. Het totaalbedrag van deze 1.192 donaties is € 489.087,70. Het is opvallend dat het grootste deel van deze donaties kleiner is dan € 500."

2.14.

In eerste aanleg heeft de Inspecteur drie (geanonimiseerde) verslagen van

hoorgesprekken met belastingplichtigen overgelegd (bijlage 25). De verslagen bevatten

verklaringen van de belastingplichtigen over (hun deelname aan) de handel in giftkwitanties

bij de [stichting] .

2.14.1.

Het "verslag van het horen op vrijdag 13 juni [juli; Hof] 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

4. (…) Hij vertelt dat hij één keer per week naar toespraken op de [stichting] ging. Na afloop van de toespraak werd aan de toehoorders vertelt dat zij de [stichting] konden helpen. In ruil voor deze donaties werd er een hoger bedrag op de kwitantie geschreven. Wanneer er een bedrag van € 300 werd betaald, werd er op de kwitantie € 3.000 vermeld. (…)"

2.14.2.

Het "verslag van het horen op donderdag 9 augustus 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

3. Voor de aankoop van zijn woning is hij in contact gekomen met Advieskantoor […] via iemand genaamd […] (…) Ze waren behulpzaam en gaven goede adviezen. De heer […] hielp hem met zijn hypotheek en […] hielp hem met het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2013. Bij het indienen van de aangifte kreeg hij van […] het advies om te doneren aan de [stichting] .

De [belastingplichtige] deelde hen mee dat hij daarvoor geen financiële middelen had. […] deelde hem daarop mee dat het ook anders kon, namelijk eerst het bedrag in aftrek brengen in de aangifte, afhankelijk van de teruggaaf zou dan een bedrag aan de [stichting] worden gedoneerd. De kwitantie hiervoor zou dan achteraf geregeld worden (…)."

2.15.

In eerste aanleg heeft de Inspecteur bladzijde 3735 van het

FIOD-rapport ingediend. Deze bladzijde betreft de onder 2.13.1 genoemde

handgeschreven kasadministratie (DOC-480) en vermeldt een bedrag van € 610 met

omschrijving "Donatie [belanghebbende, Hof]" en datum 9 maart 2014.

2.16.

Voorts heeft de Inspecteur bij het verweerschrift de bladzijden 3409, 3414, 3423 en 3429 van het FIOD-rapport gevoegd (bijlage 26). De bladzijden betreffen een deel van het onder 2.13.1 genoemde overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties (DOC-433) in het jaar 2013. Dit overzicht vermeldt de volgende bedragen onder vermelding van de naam van belanghebbende: € 3.500 op 26 maart 2013, € 1.250 op 28 april 2013, € 750 op 26 juni 2013 en € 600 op 27 juli 2013.

2.17.

Bij brief van 12 oktober 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij over het jaar 2013 een navorderingsaanslag zal opleggen waarbij de giftenaftrek ter zake van de [stichting] is gecorrigeerd. Verder heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen als bedoeld in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van 75% van de nagevorderde belasting.

2.18.

Vervolgens is met dagtekening 25 november 2017 de navorderingsaanslag opgelegd en zijn gelijktijdig de boetebeschikking met een boete van 75% van de nagevorderde belasting en de beschikking belastingrente vastgesteld.

2.19.

De toenmalige advocaat van belanghebbende heeft bij de motivering van het bezwaar kopieën van bankafschriften verstrekt. Uit deze, deels onleesbare, bankafschriften blijken de volgende opnames in 2013: € 1.000 (17-03), € 250 (19-03), € 200 (22-03), € 1.000 (25-03), € 150 (20-04), € 150 (22-04), € 150 (26-04), € 880 (28-04), € 400 (26-06), € 250 (12-07), € 250 (21-07) en € 250 (27-07), in totaal € 4.930.

2.20.

De Inspecteur heeft in eerste aanleg een lijst ingebracht met een overzicht van de giften die belanghebbende in zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2018 in aftrek heeft gebracht:

"Jaar

Bedrag in €

Soort

omschrijving

2008

45

Periodieke giften

[A]

2009

0

2010

0

2011

48

Periodieke giften

[A] [plaats]

2012

0

2013

6100

Andere giften

[stichting]

2014

0

2015

0

2016

0

2017

0

2018

0"

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"Nieuw feit

11. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan ingevolge artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Awr de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Op grond van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Awr kan een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

12. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, rust op [de Inspecteur]. Op grond van vaste rechtspraak is [de Inspecteur] niet gehouden onderzoek te doen naar de juistheid van een ingediende aangifte indien voor de daarin opgenomen posten een redelijke verklaring mogelijk is. [De Inspecteur] mag er in dergelijke gevallen van uitgaan dat de belastingplichtige zijn aangifte, juist, volledig en zonder voorbehoud heeft ingevuld. Op grond van de door [belanghebbende] voor het jaar 2013 overgelegde stukken heeft [de Inspecteur] niet hoeven te betwijfelen of de giften daadwerkelijk waren gedaan en dat deze voor aftrek in aanmerking kwamen. Niet gebleken is dat [de Inspecteur] reeds ten tijde van het opleggen van de aanslag op de hoogte was dan wel behoorde te zijn van eventuele onregelmatigheden in de door de [stichting] afgegeven kwitanties. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de aanslag is opgelegd ruim voordat op 17 september 2015 werd besloten onderzoek te doen naar het valselijk opmaken van kwitanties en/of donatieverklaringen door de [stichting] en dat de uitkomsten van dat onderzoek pas in 2017 door de officier van justitie zijn vrijgegeven voor fiscale doeleinden. Pas na het opleggen van de aanslag heeft [de Inspecteur] dus de beschikking gekregen over de bevindingen van de FIOD. Dat betekent dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Awr en dat [de Inspecteur] de navorderingsaanslag heeft mogen opleggen.

Giftenaftrek

13. Ingevolge artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Ingevolge artikel 6.33, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6.33, eerste lid, onder b in samenhang met artikel 6.35 van de Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

14. Niet in geschil is dat ten tijde van de gestelde giften de [stichting] de ANBI-status had en dat de omstandigheid dat die ANBI-status op 6 januari 2014 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is ingetrokken, op zichzelf niet aan de giftenaftrek in de weg staat.

15. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op [belanghebbende]. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals [de Inspecteur] terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. [Belanghebbende] wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] die worden bevestigd door verklaringen van anderen, kan aan de kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. Weliswaar staat niet onomstotelijk vast dat ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van onjuiste kwitanties, maar evenmin kan met zekerheid worden gesteld dat de kwitanties volledig in overeenstemming zijn met wat zij daadwerkelijk aan de [stichting] heeft geschonken. Aan de kwitantie kan daarom op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. Ter onderbouwing van de kwitanties wijst [belanghebbende] op de overgelegde bankafschriften en stelt hij dat de daarop vermelde kasopnamen corresponderen met de kwitanties. [De Inspecteur] betwist deze stelling van [belanghebbende] en wijst daartoe op de inhoud van het FIOD-PV. Daaruit ontstaat het beeld van een werkwijze waarbij de kwitanties feitelijk met terugwerkende kracht werden opgesteld door de hoogte van de schenking en de datum van de schenking vooraf met de penningmeester af te stemmen aan de hand van bankafschriften waarop reeds contante opnames zijn vermeld. Niet kan worden uitgesloten dat dit ook in het geval van [belanghebbende] is gebeurd. [De Inspecteur] heeft dan ook voorbij kunnen en mogen gaan aan de bankafschriften. Nu [belanghebbende] geen andere bewijsstukken heeft overgelegd, is hij niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan. [De Inspecteur] heeft dan ook op goede gronden de giftenaftrek gecorrigeerd en de navorderingsaanslag opgelegd.

Vergrijpboete

16. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

17. Op [de Inspecteur] rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [belanghebbende] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangifte afgetrokken giften en dat de aanslag daardoor tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van [belanghebbende] maakt [de Inspecteur] gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [stichting] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. [De Inspecteur] wijst voorts op het Excelbestand met de uitgeschreven kwitanties waarin de naam van [belanghebbende] vier maal is vermeld en op het handgeschreven kasboek waarin is vermeld dat [belanghebbende] op 9 maart 2014 een betaling van € 610 heeft gedaan. Dit bedrag komt overeen met 10% van de in de aangifte over het jaar 2013 opgenomen giften. Het gegeven dat rond de datum van indiening van de aangifte van een eerder jaar een betaling van 10% tot 12% van het kwitantiebedrag in de kasadministratie wordt aangetroffen, is een dikwijls terugkerend fenomeen en een bewijs van de stelselmatige frauduleuze aanpak, aldus [de Inspecteur].

18. Op zichzelf mag [de Inspecteur] gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de [stichting] . Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de [stichting] zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen en dus ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van onjuiste kwitanties en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Zoals [belanghebbende] terecht heeft aangevoerd, kan niet worden uitgesloten dat de penningmeester een deel van de bedragen die door donateurs werden geschonken en waarvoor kwitanties zijn uitgereikt, in eigen zak heeft gestoken. Onder die omstandigheden zou het accepteren van de bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op [belanghebbende] komt te rusten. [De Inspecteur] is dan ook niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van [belanghebbende] is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

Rentebeschikking

19. Niet is gebleken dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep voor wat betreft de boetebeschikking gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is nog slechts in geschil of de vergrijpboete terecht is opgelegd. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.

