Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:2037

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2021
Datum publicatie
29-10-2021
Zaaknummer
200.299.070/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling; omgangsproblematiek; ouders geen gezamenlijk gezag over de minderjarige; maatstaf ECLI:NL:HR:2016:295; hof vernietigt verlenging ondertoezichtstelling door de kinderrechter.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 260
Burgerlijk Wetboek Boek 1 255
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2022/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.299.070/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 21-560

zaaknummer rechtbank : C/09/608960

beschikking van de meervoudige kamer van 12 oktober 2021, geminuteerd op 20 oktober 2021

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.M. Krommendijk te Zoetermeer,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als informant is aangemerkt:

[informant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.W. Kuiper te Den Haag.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de raad.

1 De zaak en de beschikking in het kort

1.1

Het gaat in deze zaak over de verlenging van de ondertoezichtstelling van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] . De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft in een beschikking van 11 mei 2021 (hierna: de bestreden beschikking) de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 13 mei 2021 tot 1 november 2021. De moeder is het met deze beslissing niet eens. Volgens haar is een verlenging van de ondertoezichtstelling niet in het belang van [minderjarige] en bestaat daarvoor ook geen grond.

1.2

Op de zitting bij het hof is gebleken dat op 26 oktober 2021 een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsvindt over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in de periode na 1 november 2021. Gelet op het spoedeisend belang van partijen bij het verkrijgen van duidelijkheid over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in de daaraan voorafgaande periode, heeft het hof direct na afloop van de behandeling ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking van de mondeling gedane uitspraak, waarin het hof de bestreden beschikking met ingang van 12 oktober 2021 heeft vernietigd en met ingang van deze datum alsnog het inleidende verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft afgewezen. Dat betekent dat [minderjarige] sinds 12 oktober 2021 niet meer onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling. Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure en van hetgeen in hoger beroep in geschil is. Daarna zal het hof zijn beslissing motiveren.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift van de moeder, ingekomen op 6 augustus 2021;

  • -

    het verweerschrift van de gecertificeerde instelling, ingekomen op 4 oktober 2021;

  • -

    een journaalbericht van de moeder van 5 oktober 2021 met bijlagen, ingekomen op 6 oktober 2021.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 oktober 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de feiten zoals de kinderrechter die in de bestreden beschikking heeft weergegeven, omdat geen van partijen hier in hoger beroep tegen opgekomen is. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de moeder is geboren [naam minderjarige] , op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

3.3

[minderjarige] is erkend door de vader.

3.4

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.5

[minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder.

3.6

[minderjarige] is op 1 november 2018 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 13 mei 2021 tot 1 november 2021 met behoud van de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.

4.2

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gecertificeerde instelling in haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk te verklaren althans dat verzoek als ongegrond en onbewezen af te wijzen. Kosten rechtens.

4.3

De gecertificeerde instelling verzoekt het hof het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Verlenging ondertoezichtstelling

Juridisch kader

5.1

Voordat het hof overgaat tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , zal het hof aangeven wat daarover in de wet staat.

5.2

Op grond van artikel 1:260 lid 1 in verband met artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Oordeel van het hof

5.3

[minderjarige] staat sinds 1 november 2018 onder toezicht van de gecertificeerde instelling. Gedurende de ondertoezichtstelling is ingezet op het vormgeven van het contact tussen de vader en [minderjarige] . Sinds maart 2019 hebben zij omgang met elkaar onder begeleiding van het Wilmahuis. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat deze omgangscontacten de afgelopen tweeënhalf jaar wisselend zijn verlopen. Zo volgt uit een evaluatie van het Wilmahuis van 8 februari 2021 dat beide ouders in het verleden bezoeken hebben geannuleerd. Ook op dit moment verloopt de omgang tussen de vader en [minderjarige] niet zonder problemen. Op de zitting bij het hof is naar voren gekomen dat zeer recent nog twee bezoekmomenten niet zijn doorgegaan vanwege afzegging door de vader. In juni 2021 heeft de gecertificeerde instelling een stappenplan opgesteld voor het uitbreiden van de omgang. In hoger beroep is gebleken dat partijen zich nog altijd in de eerste stap van het stappenplan bevinden.

5.4

Over dit stappenplan voert de moeder aan dat zij het onbegrijpelijk vindt dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] wordt uitgebreid, terwijl de vader niet werkt aan zijn persoonlijke doelen. Hij geeft geen inzicht in zijn dagbesteding, zijn netwerk en zijn opvoedvaardigheden en hij weigert een agressieregulatie-training te volgen. In het verleden zijn verschillende zorgen geuit, onder meer door de raad, over de veiligheid van [minderjarige] in de contacten met haar vader. De moeder benadrukt dat het noodzakelijk is dat daarop zicht komt, maar dat dit nog steeds niet het geval is. Zolang de vader niet aan de voorwaarden voldoet, kan geen uitbreiding van de omgang plaatsvinden. Aangezien dat het enige doel is van de ondertoezichtstelling, is er volgens de moeder geen grond meer voor een dergelijke maatregel. Bovendien loopt de ondertoezichtstelling vast. Als de veiligheid van [minderjarige] bij de vader niet in beeld kan worden gebracht, kan de moeder ook niet werken aan haar emotionele beschikbaarheid.

