Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:206

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
11-02-2021
Zaaknummer
2200098820
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag en (zware) mishandeling.

Niet boven redelijke twijfel verheven kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die het vuurwapen heeft afgevuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000988-20

Parketnummer: 10-741042-19

Datum uitspraak: 21 januari 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 04 september 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen (op een korte afstand) één of meer kogels heeft afgevuurd op, althans in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] is geraakt in de linkerheup, althans in het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 04 september 2017 te Rotterdam aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de linkerheup met verscheuring van de linkerbekkenslagader en/of een slagaderlijke bloeding, heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte met een vuurwapen (op een korte afstand) één of meer kogels afgevuurd op, althans in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] is geraakt in de linkerheup, althans in het lichaam;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 04 september 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen (op een korte afstand) één of meer kogels heeft afgevuurd op, althans in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] is geraakt in de linkerheup, althans in het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof stelt vast dat uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de verdachte in de nacht van 3 op 4 september 2017 een vuurwapen bij zich droeg, toen hij de flatwoning van zijn vriendin aan [straat] te Rotterdam verliet. Vervolgens heeft aldaar een treffen plaatsgevonden tussen verdachte en ten minste het slachtoffer [slachtoffer], waarbij het vuurwapen is afgegaan, ten gevolge waarvan deze [slachtoffer] potentieel levensbedreigend letsel heeft opgelopen, te weten een schotwond in de linker heup.

Naar het oordeel van het hof kan echter niet boven redelijke twijfel verheven worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die het vuurwapen heeft afgevuurd.

Zo vindt de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte het wapen uit zijn broeksband pakte en het met uitgestrekte hand op hem en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] richtte geen steun in de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die beiden verklaren dat de verdachte zijn hand liet rusten op het zich in zijn broeksband bevindende wapen en dat [medeverdachte 1] toen “op dat wapen” is gesprongen.

Vast staat dat het schot waardoor [slachtoffer] is verwond in de daarop volgende worsteling is afgegaan. In aanmerking genomen dat op dat moment zowel [medeverdachte 1] als [slachtoffer] trachtten het wapen van verdachte af te pakken is het de vraag welke feitelijke gang van zaken de basis vormde voor de onder deze omstandigheden zonder verdere specificatie onvoldoende feitelijke verklaring van [slachtoffer] ”Hij heeft me neergeschoten”, de evenzeer onvoldoende feitelijke verklaring van [medeverdachte 1] “Die jongen schoot tijdens dat gevecht” en de evenzeer onvoldoende feitelijke verklaring van [medeverdachte 2] “Laat ik het zo zeggen [verdachte] is de jongen die geschoten heeft”. Deze vraag wordt in de processen-verbaal van verhoor uit het opsporingsonderzoek niet beantwoord.

In aanmerking behoort te worden genomen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de tegenover de politie afgelegde verklaringen deden in de hoedanigheid van aangehouden verdachte, zodat bij het afleggen van die verklaringen mogelijk in verhouding tot het belang van de waarheidsvinding minder zuivere motieven een rol hebben gespeeld.

Daarbij komt dat de weinig consistente verslaglegging van het opsporingsonderzoek de vraag oproept of de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] überhaupt wel berusten op eigen waarneming van de voor de beoordeling van de tenlastelegging relevante feiten en omstandigheden.

Zo ziet de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] volgens het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (p. 1) twee minuten na de melding van het schietincident een Peugeot rijden, waaruit zij ter hoogte van de plaats delict twee mannen ziet stappen. Vervolgens herkent zij deze twee mannen onder de drie welke de gewond op straat liggende [slachtoffer] omringen, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Daaruit zou volgen dat tenminste een van de getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] mogelijk niet uit eigen waarneming over het schietincident heeft verklaard. Sterker nog: de verslaglegging van [verbalisant 1], die niet weergeeft wie van de drie personen zij als de beide inzittenden van de Peugeot herkende, laat niet toe uit te sluiten dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beiden uit de Peugeot zijn gestapt en mogelijk niet uit eigen waarneming over het schietincident hebben verklaard.

Weliswaar bevat het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (p. 5) de weergave van de mededeling van [verbalisant 1] dat zij op de plaats delict kwam en aldaar [medeverdachte 1] gebukt bij het slachtoffer zag staan, maar hoe dit zich verhoudt tot de op ambtseed gerelateerde waarneming van [verbalisant 1] dat zij bij aankomst drie manspersonen bij [slachtoffer] gehurkt zag zitten volgt uit het dossier niet.

Allesbehalve verhelderend is voorts het op p. 57 van het dossier opgenomen proces-verbaal van inspecteur van politie [verbalisant 3], waarin deze op ambtseed verklaart dat hem uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], alsmede uit de bevindingen van de collega’s ter plaatse, bleek dat ter hoogte van het “achtergebleven, neergeschoten slachtoffer” een Peugeot stopte waaruit 3 mannen stapten, waarvan er een op het slachtoffer afliep.

Alles overwegende bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de nadere opheldering die noodzakelijk is voor de door het hof aan de wettige bewijsmiddelen te ontlenen overtuiging.

Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.888,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het vonnis waarvan beroep.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij

niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer]

niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. R.F. de Knoop en mr. M.C. Bruining, in bijzijn van de griffier mr. F.A. Janse.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 januari 2021.