4.2.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de vergrijpboete en de veroordeling tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

4.3.

Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.1.

De Inspecteur kan op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een boete opleggen van ten hoogste 100% indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast hiervan rust op de Inspecteur.

5.1.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. De rechtspraak van het EHRM laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. De belanghebbende moet wel een redelijke mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren en het gebruik van vermoedens mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat de inspecteur bij het bewijzen van de opzet of grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. HR 18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet de uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272).

5.2.

Aangezien de Inspecteur primair heeft gesteld dat sprake is van opzet en subsidiair dat sprake is van grove schuld, rust op de Inspecteur de bewijslast aannemelijk te maken primair dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2013 zich ervan bewust is geweest dat (een aanmerkelijke kans bestond dat) de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was en subsidiair dat belanghebbende zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem kan worden verweten dat de aangifte op het punt van de giftenaftrek onjuist was.

5.3.1.

De Inspecteur heeft op grond van de verschillende onderzoeken naar de [stichting] onder meer de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] aangevoerd:

  • -

    de vaststelling van een controlemedewerker dat namens de [stichting] in het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties zijn uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie zijn verantwoord;

  • -

    dat in het jaar 2013 in de jaarstukken van de [stichting] € 88.564 aan donaties is verantwoord, terwijl in de diverse aangiften over dat jaar in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] is aangegeven;

  • -

    de verklaringen van verdachten dat giftkwitanties voor een bepaald percentage van het giftbedrag werden gekocht/verkocht van de [stichting] ;

  • -

    dat uit de inbeslaggenomen administratie van de [stichting] volgt dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek;

  • -

    een anonieme tip aan de FIOD dat de kwitanties zijn vervalst en gebruikt door meerdere personen om een belastingteruggaaf te bewerkstelligen;

  • -

    dat na de intrekking van de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014, dat op 19 december 2013 was aangekondigd, in de periode van 1 januari tot 6 januari 2014 een opvallend groter aantal kwitanties is geboekt dan in voorgaande jaren;

  • -

    de whatsapp- en sms-berichten en de verklaringen van onder andere de penningmeester van de [stichting] waaruit volgt dat een levendige handel in giftkwitanties bestond en dat uit die berichten volgt dat de data op de kwitanties worden afgestemd op de data van willekeurige pinopnamen;

  • -

    de verklaring van een informant aan het Team Criminele Inlichtingen waaruit volgt dat de leiding van de [stichting] op de hoogte is van de belastingfraude door middel van de giftkwitanties en meewerkt aan de uitgifte daarvan;

  • -

    de verklaring van de penningmeester van de [stichting] dat slechts een handvol mensen het volledige vermelde bedrag op de giftkwitanties hebben betaald maar dat die bedragen maximaal € 300 of € 400 betreffen;

  • -

    de verklaringen van diverse personen aan de FIOD en de Belastingdienst die de handel in kwitanties hebben bevestigd;

  • -

    een overzicht van uitgeschreven kwitanties voor 2013 waarvan de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeenkomen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen;

  • -

    een doorlopend handgeschreven kasboek waarin de werkelijk ontvangen bedragen werden opgenomen; de werkelijk ontvangen bedragen (donaties) bedroegen veelal 10% tot 12% van de uitgegeven kwitanties.

5.3.2.

De Inspecteur heeft ten aanzien van belanghebbendes betrokkenheid bij voormelde handel in giftkwitanties de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:

  • -

    het handgeschreven kasboek vermeldt een bedrag van € 610 met de datum 9 maart 2014 en met de omschrijving "Donatie [belanghebbende]" terwijl in de aangifte IB/PVV over 2014 geen giften aan de [stichting] in aftrek zijn gebracht;

  • -

    de naam van belanghebbende komt voor in het overzicht van de uitgeschreven kwitanties voor 2013;

  • -

    het bedrag, zoals opgenomen in het handgeschreven kasboek, bedraagt exact 10% van de door belanghebbende in het jaar 2013 in aftrek gebrachte gift aan de [stichting] van € 6.100;

  • -

    de aangifte IB/PVV 2013 van belanghebbende is op 18 maart 2014 ontvangen, kort na de vermelding van de naam van belanghebbende in het handgeschreven kasboek (9 maart 2014);

  • -

    belanghebbende heeft in de jaren 2008-2018, met uitzondering van 2013, geen andere (substantiële) giften in aftrek gebracht.

5.4.1.

Uit hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd volgt een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Voorts volgt daaruit dat de valse giftkwitanties door de belastingplichtigen werden gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de betreffende giftkwitantie.

5.4.2.