5.5

De gecertificeerde instelling is van mening dat de ondertoezichtstelling terecht is verlengd door de kinderrechter. Volgens haar is er wel degelijk zicht op de opvoedvaardigheden van de vader. De gecertificeerde instelling ontvangt namelijk rapportages van het Wilmahuis over de begeleide omgangsmomenten. Ook zijn er de afgelopen tijd gesprekken gevoerd met de vader, het netwerk van de vader en de wijkagent. De ondertoezichtstelling is niet enkel bedoeld om de omgang tussen de vader en [minderjarige] te continueren. Er zijn ook zorgen over de houding van de moeder tegenover [minderjarige] als het gaat om de omgang met de vader, aldus de gecertificeerde instelling. De moeder lijkt onvoldoende open te staan voor een hulpverleningstraject, terwijl dit noodzakelijk is om positief en onbelast contact te laten ontstaan tussen de vader en [minderjarige] . Het is beide ouders de afgelopen periode onvoldoende gelukt om te werken aan hun individuele doelen.

5.6

De vader vindt ook dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd. Hij heeft op de zitting bij het hof naar voren gebracht dat hij al veel stappen heeft gezet, waaronder deelname aan een agressieregulatie-training een aantal jaren geleden. Hij zegt volledige openheid van zaken te geven en hij vraagt zich af wat hij nog meer moet doen om te laten zien dat hij aan de gestelde voorwaarden voldoet.

5.7

Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:295) de volgende maatstaf geldt bij een ondertoezichtstelling in een geval als de onderhavige, waarin problemen bestaan bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling:

Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen. Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden. Dat uit de raadsreportage en het verhandelde ter terechtzitting het Hof is gebleken dat een omgangsregeling niet op vrijwillige basis tot stand komt en dat de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting heeft gesteld dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling als ze geen contact heeft met haar biologische vader, levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige.”

5.8

Uit bovengenoemde rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat er strenge voorwaarden gelden voor het opleggen dan wel verlengen van een zogenoemde “omgangsondertoezichtstelling.” Het hof is van oordeel dat op dit moment niet aan deze voorwaarden wordt voldaan. Niet is gebleken dat [minderjarige] (nog steeds) ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de overgelegde stukken volgt dat er geen zorgen zijn over de verzorging of opvoeding van [minderjarige] door de moeder. Sterker nog, de gecertificeerde instelling constateert dat het de moeder voldoende lukt om [minderjarige] te voorzien van passende voeding, kleding en structuur. Bovendien staat in het inleidende verzoekschrift van de gecertificeerde instelling dat [minderjarige] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt en dat het kinderdagverblijf van [minderjarige] geen zorgen over haar heeft. Het hof is daarom van oordeel dat er op dit moment geen grond meer is om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te handhaven. De gecertificeerde instelling noemt geen duidelijke zorg- of kindsignalen en uit niets blijkt dat het niet goed gaat met [minderjarige] . De gecertificeerde instelling lijkt de ondertoezichtstelling met name te willen handhaven om de omgang tussen de vader en [minderjarige] voort te zetten en uit te breiden, maar daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die een ernstige ontwikkelingsbedreiging tenminste aannemelijk maken. Van dergelijke bijkomende omstandigheden is het hof niet gebleken.

Daar komt bij dat de gecertificeerde instelling al bijna drie jaar lang probeert om de omgang tussen de vader en [minderjarige] op een passende manier vorm te geven, maar dit nog altijd onvoldoende van de grond komt. Een en ander lijkt mede het gevolg van een probleem in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit probleem is gelegen in het feit dat de gecertificeerde instelling de vader geen schriftelijke aanwijzingen kan geven, omdat hij het gezag over [minderjarige] niet uitoefent. Tot op heden is er weinig voortuitgang geboekt binnen de ondertoezichtstelling en het blijven verlengen van deze maatregel lost het genoemde uitvoeringsprobleem niet op. Het hof benadrukt dat een ondertoezichtstelling is bedoeld als tijdelijke maatregel.

5.9

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak geen grond bestaat voor het (opnieuw) verlengen van een ingrijpende, gezagsbeperkende maatregel als een ondertoezichtstelling. Het hof beëindigt de ondertoezichtstelling daarom per 12 oktober 2021, de datum van de mondelinge uitspraak van het hof. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij de ondertoezichtstelling is verlengd voor de periode na 12 oktober 2021 en het inleidende verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling na die datum alsnog afwijzen.

5.10

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. Op de zitting in hoger beroep is met partijen besproken dat de omgangsproblematiek door het beëindigen van de ondertoezichtstelling niet is opgelost. Het is nu aan de ouders - zonder tussenkomst van een jeugdbeschermer - om stappen te zetten als het gaat om het vormgeven van de omgang tussen de vader en [minderjarige] , al dan niet met hulp en begeleiding vanuit het Wilmahuis. Het hof benadrukt dat het van groot belang is dat beide ouders blijven investeren in het contact tussen de vader en [minderjarige] , zodat deze uiteindelijk positief en onbelast contact met elkaar kunnen hebben.

Proceskosten

5.11

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

5.12

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling vanaf 12 oktober 2021 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het inleidend verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , voor zover dit betrekking heeft op de periode vanaf 12 oktober 2021;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Den Haag, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, A.A.F. Donders en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. L.A.J. Brouwer als griffier, en is op 12 oktober 2021 mondeling uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier en geminuteerd op 20 oktober 2021.