Uit het onderzoek van de FIOD volgt dat de handgeschreven kasboeken van de [stichting] in totaal 1.192 donaties vermelden met een totaalbedrag van € 489.087,70 in de periode december 2013 tot en met december 2016. Hierbij is het bedrag van het grootste deel van de donaties lager dan € 500. Gelet op i) voormelde handelwijze waarbij de valse giftkwitanties veelal werden verhandeld voor 10%-12% van daarop vermelde bedragen en ii) de verklaringen de penningmeester en de verklaringen van getuigen en belastingplichtigen waaruit blijkt dat veelal een paar honderd euro is betaald voor de giftkwitanties, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het handgeschreven kasboek de juiste bedragen vermeldt.

5.5.1.

De naam van belanghebbende komt in het handgeschreven kasboek voor onder vermelding van een donatie van € 610 op 9 maart 2014, terwijl belanghebbende voor het belastingjaar 2014 geen giften aan de [stichting] heeft opgevoerd in zijn aangifte. Wel heeft belanghebbende in het jaar 2013 een gift aan de [stichting] van € 6.100 in aftrek gebracht. Het bedrag, zoals opgenomen in het kasboek, bedraagt exact 10% van de in 2013 in aftrek gebrachte gift. Deze bevindingen ten aanzien van belanghebbende komen overeen met de handelwijze die volgt uit het strafrechtelijke onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties van de [stichting] .

5.5.2.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de omstandigheid dat belanghebbende in de jaren 2008 tot en met 2018, met uitzondering van het onderhavige jaar, in zijn aangiften geen substantiële bedragen aan giften in aftrek heeft gebracht, is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende in het onderhavige jaar gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] en dat hij zich ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2013 ervan bewust is geweest dat de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was.

5.6.

De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een bewijsvermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207).

5.7.1.

Belanghebbende heeft ter zitting betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van valse aangiften. Hij voert daartoe aan dat hij de giften aan de [stichting] daadwerkelijk heeft gedaan, dat de verklaringen van de penningmeester niet betrouwbaar zijn en dat dat eveneens geldt voor het handgeschreven kasboek van de [stichting] . Tevens heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij in 2014 geen giften aan de [stichting] heeft gedaan.

5.7.2.

Het Hof ziet geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de penningmeester over de handelwijze met betrekking tot de valse giftkwitanties. De verklaringen van de penningmeester zijn bevestigd door verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen die door de FIOD en de Inspecteur zijn gehoord. Daarnaast bevat het FIOD-rapport diverse onderzoeken van opsporingsambtenaren naar onder andere tekstberichten op in beslag genomen telefoons en de administratie van de [stichting] die voormelde handelwijze bevestigen.

5.7.3.

Het Hof ziet, anders dan belanghebbende, evenmin reden te twijfelen aan de in het handgeschreven kasboek vermelde datums en bedragen van de giften. Die kasadministratie vormt een (administratieve) weergave van de handelwijze waarbij de giftkwitanties voor een bepaald percentage van de daarop vermelde bedragen werden verkocht. Verder volgt uit die kasadministratie en uit de verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen dat de kwitanties werden gekocht op een latere datum dan vermeld op de uitgeschreven kwitanties.

Belanghebbende heeft bovendien onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat ten aanzien van hem van andere data of bedragen dan die vermeld in het kasboek moet worden uitgegaan. Dat belanghebbende, zoals hij heeft gesteld, in 2014 geen giften aan de [stichting] heeft gedaan vormt, gelet op de vermelding van de naam van belanghebbende in het handgeschreven kasboek op 9 maart 2014, een bevestiging van deelname aan de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] zoals hiervoor is beschreven.

5.8.

Gelet op hetgeen onder 5.7.1 tot en met 5.7.3 is overwogen, heeft belanghebbende het bewijsvermoeden dat hij in onderhavige jaren gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] niet ontzenuwd. Dit betekent dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2013 zich ervan bewust is geweest dat de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was, zodat het opzet bewezen is.

Hoogte van de boete

5.9.1.

De Inspecteur heeft de boete bepaald op 75%, te weten 50% voor het opzet van belanghebbende verhoogd met 25% wegens strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB, tekst 2013). Ingevolge laatstvermelde bepaling van het BBBB is voor het in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning.

5.9.2.

De Inspecteur stelt dat het gebruikmaken van falsificaties (de valse giftkwitanties) geldt als een strafverzwarende omstandigheid.

5.9.3.

Gelet op hetgeen in 5.3.1 tot en met 5.8 is overwogen acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan het willens en wetens doen van een onjuiste aangifte als gevolg waarvan de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Gelet op de ernst van de gedragingen, te weten het gebruikmaken van valse giftkwitanties, acht het Hof de opgelegde boete van 75% van het nagevorderde bedrag passend en geboden.

Slotsom

5.10.

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking, de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht; en

- bevestigt de uitspraak op bezwaar.

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier N. Veenstra. De beslissing is op 12 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.